Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Het leven der bijen
Author: Maeterlinck, Maurice
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.

*** Start of this LibraryBlog Digital Book "Het leven der bijen" ***

HET LEVEN DER BIJEN

DOOR

MAURICE MAETERLINCK


VERTALING VAN

MEVROUW G.M. VAN DER WISSEL-HERDERSCHEE



AMSTERDAM

C.L.G. VELDT



EERSTE BOEK.

OP DEN DREMPEL VAN DEN BIJENKORF.



I.


't Is niet mijn bedoeling een verhandeling te schrijven over bijen of
bijenteelt. Alle beschaafde landen bezitten er uitstekende, en 't zou
noodelooze arbeid zijn die te verdringen. Frankrijk heeft die van
Dadant, George de Layens en Bonnier, Bertrand, Hamet, Weber, Clément,
abt Collin, enz. De landen waar de Engelsche taal gesproken wordt hebben
Langstroth, Bevan, Cook, Cheshire, Cowan, Root en hunne leerlingen.
Duitschland heeft Dzierzon, Von Berlepsch, Pollmann, Vogel en vele
anderen.

Evenmin zal het een wetenschappelijke monographie zijn over de _apis
mellifica, ligustica, fasciata_ enz., of een bundel nieuwe opmerkingen
of studies. Ik zal bijna niets zeggen, wat niet een bekende zaak is voor
allen, die zich eenigermate met de bijen hebben bezig gehouden. Om dit
werk niet te zwaar te maken, heb ik een aantal ervaringen en
opmerkingen, die ik gedurende de twintig jaren dat ik mijn aandacht aan
de bijen wijd, heb opgedaan en die voor een beperkter kring van
speciale liefhebbers interessant zijn, voor een meer technisch werk
bewaard. Ik wil eenvoudig wat praten over de "blondes avettes" van
Ronsard, zooals men tegen iemand, die het niet kent, spreekt over een
voorwerp, dat men zelf kent en liefheeft. Ik hoop de waarheid niet op te
sieren of te doen wat Réaumur terecht heeft verweten aan allen, die zich
vóór hem hebben beziggehouden met onze honigbijen, dat ze namelijk iets
denkbeeldig wonderbaars in de plaats stelden van het reëel wonderbare.
Er is veel wonderbaarlijks in den bijenkorf, dat is geen reden om er nog
meer aan toe te voegen. Bovendien heb ik het reeds lang opgegeven, in
deze wereld een interessanter en schooner wonder te zoeken dan de
waarheid zelve, of althans dan de poging van den mensch deze te leeren
kennen. Laten we niet trachten de grootheid van het leven in het
onzekere te zoeken. Alle dingen waarvan we zeer zeker zijn, zijn zeer
groot en tot nu toe is er nog geen enkel, waar we geheel achter zijn. Ik
zal dus niets meedeelen, wat ik niet zelf heb waargenomen, of wat zóó
algemeen wordt erkend door de klassieke beoefenaars der bijenkunde, dat
het noodelooze moeite zou zijn, de waarheid daarvan nog te willen
onderzoeken. Mijne taak zal er zich toe bepalen, de feiten op een even
stellige, doch eenigermate levendiger manier voor te stellen, er enkele
uitvoeriger en vrijere overdenkingen tusschen te mengen, en ze te
groepeeren op een eenigszins harmonieuser wijze dan men dat in een gids,
een praktische handleiding of wetenschappelijke monographie doen kan.
Wie dit boek heeft gelezen, zal nog niet in staat zijn bijen te houden,
maar hij zal zoo ongeveer alles weten wat er zekers, interessants,
dieps en intiems over de bewoners van den korf bekend is. 't Is maar
weinig in vergelijking met hetgeen nog te leeren overblijft.

Alle dwaalbegrippen, die nog altijd op het land en in vele boeken de
fabel van de bijenteelt uitmaken, ga ik met stilzwijgen voorbij. Als er
omtrent een of ander twijfel, verschil van meening, enkel gissingen
bestaan, als ik aan het onbekende kom, dan zal ik het eerlijk zeggen. Ge
zult zien, dat wij dikwijls voor het onbekende komen te staan. Behalve
de groote waarneembare feiten van hunne staatsinrichting en hunne
werkzaamheid, weet men weinig nauwkeurigs omtrent de fabelachtige
dochteren van Aristaeus. Hoe langer men ze kweekt, hoe meer men leert
inzien, dat men niets weet omtrent de diepten van hun werkelijk bestaan;
maar dit is toch een onwetendheid, die beter is dan de onbewuste en
welvoldane onwetendheid, welke de kern van onze kennis van het leven
uitmaakt, en dit is waarschijnlijk al wat de mensen in deze wereld kan
hopen te leeren.

Bestond er reeds een dergelijk werk over de bijen? Ik persoonlijk ken,
hoewel ik meen bijna alles te hebben gelezen wat men over hen geschreven
heeft, al niet anders in dit genre dan het hoofdstuk, dat Michelet aan
hen wijdt aan het slot van _Het insekt_, en de verhandeling over hen
door Ludwig Büchner, den beroemden schrijver van _Kracht en Stof_, in
zijn _Geestesleven der dieren_.[1] Michelet heeft het onderwerp
nauwelijks aangeroerd; wat Büchner betreft, zijn studie is vrij
volledig, maar wegens zijn gewaagde mededeelingen, de legendarische
trekken en de sedert lang verworpen praatjes, die hij verhaalt, verdenk
ik hem, dat hij zijn studeervertrek niet heeft verlaten om zijne
heldinnen te ondervragen, en nooit een enkelen van de honderden gonzende
korven geopend heeft, die korven, vlammend van vleugel-geschitter, die
men moet schenden vóór dat ons instinkt weerklank geeft op hunne
geheimen, vóór dat men is doordrongen van de atmosfeer, den geur, den
geest, het mysterie van deze vlijtige maagden. Het boek riekt noch naar
honig noch naar de bij en heeft het gebrek van vele onzer geleerde
boeken, wier conclusies dikwijls voorbarig zijn, en wier
wetenschappelijke uitrusting bestaat uit een enorme opeenstapeling
onzekere, van allerwege vergaarde anekdoten. Overigens zal ik bij mijn
arbeid hem zelden ontmoeten, daar zoowel ons uitgangs- als ons
gezichtspunt en ons doel, zeer verschillend zijn.


[1] Wij zouden ook nog de monographie van Kirby en Spence kunnen noemen
in hun _Inleiding tot de Entemologie_, maar deze is bijna uitsluitend
technisch.



II.


De bibliographie over de bij (we beginnen met de boeken om er ons
spoediger van af te maken en tot den oorsprong zelf van deze boeken te
komen) is bijzonder uitgebreid. Van den beginne aan maakte dit vreemde
wezentje, dat in een eigen maatschappij leefde, onder zeer ingewikkelde
wetten, en dat in het schemerduister zulke wonderen uitvoerde, de
nieuwsgierigheid van den mensch gaande. Aristoteles, Cato, Varro,
Plinius, Collumelle en Palladius, hebben er zich mee bezig gehouden,
zonder nog te spreken van den wijsgeer Aristomachus, die naar het zeggen
van Plinius hen acht en vijftig jaren lang waarnam, en van Phyliscus van
Thasos, die op woeste plaatsen woonde om niets dan hen te zien, en die
"de Wilde" werd bijgenaamd.

Maar dit behoort veeleer tot de legende van de bij en al wat men er uit
kan halen, dat wil zeggen bijna niets, is samengevat in den vierden zang
van Virgilius' Georgica.

Hare geschiedenis begint eerst in de XVIIde eeuw met de ontdekkingen van
den grooten Nederlandschen geleerde Swammerdam. Toch moeten wij hier een
weinig bekende bijzonderheid aan toevoegen, deze namelijk, dat vóór
Swammerdam een Vlaamsch natuuronderzoeker, Clutius namelijk, eenige
belangrijke waarheden had uitgesproken, o.a. dat de koningin de eenige
moeder is van haar gansche volk en dat zij de attributen der beide sexen
bezit; doch hij had ze niet bewezen. Swammerdam vond de ware methode van
wetenschappelijk onderzoek, schiep het mikroskoop, vond de inspuitingen
uit als middel om ze tegen bederf te bewaren, ontleedde de bijen voor 't
eerst, stelde definitief door de ontdekking van de eierstokken en den
eierleider het geslacht der koningin vast, die men tot op dat oogenblik
voor een koning gehouden had, en verlichtte op eens door een
onverwachten lichtstraal, de gansche staatkunde van den korf, door die
op het moederschap te baseeren. En eindelijk maakte hij schetsen en
teekende platen van zulk een volmaaktheid, dat ze nog heden dienen om
meer dan ééne verhandeling over bijenteelt te illustreeren. Hij leefde
in het volle en roezige Amsterdam dier dagen, waar hij het heerlijk
buitenleven betreurde, en stierf afgemat van zijnen arbeid op drie en
veertigjarigen leeftijd. In een vromen en helderen stijl, met schoone en
eenvoudige ontboezemingen van een geloof, dat vreest te wankelen en
alles doet strekken tot eere van den Schepper, legde hij zijn
waarnemingen neer in zijn groot werk _Bijbel der Natuure_, dat Boerhave
een eeuw later van het Hollandsch in het Latijn liet vertalen onder den
titel van _Biblia Naturae_ (Leiden, 1737.)

Vervolgens kwam Réaumur die, zich aan dezelfde methode houdende, een
massa ervaringen en interessante waarnemingen verzamelde in zijne tuinen
te Charenton en een heel deel van zijn _Gedenkschriften voor de
geschiedenis der insekten_ aan de bijen wijdde. Het laat zich met vrucht
en zonder verveling lezen. Het is helder, eerlijk, nauwkeurig en niet
ontbloot van zekere aantrekkelijkheid, al is hij eenigszins norsch en
droog. Hij legde er zich voornamelijk op toe, vele oude dwaalbegrippen
uit den weg te ruimen, verbreidde enkele nieuwe, verklaarde voor een
deel de vorming der zwermen en het staatkundig bestuur der koningin, in
één woord hij vond verscheidene niet voor de hand liggende waarheden en
bracht ons op het spoor van vele andere. In 't bijzonder schonk hij de
wijding zijner kennis aan de wonderen van den bouw der korven en al wat
hij daarvan gezegd heeft is nog steeds onovertroffen. Hem hebben we ook
het idee van glazen korven te danken, die nadat ze later veel
verbeteringen hebben ondergaan, geheel het privaat leven van deze schuwe
werksters hebben blootgelegd, welke hun werk beginnen in het verblindend
licht der zon maar het eerst voltooien in de duisternis. Om volledig te
zijn zou ik nog de eenigszins jongere onderzoekingen en werken van
Charles Bonnet en Schirach (die het raadsel van het koninklijk ei
oploste) moeten noemen; maar ik houd me aan groote lijnen en ben nu
gekomen tot François Huber, de klassieke meester onzer hedendaagsche
bijenkunde.

Huber, in 1750 te Genève geboren, werd reeds in zijn vroegste jeugd
blind. Van den beginne aan vol belangstelling voor de waarnemingen van
Réaumur, die hij wilde controleeren, vat hij weldra een waren hartstocht
op voor deze onderzoekingen, en met behulp van een trouwen,
intelligenten dienaar, François Burnens, wijdt hij van nu af aan zijn
gansche leven aan de bij. In de geschiedboeken van menschelijk leed en
overwinning is niets zoo treffend en zoo vol nuttige wenken voor ons als
de geschiedenis van dit geduldig samenwerken, waarbij de een, die
slechts onstoffelijk licht opving, door zijnen geest de handen en
blikken van den ander leidde, die het werkelijk licht mocht genieten;
waarbij hij, die naar men verzekert nooit met eigen oogen een honigraat
had aanschouwd, door den sluier dier doode oogen heen, door welken die
andere sluier, waarin de natuur alles hult, dubbel dicht voor hem werd,
de diepste geheimen ontdekte van het genie, dat die onzichtbare
honigraat formeerde, als om ons te leeren, dat er geen toestand bestaat,
waarin we voor goed hoeven af te zien van de hoop en van het zoeken naar
waarheid. Ik zal niet alles opsommen wat de bijenkunde aan Huber
verschuldigd is, 't zal mij gemakkelijker vallen te zeggen, wat ze hem
niet verschuldigd is. Zijn _Nieuwe waarnemingen over de bijen_, waarvan
het eerste deel in 1789 geschreven werd in den vorm van brieven aan
Charles Bonnet, en het tweede deel eerst twintig jaar later verscheen,
zijn nog altijd de rijke en veilige schat waaruit alle bijenkenners
putten. Ik geef toe, dat er eenige dwaalbegrippen, enkele onvolledige
waarheden in voorkomen: sedert hij zijn boek schreef is men veel verder
gekomen in de micrographie, de praktische bijenteelt, de behandeling der
koninginnen enz.; maar men heeft geen enkele zijner groote waarnemingen
kunnen weerleggen of fouten daarin aanwijzen, ze blijven op dezelfde
basis en onaangetast in onze hedendaagsche wetenschap voortbestaan.



III.


Na de openbaringen van Huber volgen eenige jaren van stilte; maar weldra
ontdekt Dzierzon, pastoor te Carlsmark in Silezië, de parthenogenesis,
d.i. maagdelijke voortteling der koninginnen en komt het eerst op het
denkbeeld van een korf met losse honigraten, die voortaan den
bijenkweeker in staat zal stellen zijn aandeel in den voorraad honig weg
te nemen, zonder zijn beste kolonies te dooden, of in een enkel
oogenblik het werk van een geheel jaar te vernietigen. Deze nog zeer
onvolmaakte korf wordt meesterlijk verbeterd door Langstroth, die den
eigenlijk gezegden mobielbouw uitvindt, welke met buitengewoon succes in
Amerika wordt verbreid. Root, Quinby, Dadant, Cheshire, de Layens,
Cowan, Heddon, Howard enz. enz. brengen nog eenige voortreffelijke
verbeteringen daarin aan. Mehring komt, om den bijen het bewerken der
was en het bouwen van magazijnen, wat hun veel honing en het beste deel
van hun tijd kost, te besparen, op het denkbeeld hun honigraten aan te
bieden, die op mechanische wijze zijn voorzien van cellen-indruk, en
onmiddellijk aanvaarden ze die en gebruiken ze voor hun doel. De
Hruschka vindt het Smelatorium uit, dat door toepassing van de
middelpuntvliedende kracht den honing doet verkrijgen zonder de raten te
breken enz. In weinige jaren wordt geheel gebroken met de routine van de
bijenteelt. De inhoud en de vruchtbaarheid der korven worden
verdriedubbeld. Ruime en produktieve bijenstallen verrijzen van alle
kanten. Van dit oogenblik af neemt het noodelooze uitmoorden der
vlijtigste bijenstaten een einde met de afschuwelijke tegennatuurlijke
selectie, die er het gevolg van was. De mensch wordt in waarheid de
meester der bijen, hun meester in 't geheim en zonder dat ze 't weten,
die alles dirigeert zonder bevelen te geven, en wordt gehoorzaamd zonder
dat men hem kent. Hij treedt op in de plaats van de lotsbestemming der
verschillende seizoenen. Hij herstelt de onrechtvaardigheden van den
tijd des jaars. Hij vereenigt vijandelijke republieken. Hij verdeelt den
rijkdom gelijkelijk. Hij vermeerdert of beperkt het aantal der
geboorten. Hij regelt de vruchtbaarheid der koningin. Hij onttroont en
vervangt haar, nadat hij handig de zoo moeielijk te verwerven
toestemming daartoe heeft afgeperst aan een volk, dat geheel buiten
zichzelf raakt, waar het een onverklaarbare interventie vermoedt. Kalm
schendt hij, indien hij dat noodig oordeelt, het geheim der gewijde
kamers en heel de geslepen en vooruitziende staatkunde van het
koninklijk vrouwenvertrek. Vijf of zesmaal aaneen berooft hij de zusters
van het goede, onvermoeide klooster van de vruchten van hunnen arbeid,
zonder hen te kwetsen, zonder hen te ontmoedigen, zonder hen te
verarmen. Hij regelt de afmetingen der stapelplaatsen en
voorraadschuren hunner huizen naar den oogst van bloemen, die de lente
in hare haast zoo ongelijkmatig over de helling der heuvels verspreidt.
Hij dwingt hen het overdreven aantal minnaars, die wachten op de
geboorte der prinsessen, in te krimpen. In één woord, hij doet met hen
wat hij wil en verkrijgt wat hij vraagt, mits zijn verzoek zich schikt
naar hunne wetten en hunne deugden; want al doende den wil van den god,
die zich zoo onverwacht hunner heeft bemachtigd,--een god te groot om te
worden onderscheiden, en te vreemd om te worden begrepen,--zien ze nog
verder dan deze god zelf, en denken aan niets anders dan aan dat ééne,
in ongeschokte zelfverloochening de geheimzinnige verplichtingen van hun
ras te vervullen.



IV.


Nu de boeken ons gezegd hebben wat ze ons zakelijks te zeggen hadden
over een overoude geschiedenis, zullen we afscheid nemen van de door
anderen verworven kennis om met eigen oogen de bijen te gaan beschouwen.
Een enkel uur in den bijenstand zal ons dingen te zien geven, die
misschien minder nauwkeurig, maar oneindig levendiger en vruchtbaarder
zijn.

Ik heb den eersten bijenstand nog niet vergeten, dien ik te zien kreeg
en waar ik de bijen leerde liefhebben. Het was, al jaren geleden, in een
groot dorp van het nette en bevallige Zeeuwsch-Vlaanderen, dat nog meer
dan Zeeland zelf, als een holle spiegel van Holland den zin voor
levendige kleuren concentreert; het is een wellust voor de oogen even
als mooi, degelijk speelgoed, met zijn kleurige gevels, torens en
wagentjes, zijn blinkende kasten en klokken achter in de gang, zijn
boompjes die langs kaden en grachten geschaard staan als in afwachting
van een of andere aangename en eenvoudige plechtigheid, zijn booten en
schuitjes met bewerkte achterstevens, zijn deuren en ramen die op
bloemen gelijken, zijn keurige sluizen, zijn netjes afgewerkte,
veelkleurige ophaalbruggen, zijn huisjes, die zijn vernist als net en
blinkend aardewerk, en waaruit vrouwen in klokvormige kleeding en
getooid met goud en zilver te voorschijn treden, om de koeien te gaan
melken in weilanden omgeven door witte hekken, of het linnen te gaan
uitspreiden op het bloemrijk, in ovalen en ruiten afgedeelde,
angstvallig groene grastapijt.

Een soort van ouden wijze, gelijkend op den grijsaard van Virgilius,

    "Den koningen gelijk, den goden haast nabij,
    En als deez' laatsten ook zoo rustig en tevreden,"

zou La Fontaine gezegd hebben, had daarheen de wijk genomen, waar het
leven beperkter dan elders zou schijnen, indien het mogelijk ware het
leven werkelijk te beperken. Hij had daar een wijkplaats gezocht, niet
uit afkeer van--want de wijze kent zulk een afkeer niet,--maar een
weinig vermoeid van het ondervragen der menschen, die minder eenvoudig
dan dieren en planten antwoorden op de uitsluitend belangrijke vragen,
die men stellen kan aan de natuur en de werkelijke wetten. Zijn gansche
geluk bestond, evenals dat wan den Scythischen philosoof, in de
schoonheden van zijn tuin, en onder deze schoonheden was de meest
geliefkoosde en meest bezochte een bijenstand bestaande uit twaalf
stroo-korven, die hij geverfd had, sommige hel rose, andere licht geel,
de meeste zacht blauw, want lang vóór de onderzoekingen van Sir John
Lubbock had hij opgemerkt, dat blauw de geliefkoosde kleur der bijen is.
Dezen bijenstand had hij ingericht tegen den gewitten muur van het huis
aan, in den hoek, die gevormd werd door een echte, smakelijke, frissche,
Hollandsche keuken met hare rekken voor aardewerk, en waarin het tin en
koper blonk, dat door de openstaande deur weerkaatst werd in een
vreedzame gracht. En het water met deze huiselijke afbeeldingen onder
een gordijn van populieren, voerde den blik naar den rustigen horizont
van molens en weilanden.

Hier op deze plaats hadden de bijenkorven, evenals overal waar men ze
neerzet, een geheel nieuwe beteekenis gegeven aan de bloemen, de stilte,
de zachte lucht, de zonnestralen. Hier zag men als het ware het
zomerfeest in zijn hoogste voltooiing. Hier rustte men uit aan het
schitterend kruispunt, waar luchtwegen samenvloeien en uiteengaan, de
luchtwegen waarlangs alle geuren van het land, bewegelijk en als
hoorbaar, kwamen aangetreden van den dageraad tot aan de
avondschemering. Hier kon men ze hooren de gelukkige en zichtbaar
geworden ziel, de intelligente en muzikale stem, het brandpunt van de
vroolijkheid der schoone uren van den tuin. Hierheen kwam men om te
leeren in de school der bijen, om door te dringen tot de overheerschende
gedachte der almachtige natuur, tot de lichtende punten van aanraking
der drie rijken, de onuitputtelijke organisatie van het leven en de
moraal van ijverigen en belangeloozen arbeid. En wat even goed is als
deze moraal van den arbeid, de heldhaftige werksters leerden u ook iets
wat minder voor de hand ligt, namelijk den kostelijken smaak der vrije
uren te waardeeren, daar zij als het ware met de gouden letteren van
hunne duizenden kleine wiekjes, de bijna ongrijpbare bekoring dier
ongerepte dagen onderstreepten, die in de velden der ruimte om zichzelf
wentelen, zonder ons iets anders te brengen dan een doorschijnenden bol,
waarin geen enkele herinnering staat opgeteekend, zoo min als in het te
rein geluk.



V.


Om zoo eenvoudig mogelijk de jaarlijksche geschiedenis van den bijenkorf
te kunnen volgen, willen we er een nemen, die in de lente ontwaakt en
den arbeid hervat, daar we zoodoende de groote gebeurtenissen uit het
leven der bijen zich in hun natuurlijke volgorde zullen zien afwikkelen,
te weten: de vorming en het vertrek van den zwerm, de stichting der
nieuwe stad, de geboorte, de gevechten en de paringsvlucht der jeugdige
koninginnen, de moord der darren en de hernieuwde winterslaap. Ieder
dezer voorvallen zal van zelf aanleiding geven tot de vereischte
ophelderingen omtrent de wetten, eigenaardigheden, gewoonten,
omstandigheden, die ze te voorschijn roepen of waarvan ze vergezeld
gaan, zoodat we, aan 't eind van een bijenjaar gekomen, dat zelden
langer duurt dan van April tot einde September, alle geheimen van het
honing-huis hebben gehad. Vóór we het openen en er een vluchtigen blik
in werpen, is het voor het oogenblik voldoende te weten, dat het bestaat
uit een koningin, de moeder van geheel haar volk, uit duizenden
werkbijen of geslachtloozen, onvolkomen gebleven en onvruchtbare
wijfjes, en eindelijk uit een paar honderd darren, uit welke later de
eenige en ongelukkige echtgenoot zal gekozen worden van de toekomstige
heerscheres, die door de werkbijen na het meer of minder vrijwillig
vertrek der regeerende moeder tot koningin wordt uitgeroepen.



VI.


De eerste maal, dat men een bijenkorf opent, gevoelt men een zelfde
soort van emotie als bij het schenden van een onbekend voorwerp, dat
misschien akelige verrassingen voor ons bergt, een graf b.v. De bijen
zijn omgeven door een legende van dreigement en gevaar. We zijn al
zenuwachtig door de herinnering aan die steken, die zulk een geheel
eigenaardige pijn veroorzaken, dat men haast niet weet waarmee ze te
vergelijken, een bliksemende droogte, zou men kunnen zeggen, een soort
van woestijn-vlam, die zich over het gewonde lichaamsdeel verbreidt; 't
is als hadden onze dochteren der zon uit de verhitte stralen van hunnen
oorsprong een schitterend venijn getrokken, om met te beter gevolg de
schatten van zoetigheid te kunnen verdedigen, die zij te danken hebben
aan de welwillende uren der zon.

't Is waar dat een bijenkorf, zonder omzichtigheid geopend door iemand
die het karakter en de zeden der bewoners kent noch eerbiedigt,
onmiddellijk verandert in een brandend braambosch van toorn en
heldenmoed. Maar niets laat zich gemakkelijker verwerven dan de kleine
handgrepen, die vereischt worden om zulk een korf ongestraft te
hanteeren. Men kan volstaan met een beetje rook op het juiste oogenblik
uitgeblazen, en met veel koelbloedigheid en teerheid; en ziet, de goed
gewapende werkbijen laten zich berooven, zonder er ook maar aan te
denken gebruik te maken van hun angel. 't Is niet omdat ze, gelijk men
beweerd heeft, hunnen meester herkennen, ze vreezen den mensch niet;
maar de reuk van den rook, de kalme gebaren, die ze overal in hunne
woning waarnemen doch die hen niet bedreigen, maken dat ze niet denken
aan een overval of aan een geduchten vijand tegen wien men zich nog zou
kunnen verdedigen, doch aan een natuurkracht of natuurlijke catastrophe,
waaraan men zich wel moet onderwerpen. In plaats van een nutteloozen
strijd aan te binden willen ze, krachtens een omzichtigheid, die zich
hier vergist, omdat ze al te ver vooruit ziet, althans de toekomst
redden; ze werpen zich op de honing-provisie om daaruit zooveel te
putten en in haar lichaam te verbergen, dat ze onmiddellijk elders, waar
dan ook, een nieuwe stad kunnen stichten, indien de oude wordt verwoest,
of zij genoodzaakt worden die te verlaten.



VII.


De oningewijde voor wien voor 't eerst een observatie-korf[1] geopend
wordt, heeft aanvankelijk een gewaarwording van teleurstelling. Men had
hem gezegd, dat dit glazen omhulsel een voorbeeldelooze werkzaamheid in
zich besloten hield, een oneindig aantal wijze wetten, een
verbazingwekkende som van genie, van geheimen, ervaringen, berekeningen,
kundigheden, verschillende industrieën, vermoedens, zekerheden,
vernuftige gebruiken, vreemde gevoelens en deugden. En hij ontdekt er
niets dan een verward hoopje roodachtige besjes, vrij wel gelijkend op
gerooste koffieboonen of op krenten, die tegen de glazen zitten
aangeplakt. Die arme besjes zijn meer dood dan levend, heel even bewegen
ze zich met langzame, onsamenhangende en onverklaarbare bewegingen. Hij
vindt ze er niet in terug, die bewonderenswaardige lichtdroppelen, die
zoo even aanhoudend er uitstroomden, en weerkaatsten in den veelbewogen
adem, vol parelen en goud, van duizenden ontloken kelken.

Ze bibberen in de duisternis. Ze stikken in een verstijfde massa; men
zou ze voor zieke gevangenen of van hare waardigheid vervallen
koninginnen houden, die slechts een enkele seconde van glans hebben
gekend te midden der lichtende bloemen van den tuin, om aldra terug te
keeren tot de schande en ellende van hunne sombere, overvolle woning.

Het is met hen als met alle werkelijkheid vol diepte. Men moet ze leeren
waarnemen. Als een bewoner van een andere planeet de menschen bijna
onmerkbaar zag komen en gaan door de straten, zich zag ophoopen rondom
enkele gebouwen of enkele plaatsen, oogenschijnlijk bewegingloos
wachtend op het een of ander binnen in hunne woningen, dan zou hij er
ook uit opmaken, dat ze niets deden en er ellendig aan toe waren. Eerst
op den langen duur onderscheidt men de veelvuldige bedrijvigheid van
deze werkeloosheid.

Inderdaad, ieder dezer bijna onbewegelijke besjes werkt zonder ophouden
en oefent een verschillend handwerk uit. Geen hunner kent de rust en
diegenen onder hen b.v. die het slaperigst lijken en als doode trossen
tegen de ruiten hangen, hebben de geheimzinnigste en meest afmattende
taak: door hen wordt de was gevormd en afgescheiden. Maar weldra zullen
we de détails van deze eenparige werkzaamheid zien. Voor 't oogenblik
kunnen we er mee volstaan, de aandacht te vestigen op den voornaamsten
trek in de natuur der bij, waardoor de merkwaardige opeenhooping van
dien verwarden arbeid wordt verklaard. Vóór alles is de bij, nog in
hooger mate dan de mier, een kuddedier. Zij kan niet anders leven dan in
de massa. Wanneer ze uit een korf komt, die zóó vol is, dat ze door
stooten met haar kopje zich een doortocht moet banen door de levende
muren, die haar insluiten, dan komt ze buiten haar eigenlijk element. Ze
dompelt zich een oogenblik in de ruimte vol bloemen, zooals een zwemmer
zich dompelt in den oceaan vol paarlen, maar op straffe des doods moet
ze bij geregelde tusschenpoozen weer eens de menigte inademen, zooals
een zwemmer telkens op nieuw de lucht. Afgezonderd levend zal ze,
voorzien van overvloedig voedsel en in de gunstigste temperatuur, na
verloop van enkele dagen sterven, niet van honger of kou, maar van
eenzaamheid. De opeenhooping, de staat, scheidt voor haar een
onzichtbaar voedsel af, dat even onontbeerlijk is als de honing. Tot
deze behoefte moet men opklimmen om den geest der wetten van den korf
vast te stellen. In den korf is het individu niets, het heeft slechts
een voorwaardelijk bestaan, het is enkel een onbeduidende faktor, een
gevleugeld orgaan van de soort. Zijn gansche leven is algeheele
opoffering aan het wezen waarvan hij deel uitmaakt, dat niet is te
tellen en altijd voortbestaat. Merkwaardig is het op te merken, dat het
niet altijd zoo was. Nog heden vindt men onder de hymenoptera mellifera
(honingdragende vliesvleugeligen) alle stadiën van de voortgezette
beschaving onzer honingbij. Onder aan de ladder werkt ze alleen, in
ellende; dikwijls zelfs ziet ze haar afstammelingen niet (de Prosopis,
Colleta enz.), somtijds leeft ze te midden der beperkte familie, die ze
jaarlijks schept (de Hommels). Vervolgens gaat ze tijdelijke
verbintenissen aan (de Panurgen, Dasypoden, Halicten, enz.), om van trap
tot trap tot de bijna volmaakte doch meedoogenlooze maatschappij onzer
korven te komen, waarbij het individu volkomen wordt ingeslokt door de
republiek, en waarbij de republiek op hare beurt naar vaste regelen
wordt ten offer gebracht aan den abstrakten en onsterfelijken staat der
toekomst.


[1] Observatie-korven noemt men glazen korven, voorzien van zwarte
gordijntjes of van luiken. De beste bevatten maar één enkele honigraat,
zoodat men deze van twee kanten kan bekijken. Zonder eenig gevaar of
bezwaar kan men deze korven, die van een uitgang voorzien zijn, in een
salon, een bibliotheek, enz. plaatsen. De bijen, welke hunne woning
hebben in den korf, die te Parijs in mijn studeerkamer staat, verzamelen
in de steen-woestijn der groote stad genoeg om te kunnen leven en
gedijen.



VIII


Laat ons hier niet te vlug zijn met het maken van gevolgtrekkingen, die
van toepassing zijn op den mensch. De mensch bezit het vermogen, zich
al of niet aan de wetten der natuur te onderwerpen; en te weten of hij
gelijk of ongelijk heeft als hij gebruik maakt van dit vermogen, is het
ernstigste en nog het minst opgehelderde punt zijner moraal. Maar 't is
daarom niet minder interessant den wil der natuur in een van de onze
verschillende wereld te ontdekken. In den ontwikkelingsgang nu der
vliesvleugeligen, die onmiddellijk na den mensch de meest bevoorrechte
bewoners van onzen aardbol zijn wat het verstand aangaat, komt deze wil
zeer duidelijk uit. Klaarblijkelijk beoogt deze verbetering der soort,
doch toont tegelijkertijd, dat hij ze enkel wenscht of verkrijgen kan
ten koste der vrijheid, der rechten en het geluk van het individu zelf.
Naar mate de maatschappij georganiseerd wordt en hooger stijgt, ziet het
bijzonder leven van ieder harer leden zijn gebied inkrimpen. Zoodra er
ergens vooruitgang bemerkbaar wordt, is deze enkel het gevolg van een
nog vollediger offer van het persoonlijk aan het algemeen belang. Ten
eerste moet ieder die ondeugden afleggen, welke daden van
onafhankelijkheid zijn. Zoo staan b.v. de hommels op den voorlaatsten
trap van de bijenbeschaving en zijn te vergelijken met onze
menscheneters. De volwassen werkbijen zwerven onophoudelijk om de eieren
heen om ze te verslinden, en hardnekkig moet de moeder ze verdedigen.
Dan, nadat ieder de gevaarlijkste ondeugden heeft afgelegd, moeten ze
een zeker aantal steeds moeielijker te verkrijgen deugden verwerven. De
werkbijen van de hommels b.v. denken er niet aan afstand te doen van de
liefde, terwijl onze honingbij in voortdurende kuischheid leeft. Spoedig
zullen we overigens zien, wat zij al niet prijs geeft in ruil voor het
gevoel van welzijn, van veiligheid, van de bouwkundige, economische en
staatkundige volmaaktheid van den korf, en we zullen op de verbazende
evolutie bij de vliesvleugeligen terugkomen in het hoofdstuk gewijd aan
den vooruitgang der soort.



TWEEDE BOEK.


DE ZWERM.



I.


De bijen van den korf, dien wij hebben uitgekozen, hebben dus de
verdooving des winters van zich afgeschud. De koningin is op nieuw
begonnen eitjes te leggen, reeds in de eerste dagen van Februari. De
werkbijen hebben de anemonen, de wilde vlier, de stekende brem, de
viooltjes, de wilgen en noteboomen bezocht. Toen heeft de lente bezit
genomen van de aarde; de zolders en kelders vloeien over van honing en
stuifmeel, duizenden bijen worden er dagelijks geboren. De dikke, zware
darren komen uit hun groote cellen te voorschijn, bezoeken de
honingraten, en de volte in dezen al te voorspoedigen staat wordt van
dien aard, dat 's avonds honderden werkbijen, die van de bloemen
terugkeeren doch zich eenigszins hebben verlaat, geen plaats meer vinden
en genoodzaakt zijn den nacht door te brengen voor de poort, waar de
koude hen decimeert.

Een zekere onrust overmeestert het geheele volk, en de oude koningin
wordt zenuwachtig. Ze voelt, dat er iets nieuws in wording is. Zij heeft
getrouwelijk haar plicht vervuld als goede voortbrengster, en nu zijn
kwelling en droefheid het gevolg van het volbrengen dier taak. Een
onweerstaanbare macht bedreigt hare rust; weldra zal ze den staat moeten
verlaten, waarin zij heerschappij voert. En toch, deze staat is haar
werk, is zij zelve. Zij is er niet koningin in de beteekenis, die wij
menschen daaraan zouden hechten. Zij geeft er geen bevelen en is zelve,
zoo goed als de geringste harer onderdanen, afhankelijk van die
verborgen en hoogwijze macht, die wij voorloopig, in afwachting van ons
pogen haar op het spoor te komen, "den geest van den bijenkorf" zullen
noemen. Maar zij is er de moeder en het eenig orgaan der liefde. In
onzekerheid en armoede heeft zij dezen staat gesticht. Zonder ophouden
heeft zij hem telkens weer bevolkt met haar eigen substantie, en allen,
die daar leven en zich bewegen--de werksters, darren, larven, poppen en
de jeugdige vorstinnen, wier op handen zijnde geboorte haar vertrek zal
verhaasten en waarvan er reeds ééne hare opvolgster is in den "geest van
den bijenkorf"--die allen zijn uit haren schoot gesproten.



II.


Waar is hij nu eigenlijk, in wien zetelt hij, deze "geest van den
bijenkorf"? 't Is niet hetzelfde als het op zich zelf staand instinkt
van den vogel, die behendig zijn nest weet te bouwen en andere
hemelstreken op te zoeken, wanneer de dag van den trek wederom
aanbreekt. 't Is evenmin een soort machinale gewoonte van de soort, die
blindelings niets anders eischt dan te leven, en zich stoot tegen alle
hoeken en kanten van het toeval, zoodra een onverwachte omstandigheid
den gewonen gang van zaken verstoort. Integendeel, pas voor pas volgt
hij de almacht der omstandigheden als een schrandere en rappe slaaf, die
zelfs van de gevaarlijkste bevelen zijns meesters partij weet te
trekken.

Onmeedoogend maar met bescheidenheid en als onderworpen aan een of
anderen hoogen plicht, beschikt hij over de rijkdommen, het genot der
vrijheid, over het leven van gansch een gevleugeld volk. Dagelijks
regelt hij het aantal geboorten en brengt dat nauwkeurig in
overeenstemming met dat der bloemen, die het landschap opluisteren. Hij
verkondigt der koningin wanneer zij is vervallen verklaard van hare
waardigheid en noodzakelijk moet vertrekken, dwingt haar hare
mededingsters ter wereld te brengen, voedt deze laatsten koninklijk op,
beschermt hen tegen de politieke haat hunner moeder, en al naar den
overvloed aan veelkleurige kelken, 't meer of minder gevorderd seizoen
en de vermoedelijke gevaren der paring, veroorlooft of verbiedt hij, dat
de eerstgeborene onder de maagdelijke prinsessen hare zusteren, die den
koninginne-zang zingen, in hun wieg gaat dooden. Een andermaal, wanneer
het seizoen reeds verder gevorderd is, en de uren van bloemengeur korter
zijn, beveelt hij, om het tijdperk der revoluties af te sluiten en het
hervatten van den arbeid te verhaasten, aan werkbijen zelven de gansche
keizerlijke nakomelingschap ter dood te brengen.

Deze geest is voorzichtig en zuinig, doch geenszins karig. Hij schijnt
de weelderige en eenigszins dolle wetten der natuur in zake liefde te
kennen. Hij duldt dan ook in den zomer, in de dagen des overvloeds, de
benauwende aanwezigheid van drie of vierhonderd darren--want uit dezen
zal de koningin, wier geboorte aanstaande is, zich een minnaar kiezen
van die onbezonnen, onhandige, verwaande, drukke, gulzige,
onfatsoenlijke, onzindelijke, onverzadelijke, enorm groote mannetjes,
waarvan sommige noodeloozen arbeid verrichten en andere volstrekt en
schandelijk lui zijn. Doch als eenmaal de koningin is bevrucht, de
bloemen zich later openen en vroeger sluiten, dan spreekt hij op zekeren
morgen over allen gelijktijdig het doodvonnis uit.

Hij regelt den arbeid van ieder der bijen. Naar gelang van hun leeftijd
draagt hij aan de verzorgsters der larven en nymphen hunne bezigheid op,
aan de hofdames, die voorzien in het onderhoud der koningin en haar niet
uit het oog verliezen, aan de luchtververschsters, die door het waaien
met hun vleugeltjes den korf luchten, verkoelen of verwarmen en de
verdamping van den te veel met water verzadigden honing bevorderen, aan
de architekten, metselaars, wasbereidsters en bouwbijen, die de schering
maken en de raten bouwen, aan de honingdraagsters, die daar buiten den
nektar der bloemen, waaruit de honing worden zal, het stuifmeel, dat tot
voedsel der larven en poppen dient, het maagdenwas, dat de gebouwen van
den staat moet helpen kalefateren en stevig maken, het water en het
zout, dat voor de jonkheid der natie noodig is, gaan halen. Hij geeft
een taak op aan de scheikundigen, die voor het conserveeren van den
honing zorgen door er met hun angel een druppel mierenzuur in te
brengen, aan de sluitsters, die de cellen, wier inhoud rijp is met een
deksel afsluiten, aan de schoonmaaksters, die de angstvallige
zindelijkheid der straten en pleinen onderhouden, aan de
lijkendraagsters, die de doode lichamen ver weg voeren, aan de amazones
van de wacht, die dag en nacht waken over de veiligheid van den drempel,
de komenden en gaanden ondervragen, de aankomende jeugd herkennen bij
hun eersten uitgang, vagebonden, landloopers en roovers afschrikken,
indringers verwijderen, met vereende krachten de gevaarlijke vijanden
aanvallen, en zoo noodig den ingang barricadeeren.

En eindelijk, de "geest van den bijenkorf" is het ook, die het uur
vaststelt van het jaarlijksch offer aan den genius der soort--ik bedoel
het zwermen,--wanneer een gansch volk, op het toppunt van zijn voorspoed
en macht gekomen, plotseling aan het opgroeiend geslacht al zijn
schatten, paleizen, woningen en de vruchten zijner inspanning overlaat,
om daar ginder de onzekerheid en leegte van een nieuw vaderland te gaan
opzoeken. Ziehier een daad, die, al of niet bewust, zeer zeker de
menschelijke moraal te boven gaat. Ze richt somtijds de gelukkige stad
geheel te gronde, verarmt haar altijd, en verstrooit haar zeer zeker, om
aan een hooger wet dan het geluk van dien staat te gehoorzamen. Waar
wordt deze wet geformuleerd, die, zoals wij weldra zullen zien, verre
van fatalistisch en blind is, zooals men meent? Waar zetelt hij, in
welke vergadering, welken raad, welke gemeenschaps-sfeer, deze geest,
waaraan allen zich onderwerpen die zelf afhankelijk is van een
heroïschen plicht en zich altijd op de toekomst richt?

't Is met onze bijen als met de meeste dingen dezer wereld; we hebben
enkele hunner gewoonten opgelet, en zeggen: ze doen zus, en werken zóó,
hunne koninginnen worden op zulk eene wijze geboren, hunne werksters
blijven maagd, ze zwermen op dien en dien tijd. We meenen hen te kennen
en vragen niet verder. We zien hen van bloem tot bloem ijlen; letten op
het drukke komen en gaan van den bijenkorf; dit leven lijkt ons zeer
eenvoudig en even als alle andere levens beperkt tot de ingeschapen zorg
voor voedsel en voortplanting. Maar laat het oog de zaak eens van
naderbij willen bezien, trachten zich rekenschap te geven, en daar
verrijst voor ons de verbijsterende ingewikkeldheid der geringste
verschijnselen, het raadsel van de intelligentie, den wil, de
bestemming, het doel, de middelen en oorzaken, de niet te doorgronden
organisatie van de geringste daad des levens.



III.


In onzen korf dus is het zwermen, het groote offer aan de veeleischende
goden van het ras, in voorbereiding. Gehoorzaam aan het bevel van den
"geest", die ons vrij onverklaarbaar lijkt aangezien hij lijnrecht staat
tegenover ieder instinkt en ieder gevoelen van onze soort, gaan nu
zestig à zeventig duizend bijen van de tachtig à negentig duizend der
gansche bevolking, op het voorgeschreven uur de moederstad verlaten. Ze
vertrekken niet op een oogenblik van benardheid, hun vlucht is niet het
in ontsteltenis plotseling genomen besluit, hun door hongersnood,
oorlog of ziekte geteisterd vaderland te verlaten. Neen, deze
verbanning is langdurig overdacht en het gunstig oogenblik geduldig
afgewacht. Indien de korf arm is en zwaar beproefd door rampen van de
koninklijke familie, door ziekte of roof, dan verlaten ze hem niet. Ze
verlaten hem alleen, wanneer hij het hoogtepunt van zijn voorspoed heeft
bereikt, wanneer na den ingespannen arbeid van de lente, het groote
paleis van was met zijn honderd twintig duizend regelmatige cellen
overvloeit van nieuwen honing en van dat veelkleurig meel, dat men het
brood der bijen noemt en dat tot voedsel dient van larf en pop.

Nimmer schooner is de korf dan aan den vooravond van deze heldhaftige
renunciatie. Het is zonder wederga dit drukke, eenigszins koortsachtige
en toch serene oogenblik van rijkdom en blijdschap in al hunne volheid.
Laat ons trachten ons den korf voor oogen te roepen, niet zooals de
bijen hem zien, want wij kunnen ons onmogelijk voorstellen op hoe
geweldige en tooverachtige wijze de dingen zich weerkaatsen in de zes of
zeven duizend facetten van hunne zijwaartsche oogen en het drievoudig
cyclopisch oog op hun voorhoofd, maar zoo als wij hem zouden zien,
indien wij van hunne grootte waren.

Van eene hoogte nog kolossaler dan die van den St. Pieter te Rome dalen
in grooten getale, vertikaal en parallel, reusachtige muren van was tot
op den grond neder, geometrisch gebouwd, in de duistere en ledige ruimte
opgehangen, en die men wat hun nauwkeurigheid, koenheid en grootte
betreft, met geen enkel bouwwerk der menschheid kan vergelijken.

Ieder dezer muren, wier bouwstof nog totaal versch, maagdelijk blinkend,
ongerept en geurig is, bestaat uit duizenden cellen en bevat genoegzaam
levensmiddelen om het gansche volk gedurende verscheidene weken te
voeden. Hier zijn het de schitterende, roode, gele, licht-paarse en
zwarte vlekken van het stuifmeel, de liefdessubstantie van alle bloemen
der lente, opgezameld in de doorschijnende cellen. In lange, weelderige,
gouden draperieën, die in stijve, onbewegelijke plooien nederhangen,
ligt daar om heen de April-honing, de helderste en geurigste, reeds in
zijn twintig duizend, met een deksel afgesloten cellen, die enkel in de
dagen van uitersten nood worden aangesproken. Iets hooger rijpt de
Mei-honing nog in zijn groote, open vaten, voor welker opening waakzame
cohorten onafgebroken een frisschen luchtstroom toevoeren. In het
midden, verre van het licht, wiens diamanten stralen door de eenige
opening heendringen, in het warmste gedeelte van den bijenkorf, sluimert
en ontwaakt de toekomst. Dit is het koninklijk domein van het broedsel,
uitsluitend voor de koningin en hare tempeldienaars
gereserveerd--ongeveer tien duizend woningen, waarin de eitjes liggen,
vijftien à zestien duizend kamers met larven, veertig duizend huizen
bewoond door witte nymphen of poppen, die door duizenden voedsters
worden verzorgd[1]. En eindelijk, in het heilige der heiligen dezer
voorhoven, de drie, vier, zes of twaalf gesloten en naar verhouding zeer
groote paleizen der jeugdige prinsessen, die in een soort van lijkkleed
gewikkeld, bleek en onbewegelijk, in de duisternis gevoed, hunne ure
afwachten.


[1] De cijfers, die we hier geven, zijn streng nauwkeurig. Ze zijn
ontleend aan een grooten korf in vollen bloei.



IV.


Op den dag nu, die door den "geest van den bijenkorf" daartoe is
aangewezen, laat eene gedeelte van het volk--en dit wordt nauwkeurig
naar vaste en onveranderlijke wetten bepaald--het terrein over aan het
geslacht, dat nog in wording is. In de sluimerende stad worden de darren
achtergelaten, uit wier midden de koninklijke minnaar moet worden
gekozen, verder eenige zeer jonge bijen, die moeten zorgen voor het
broedsel, en een paar duizend werkbijen, die voortgaan met overal buit
te verzamelen, den opgehoopten schat bewaren en de moreele tradities van
den korf handhaven. Want iedere korf heeft zijne eigen moraal. Men vindt
er zeer deugdzame en zeer verdorvene, en een onvoorzichtig imker kan een
bijenvolk ten verderve leiden, hun den eerbied voor andermans eigendom
doen verliezen, hen aanzetten tot roof, hen gewennen aan
veroveringstochten en aan werkeloosheid, waardoor ze de schrik worden
van alle republiekjes in den omtrek. 't Is daartoe al voldoende, dat de
bij gelegenheid heeft gehad de ervaring op te doen, dat de arbeid, zoo
ver weg, onder de bloemen daarbuiten, waarvan er honderden moeten
bezocht worden voor de vorming van één druppel honing, niet het eenige
en evenmin het snelste middel is om zich te verrijken, en dat het
gemakkelijker is op bedriegelijke wijze in slecht bewaakte steden binnen
te dringen, of met geweld in andere, die te zwak zijn om zich te
verdedigen. Spoedig verliest ze het besef van den wel schitterenden doch
meedoogenloozen plicht, die haar maakt tot de gevleugelde slavin der
bloemkelken voor de voortplanting in de natuur, en 't is dikwijls zeer
moeielijk een aldus gedemoraliseerden korf weer op het goede pad terug
te brengen.



V.


Alles wijst er op, dat niet de koningin doch de geest des bijenkorfs
over het zwermen beslist. 't Is met deze koningin als met de heerschers
onder de menschen; ze schijnen het bevel te voeren, doch gehoorzamen
zelven aan bevelen, die nog gebiedender en onverklaarbaarder zijn dan
die, welke zij geven aan wie van hen afhankelijk is. Wanneer de geest
het oogenblik heeft bepaald, moet hij wel reeds bij het aanlichten van
den dageraad, misschien zelfs den vorigen, of vóór-vorigen dag zijn
besluit hebben kenbaar gemaakt, want nauwelijks heeft de zon de eerste
druppels van den morgendauw ingezogen, of men bemerkt in de geheele
omgeving van de gonzende stad een ongewone drukte, waarin de ymker zich
maar zelden vergist. Soms zou men zelfs zeggen, dat er wordt gestreden,
geaarzeld, dat men terugkomt op het genomen besluit. Werkelijk gebeurt
het wel, dat verscheiden dagen achtereen deze goudgetinte en
doorschijnende storm op nieuw opsteekt en weer gaat liggen,
oogenschijnlijk zonder reden. Vertoont zich op zulk een oogenblik aan
den hemel der bijen een wolkje, dat wij niet zien, of komt er spijt op
in hun geest? Beraadslaagt men in een woelige vergadering over de
noodzakelijkheid van vertrek? Wij weten er niets van, evenmin als we
weten op welke wijze de geest van den bijenkorf zijn besluit aan de
menigte kenbaar maakt. Al is het zeker, dat de bijen elkander
mededeelingen doen, men weet niet of dit gebeurt op de wijze der
menschen. Dat van honing geurend gegons, de bedwelmende trilling der
mooie zomersche dagen, die een der schoonste genietingen van den ymker
uitmaakt, den feestzang van den arbeid, die in deze kristallen ure rijst
en daalt in de geheele omgeving van den bijenkorf en die het gemurmel
van blijdschap schijnt te zijn van de ontloken bloemen, de hymne van hun
geluk, de echo van hunne zoete geuren, de stem der witte anjelieren, van
thijm en marjolijn, 't staat niet vast, dat ze dit alles hooren. Toch
hebben ze een gansche toonladder van geluiden, die wij zelf kunnen
onderscheiden en die loopt van innig geluk tot bedreiging, toorn,
verdriet; ze hebben eene ode der koningin, refreinen van den overvloed,
psalmen van droefheid, en eindelijk hebben ze de langgerekte en
geheimzinnige oorlogskreten der jeugdige prinsessen in de gevechten en
moorden, die de paring voorafgaan. Is deze muziek enkel iets
bijkomstigs, dat hun innerlijke stilte onaangetast laat? Dit is zeker,
dat ze zich niet veel schijnen aan te trekken van de geluiden, die wij
maken rondom den korf, maar misschien zijn ze van oordeel, dat deze
geluiden niet zijn van hunne wereld en voor hen niet van belang. 't Is
zeer waarschijnlijk, dat wij van onzen kant slechts een zeer klein
gedeelte hooren van wat zij zeggen, en dat zij een massa harmonieën
voortbrengen, waarvoor onze organen ongeschikt zijn om ze op te vangen.
In ieder geval zullen wij aanstonds zien, dat zij, soms met
verbazingwekkende snelheid, elkaar weten te begrijpen en tot
overeenstemming weten te komen, en wanneer b.v. de groote honing-dief,
de enorme Sphinx Atropos of doodshoofd-vlinder, de sombere kapel, die
op haar rug een doodshoofd draagt, den korf binnendringt onder het
murmelen van een soort onweerstaanbaar gezang, dat haar eigen is, dan
gaat dit bericht van den een op den ander, en van af de wachteressen aan
den ingang tot aan de laatste werkbijen, die op de laatste raten aan den
arbeid zijn, siddert het gansche volk.



VI.


Langen tijd heeft men gemeend, dat waar ze aldus de schatten van hun
koninkrijk prijsgeven om zich in een onzeker leven te storten, de
verstandige honingvliegen, die gemeenlijk zoo zuinig, zoo matig en zoo
voorzichtig zijn, aan een soort van onvermijdelijken, fatalen waanzin
gehoor geven, aan een werktuigelijken drang, aan een wet van de soort,
een decreet der natuur, aan die kracht, die voor alle wezens verborgen,
ligt in den voortspoedenden tijd.

Of het nu de bijen of ons zelven betreft, we noemen fatalistisch,
onvermijdelijk al wat we nog niet begrijpen. Maar op dit oogenblik heeft
de bijenkorf reeds twee of drie zijner zwaarwichtige geheimen prijs
gegeven, en zoo heeft men geconstateerd, dat deze uittocht noch
instinktief, noch onvermijdelijk is. 't Is geen blinde uittocht, maar
een oogenschijnlijk wel overwogen offer van het tegenwoordig geslacht
aan het toekomstige. 't Is al voldoende, dat de ymker de nog roerlooze
jonge koninginnen in hun cellen doodt en tegelijkertijd, als de larven
en poppen talrijk zijn, de stapelplaatsen en slaapvertrekken van het
volkje vergroot, en onmiddellijk komt al dat onprofijtelijk tumult tot
bedaren; de gewone arbeid op de bloemen wordt hervat, en de oude
koningin, die nu onontbeerlijk is geworden en geen opvolgster te hopen
of te duchten heeft, die bovendien weer is gerustgesteld omtrent de
gevolgen van de bedrijvigheid, welke opnieuw begint, ziet er van af dit
jaar het licht der zon weer te zien. Kalm hervat ze in de duisternis
haar moederlijke taak, die daarin bestaat, dat ze volgens een
regelmatige spiraal, van cel tot cel, zonder er een enkele over te slaan
en zonder immer op te houden, twee of drieduizend eitjes per dag legt.

Wat is er fatalistisch in dit alles dan de liefde van het geslacht van
heden voor dat van morgen? Deze fataliteit bestaat ook bij het
menschenras, maar daar schijnt ze oneindig minder macht en omvang te
hebben. Nooit brengt ze daar zulke algeheele en eenparige offers. Aan
welke in de toekomst schouwende fataliteit gehoorzamen wij in plaats van
aan deze? Wij weten het niet, en kennen het wezen niet dat op ons
neerziet zooals wij op de bijen.



VII.


Maar de mensch komt geen stoornis brengen in de geschiedenis van den
bijenkorf, dien wij hebben uitgekozen, en de nog vochtige warmte van den
schoonen dag, die met langzamen en reeds lichtenden tred schijnt voort
te schrijden onder de boomen, verhaast het uur van vertrek. Van boven
tot beneden staan de gouden gangen, die de evenwijdige muren scheiden,
vol werkbijen, die de toebereidselen voor de reis voltooien. En
allereerst belast zich ieder hunner met een voorraad honing, voldoende
voor vijf of zes dagen. Uit dezen honing, dien ze meenemen, halen ze
door een scheikundige bewerking, welke men nog niet voldoende heeft
verklaard, de was, die ze noodig hebben om onmiddellijk met het
optrekken der gebouwen te kunnen beginnen. Bovendien voorzien ze zich
van een zekere hoeveelheid maagdenwas, een soort van hars, bestemd om de
reten van de nieuwe woning te dichten, al wat wankelt vast te zetten,
alle wanden te vernissen en alle licht buiten te sluiten; want ze werken
bij voorkeur in een bijna totale duisternis, waarin ze den weg vinden
door middel van hunne samengestelde oogen of misschien van hunne
sprieten, die den zetel schijnen te zijn van een nog onbekend zintuig,
dat de duisternis betast en meet.



VIII.


Zij kunnen dus voorzien, welke ongevallen hun kunnen overkomen op dezen
gevaarlijksten dag huns levens. En inderdaad, heden nu ze geheel opgaan
in de zorgen en alle misschien zelfs wonderbare gebeurlijkheden van de
groote daad, hebben ze geen tijd tuinen en weilanden te bezoeken, en
morgen of overmorgen kan het wel waaien, regenen, hunne vleugels kunnen
verstijven en de bloemen gesloten blijven. Kenden ze deze voorzorg niet,
't zou gelijkstaan met hongersnood en dood. Niemand zou hun te hulp
komen en zij zouden niemands hulp inroepen. Van de eene stad op de
andere kennen ze elkander niet en helpen elkaar nooit. Zelfs komt het
wel voor, dat de ymker den korf, waarin hij de oude koningin met den
bijentros die haar omringt heeft opgenomen, vlak naast de woning
plaatst, welke ze pas hebben verlaten. Welk een ramp hen nu ook moge
treffen, het lijkt wel alsof ze onherroepelijk alle herinnering verloren
hebben aan den vrede, het werkdadig geluk, de enorme rijkdommen en de
veiligheid daarvan, en allen, van de eerste tot de laatste, zullen
liever in de nabijheid hunner ongelukkige meesteres van koude en honger
sterven, dan terug te keeren naar hunne geboorteplaats, al dringt de
welaangename geur van den overvloed, de geur van hun eigen daar
volbrachten arbeid, tot in 't verblijf hunner ellende door.



IX.


Men zal zeggen: "Dat is nu juist iets wat de menschen niet zouden doen,
een dier feiten die bewijzen, dat hier ondanks de wonderen dezer
organisatie, geen echt intellekt of bewustzijn voorhanden is." Wat weten
wij er van? Nog daargelaten de mogelijkheid, dat er in andere wezens een
intelligentie werkt van anderen aard dan de onze en die gansch andere
uitkomsten geeft, zonder daarom nog van lager orde te zijn, zijn wij,
als we nimmer buiten onze kleine menschelijke parochie komen, zoo
bevoegd te oordeelen over de dingen des geestes? We behoeven maar twee
of drie personen achter een venster te zien spreken en gesticuleeren
zonder te hooren wat ze zeggen, en reeds dan valt het ons zeer moeielijk
te raden welke gedachte hen leidt. Meent ge, dat een bewoner van Mars of
Venus, die boven op een berg staande ons als zwarte stipjes in de ruimte
zag komen en gaan langs de straten en pleinen onzer steden, zich op het
gezicht van onze bewegingen, onze gebouwen, kanalen en machines een
nauwkeurig denkbeeld zou vormen van ons verstand, onze zedelijkheid,
onze wijze van liefhebben, denken, hopen, in één woord van ons dieper en
waarachtig wezen? Hij zou er zich toe bepalen enkele vrij verrassende
feiten te constateeren, zooals wij dat doen bij den bijenkorf, en zou er
waarschijnlijk even onzekere, even verkeerde conclusies uit trekken als
wij in dit geval.

't Zou hem althans vrij wat moeite kosten, in "onze zwarte stipjes", de
groote zedelijke leiding, het bewonderenswaardig éénheids-gevoel te
ontdekken, dat zich in den bijenkorf openbaart. "Waar gaan ze toch
heen?" zou hij zich afvragen, nadat hij ons gedurende jaren of eeuwen
had geobserveerd, "wat doen ze toch? Wat is het centrale punt en het
doel huns levens? Gehoorzamen ze aan een of anderen god? Ik zie niets
dat hunne schreden leidt. Den eenen dag schijnen ze kleine voorwerpen te
bouwen en te verzamelen, en den volgenden verstrooien ze die weer. Ze
gaan en komen, ze vergaderen en verwijderen zich, maar wat ze verlangen
is niet te begrijpen. Ze geven een massa onverklaarbare dingen te
aanschouwen. Men ziet er b.v. die om zoo te zeggen zich niet bewegen. Ze
zijn te herkennen aan hun glanzen der vacht, en zijn dikwijls ook
grooter dan de anderen. Ze wonen in huizen, die tien à twintigmaal
grooter, vernuftiger ingericht en rijker zijn dan de gewone. Ze
gebruiken er dagelijks maaltijden, die uren duren en zelfs vaak tot diep
in den nacht. Al wie hen nadert, schijnt hun eer te bewijzen en uit de
naburige huizen en zelfs ver van buiten komen menschen met
levensmiddelen om hun geschenken te brengen. Men moet aannemen, dat zij
onmisbaar zijn en aan de soort wezenlijke diensten bewijzen, hoewel onze
nasporingen ons nog niet hebben in staat gesteld, den aard dezer
verdiensten nauwkeurig te bepalen. Daarentegen ziet men er anderen, die
in groote ruimten, vol draaiende wielen, in duistere verblijven, in de
nabijheid der havens en op kleine vakjes grond, waarin ze wroeten van
den opgang tot den ondergang der zon, onophoudelijk vol inspanning bezig
zijn. Alles leidt tot het vermoeden, dat deze bezigheid strafbaar is,
want men huisvest hen in kleine, onzindelijke en bouwvallige hutten. Ze
zijn gedekt met een kleurlooze zelfstandigheid. Zóó groot schijnt hun
ijver te zijn voor hun schadelijk of althans nutteloos werk, dat ze zich
nauwelijks den tijd gunnen te eten of te slapen. Hun aantal staat tot
dat der eersten als 1000 tegen 1. Opmerkelijk is het, dat de soort zich
onder omstandigheden, die zóó ongunstig zijn voor hare ontwikkeling, tot
op onze dagen heeft kunnen staande houden. Overigens moeten we hieraan
toevoegen, dat ze afgezien van dat karakteristiek vasthouden aan hun
moeielijk werk, onschadelijk en gedwee schijnen te zijn en zich tevreden
stellen met de restjes dergenen, die klaarblijkelijk de hoeders en
misschien de redders zijn van het ras."



X.


Is 't niet verbazingwekkend, dat de bijenkorf, waarop wij uit eene
gansch andere wereld neerzien en dien we dus niet duidelijk kunnen
onderscheiden, ons bij den eersten blik dien we daarop werpen, een
beslist en diepzinnig antwoord geeft? Is 't niet bewonderenswaardig, dat
zijn gebouwen vol regelmaat, zijn gebruiken en wetten, zijn
huishoudelijke en staatkundige inrichting, zelfs zijne deugden en
wreedheden, ons onmiddellijk de gedachte of den god openbaren, dien de
bijen dienen, en die niet de minst wettige of redelijke god is, dien men
zich kan voorstellen, al is 't misschien de eenige, dien wij nog niet in
ernst hebben aangebeden, ik bedoel de toekomst? In de geschiedenis der
menschheid trachten we somwijlen de kracht en de zedelijke grootheid van
een volk of een ras te peilen, en we vinden geen anderen maatstaf dan de
vastheid en den omvang van het ideaal, dat ze najagen, en de
zelfverloochening, waarmee ze zich daaraan wijden. Hebben wij dikwijls
een ideaal aangetroffen, dat meer in overeenstemming is met de wenschen
des Heelals, dat hechter, verhevener, belangeloozer en duidelijker is,
zaagt ge dikwijls een meer algeheele en heldhaftige zelfverzaking?



XI.


Welk een vreemd republiekje, zoo ernstig en zoo logisch, zoo positief,
zoo nauwkeurig, zoo zuinig, en toch ten prooi aan een zoo grootschen en
zoo onzekeren droom! Klein volkje, gij zoo beslist en zoo diepzinnig,
gevoed met warmte en lucht en met het allerpuurste in de natuur, de ziel
der bloemen, dat wil zeggen met datgene, wat meer dan al het overige de
glimlach der materie mag genoemd worden, haar aandoenlijkst streven naar
geluk en schoonheid,--wie zal ons zeggen wat al vraagstukken gij hebt
opgelost, die ons nog onverklaard blijven, wat al zekerheden gij
verworven hebt, die wij nog moeten verwerven? En zoo het waar is, dat
gij deze problemen hebt opgelost en deze zekerheid verkregen niet door
middel van uw verstand, maar krachtens een of andere oorspronkelijken en
blinden aandrang, voor welk een nog onoplosbaarder raadsel plaatst gij
ons dan? Klein stadje vol geloof, hoop en mysterie, waarom aanvaarden
uwe honderdduizend maagden een taak, die een menschelijke slaaf nimmer
heeft aangedurfd? Ontzagen ze wat meer hunne krachten, vergaten ze
zichzelven wat minder, waren ze wat minder ijverig bij den arbeid, dan
zouden ze een nieuwe lente en een tweeden zomer aanschouwen, maar op het
magisch oogenblik wanneer alle bloemen hen tot zich roepen, schijnen ze
bevangen door de doodelijke bedwelming van den arbeid, en met gebroken
vleugeltjes en een geheel uitgeput, met wonden overdekt lichaam komen ze
bijna allen om in minder dan vijf weken.

_Tantus amor florum, et generandi gloria mellis,_ roept Virgilius uit,
die in het vierde boek der Georgica, aan de bijen gewijd, de bekoorlijke
dwaalbegrippen der ouden heeft vereeuwigd, die de natuur beschouwden met
oogen nog geheel verblind door de aanwezigheid van denkbeeldige goden.



XII.


Waarom doen ze afstand van den slaap, van 't genot van den honing, van
de liefde, van de verrukkelijke vrijheid, die bij voorbeeld hun oudste
broeder, de vlinder, zoo goed kent? Ze konden toch leven zooals hij? De
honger kan 't niet zijn, die er hen toe noodzaakt. Twee of drie bloemen
volstaan voor hun voedsel en ze bezoeken er ieder uur twee of drie
honderd om een schat bijeen te garen, waarvan zij het genot niet zullen
smaken. Waartoe zich zelven zoo te kwellen, van waar die verzekerdheid?
Is het dan zóó zeker, dat het geslacht waarvoor ge sterft dit offer
waard is, dat het schooner en gelukkiger zijn zal, dat het iets zal doen
wat gij niet gedaan hebt? We zien uw doel, even duidelijk als het onze:
ge wilt in uwe nakomelingschap leven zoolang als de aarde zelve, maar
wat is dan het doel van dit groote doel en de taak van dit eeuwigdurend
vernieuwd bestaan?

Maar zijn wij het niet veeleer, die ons zelven kwellen in onze aarzeling
en dwaling, zijn wij niet kinderachtige droomers en stellen we geen
ijdele vragen? Al waart ge door evolutie op evolutie almachtig en
welgelukzalig geworden, al hadt ge de laatste hoogten bestegen, van waar
ge alle wetten der natuur zoudt beheerschen, kortom al waart ge
onsterfelijke godinnen geworden, dan nog zouden we u ondervragen om te
weten wat ge hoopt, waarheen ge wenscht te gaan, waar ge denkt op te
houden en aan het eindpunt uwer wenschen gekomen te zijn. Wij zijn zoo
geschapen, dat niets ons bevredigt, dat voor ons niets zijn doel in
zichzelf schijnt te hebben, dat niets ons voorkomt maar eenvoudig te
bestaan zonder meer, zonder nevengedachte. Hebben wij tot op dezen dag
ons een enkelen onzer goden, van den primitiefsten af tot den
verstandigsten toe, kunnen voorstellen zonder onmiddellijk beweging,
onrust daarnaast te denken, zonder hem te noodzaken een massa wezens en
dingen te scheppen, op duizenderlei wijzen een doel te zoeken buiten
zichzelven, en zullen wij er ooit in berusten kalm en gedurende enkele
uren een interessanten verschijningsvorm van de werkzaamheid der stof
voor te stellen, om weldra zonder spijt en zonder verwondering den
anderen vorm weer aan te nemen, den vorm van onbewustheid, onbekendheid,
slaap, eeuwigheid?



XIII.


Doch laten wij onzen bijenkorf niet vergeten, waar de zwerm al
ongeduldig wordt, onzen korf, die al borrelt en overvloeit van zwarte,
trillende golven, gelijk een metalen schaal onder de hitte der zon. 't
Is de middagure en men zou meenen, dat onder de heerschende warmte de
verzamelde boomen al hunne bladeren inhielden, zooals men den adem
inhoudt in de tegenwoordigheid van iets zeer liefelijks maar zeer
ernstigs.

De bijen geven den mensch, die hen verzorgt, den honing en de geurige
was, maar wat misschien dien honing en die was nog te boven gaat, dat is
dit, dat ze zijn aandacht vestigen op de blijdschap van Juni, dat ze hem
oog geven voor de harmonie der schoone maanden; dat is dit, dat alle
gebeurtenissen, waarin zij deelnemen, onafscheidelijk zijn van een
helderen hemel, het feest der bloemen, de gelukkigste uren van het jaar.
Zij zijn de ziel van den zomer, de tijdwijzer van de minuten van
overvloed, de rappe vleugelen van de zich verspreidende geuren, het
intellekt van de zwevende stralen, het gezang der atmosfeer, die zich
uitrekt en rust meent; en hunne vlucht is het zichtbaar teeken, de
heldere en muzikale toon van alle onnoembare kleine genietingen, die uit
de warmte ontspruiten en in het licht leven. Zij doen de stem verstaan,
ook het intiemst geluid, van de heerlijke uren der natuur. Voor wie ze
heeft gekend en liefgehad, schijnt een zomer zonder bijen even
ongelukkig en even onvolkomen als een zonder vogels of zonder bloemen.



XIV.


Iemand, die voor de eerste maal deze verbijsterende en wanordelijke
gebeurtenis, het zwermen van een flink bevolkten bijenkorf, bijwoont,
voelt zich eenigszins teleurgesteld en komt niet dan met zekere angst
naderbij. Hij herkent ze niet meer, de ernstige, vreedzame bijen van de
uren van arbeid. Enkele oogenblikken te voren zag hij ze uit alle hoeken
terugkeeren van buiten, opgaande in hun werk als kleine burgervrouwtjes,
die door niets worden afgeleid van hunne huishoudelijke aangelegenheden.
Ze kwamen bijna onopgemerkt binnen, moe, buiten adem, druk, haastig,
maar toch zeer bescheiden, en werden in 't voorbijgaan door de jeugdige
amazones aan den ingang begroet met een lichte beweging der sprieten.
Hoogstens wisselden zij enkele onontbeerlijke woorden bij het haastig
overgeven van hun bijeengegaarden honing aan een der jeugdige
honingdraagsters, die altijd te vinden zijn in den binnensten hof van de
werkplaats;--of wel zelf gingen zij naar de ruime honingzolders, die de
broedplaats omgeven, om daar de twee zware korven vol stuifmeel neer te
zetten welke ze aan hun dijen hebben vastgehecht, en vertrokken
onmiddellijk weer, zonder zich ook maar eenigszins te bekommeren om 't
geen daar voorviel in de werkplaatsen, in het slaapvertrek der nymphen
of in 't koninklijk paleis, zonder zich ook maar een enkel oogenblik te
mengen in het gewoel op het plein, dat zich uitstrekt voor den ingang en
dat op de uren van groote hitte geheel in beslag wordt genomen door het
gebabbel der luchtververschsters, die daar om het vlieggat, naar de
teekenachtige uitdrukking der ymkers "als afhangende zware baarden"
werkeloos voorhangen.



XV.


Heden is alles anders. 't Is waar, een zeker aantal arbeidsters gaat,
alsof er niets in aantocht was, kalm naar de velden, komt weer terug en
begeeft zich naar de kamers van de broedplaats zonder te worden
aangestoken door de algemeene opwinding. Dat zijn degenen, die niet met
de koningin meegaan en in de oude woning blijven om die te bewaken en te
zorgen voor de verpleging en voeding van de negen à tienduizend eieren,
de achttienduizend larven, de zes en dertig duizend nymphen en de zeven
of acht prinsessen, die men in den steek laat. Ze zijn uitgekozen voor
deze zware taak, zonder dat men weet krachtens welke regelen, noch door
wien, noch hoe. Kalm en onwankelbaar volharden zij daarin, en hoewel ik
er verscheidene malen de proef van heb genomen door met een kleurrijk
poeder eenige dezer lijdelijke "asschepoestertjes" te bestrooien, die
men onder dit feestelijk troepje vrij gemakkelijk herkent aan hun
plechtigen en eenigszins zwaren gang, zeer zelden heb ik er een
aangetroffen onder de opgewonden menigte der zwermende bijen.



XVI.


En toch schijnt de aantrekkingskracht bijna onweerstaanbaar. 't Is de
misschien onbewuste waanzin der zelfopoffering, door den god bevolen; 't
is het honingfeest, de zegepraal van het ras en van de toekomst; 't is
de eenige dag van vreugde, vergetelheid en dwaasheid; 't is de eenige
Zondag der bijen, 't schijnt ook de eenige dag te zijn dat ze naar
hartelust eten en ten volle de zoetigheid van den schat, dien ze
verzamelen, leeren kennen. Ze gelijken op gevangenen, die plotseling
worden in vrijheid gesteld en overgebracht naar een land van overdaad en
rust. Ze worden opgewonden, zijn geheel buiten zich zelven. Zij, die
anders nooit eenige verkeerde of noodelooze beweging maken, komen nu en
gaan, komen terug en gaan op nieuw heen om hunne zusters aan te drijven,
te zien of de koningin klaar is en den tijd van afwachting te dooden. Ze
vliegen veel hooger dan gewoonlijk en doen in de gansche omgeving van
den korf de bladeren der groote boomen trillen. Ze kennen geen zorgen of
vrees meer. Ze zijn niet langer woest, bemoeiziek, prikkelbaar,
strijdlustig en ontembaar. De mensch, hun meester zonder dat ze het
weten, dien ze nooit herkennen en die hen enkel aan zich onderwerpt door
zich naar al hunne werkgewoonten te schikken, al hunne wetten te
eerbiedigen, pas voor pas het spoor te volgen, in hun leven getrokken
door hun verstand, dat zich altijd richt op het welzijn van de toekomst
en door niets wordt ontmoedigd of afgeleid van zijn doel,--de mensch kan
hen nu naderen, het gordijn verscheuren, dat rondom hem wordt gevormd
door die dwarrelende, gonzende massa, ze in handen nemen, ze plukken als
een druiventros; ze zijn even zacht en onschadelijk als een zwerm
libellen of nachtvlinders, en op zulk een dag, zich gelukkig voelend,
niets meer bezittend, vertrouwend op de toekomst, mits men hen niet
scheide van hunne koningin die deze toekomst in zich draagt, onderwerpen
ze zich aan alles en kwetsen niemand.



XVII.


Maar het echte signaal is nog niet gegeven. In den korf heerscht een
onbegrijpelijke drukte en wanorde, waarin men geen gedachte kan
ontdekken. In gewone tijden schijnen de bijen als ze thuis zijn te
vergeten, dat ze vleugels hebben, en ieder blijft bijna onbewegelijk
doch niet werkeloos op de raat, op de plaats, die haar is aangewezen
door den aard van haren arbeid. En nu, als dol bewegen ze zich in
dichte kringen langs de vertikale wanden van boven naar beneden, als een
rijzend en zinkend deeg door onzichtbare hand beslagen. De temperatuur
daar binnen stijgt snel, somtijds zelfs zóó, dat het was der gebouwen
zacht wordt en uitzakt. De koningin, die in den regel de binnenste raten
nooit verlaat, loopt nu verschrikt en hijgend over de woelige menigte
heen, die ronddraait om haar eigen as. Doet ze dat om het vertrek te
verhaasten of wel om het te vertragen? Geeft ze bevelen of is ze
smeekelinge? Werkt ze die wondere opwinding in de hand of wel is ze er
de dupe van? Na al wat wij van de algemeene psychologie der bijen weten
is het vrij duidelijk, dat het zwermen altijd geschiedt tegen den wensch
der oude souvereine. In den grond der zaak is de koningin in de oogen
der ascetische werksters, hare dochters, het onmisbaar en gewijd orgaan
der liefde, maar een beetje onbewust en dikwijls kinderachtig. Ze
behandelen haar dan ook als eene moeder onder voogdijschap. Ze koesteren
eerbied voor haar en een heroïsche, onbegrensde liefde. Voor haar de
zuiverste honing, die nog extra wordt gereinigd en bijna geheel te
verteren is. Ze heeft een hofstoet, die dag en nacht over haar waakt,
haren moederlijken arbeid verlicht, de celletjes gereed maakt, waarin ze
hare eitjes moet leggen, haar vertroetelt, liefkoost, voedt, reinigt, ja
zelfs hare uitwerpselen opzuigt. Bij 't minste ongeval, dat haar treft,
gaat het bericht van de een op de ander, en het volkje raakt in
beroering en begint te jammeren. Indien men haar wegneemt uit den korf,
en de bijen geen hoop kunnen koesteren haar te vervangen, 't zij omdat
ze geen aangewezen nakroost heeft achtergelaten, 't zij dat er geen
werkster-larven zijn jonger dan drie dagen (want iedere larf eener
werkbij, die nog geen drie dagen oud is, kan door middel van een
bijzondere voeding worden veranderd in een koninklijke nymph, dit is het
groote democratische beginsel van den bijenkorf, dat opweegt tegen al de
voorrechten van het voorbeschikte moederschap); als men onder zulke
omstandigheden haar grijpt, opsluit, verre van hare woning brengt, en
als dit verlies is geconstateerd,--somtijds verloopen er twee of drie
uren vóór het bericht aan iedereen bekend is, zóó uitgebreid is de
stad,--dan houdt de arbeid bijna overal op. Dan verlaat men de
kleintjes, een gedeelte der bevolking zwerft rond om hare moeder op te
sporen, een ander gedeelte gaat uit om navraag naar haar te doen, de
slingers van werksters, die bezig waren de raten te bouwen, breken en
laten los, de honingdraagsters bezoeken de bloemen niet langer, de
deurwachteressen verlaten hun post, en de vreemde plunderaars, alle
parasieten van den honing, die voortdurend loeren op een buitenkansje,
komen en gaan vrijelijk, zonder dat iemand er aan denkt, den moeizaam
bijeengegaarden schat te verdedigen. Langzamerhand verarmt de stad en
wordt ontvolkt, en hare moedelooze bewoonsters sterven al spoedig van
droefheid en ellende, hoewel alle bloemen van den zomer voor haar
schitteren.

Maar laat men de souvereine vervangen vóór nog haar verlies een
voldongen en onherstelbaar feit is geworden, vóór de demoralisatie al te
grooten omvang heeft aangenomen (de bijen zijn als de menschen, te
langdurige vertwijfeling of rampen doen afbreuk aan hun verstand en
verlagen hun karakter), laat men enkele uren daarna de souvereine
vervangen, en ze bereiden deze een buitengewoon en aandoenlijk onthaal.
Allen verdringen zich rondom haar, vormen groepjes, klimmen op en over
elkaar, liefkoozen haar in 't voorbijgaan met hunne lange sprieten, die
zooveel voor ons nog onverklaarde organen bezitten, brengen haar honing,
en geleiden haar in optocht naar de koninklijke vertrekken. Onmiddellijk
is de orde weer hersteld en 't werk wordt weer hervat van de binnenste
raten der broedplaats tot aan de verste bijgebouwen, waar het overschot
van den oogst wordt opgeborgen: de honingdraagsters gaan uit in dichte
rijen en komen soms in minder dan drie minuten terug beladen met
honingsap en stuifmeel, de plunderaars en parasieten worden uitgedreven
of vermoord, de straten worden geveegd, en de korf weerklinkt liefelijk
en eentonig van dat lied van geluk, iets geheel eigenaardigs, dat om zoo
te zeggen het lied van de koninklijke presentie is.



XVIII.


Er zijn duizend voorbeelden van deze aanhankelijkheid, deze volkomen
toewijding der werkbijen aan hunne souvereine. Bij alle rampen der
kleine republiek, het vallen van korf of honingraat, de ruwheid of
onkunde van den mensch, koude, hongersnood of zelfs ziekte, waarbij het
volk in menigte omkomt, blijft de koningin bijna altijd behouden en men
vindt haar lovend onder de lijken harer trouwe dochteren. Dat komt
doordat allen haar beschermen, haar helpen vluchten, eene schutsmuur en
schuilplaats voor haar vormen met hunne lichamen, en voor haar het
gezondste voedsel en den laatsten druppel honing bewaren. En zoolang zij
nog in leven is dringt de wanhoop niet binnen in de stad der "kuische
dauw-drinksters", hoe groote ramp hen moge treffen. Breek tot twintig
malen toe hunne honingraten, ontneem hun twintig malen hunne kinderen en
levensmiddelen, ge zult er niet in slagen hen aan de toekomst te doen
vertwijfelen: en zelfs gedecimeerd, uitgehongerd, ingeslonken tot een
klein troepje, dat slechts met moeite de moeder voor de oogen des
vijands kan verbergen, zullen ze de instellingen der kolonie op nieuw
organiseeren, in het noodigste voorzien, de bezigheden onder elkaar
verdelen volgens de nieuwe eischen van de ongunst des oogenbliks, en
onmiddellijk den arbeid weer hervatten met een geduld, een ijver, een
verstand en volharding, die men in dezelfde mate niet dikwijls in de
natuur aantreft, al leggen de meeste wezens meer moed en vertrouwen aan
den dag dan de mensch.

Om de moedeloosheid verre te houden en hunne liefde bestendig, is de
aanwezigheid der koningin zelfs niet eens noodzakelijk; 't is al
voldoende dat ze op het uur van haar dood of vertrek ook maar de
flauwste hoop op nakomelingschap heeft achtergelaten. "We hebben eene
kolonie gezien", zegt de eerbiedwaardige Langstroth, een der vaders der
moderne bijenteelt, "die niet genoeg bijen had om een raat van tien
vierkante centimeter te bedekken en die toch een koningin trachtte te
fokken. Gedurende twee gansche weken bleven ze die hoop koesteren;
eindelijk, toen hun aantal tot op de helft verminderd was, werd hunne
koningin geboren, maar hare vleugeltjes waren zoo onvolkomen, dat ze
niet kon vliegen.

Al was ze impotent, toch behandelden hare bijen haar met niet minder
eerbied. Een week later was er niet veel meer dan een dozijn bijen
overgebleven, en eindelijk was enkele dagen daarna de koningin verdwenen
en liet op de honigraat eenige ontroostbare ongelukkigen achter".



XIX.


Dit is weer een dier omstandigheden, ontsproten uit de ongehoorde
beproevingen, die onze nieuwerwetsche en tyrannieke inmenging de
ongelukkige maar onwankelbare heldinnen doet ondergaan, waarbij men
hunne kinderlijke liefde en zelfverloochening bij hare laatste
krachtsinspanning verrast. Ik heb meer dan eens, zooals ieder
bijenliefhebber, bevruchte koninginnen uit Italië doen komen, want het
Italiaansche ras is beter, sterker, vruchtbaarder, vlijtiger en zachter
dan het onze. Ze worden verzonden in kleine, doorboorde doosjes. Men
doet er wat levensmiddelen in en sluit er de koningin in op vergezeld
van een zeker aantal werkbijen, die zooveel mogelijk uit de oudsten
worden gekozen (de ouderdom der bijen is gemakkelijk op te maken uit hun
glad, mager en bijna kaal lichaam, maar bovenal uit hun versleten en
door den arbeid gescheurde vleugeltjes) om haar te voeden, te verzorgen
en te bewaken tijdens de reis. Dikwijls waren bij aankomst de meeste der
werkbijen bezweken. Eenmaal zelfs waren alle van honger gestorven; doch
dezen keer zoowel als den voorgaanden was de koningin geheel ongedeerd
en krachtig, en de laatste harer gezellinnen was waarschijnlijk
gestorven door aan hare souvereine, het symbool van een kostbaarder en
grootscher leven dan het hare, den laatsten droppel honing aan te
bieden, dien ze nog bewaard hield in haar honingblaas.



XX.


Toen de mensch eenmaal deze hechte aanhankelijkheid had opgemerkt, wist
hij partij te trekken van den politieken zin, de arbeidzaamheid, de
volharding, de grootmoedigheid, den hartstocht voor de toekomst, die er
uit voortvloeien of in liggen opgesloten. Dank zij deze aanhankelijkheid
is hij er sedert eenige jaren in geslaagd tot op zekere hoogte en zonder
dat zij er iets van vermoeden, deze woeste amazones te temmen, want zij
geven zich aan geen enkele vreemde macht gevangen en in hunne onbewuste
afhankelijkheid, schikken zij zich toch enkel naar hunne eigene,
dienstbaar gemaakte wetten. Hij mag gelooven, dat hij met de koningin de
ziel en het lot van den ganschen bijenkorf in handen heeft.

Al naar het gebruik dat hij van haar maakt, van het spel, dat hij met
haar speelt om zoo te zeggen, hitst hij aan en vermenigvuldigt, belet
het zwermen of beperkt het, vereenigt of verdeelt de kolonies en heeft
de leiding over den uittocht. Doch dit neemt niet weg, dat de koningin
in den grond der zaak niets is dan een levend zinnebeeld, hetwelk even
als alle symbolen een minder zichtbaar en grootscher principe
vertegenwoordigt, waarmede de ymker heeft rekening te houden, wil hij
zich niet blootstellen aan meer dan eene teleurstelling. Trouwens de
bijen zelf bedriegen er zich niet in, en verliezen door deze zichtbare
en vergankelijke koningin heen, hunne eigenlijke onstoffelijke en
onvergankelijke souvereine, hun idée fixe, niet uit het oog. Laat dit
denkbeeld bewust zijn of onbewust, dat doet er niet toe, zoolang we niet
meer in 't bijzonder óf de bijen willen bewonderen die het koesteren, óf
de natuur, die het in hen heeft gelegd. Waar het zich ook moge bevinden,
in deze kleine, teedere lichaampjes of in het groote onkenbare lichaam,
het is al onze opmerkzaamheid waardig; en in 't voorbijgaan gezegd, we
zouden als we onze bewondering niet altijd afhankelijk maakten van
allerlei bijkomstige omstandigheden van plaats of oorsprong, niet zoo
dikwijls de gelegenheid laten voorbijgaan om onze oogen wijd open te
zetten van verbazing, en niets is heilzamer dan ze aldus te openen.



XXI.


Men zal zeggen, dat dit zeer gewaagde en veel te menschelijke gissingen
zijn, dat de bijen waarschijnlijk in 't geheel geen ideeën van dezen
aard hebben en dat het denkbeeld van toekomst, van liefde tot hun
geslacht en dergelijke meer, die wij hun toeschrijven, in den grond der
zaak alleen de vorm is, dien de noodzakelijkheid van te leven, de vrees
voor lijden en dood en de aantrekkingskracht van 't genot voor hen
aanneemt. Ik geef het toe, zoo men wil is dat alles slechts bij manier
van spreken, ik hecht er dan ook niet veel gewicht aan. 't Eenige wat
vaststaat is, hierin evenals in vele andere gevallen, dat men heeft
geconstateerd hoe de bijen in die en die omstandigheid met hunne
koningin zus of zoo handelen. De rest is een mysterie, waaromtrent men
slechts meer of minder welgevallige, meer of minder vernuftige gissingen
kan maken. Maar als we over de menschen eens juist zoo spraken als 't
misschien verstandig is over de bijen te spreken, zouden we er dan veel
meer van kunnen zeggen? Wij ook gehoorzamen enkel aan den drang der
noodzakelijkheid, aan de aantrekkingskracht van het genot of den afkeer
van het lijden, en wat wij ons verstand noemen heeft denzelfden
oorsprong en dezelfde bedoeling, als wat wij bij de dieren instinct
noemen. Wij volbrengen zekere daden waarvan we ons vleien de oorzaak
beter te begrijpen dan zij; maar behalve dat deze onderstelling op
geenerlei vasten grond berust, deze daden zijn onbeduidend en gering in
aantal vergeleken bij de enorme massa onzer andere daden, en alle, de
meest bekende en de meest onbekende, de kleinste en de grootste, de
naastbijliggende en de meest verwijderde, grijpen plaats in een
stikdonkeren nacht, waarin wij waarschijnlijk ongeveer even blind zijn
als wij dat van de bijen veronderstellen.



XXII.


"Men zal het met mij eens zijn", zegt Buffon--die een grappigen wrok
tegen de bijen koestert--"men zal het met mij eens zijn, dat deze
diertjes als men ze afzonderlijk neemt, minder geniaal zijn dan de
hond, de aap en de meeste dieren; men zal het met mij eens zijn, dat ze
minder leerzaam zijn, minder aanhankelijk, minder gevoelig, in één woord
minder eigenschappen bezitten, die met de onze te vergelijken zijn;
indien dit zoo is, moet men toegeven, dat hun schijnbaar verstand enkel
voortspruit uit hun samen-zijn; aan deze vereeniging echter op zichzelf
behoeft geenerlei verstand ten grondslag te liggen, want ze komen niet
samen uit eenig moreel oogpunt, buiten hun toedoen zien ze zich bijeen.
Deze maatschappij is dus enkel een physiek bijeenzijn, door de natuur
verordend, onafhankelijk van alle inzicht, alle kennis en alle
redeneering. De moeder-bij brengt tien duizend individuen voort, alle
tegelijk en op dezelfde plaats; deze tien duizend individuen zullen, al
waren ze duizend maal dommer dan ik aanneem, enkel reeds om te kunnen
blijven bestaan, genoodzaakt zijn, zich op een of andere wijze naar
elkaar te schikken; daar ze alle werken met gelijke krachten zullen ze,
al wilden ze ook aanvankelijk elkaar afbreuk doen, juist daarom al
spoedig elkaar zoo min mogelijk schaden, dat wil zeggen elkaar helpen;
dan lijkt het dus alsof ze 't met elkaar eens zijn en meewerken tot
eenzelfde doel; de toeschouwer verleent hun al spoedig allerlei
inzichten en al het verstand, dat hun ontbreekt; hij wil rekenschap
geven van iedere handeling, iedere beweging krijgt weldra haar motief,
en van daar tallooze wonderbare of monsterachtige redeneeringen. Want
deze tien duizend individuen, die alle tegelijk zijn voortgebracht, die
samen hebben gewoond, die alle ongeveer in denzelfden tijd hunne
gedaanteverwisseling hebben ondergaan, moeten noodzakelijk alle
hetzelfde doen, en als ze ook maar een greintje gevoel bezitten,
gemeenschappelijke gewoonten aannemen, zich naar elkaar schikken, op
goeden voet met elkaar komen te staan, hunne aandacht wijden aan hunne
woning, daarheen terugkeeren nadat ze er zich van verwijderd hebben
enz., en daar hebben we nu de bouwkunst, de geometrie, de orde, het
vooruitzien, de liefde voor 't vaderland, voor de republiek, wat alles
gebaseerd is, gelijk men ziet, op de bewondering van den toeschouwer."

Dat is nu eens een gansch andere manier om het leven der bijen te
verklaren. Aanvankelijk kan ze natuurlijker schijnen, doch zou dat niet
zijn om de zeer eenvoudige reden, dat ze bijna niets verklaart? De
zakelijke dwalingen van deze bladzijde ga ik met stilzwijgen voorbij,
maar zou dit zich voegen naar de noodzakelijkheid en het
gemeenschappelijk leven, elkaar zoo min mogelijk benadeelend, zou dat
niet evenzeer een zeker verstand verraden, dat des te opmerkelijker is
als men van meer nabij beschouwt, hoe deze "tien duizend individuen" het
aanleggen om elkaar te helpen en niet te benadeelen? En bovendien is 't
niet onze eigen geschiedenis, en wat zegt onze oude, booze
natuuronderzoeker, dat niet precies evengoed op onze geheele
menschelijke maatschappij kan worden toegepast? En wederom, zoo men dan
wil, dat onze bijen geen enkel der ideeën of gevoelens zullen bezitten,
die wij hun toeschrijven, wat maakt het uit waarheen men onze verbazing
verwijst? Oordeelt men het onvoorzichtig de bijen te bewonderen, dan
zullen we de natuur bewonderen, er komt toch altijd een punt waarop men
ons onze bewondering niet kan ontrooven, en we zullen er niets bij
verliezen, dat we hebben uitgesteld en afgewacht.



XXIII.


Hoe dit ook zij en om te blijven staan bij onze gissing, die althans dit
vóór heeft, dat ze in onzen geest zekere handelingen verbindt, die in de
werkelijkheid klaarblijkelijk verbonden zijn, veel meer dan de koningin
zelve beminnen ze in hunne koningin de oneindige toekomst van hun
geslacht. De bijen zijn volstrekt niet sentimenteel en wanneer een der
hunnen zóó ernstig gekwetst van den arbeid terugkomt, dat ze niet meer
van dienst kan zijn, dan wordt ze meedoogenloos verstoten. Toch kan men
niet zeggen, dat ze niet een soort van persoonlijke gehechtheid voor
hunne moeder kunnen koesteren. Ze herkennen haar altijd uit de anderen.
Zelfs wanneer ze oud is, verminkt en haveloos, zullen toch de
wachteressen nimmer een onbekende koningin, hoe jong, schoon en
vruchtbaar ze ook schijnen moge, veroorloven in den korf binnen te
dringen. Inderdaad is dit een der fundamenteele beginselen hunner
staatkunde en maakt men er slechts een heel enkelen keer inbreuk op, in
de tijden der groote honing-inzameling, ten gunste van een enkele
vreemde arbeidster, die rijk met levensmiddelen beladen is.

Als ze volkomen onvruchtbaar geworden is, vervangen ze haar door het
aankweeken van een zeker aantal koninklijke prinsessen. Maar wat doen ze
met de oude vorstin? Precies weet men het niet: maar 't is bij ymkers
wel voorgekomen, dat ze op de honigraten van een bijenkorf een prachtige
koningin vonden in de vaag der jeugd, en binnen in, in een donker
hoekje, de oude "minnares" zooals ze in Normandië genoemd wordt, verlamd
en vermagerd. In dit geval schijnen ze haar tot het einde toe te moeten
beschermen tegen den haat van haar krachtige mededingster, die slechts
peinst op haar dood: want de koninginnen koesteren onderling een
onoverkomelijken haat, die maakt dat zoodra er zich twee onder het
zelfde dak bevinden, ze op elkander aanvallen. Gaarne zou men aannemen,
dat ze op deze wijze aan het oudje een soort van nederig en vreedzaam
toevluchtsoord bereiden, om er in een afgelegen gedeelte der stad hare
dagen te eindigen. Doch op nieuw staan we hier voor een dier duizenden
raadsels van het wassen koninkrijk, en op nieuw biedt zich ons de
gelegenheid te constateeren, dat de staatkunde en de gewoonten der bijen
volstrekt niet bekrompen en fatalistisch zijn, en dat ze veel
ingewikkelder beweegredenen hebben dan die welke wij meenen te kennen.



XXIV.


Wij echter verstoren ieder oogenblik de natuurwetten, die in hunne oogen
onwrikbaar vast moeten staan. Wij brengen hen dagelijks in denzelfden
toestand, waarin wij ons zouden bevinden, indien iemand plotseling
rondom ons de wetten van de zwaartekracht, de ruimte, het licht of den
dood ophief. Wat zullen ze nu doen als men door geweld of list een
tweede koningin binnen de stad brengt? In den natuurstaat is dit geval,
dank zij de wachteressen van den ingang, misschien nooit voorgekomen,
zoolang ze deze wereld bewonen. Ze raken hun hoofd niet kwijt en weten
bij zulk een wonderbaar samentreffen zoo goed mogelijk twee principes,
die zij als goddelijke instellingen schijnen te eerbiedigen, met elkaar
te verbinden. Het eerste is dit, dat er slechts ééne moeder mag zijn, en
men wijkt er nooit van af behalve in 't geval (en zeer uitsluitend in
dat geval) dat de heerschende koningin onvruchtbaar is. Het tweede is
nog merkwaardiger, maar al mag dit niet worden overtreden, men kan het
ten minste ontduiken, evenals de Joodsche wet. Het is het principe, dat
aan de persoon van iedere koningin, wie ze ook zijn moge, een soort van
onschendbaarheid verleent. 't Zou den bijen gemakkelijk vallen, de
indringster met hunne duizend vergiftige angels te doorboren; ze zou
onmiddellijk omkomen en ze hadden niets te doen dan haar lijk buiten den
korf te sleepen. Maar al hebben ze hun angel altijd gereed, al gebruiken
ze dien ieder oogenblik in hun onderlingen strijd, om de darren en
parasieten ter dood te brengen, _nooit steken ze een koningin_, evenmin
als een koningin ooit een mensch, een dier of een gewone bij steekt; en
haar koninklijk wapen, dat in plaats van recht te zijn, den gebogen vorm
heeft van een krommen sabel, wordt enkel door haar uit de scheede
getrokken als ze strijdt tegen haars gelijke, dat wil zeggen tegen een
andere koningin.

Daar nu blijkbaar geen enkele bij de afschuwelijke daad van een
regelrechten en bloedigen koningsmoord op zich wil nemen, trachten ze in
die omstandigheden wanneer het voor de goede orde en den voorspoed der
republiek noodzakelijk is een koningin te doen omkomen, aan dien dood
den schijn te geven van een natuurlijken dood; ze verdeelen de misdaad
tot in het oneindige onder elkaar, zoodat ze anoniem wordt.

"Ze pakken dan de vreemde koningin in" om den technischen term der
ymkers te gebruiken, wat beduidt, dat ze haar totaal omwikkelen met
hunne ontelbare, samengestrengelde lichamen. Aldus vormen ze een soort
van levende gevangenis, waarin de gevangene zich niet meer kan bewegen,
en zoo noodig houden ze dat vier en twintig uur vol, totdat ze sterft
van honger of stikt.

Verschijnt in zulke oogenblikken de wettige koningin en schijnt ze, een
mededingster bespeurende, geneigd haar aan te vallen, dan openen zich de
bewegelijke muren der gevangenis onmiddellijk voor haar. De bijen vormen
een kring rondom de beide vijandinnen, en zonder er aan deel te nemen
wonen ze als oplettende maar onpartijdige toeschouwsters den
zonderlingen strijd bij; want enkel eene moeder mag haren angel richten
tegen eene moeder, alleen zij die meer dan een millioen levens in zich
bevat, schijnt het recht te hebben door een enkelen steek duizend dooden
te maken.

Maar indien het vijandelijk treffen langen tijd zonder gevolg blijft,
indien de beide kromme angels langs de zware harnassen afglijden zonder
iets uit te richten, dan wordt die koningin, die aanstalten maakt te
ontvluchten, de wettige zoo goed als de vreemde, beet gepakt,
tegengehouden en omgeven door de trillende gevangenis tot ze weer
neiging toont den strijd te hervatten. 't Is niet meer dan billijk er
bij te voegen, dat men bij de talrijke ervaringen te dezen opzichte
opgedaan, bijna altijd de wettige koningin heeft zien overwinnen, 't zij
deze doordat ze zich thuis voelt en te midden der haren, meer moed en
kamplust bezit dan de andere, 't zij de bijen, zoo ze al onpartijdig
zijn bij den aanvang van den strijd, het niet geheel en al zijn in de
wijze van inkerkering der beide mededingsters; want hunne moeder schijnt
daar weinig onder te lijden te hebben, terwijl de vreemde er zichtbaar
gekneusd en afgemat uit te voorschijn komt.



XXV.


Een gemakkelijke proefneming toont beter dan iets anders aan, dat de
bijen hunne koningin herkennen en een ware gehechtheid voor haar
koesteren. Neem de koningin weg uit een bijenkorf en weldra zult ge alle
verschijnselen van angst en verslagenheid kunnen waarnemen, die ik in
een vorig hoofdstuk beschreven heb. Breng na enkele uren dezelfde
koningin terug en al hare dochters zullen haar tegemoet komen en haar
honing aanbieden. Eenige stellen zich langs haar weg op in rijen,
anderen vormen met het hoofd naar beneden en het onderlijf in de hoogte
groote, onbeweeglijke, maar klankgevende half-cirkels rondom haar, aldus
ongetwijfeld den vreugdezang over hare wederkomst zingend en door deze
plechtigheid hun eerbied of hun overgroot geluk te kennen gevend.

Meent echter niet hen te kunnen bedriegen door voor de wettige koningin
een vreemde moeder in de plaats te geven. Nauwelijks heeft ze eenige
schreden in den korf gedaan of de verontwaardigde werkbijen komen van
alle kanten toestroomen. Onmiddellijk wordt ze gegrepen, ingewikkeld en
vastgehouden in die vreeselijke bewegelijke gevangenis, welker muren
door gestadige aflossing tot aan haar dood zullen blijven bestaan, want
in dit bijzonder geval zal ze maar zelden er levend uitkomen.

Daarom blijft een der grootste moeielijkheden van de bijenteelt het
inbrengen en vervangen der koninginnen. 't Is merkwaardig om te zien tot
hoeveel diplomatie en ingewikkelde listen de mensch zijn toevlucht moet
nemen om zijn wensch door te zetten en deze kleine insecten met al hun
doorzicht maar ook onveranderlijk goed vertrouwen, om den tuin te
leiden, die met een aandoenlijken moed de meest onverwachte
gebeurtenissen aanvaarden, en er klaarblijkelijk enkel een nieuwe maar
onontkoombare gril van de natuur in zien.

In 't kort, bij al deze diplomatie en de wanhopige wanorde, die deze
gewaagde listen meestal met zich brengen, rekent de mensch bijna
empirisch op den bewonderenswaardigen praktischen zin der bijen, op den
onuitputtelijken schat hunner wonderbare wetten en gewoonten, op hun zin
voor orde, vrede en het openbaar welzijn, op hun trouw aan de toekomst,
op de belangeloosheid en degelijkheid van hun karakter en vooral op hun
volhardende plichtsbetrachting, die door niets schijnt te worden
uitgeput. Maar de nadere bijzonderheden van dit optreden behooren bij
een verhandeling over de eigenlijke gezegde bijenteelt en zouden ons
hier te ver voeren [1].


[1] Gewoonlijk brengt men de koningin in een korf door haar op te
sluiten in een kooi van ijzerdraad, die men tusschen twee raten ophangt.
De kooi is voorzien van een deur van was en honing, die door de
werkbijen wordt opgegeten als hun toorn voorbij is, waardoor ze de
gevangene bevrijden, die dikwijls zonder onwil wordt ontvangen. De heer
S. Simmins, direkteur van het groote bijenpark te Rottingdeau, heeft
onlangs een andere, hoogst eenvoudige manier uitgevonden, welke bijna
altijd slaagt en reeds ingang vindt bij alle ymkers, die waarlijk
belangstellen in hun vak. De groote moeielijkheid bij het invoeren is
gewoonlijk de houding der koningin. Ze is haar hoofd kwijt, wil vluchten
of zich verbergen, gedraagt zich als een indringster, en wekt daardoor
vermoedens, die al spoedig door het onderzoek der werkbijen bevestigd
worden. De heer Simmins houdt eerst de bewuste koningin geheel
afgezonderd en laat haar een half uur vasten. Vervolgens licht hij een
hoekje van de binnen-bedekking van den verweesden korf op en zet de
koningin boven op een der raten. Na haar voorafgaand isolement, dat ze
heel akelig heeft gevonden, is ze blij weer onder bijen te zijn, en
uitgehongerd zijnde, neemt ze gretig de spijzen aan, die men haar
aanbiedt. Door deze kalmte om den tuin geleid, doen de werkbijen geen
onderzoek en houden het er waarschijnlijk voor, dat hun koningin is
teruggekomen, die ze met vreugde weer opnemen. Uit deze ervaring schijnt
op te maken, dat zij, in strijd met de meening van Huber en alle
waarnemers, hunne koningin niet herkennen.--Hoe dit ook zij, de beide
evenzeer aannemelijke verklaringen toonen weer eens te meer--hoewel de
waarheid misschien gelegen is in een derde ons nog niet bekende
verklaring--hoe ingewikkeld en hoe duister de psychologie der bijen nog
is. En uit deze, zoowel als uit alle andere levensvragen, is maar ééne
conclusie te trekken, en wel deze, dat in afwachting van beter,
nieuwsgierigheid ons moet blijven bezielen.



XXVI.


Wat nu de persoonlijke gehechtheid betreft waarover we spraken, en om
daarmede nu af te rekenen: al is de waarschijnlijkheid groot, dat ze
bestaat, even zeker is het dat ze kort is van geheugen. Indien ge na
verloop van eenigen tijd een verbannen koningin in haar waardigheid wilt
herstellen, dan zal ze op zulk eene wijze worden ontvangen door hare
verbitterde kinderen, dat ge u zult moeten haasten haar te ontrukken aan
de doodelijke inkerkering, de straf van onbekende koninginnen. De reden
daarvan is, dat ze tijd hebben gehad om een tiental verblijven van
werkbijen in koninklijke cellen te veranderen, en dat de toekomst van
het ras volstrekt geen gevaar meer loopt. Men ziet dus ook zeer dikwijls
de onderdanen eener maagdelijke koningin, wanneer deze de gevaarlijke
plechtigheid van de "paringsuitvlucht" volbrengt, dermate beangst haar
te verliezen, dat allen haar vergezellen op dezen tragischen en verren
onderzoekingstocht naar de liefde, wat ze nimmer doen indien men heeft
zorg gedragen hun een stukje raat met eenige cellen jong broedsel te
geven, waarin voor hen de hoop ligt opgesloten, nieuwe moeders te
kweeken. Die gehechtheid kan zelfs omslaan in woede en haat, indien
hunne vorstin niet al hare plichten vervult tegenover die soort
abstracte godheid, die wij de maatschappij der toekomst zouden noemen en
waarvoor zij veel meer schijnen te voelen dan wij. 't Is b.v.
voorgekomen, dat ymkers om verschillende redenen, de koningin beletten
zich bij den zwerm te voegen door haar tegen te houden met een
traliewerk, waardoor de fijne, lichte werkbijen heenvlogen zonder het te
bespeuren, maar waar de arme slavin der liefde, die aanmerkelijk
zwaarder en corpulenter is dan hare dochters, niet doorheen kon. Bij het
eerste uitvliegen kwamen de bijen, als ze bespeurden, dat ze hen niet
gevolgd had weer naar den korf terug en beknorden, schudden en
mishandelden op duidelijk zichtbare wijze de ongelukkige gevangene, die
ze zonder twijfel van luiheid beschuldigden of voor zwak van geest
hielden. Bij den tweeden uittocht, als haar onwil dus duidelijk bleek,
nam de toorn toe en werden de mishandelingen nog erger. En eindelijk na
den derden hielden ze haar voor onverbeterlijk trouweloos tegenover haar
bestemming en de toekomst van het ras, veroordeelden haar bijna altijd
en brachten haar ter dood in de koninklijke gevangenis.



XXVII.


Zooals men ziet, wordt alles aan deze toekomst ondergeschikt gemaakt met
een scherpheid van blik, een eenstemmigheid, een onbuigzaamheid, eene
vaardigheid in het verklaren der omstandigheden en het partij trekken
daarvan, die ons verbaasd doen staan, als men rekening houdt met al het
onverwachte, al het bovennatuurlijke, dat in den laatsten tijd door onze
inmenging onophoudelijk in hunne woningen binnendringt. Misschien zal
men zeggen, dat ze in het laatst aangehaalde geval al een heel slechte
verklaring geven van de onmacht hunner koningin hen te volgen. Zouden
wij veel meer doorzicht hebben, indien een geest van een andere orde,
die een lichaam tot zijn dispositie had zóó kolossaal, dat zijne
bewegingen bijna even ontastbaar zouden zijn als die van een
natuurverschijnsel, er behagen in schepte ons dergelijke strikken te
spannen? Hebben wij niet eenige duizenden jaren noodig gehad om een
eenigszins aannemelijke verklaring van den bliksem te vinden? Elk
intellekt is met langzaamheid geslagen als het komt buiten zijn altijd
beperkte sfeer, en zich geplaatst ziet tegenover gebeurtenissen, waartoe
het niet zelf den eersten stoot heeft gegeven. Bovendien is 't niet eens
zeker of de bijen, indien de proef met het traliewerk algemeen werd en
eenigen tijd aanhield, niet zouden eindigen met begrijpen en aan de
bezwaren zouden tegemoet komen. Ze hebben reeds vele andere
proefnemingen begrepen en er op de best mogelijke wijze partij van
getrokken, b.v. bij die van de "bewegelijke honingraten", of van de
"secties", waardoor men hen noodzaakt hunne provisie honing op te bergen
in symmetrisch op elkaar gestapelde doosjes; of ook bij de buitengewone
proef met de "kunstraten voorzien van cellen-indruk," waarbij de cellen
enkel zijn aangegeven door een dun omtrekje van was; dadelijk zien ze
het nut daarvan in en werken ze zorgvuldig uit, zoodat ze zonder verlies
van materiaal of arbeid, volmaakte celletjes daaruit vormen. Ontdekken
ze niet in al die omstandigheden, die zich niet voordoen onder den vorm
van een of anderen strik, gespannen door een soort van boosaardigen en
geslepen godheid, de beste en de eenige menschelijke oplossing? Om maar
eens een dergelijke natuurlijke maar gansch abnormale omstandigheid te
noemen: laat er een slak of een muis in den korf zijn gekomen en er ter
dood gebracht, wat doen ze dan om zich te ontdoen van het lijk, dat
weldra de atmosfeer zou vergiftigen? Als ze het onmogelijk kunnen
verwijderen of stuk maken, dan sluiten ze het methodisch en hermetisch
op in een echt graf van was en maagdenwas, dat een wonderlijken indruk
maakt te midden der gewone monumenten der stad. Verleden jaar vond ik in
een mijner bijenkorven drie zulke graven aaneen, onderling gescheiden op
de wijze der cellen van een honingraat door tusschenschotten, waardoor
zoo min mogelijk was verbruikt werd. De voorzichtige lijkbezorgsters
hadden ze gebouwd op de overblijfselen van drie kleine huisjesslakken,
die een kind binnen hun kolonie gebracht had. Als ze met huisjesslakken
te doen hebben, vergenoegen ze er zich gewoonlijk mee, de opening der
schelp met was te bedekken. Maar hier vonden ze het eenvoudiger, daar de
schelpen min of meer gebroken of gebarsten waren, ze in hun geheel te
begraven, en om het in- en uitgaan door de poort niet te belemmeren,
hadden ze in deze hinderlijke massa een zeker aantal galerijen weten te
maken, geheel van de juiste afmetingen niet voor hun lichaam maar voor
dat der darren, die ongeveer tweemaal dikker zijn dan zij. Geeft dit
feit, en ook het volgende, ons niet het recht te meenen, dat ze ook wel
eenmaal zouden weten te ontcijferen, wat de reden is waarom de koningin
hen niet kan volgen door de tralies? Ze hebben een zeer juisten blik
voor afmetingen en voor de ruimte, die eenig lichaam noodig heeft om
zich te bewegen. In de streken, waar de afschuwelijke doodshoofdvlinder
tiert, de _Acherontia Atropos_, maken ze aan den ingang van hun korf
wassen pilaartjes, waar de nachtelijke roover met zijn enorm achterlijf
niet tusschen door kan.



XXVIII.


Maar genoeg over dit punt; indien ik alle voorbeelden moest aanhalen,
zou ik niet uitgepraat raken. Om te resumeeren welke de rol en de
positie zijn der koningin, kan men zeggen, dat zij het hart doch tevens
de slavin is der stad, wier intellekt haar overal omgeeft. Zij is de
eenige souvereine, maar ook de koninklijke dienstmaagd, de gevangen
schatbewaarster der liefde en de verantwoordelijke afgevaardigde
daarvan. Haar volk dient en eerbiedigt haar, doch vergeet nimmer dat het
zich niet onderwerpt aan haar persoon, maar aan de zending, die ze
vervult en de levens, die zij vertegenwoordigt. Het zou moeite kosten
een menschelijke republiek te vinden, wier ontwerpen zulk een
aanmerkelijk deel der wenschen onzer planeet verwezenlijkten, een
democratie, waarbij de onafhankelijkheid tegelijkertijd volkomener en
redelijker was, en de onderwerping vollediger en meer beredeneerd. Maar
men zou er evenmin een vinden, waarin zwaardere en meer algeheele offers
werden gebracht. Meent niet, dat ik voor deze offers evenveel
bewondering koester als voor hun gevolgen. Zeer zeker ware het
wenschelijk, dat deze resultaten met minder lijden, minders offers
konden verkregen worden. Maar eenmaal dat beginsel aangenomen--en
misschien is het noodzakelijk in de gedachte die onzen aardbol
beheerscht--is de organisatie daarvan bewonderenswaardig. Hoeveel of hoe
weinig waarheid er moge schuilen in de menschelijke opvatting, in den
bijenkorf wordt het leven niet beschouwd als een rij min of meer
aangename uren, waarvan men verstandig doet er zoo min mogelijk te
verdonkeren of te verbitteren behalve de minuten die onvermijdelijk
zijn om het te onderhouden: doch als een groote gemeenschappelijke
plicht tegenover een toekomst, die al maar verder wijkt sedert den
aanvang der wereld. Ieder doet er afstand van de grootste helft van zijn
geluk en zijne rechten. De koningin zegt vaarwel aan 't zonlicht, de
bloemkelken en de vrijheid, de werkbijen aan de liefde, aan vier of vijf
levensjaren en de moederweelde. De koningin ziet hare hersenen
gereduceerd tot niets ten behoeve van de organen der voortplanting, en
de werkbijen zien deze zelfde organen afsterven ten bate van hun
verstand. 't Zou onbillijk zijn te beweren, dat de wil in 't geheel geen
aandeel heeft aan deze offers. We hebben gezien, dat elke larve eener
werkbij, als ze gevoed en gehuisvest werd op koninklijke wijze, koningin
zou kunnen worden; en evenzoo zou iedere koninklijke larve, als men haar
voedsel veranderde en hare cel verkleinde, in een werkbij veranderd
worden. Zulk eene merkwaardige keuze vindt dagelijks plaats in de gouden
schaduw van den bijenkorf. Ze is niet de vrucht van het toeval; maar een
wijsheid, wier diepe ernst en eerlijkheid alleen de mensch kan
miskennen, een wijsheid, die altijd waakzaam is, doet of vernietigt die
keuze, in verband met al wat buiten de stad zoowel als binnen hare muren
plaats grijpt. Als er zich plotseling een ongedachte menigte bloemen
voordoet, als de koningin oud is of minder vruchtbaar, als de bevolking
zich ophoopt en geen ruimte genoeg heeft, dan zult ge koninklijke cellen
zien ontstaan. Deze zelfde cellen kunnen weer vernietigd worden, indien
de oogst mislukt of de korf wordt vergroot. Dikwijls worden ze in wezen
gehouden zoolang de jeugdige koningin haar parings-vlucht nog niet of
nog zonder succes heeft volbracht, om vernietigd te worden zoodra ze in
den korf terugkeert met het onbedriegelijk teeken harer bevruchting als
een trophee achter zich aan.

Waar is nu deze wijsheid te vinden, die aldus heden en toekomst in de
weegschaal legt en voor welke het nog niet zichtbare zwaarder weegt dan
al wat men aanschouwt? Waar zetelt die anonyme voorzichtigheid, die
verwerpt en verkiest, verheft en vernedert, die van zoovele werkbijen
evenveel koninginnen zou kunnen maken en van zoovele moeders een volk
van maagden vormt? Elders hebben we gezegd, dat ze te vinden is in "den
geest van den bijenkorf"; maar waar hebben we dan dien "geest van den
korf" te zoeken, zoo niet in de vereeniging der werkbijen? Om er zich
van te overtuigen, dat hij daar thuis behoort, was het misschien niet
noodig geweest zoo nauwkeurig de gewoonten der koninklijke republiek na
te gaan. Het ware voldoende geweest, even als Dujardin, Brandt, Girard,
Vogel en andere insectenkenners gedaan hebben, het kleine, onoogelijke
kopje vol zorgen van de maagdelijke werkbij onder het microscoop te
plaatsen naast den eenigszins leegen schedel der koningin en den
prachtigen kop van een dar, waarin zesentwintig duizend oogen
schitteren. We hadden dan kunnen zien, dat in dat kleine kopje de
kronkelingen van de grootste en volmaakste hersenen van den ganschen
bijenkorf opgesloten liggen. 't Zijn zelfs na die van den mensch, in een
andere orde en met verschillende organisatie, de schoonste,
ingewikkeldste, teederste en volmaaktste hersenen, die in de natuur
voorkomen[1].

Ook hier, zoo goed als overal elders in de ons bekende wereld, is het
gezag, de ware kracht, de wijsheid en de zegepraal daar te vinden, waar
de hersenen zijn. Ook hier is het een bijna onzichtbaar atoom van deze
geheimzinnige stof, dat de materie aan zich onderwerpt en organiseert en
dat zich een duurzame en zegevierende plaats weet te scheppen te midden
van de enorme en inerte machten van dood en niet-zijn.


[1] De hersenen der bijen vormen naar de berekening van Dujardin het
174ste deel van het totale gewicht van 't insect; die van de mieren het
296ste. Daarentegen zijn de _peduncidi cerebri_ (een bundel
zenuw-vezelen), die zich schijnen te ontwikkelen naar evenredigheid der
overwinningen van het intellekt over het instinkt, van minder beteekenis
bij de bij dan bij de mier. Daar het een tegen het ander opweegt,
schijnt men uit deze berekeningen te kunnen opmaken, (als men maar niet
vergeet dat het voor een deel slechts een hypothese is, en als men
rekening houdt met de onbekendheid der materie,) dat de intellektueele
beteekenis der mieren en die der bijen ongeveer gelijk moet zijn.



XXIX.


Laat ons nu terugkeeren tot onze bijen, die willen gaan zwermen en niet
hebben gewacht op het einde onzer overpeinzingen om het teeken van
vertrek te geven. Op het oogenblik, dat dit gegeven wordt, zou men
kunnen meenen, dat alle poorten der stad precies te gelijk door een
plotselingen en onverstandigen duw werden geopend, en de zwarte massa
komt er uit of liever borrelt er uit op, al naar het aantal openingen,
in een dubbelen, drievoudigen of viervoudigen straal, eerst recht,
trillend, gespannen, onafgebroken, maar in de ruimte dadelijk
uiteenvloeiend en zich uitbreidend tot een gonzend net, geweven uit
honderd duizenden van zenuwachtig trillende, doorschijnende
vleugeltjes. Gedurende enkele minuten zweeft dat net aldus boven den
bijenkorf onder een wonderbaar geruisch, alsof het doorschijnende zijde
ware, door duizenden en duizenden geëlectriseerde vingeren onophoudelijk
gescheurd en weer aaneengehecht. Het golft op en neer, aarzelt nog en
trilt als een feest-sluier door onzichtbare handen ten hemel geheven,
waar 't is alsof ze hem samenvouwen en weer ontplooien van af de bloemen
tot aan het azuur, in afwachting van de aankomst of 't vertrek van een
verheven persoonlijkheid. Eindelijk slaat één der kanten neer, een
andere wordt opgeheven, de vier zonnige hoeken van den blinkenden mantel
worden bijeengevoegd, en gelijk één dier met verstand bedeelde
tafellakens[1], die in de feeënsprookjes door de lucht vliegen om een of
anderen wensch te vervullen, richt hij zich, ten einde op nieuw de
gewijde vertegenwoordigster van de toekomst te omgeven, in zijn geheel
en reeds weer saamgevouwen naar de linde, den pereboom of den wilg,
waarop de koningin zich zoo juist heeft neergelaten, als een gouden
spijker, waaraan hij één voor één zijn muzikale golvingen bevestigt en
waar hij zijn paarlkleurige stof, verlicht door die tallooze
vleugeltjes, om heen rolt.

Eindelijk treed weder stilte in; al dat rumoer en die vreeselijke
sluier, die scheen gemaakt van louter bedreigingen, louter woede, die
oorverdoovende gouden hagel, die, maar steeds daar boven blijvende
hangen, onophoudelijk weerklonk over alle voorwerpen in de rondte, dat
alles wordt een oogenblik later omgezet in een grooten tros,
onschadelijk en vreedzaam hangend aan een boomtak en gevormd door
duizenden levende maar onbewegelijke besjes, die geduldig de terugkomst
afwachten van de verkenners, welke er op uit zijn om een toevluchtsoord
te zoeken.


[1] Waarschijnlijk een toespeling op het "Tafeltje dek u." VERT.



XXX.


Dit is de eerste pleisterplaats van den zwerm, die de "primaire zwerm"
wordt genoemd, aan welks spits zich nog altijd de oude koningin bevindt.
Gewoonlijk zet hij zich neer op een boom of struik in de onmiddellijke
nabijheid van den korf, want de koningin, die zich bezwaard voelt door
hare eieren en het daglicht niet weer heeft aanschouwd sedert hare
paring of sedert het zwermen van het vorig jaar, durft zich nog niet in
de ruimte te wagen en schijnt het gebruik harer vleugels verloren te
hebben.

De ymker wacht tot de massa een dichte klomp is geworden, en dan gaat
hij, met een grooten stroohoed op (want de kalmste bij trekt zonder feil
haren angel, wanneer ze in de haren verward raakt, waar ze meent in een
val gevangen te zijn) maar zonder masker en zonder sluier als hij eenige
ervaring heeft, en nadat hij zijne bloote armen tot aan den elleboog in
koud water heeft gedompeld, aan het overbrengen van den zwerm, door den
tak, die dezen draagt, flink te schudden boven een omgekeerden korf.
Zwaar valt de tros er in neer, als een rijpe vrucht. Of wel als de tak
te sterk is, schept hij met een lepel wat van den hoop af en verspreidt
die lepels vol levend goedje waar hij wil, precies alsof het koren was.
Hij heeft niets te vreezen van de bijen, die om hem heen gonzen en in
menigte zijn handen en gezicht bedekken. Hij luistert naar hun
vreugdezang, die in 't geheel niet lijkt op het lied van hunnen toorn.
Hij behoeft niet te duchten, dat de zwerm zich zal verdeelen, boos
worden of ontvluchten. Ik zeide het reeds, op dien dag zijn de
geheimzinnige arbeidsters bezield met een geest van feestelijkheid en
goed vertrouwen, die door niets wordt verstoord. Ze hebben zich
losgemaakt van de goederen, die zij te verdedigen hadden en kennen hun
vijanden niet meer. Ze zijn onschadelijk krachtens dat gevoel van geluk,
en ze zijn gelukkig zonder dat we weten waarom: ze vervullen de wet.
Alle wezens kennen zulke oogenblikken van blind geluk, die de natuur
voor hen heeft weggelegd, als ze haar doel wil bereiken. Laten we er
niet verbaasd over zijn, dat de bijen er zich door laten beet nemen; wij
zelven, die haar nu reeds zoo vele eeuwen waarnemen met behulp van
hersenen, welke veel volmaakter zijn dan de hunne, wij zijn er ook nog
dupe van en weten nog altijd niet of ze welwillend, onverschillig of
laaghartig wreed is.

De zwerm blijft waar de koningin is neergevallen, en al was ze alleen in
den korf gevallen, dan zouden toch alle bijen, zoodra ze hare
aanwezigheid opmerkten, zich in lange zwarte rijen naar de moederlijke
verblijfplaats begeven; terwijl de meesten daar haast mee maken, blijven
er een massa andere een oogenblik voor den ingang der onbekende poorten
staan en vormen daar in statige vreugde een kring, zooals zij gewoon
zijn bij alle blijde gebeurtenissen te doen. Zij "slaan den roffel"
zeggen de boeren. Onmiddellijk wordt het niet verwachte toevluchtsoord
aanvaard en in zijn minste schuilhoeken doorzocht; zijn plaats in den
bijenstand, zijn vorm en kleur worden verkend en in duizenden
voorzichtige en trouwe geheugentjes weggelegd. De kenmerkende punten van
de omgeving worden met zorg opgenomen, de nieuwe stad is gesticht en
hare plaats opgeteekend in den geest en het hart van al hare bewoners;
men hoort binnen hare muren den liefde-zang van de koninklijke presentie
weerklinken en de arbeid begint.



XXXI.


Indien de mensch hem niet opvangt, eindigt de geschiedenis van den zwerm
hier niet. Hij blijft aan den boom hangen tot aan de terugkomst der
werkbijen, die dienst doen als gevleugelde verkenners of
kwartiermeesters en die zich dadelijk bij het begin van het zwermen in
alle richtingen hebben verspreid om een woonplaats op te zoeken. Een
voor een komen ze terug en geven verslag van hunne zending, en daar het
ons onmogelijk is de gedachten der bijen te doorgronden, moeten we het
schouwspel, dat we bijwonen, wel op menschelijke wijze verklaren.
Waarschijnlijk dan luistert men aandachtig naar hun verslag.
Klaarblijkelijk hemelt de een een hollen boom op, een ander roemt de
voortreffelijkheid van een spleet in een ouden muur, een holte in een
grot of een verlaten kuil. 't Komt dikwijls voor, dat de vergadering tot
den volgenden morgen overweegt en besluiteloos blijft. Eindelijk echter
is de keuze gedaan en de overeenkomst gesloten. Op een gegeven
oogenblik raakt de heele tros in beweging, wriemelt dooreen, maakt zich
los van elkaar, verstrooit zich en de trillende wolk richt zich met een
onstuimige en ongestoorde vlucht, die ditmaal geen hinderpalen meer
kent, over heggen, korenvelden, vlasakkers, hooimijten, vijvers, dorpen
en rivieren heen, in rechte lijn naar een vast en altijd ver verwijderd
doel. Zelden kan de mensch hen bij dezen tweeden uittocht volgen. Ze
keeren terug tot de natuur en wij raken het spoor van hunne verdere
lotgevallen bijster.



DERDE BOEK.



DE STICHTING DER STAD.


I.


Laat ons liever eens zien wat de zwerm, dien de ymker in den korf heeft
opgevangen, daarin uitvoert. En laten we dan allereerst een gedachte
wijden aan het offer, dat er gebracht is door de vijftig duizend
maagden, die naar het woord van Ronsard "een teeder hart in een klein
lichaam omdragen", en nogmaals den moed bewonderen, die er toe vereischt
wordt om een nieuw leven te beginnen in de woestijn, waarin ze zijn
neergevallen. Ze vergeten dus de weelderige, prachtige stad, waarin ze
geboren zijn, waar het leven zoo veilig voor hen was en zoo prachtig
geregeld, waar het sap van alle bloemen, die een herinnering bewaren van
de zon, hen kon doen lachen om de dreigementen des winters. Ze hebben er
duizenden en duizenden kleintjes slapend in hun wieg achtergelaten, die
ze niet zullen weerzien. Behalve den enormen voorraad aan was, voorwas
en stuifmeel, die door hen was bijeengebracht, hebben ze meer dan
honderdtwintig pond honing in den steek gelaten, dat wil zeggen twaalf
maal het gewicht van het gansche volkje, bijna zes honderd duizend maal
het gewicht van iedere bij, wat voor den mensch zou gelijkstaan met twee
en veertig duizend vaten levensmiddelen, een gansche vloot van groote
vaartuigen beladen met kostbaarder en volmaakter spijzen dan alle, die
wij kennen; want de honing is voor de bijen een soort van vloeibaar
leven, een soort van chyl, die onmiddellijk en bijna zonder verlies
wordt geassimileerd.

Hier in de nieuwe woning vinden ze niets, geen druppel honig, geen
enkele wastafel, geen kenmerkend teeken, geen steunpunt. Een
troostelooze naaktheid als van een geweldig gebouw met niets dan een dak
en muren. De ronde, gladde wanden houden niets dan schaduw in zich
besloten en daarboven welft zich de monsterachtige koepel over het
ledig. Doch de bij kent geen ijdel geklaag, in ieder geval blijft ze er
niet bij stilstaan. Haar ijver, wel verre van te worden uitgedoofd door
een beproeving, die ieder ander wezen den moed zou doen verliezen, is
grooter dan ooit. Nauwelijks is de korf opgericht en op zijn plaats
gezet, nauwelijks begint de wanorde door dien geweldigen val veroorzaakt
eenigszins te bekomen, of men ziet in de verwarde menigte een duidelijk
afgescheiden en geheel onverwachte indeeling tot stand komen, Het
grootste deel der bijen begint als een leger, dat aan een duidelijk
geformuleerd bevel gehoorzaamt, in dichte rijen langs de vertikale
wanden te klimmen. Tot aan den koepel genaderd klampen de eerst
aangekomenen zich met de nagels hunner voorpooten daaraan vast; zij, die
daarna komen, haken zich vast aam de eersten en zoo voort, totdat er
lange ketenen gevormd zijn, die als brug dienen voor de aldoor maar
opstijgende menigte.

Langzamerhand als deze ketens tot in het oneindige zijn vermeerderd,
versterkt en in elkaar vastgemaakt, worden ze tot guirlandes, die op
hunne beurt onder het onafgebroken opklimmen van ontelbare bijen in een
dik en driehoekig gordijn veranderen, of veeleer in een soort van
stevigen, omgekeerden kegel, waarvan de punt aan den top van den koepel
is vastgehecht en welks basis al breeder wordend afdaalt tot op de helft
of twee derde van de totale hoogte van den korf. En dan, als de laatste
bij die zich door een inwendige stem geroepen voelt deel uit te maken
van dezen greep, het gordijn heeft bereikt, dat daar hangt in de
duisternis, komt er een einde aan het opklimmen; langzamerhand komt alle
beweging in den koepel tot rust, en de zonderlinge omgekeerde kegel
wacht uren lang, onder een stilte, die men voor gewijd zou kunnen houden
en in een onbewegelijkheid, die ons vrees zou kunnen aanjagen, op het
wonder van de was.

De rest der bijen, dat wil zeggen alle die onder in den korf zijn
gebleven, zijn, zonder zich te bekommeren om de vorming van het
wonderbaar gordijn, tusschen welks plooien een heerlijke gave zal
neerdalen, onderwijl bezig met onderzoeken van het gebouw, en slaan de
hand aan allen noodzakelijken arbeid.

De grond wordt zorgvuldig geveegd en alle vergane bladeren, alle takjes,
alle zandkorreltjes worden één voor één verwijderd; want de
zindelijkheid der bijen grenst aan eene manie, en als in het hartje van
den winter de strenge kou hen belet te volbrengen wat onder bijenkenners
hun "zindelijkheids-vlucht" genoemd wordt, dan sterven ze in massa als
slachtoffers van hevige ingewandsziekten, liever dan den korf te
bevuilen. Alleen de darren zijn onverbeterlijk onverschillig, en
bedekken schaamteloos de raten die zij bezoeken met vuil, zoodat de
werkbijen verplicht zijn onophoudelijk achter hen aan schoon te maken.

Na den schoonmaak beginnen de bijen van dezelfde profane groep, die zich
niet bemoeit met den kegel, welke daar in een soort van extase hangt,
zorgvuldig den binnensten omtrek der gemeenschappelijke woning te
dichten. Dan moeten alle spleten de revue passeeren en worden gevuld en
bestreken met voorwas, en dan begint het vernissen der wanden van boven
tot beneden. Er wordt een wacht geplaatst bij den ingang, en weldra gaan
een zeker aantal werkbijen naar de velden, om beladen met honingsap en
stuifmeel terug te keeren.



II.


Vóór we de plooien opheffen van het geheimzinnig gordijn in welks
beschutting de fondamenten worden gelegd van de eigenlijke woning,
willen we trachten er ons rekenschap van te geven, hoeveel verstand ons
volk van uitgewekenen zal moeten ontplooien, welk een juistheid van
blik, wat al berekeningen en hoeveel nijverheid er van hen worden
vereischt, om zich dit oord toe te eigenen, om in het ledig de plannen
te schetsen van de stad, er logisch de plaats in aan te geven van de
gebouwen, die zoo zuinig mogelijk en zoo snel mogelijk moeten gebouwd
worden, want de koningin heeft haast met het eieren leggen, en
verspreidt ze reeds over den grond.

Bovendien moeten ze in dezen doolhof van gebouwen, die nog slechts in de
verbeelding bestaan en wier vorm noodwendig ongewoon is, letten op de
wetten van luchtverversching, duurzaamheid en stevigheid; verder moeten
ze het weerstandsvermogen der was zoowel als de natuur der
levensmiddelen, die moeten worden opgedaan, de gemakkelijke
toegankelijkheid, de gewoonten der souvereine, de verdeeling der
entrepots, huizen, straten en stegen (die in zekeren zin reeds
vaststaat, omdat ze organisch de beste is,) en nog verscheidene andere
problemen, te veel om op te noemen, in aanmerking nemen.

De vorm der korven, die de mensch den bijen aanbiedt, is uiterst
verschillend, van af den hollen boom of den langwerpig steenen pot, die
nog in Afrika en Azië in gebruik is, tot den klassieken strooien korf,
dien men tusschen een groep zonnebloemen, phloxen en malven, onder de
vensters of in den moestuin van de meeste onzer boerderijen ziet staan,
en verder tot aan de formeele machines van het tegenwoordig
mobielstelsel, waarin somtijds meer dan honderdvijftig kilogrammen
honing zijn opgehoopt in drie of vier verdiepingen van boven elkander
geplaatste honingtafels, omgeven door een kastje of trommel, waardoor
men ze er uit kan nemen, ze hanteeren, den oogst er uit verwijderen door
de middelpuntvliedende kracht met behulp van een raderwerk, en ze weer
op hun plaats zetten, precies als een boek in een goed geordende
bibliotheek.

Een gril des menschen of de nijverheid brengt op zekeren dag den
volgzamen zwerm in de eene of andere soort dezer verbijsterende
woningen. Aan de kleine bij dan de taak zich daar op haar plaats te
vinden, zich te oriënteeren, plannen te wijzigen die de macht der dingen
om zoo te zeggen onveranderlijk maakte, in deze ongewone ruimte de
plaatsing vast te stellen van de wintermagazijnen, die moeten blijven
binnen het bereik van de warmte-zone welke door het half verdoofde
volkje wordt ontwikkeld; aan haar de taak te overzien op welk punt de
raten van het broedsel moeten komen, wier plaatsing op straffe van
onheil bijna onveranderlijk dezelfde moet zijn, noch te hoog, noch te
laag, noch te dicht bij, noch te ver van de deur. Ze komt b.v. uit den
stam van een omgevallen boom, die enkel één lange, horizontale, nauwe en
ineengedrongen galerij uitmaakte, en hier bevindt ze zich in een gebouw
zoo hoog als een toren en welks dak zich in de duisternis verliest. Of
wel om nog beter door te dringen tot hare 't meest voorkomende
verbazing, sedert eeuwen was ze gewend onder den strooien koepel onzer
dorps-korven te wonen, en daar brengt men haar nu in een soort van
groote kast of kist, drie a vier maal grooter dan haar geboorte-huis en
te midden van een warboel van raampjes boven elkaar opgehangen nu eens
parallel, dan weer loodrecht op den ingang, en die een heele stellage
vormen, waardoor geen der wanden harer woning meer te herkennen is.



III.


Maar dat doet er alles niets toe, er is nog geen voorbeeld van, dat ooit
een zwerm geweigerd heeft zich aan 't werk te zetten, of zich heeft
laten ontmoedigen en uit het veld slaan door de buitengewone
omstandigheden, mits de woning, die men haar aanbood, maar niet was
doortrokken van leelijke luchtjes of werkelijk onbewoonbaar was. En
zelfs in dat geval is er nog geen sprake van moedeloosheid,
verslagenheid of plicht-verzaking. Dan verlaten ze eenvoudig het
ongastvrij verblijf om iets verder hun fortuin te beproeven. En men kan
evenmin zeggen, dat men er ooit in geslaagd is hen een of ander
kinderachtige of onlogische bezigheid te doen verrichten. Men heeft nog
nooit geconstateerd, dat de bijen het hoofd verloren, of dat ze, als ze
niet wisten welke partij te kiezen, zoo maar op goed geluk woest en
onregelmatig gingen bouwen. Breng ze in een bol, een kubus, een
pyramide, een ovalen of veelhoekigen korf, een cylinder of een spiraal,
bezoek hen, indien ze de woning hebben betrokken eenige dagen later, en
ge zult zien dat deze zonderlinge massa van kleine onafhankelijke
intelligenties ommiddellijk tot overeenstemming is weten te komen en
zonder aarzeling, volgens een methode, welker principes onwankelbaar
vast schijnen te staan, maar welker gevolgen leven bezitten, de
gunstigste en dikwijls eenig bruikbare plaats van de zonderlinge
woonplaats wisten te kiezen.

Heeft men ze in een dier groote boog-korven geplaatst waarvan we zooeven
spraken, dan houden ze alleen rekening met die boogjes in zoover deze
hun een uitgangspunt of gemakkelijke steunpunten voor hunne raten
verschaffen, en 't is zeer natuurlijk, dat ze zich om de wenschen en
bedoelingen des menschen niet bekommeren. Maar als de bijenhouder er
voor gezorgd heeft bij enkele het bovenste plankje te voorzien van een
klein randje was, dan begrijpen ze onmiddellijk welke voordeelen hun
worden aangeboden door dit bij wijze van lokaas aangebracht werk; ze
zullen dat randje voorzichtig wat uittrekken en door hun eigen was er
aan vast te soldeeren, de raat methodisch volgens het aangegeven plan
voortbouwen. Zoo zullen ze ook--en dat geval is niet zeldzaam in onze
tegenwoordige bijenteelt--indien alle boogjes van den korf waarin men
den zwerm heeft opgevangen van boven tot beneden zijn voorzien van
kunstraat, hun tijd niet verliezen met daarnaast of daar doorheen te
bouwen en onnoodigen honing te produceeren, maar nu ze het werk reeds
halfweg gereed vinden, stellen ze zich er mee tevreden ieder der cellen,
die in de kunstraat is aangegeven, dieper en langer te maken, indien 't
noodig is de plaatsen verbeterend waar de wastafel van de streng
vertikale lijn afwijkt; zoodoende komen ze in minder dan een week in 't
bezit van een even weelderige en even goed gebouwde stad, als die zij
hebben verlaten, terwijl ze indien ze aan zichzelf waren overgelaten
twee of drie maanden hadden noodig gehad om dezelfde massa magazijnen en
huizen van witte was te bouwen.



IV.


Het heeft er wel den schijn van alsof dit vermogen van zich aan te
passen de grenzen van het instinkt verre te buiten gaat.

Overigens is niets zoo willekeurig als deze onderscheiding tusschen het
instinkt en het eigenlijk gezegd verstand. Sir John Lubbock, die zulke
persoonlijke en zoo merkwaardige waarnemingen heeft gedaan met de
mieren, wespen en bijen, is zeer geneigd, misschien door een onbewuste
en eenigszins onrechtvaardige voorliefde voor de mieren, die hij meer
speciaal heeft waargenomen,--want ieder waarnemer wil, dat het insekt
hetwelk hij bestudeert verstandiger of merkwaardiger is dan de overige,
en 't is goed op zijne hoede te zijn tegen dit kleine zwak van onze
eigenliefde,--sir John Lubbock, zeg ik, is zeer geneigd aan de bij alle
onderscheidingsvermogen en alle overleg te ontzeggen, zoodra ze komt
buiten de routine van haar gewone werk. Als bewijs geeft hij een proef,
die ieder gemakkelijk kan nadoen. Breng in een karaf een half dozijn
vliegen en een half dozijn bijen en keer dan de karaf, als ze
horizontaal ligt, met den onderkant naar het raam van de kamer. De bijen
zullen uren lang, tot ze van vermoeienis en uitputting sterven,
voortgaan met een uitgang te zoeken door den bodem van het glas, terwijl
de vliegen binnen de twee minuten alle aan den tegenovergestelden kant
door den hals er uit zijn gekomen. Daaruit besluit sir John Lubbock, dat
het verstand der bij uiterst beperkt is en dat de vlieg veel meer
handigheid heeft om zich uit een moeielijkheid te redden en haar weg
terug te vinden. Deze gevolgtrekking komt me echter niet geheel
onberispelijk voor. Keer twintigmaal zoo ge wilt beurtelings den bodem
en den hals van den doorschijnenden bol naar het licht en twintigmalen
achtereen zullen de bijen zich tegelijk daarmee omkeeren naar het licht
toe. Wat bij de proef van den Engelschen geleerde hun ongeluk is, dat is
hun liefde voor het licht, en dat is hun verstand tevens.
Klaarblijkelijk verbeelden ze zich, dat in iedere gevangenis de
bevrijding moet komen van den kant waar het 't lichtst is, ze handelen
in overeenstemming daarmee en volharden in het al te logisch handelen.
Ze hebben nog nooit kennis genomen van dat bovennatuurlijk mysterie, dat
het glas voor hen is, van deze plotseling ondoordringbaar geworden
atmosfeer, die in de natuur niet voorkomt; en deze hinderpaal en dit
mysterie moeten hun des te ongeoorloofder en des te onbegrijpelijker
voorkomen, hoe verstandiger ze zijn. De domme vliegen daarentegen, die
zich niet om logica, om den drang naar het licht en het raadsel van het
kristal bekommeren, wentelen op goed geluk in den bol rond en, hier
genietende van het gunstig gesternte der onnoozelen, die somtijds een
uitweg vinden waar de wijzeren ondergaan, komen ze ten slotte
noodzakelijk bij den goeden hals terecht, die hen bevrijdt.



V.


Dezelfde natuuronderzoeker geeft een ander bewijs van hun gebrek aan
verstand en vindt dat in de volgende bladzijde van den grooten
Amerikaanschen bijenkenner, den eerwaardigen en vaderlijken Langstroth.
"Daar de vlieg", zegt Langstroth, "niet bestemd is te leven van bloemen
maar van stoffen, waarin ze gemakkelijk zou kunnen verdrinken, gaat ze
omzichtig op den rand van de voorwerpen zitten, die een vloeibaar
voedsel bevatten en zoo put ze voorzichtig daaruit; terwijl de arme bij
er zich hals over kop inwerpt en er weldra in sterft. Het rampzalig lot
hunner zusteren houdt de anderen ook geen oogenblik terug, wanneer zij
op hunne beurt in de nabijheid van het lokaas komen, want ze gaan als
onzinnigen op de lijken en de stervenden zitten, om hun treurig lot te
deelen. Niemand kan zich een voorstelling maken van den omvang hunner
dwaasheid, die niet den winkel van een banketbakker heeft belegerd
gezien door myriaden hongerige bijen. Ik heb er duizenden uit de stropen
zien halen, waarin ze waren verdronken, duizenden op de kokende suiker
zien vliegen, terwijl de grond was bedekt en de ramen verduisterd door
bijen, sommigen zich voortsleepend, andere vliegend, en nog andere zoo
totaal vastgekleefd, dat ze konden kruipen noch vliegen; er was er niet
één op de tien in staat de moeielijk verworven buit huiswaarts te
dragen, en toch was de lucht vol van nieuwe legioenen aankomenden, die
even onverstandig waren."

Dat is geen deugdelijker bewijs dan voor een bovenmenschelijken
waarnemer, die de grenzen van ons verstand zou willen bepalen, het
gezicht zou zijn van de verwoestingen door den alcohol of op een
slagveld aangericht. Misschien nog in mindere mate. De positie van de
bij is, wanneer men die met de onze vergelijkt, zeer vreemd in deze
wereld. Ze is daarin geplaatst om er te leven in de onbewuste en
onverschillige natuur, en niet naast een heel buitengewoon wezen, dat om
haar heen de meest vaste wetten onderst boven gooit en grootsche,
onbegrijpelijke natuurverschijnselen schept. In de gewone orde van
zaken, in het eentonig bestaan van het geboorte-woud, zou de
verdwaasdheid door Langstroth beschreven enkel mogelijk zijn indien
eenig toeval een korf vol honing deed breken. Maar dan zouden daar noch
doodelijke vensters, noch kokende suiker, noch al te dikke stropen zijn,
en bij gevolg weinig dooden en geen andere gevaren dan die welke ieder
dier loopt bij het vervolgen van zijne prooi.

Zouden wij beter dan zij onze koelbloedigheid bewaren, indien een
onverwachts opduikende macht bij iedere schrede onze rede in verzoeking
bracht? 't Is dus zeer moeielijk voor ons een oordeel te vellen over de
bijen, die wij zelven dol maken en wier verstand er niet op is ingericht
onze lagen te doorzien; zoo min als het onze er op is ingericht die van
een hooger maar niettemin bestaanbaar wezen te verijdelen. Daar we hier
niets kennen, dat over ons heerschappij voert, trekken we daaruit het
besluit, dat wij op onze aarde het hoogtepunt van het leven innemen;
maar alles in alles gerekend, is dat niet onbetwistbaar. Ik eisch van
niemand te gelooven, dat wij, wanneer we buitensporige of slechte dingen
doen, in de strikken vallen van een hooger wezen, maar onwaarschijnlijk
is het niet, dat dit eenmaal zal blijken zoo te zijn. Van een anderen
kant kan men niet redelijkerwijze beweren, dat de bijen ontbloot zijn
van verstand, omdat ze er nog niet in zijn geslaagd ons te onderscheiden
van een grooten aap of een beer, en ons behandelen zooals ze deze
trouwhartige gasten van het oer-woud zouden behandelen. Zeker is het,
dat er in ons en om ons heen invloeden en machten zijn, die onderling
evenzeer verschillen, en die wij evenmin van elkaar kunnen
onderscheiden.

En ten slotte, om te eindigen met deze apologie, waarmee ik eenigszins
in het zwak verval, waarvan ik sir John Lubbock een verwijt maakte, moet
men niet verstandig zijn, om in staat te zijn tot zóó groote dwaasheid?
Zoo gaat het altijd in het nog zoo onzekere domein van het verstand, dat
de meest wankele en de meest wisselvallige toestand is van de materie.
Onder hetzelfde licht als het verstand valt de hartstocht, waarvan men
niet met zekerheid zou kunnen zeggen of het de walm of de pit is van de
vlam. En hier is de hartstocht der bijen edel genoeg om het flikkeren
van het verstand te verontschuldigen. Wat hen tot deze onvoorzichtigheid
drijft, is niet de dierlijke begeerte zich vol te proppen met honing.
Dat konden ze naar hartelust doen in de voorraadschuren hunner eigen
woning.

Neem hen maar eens waar en volg hen in geheel overeenkomstige
omstandigheden; zoodra ze hun honingmaag vol hebben zult ge ze naar den
korf zien terugkeeren, hun buit daar afzetten, en wel dertig maal in een
uur den wonderbaren oogst zien verlaten en weer opzoeken. 't Is hier dus
dezelfde begeerte, die zooveel bewonderenswaardigs tot stand brengt: het
verlangen zooveel als ze maar kunnen van die goede gaven mee te brengen
naar het huis hunner zusters en der toekomst. Wanneer de dwaasheden der
menschen zooveel belangeloosheid tot grond hebben, geven we daaraan
dikwijls een gansch anderen naam.



VI.


Niettemin moeten wij de geheele waarheid zeggen. Naast alle wonderen van
hunne nijverheid, staatkunde en zelfvergetelheid, zal één ding ons
altijd verbazen en onze bewondering in toom houden: namelijk hunne
onverschilligheid voor den dood en het lijden hunner gezellinnen.

In het karakter der bij ligt een zonderlinge tegenstrijdigheid. In den
korf hebben allen elkaar lief en verleenen elkander hulp. Dan zijn ze
één als de goede gedachten eener zelfde ziel. Kwetst ge er ééne,
duizenden zullen zich opofferen om die beleediging te wreken. Buiten den
korf echter kennen ze elkaar niet. Vermink, verpletter--of liever doe
het vooral niet, 't zou noodelooze wreedheid zijn, want het feit staat
vast,--maar enfin laten we eens aannemen, dat ge op een raat, die een
paar schreden van hunne woning verwijderd is, tien, twintig of dertig
bijen verplettert, die uit denzelfden korf zijn gekomen; en de anderen,
die ge niet hebt aangeraakt, kijken er niet naar om en gaan kalm voort
door middel van hun tong, even fantastisch gevormd als een Chineesch
wapen, de vloeistof te putten, die hun meer waard is dan het leven,
onbekommerd om dien doodstrijd, aan welks laatste stuiptrekkingen ze
rakelings voorbijgaan, en om de wanhoopskreten, die rondom hen worden
geuit. En als de raat leeg is zullen ze kalm, om vooral niets verloren
te laten gaan en ook nog den honing te verzamelen, die aan de
slachtoffers kleeft, op de dooden en gewonden gaan zitten, zonder
geroerd te worden door de tegenwoordigheid der eersten, of er over te
denken, de laatsten te helpen. In dit geval hebben ze dus noch eenige
notie van het gevaar dat ze loopen, de dood toch die rondom hen woedt
verontrust hen niet, noch ook maar het geringste gevoel van solidariteit
of medelijden. Wat het gevaar betreft is dit zeer verklaarbaar, de bij
kent geen vrees en niets ter wereld jaagt haar vrees aan, behalve rook.
Als ze den korf verlaat ademt ze met de lucht tevens lankmoedigheid en
toegevendheid in. Ze gaat wie haar hindert uit den weg en neemt den
schijn aan zelfs het bestaan te ignoreeren van allen, die haar niet te
na komen. 't Is alsof ze zich bewust is in een heelal te verkeeren, dat
allen toebehoort, waar ieder recht heeft op zijne plaats, waar men
bescheiden en vreedzaam behoort te zijn. Maar onder deze toegevendheid
verbergt zich een moed, die zoo zeker is van zichzelf, dat hij er niet
aan denkt zich naar buiten te openbaren. Ze maakt een omweg als iemand
haar bedreigt, maar neemt nooit de vlucht. In den korf echter bepaalt ze
zich niet tot dat lijdelijk ignoreeren van het gevaar. Met ongehoorde
woestheid werpt ze zich op elk levend wezen: mier, leeuw of mensch, die
de heilige ark durft aan te tasten. Dat kunnen we al naar de gesteldheid
onzes geestes, drift, domme woede of heldenmoed noemen.

Maar over dat gebrek aan solidariteit buiten den korf en zelfs aan
sympathie in den korf valt er niets te zeggen. Moet men gelooven, dat er
zulke onvermoede grenzen bestaan voor ieder soort van verstand en dat
het vlammetje, dat met groote moeite uit een schedel opstijgt, door de
moeizame verbranding van zooveel levenlooze materie heen, altijd zóó
iets onzekers is, dat het alleen ten koste van veel andere dingen één
enkel ding eenigszins beter kan verlichten? Men mag aannemen, dat de
bij, of de natuur in de bij, op volmaakter wijze dan ergens elders, den
gemeenschappelijken arbeid, de vereering en liefde voor de toekomst
heeft georganiseerd. Is dit de reden waarom ze al het overige uit het
oog verliezen? Zij hebben lief vóór zich uit, en wij vooral om ons heen.
Misschien is 't voldoende hier lief te hebben, om geen liefde meer over
te houden voor ginds. Niets is wisselender dan de voorwerpen, waarop
onze liefde of ons medelijden zich richt. Wij zelven zouden in vroeger
tijd ons minder gekwetst hebben gevoeld dan tegenwoordig door deze
onverschilligheid der bijen, en velen uit den ouden tijd zouden er niet
over gedacht hebben, er hun eenig verwijt van te maken. En verder,
kunnen wij inzien, wat al reden tot verbazing een wezen hebben zou, dat
ons kon waarnemen, zooals wij de bijen?



VII.


Om ons nog een juister denkbeeld te vormen van hun verstand, blijft nog
te onderzoeken op welke wijze ze met elkander gemeenschap oefenen.
Klaarblijkelijk verstaan ze elkaar, en zou een republiek, die zooveel
leden telt, en wier arbeid zoo verschillend is en zoo wonderbaarlijk in
overeenstemming met elkaar, niet kunnen bestaan, indien zooveel
duizenden weezens in stilzwijgen en geestelijke afzondering naast
elkander leefden. Ze moeten dus het vermogen bezitten, hunne gedachten
of gevoelens te uiten, hetzij door middel van een woordenschat in
klanken, hetzij en dat is waarschijnlijker door middel van een voelbare
taal of magnetische intuïtie, die misschien in verband staat met
zintuigen of met eigenschappen der stof, die ons totaal onbekend zijn;
een intuïtie, die misschien zetelt in die geheimzinnige sprieten, die de
duisternis voelen en begrijpen, en die volgens de schatting van Cheshire
bij de werkbijen bestaan uit twaalf duizend voel-haren en vijf duizend
reukholten. Een bewijs, dat ze niet alleen overleg plegen met elkaar
omtrent hun gewonen arbeid, maar dat het buitengewone even goed een naam
en een plaats heeft in hun taal, is de wijze waarop een of ander
bericht, goed of ongunstig, gewoon of bovennatuurlijk, in den korf wordt
verbreid; het verlies of de terugkomst hunner moeder, de val van een
raat, de komst van een vijand, het indringen van een vreemde koningin,
de nadering van een bende roovers, de ontdekking van een schat, enz. Bij
ieder dezer gebeurtenissen zijn de houding en de geluiden der bijen zóó
verschillend en zóó karakteristiek, dat een ervaren bijenhouder vrij
gemakkelijk raadt, wat daar in de duisternis bij de verontruste menigte
voorvalt.

Wilt ge een duidelijk bewijs, neem dan eens eene bij waar, die op het
kozijn van uw raam of een hoekje van uw tafel eenige droppels honing
vindt, welke daar gemorst zijn. Dadelijk zal ze zich zóó begeerig
daarmee volproppen, dat ge op uw gemak en zonder gevaar haar af te
leiden, haar lijfje door een klein vlekje verf kunt merken. Maar deze
gulzigheid is slechts schijnbaar. Die honing komt niet in de eigenlijke
maag, in wat men haar persoonlijke maag zou kunnen noemen; hij blijft in
de honingblaas, de voormaag, die om zoo te zeggen de maag is van de
gemeenschap. Zoodra dit vaatje is gevuld, verwijdert zich de bij, maar
niet in eens en niet woest, zooals een vlinder of een vlieg doen zou. Ge
ziet haar integendeel eenige oogenblikken achteruit vliegen en met alle
attentie in het vensterkozijn of rondom uwe tafel heen en weer gaan met
het gelaat naar uw kamer gekeerd.

Ze verkent de plaats en neemt opmerkzaam de juiste ligging van den
schat in haar geheugen op. Dan begeeft ze zich naar den korf, zet daar
haar buit af in een der cellen van de voorraadschuur, om drie of vier
minuten later terug te keeren en een nieuw vrachtje te halen van dat
goedgunstige venster. Alle vijf minuten zoolang er nog honing is, tot
aan den avond toe als het moet, doet ze geregeld deze reisjes van het
raam naar den korf en van den korf naar het raam.



VIII.


Ik wil de waarheid niet opsieren, zooals veel schrijvers over de bijen
wèl deden. Opmerkingen van dezen aard zijn slechts dan belangrijk als ze
volkomen waar zijn. Indien ik had waargenomen, dat de bijen niet in
staat zijn elkaar een uitwendige gebeurtenis mee te deelen, dan zou ik
dunkt me tegenover deze kleine teleurstelling met eenig genoegen weer op
nieuw constateeren, dat ten slotte de mensch toch het eenige waarlijk
intelligente wezen is, dat onzen aardbol bewoont. En dan nog, als men op
een zeker punt van zijn leven gekomen is, gevoelt men meer voor het
meedeelen van dingen die waar, dan die frappant zijn. Ook hier zoo goed
als in andere gevallen behoort men zich te houden aan het principe, dat
zoo de naakte waarheid voor het oogenblik minder grootsch, minder edel
of minder interessant lijkt dan de opsiering, welke onze verbeelding
daaraan kon toevoegen, de schuld daarvan ligt aan ons, die nog niet
weten te onderscheiden in welk een altijd opmerkelijk verband ze moet
staan tot ons ware wezen, dat we nog niet kennen, en tot de wetten van
het heelal; en in dit geval is het niet de waarheid, maar ons verstand,
dat behoefte heeft aan vergrooting en veredeling.

Ik wil dus bekennen, dat de gemerkte bijen dikwijls alleen terugkeeren.
Waarschijnlijk bestaat bij hen hetzelfde verschil in karakter als bij de
menschen, en zijn er onder hen gesloten en babbelachtige naturen.
Iemand, die mijn proefnemingen bijwoonde, beweerde dat klaarblijkelijk
zelfzucht of ijdelheid de reden is waarom velen niet graag de bron van
hun rijkdom willen bekend maken of met een hunner zusteren den roem
deelen van een werk, dat de korf wel wonderbaarlijk moet vinden. Dat
zijn heel leelijke ondeugden, die niet den aangenamen geur van
openhartigheid en frischheid ademen van het huis der duizend zusteren.
Hoe dit ook zij, het komt ook dikwijls voor, dat de door het lot
begunstigde bij naar den honing terugkomt vergezeld van twee of drie
mede-arbeidsters. Ik weet, dat sir John Lubbock in het bijvoegsel van
zijn werk over _mieren, bijen en wespen_, lange en nauwkeurige
observatie-tabellen geeft, waaruit men kan opmaken, dat bijna nooit eene
andere bij de gids volgt. 't Is mij onbekend met welk soort van bijen de
geleerde natuuronderzoeker te doen had, of dat de omstandigheden
bijzonder ongunstig waren. Doch als ik zelf mijn eigen tabellen
raadpleeg, die met zorg zijn opgemaakt nadat ik alle mogelijke
maatregelen genomen had, dat de bijen niet direkt door den geur van den
honing konden worden aangelokt, dan zie ik, dat gemiddeld vier keer op
de tien de gemerkte bij wel andere meebracht.

Eens zelfs heb ik een heel bijzonder Italiaansch bijtje gehad, wier
lijfje ik met een blauw vlekje gemerkt had. Al dadelijk bij haar tweeden
tocht kwam ze met twee harer zusters. Ik sloot deze beiden op en liet
haar ongemoeid. Ze ging weer heen, en kwam terug met drie gezellinnen,
die ik weer opsloot, en zoo steeds door tot op het eind van den middag
toen ik, mijne gevangenen tellende, constateerde, dat ze het nieuws aan
achttien bijen had meegedeeld.

In 't kort, indien ge dezelfde proeven neemt, zult ge bevinden, dat zulk
een mededeelzaamheid zoo al niet geregeld, dan toch op zijn minst
herhaaldelijk voorkomt. Deze eigenschap is zóó bekend bij de
bijen-verzamelaars in Amerika, dat ze er partij van trekken om een nest
te ontdekken. "Ze kiezen," zegt Josiah Itmery (aangehaald bij Romanus in
zijn werk _Het verstand der Dieren_ deel I, bl. 117) "ze kiezen om hunne
operaties te beginnen, een veld of een bosch, dat ver van eenige kolonie
van tamme bijen af ligt. Op het terrein aangekomen zien ze uit naar
bijen, die aan 't inzamelen zijn op de bloemen, vangen ze en sluiten ze
op in een doos met honing; als ze verzadigd zijn, laten zij ze vliegen.
Dan volgt een oogenblik van afwachting, waarvan de lengte afhangt van
den afstand waarop de boom met bijen zich bevindt; en met wat geduld
krijgt de jager ten slotte altijd zijn bijen weer in 't oog, die
terugkomen in gezelschap van verscheidene andere. Even als den eersten
keer maakt hij zich van hen meester, trakteert hen en laat hen los ieder
naar een ander punt, waarbij hij zorg draagt, de richting die zij nemen
goed in het oog te houden; het punt waar ze allen schijnen samen te
komen, wijst hem ten naasten bij de plaats van het nest aan."



IX.


Bij uwe waarneming zult ge ook bemerken, dat de vriendinnen, die aan de
oproeping voor dit buitenkansje gehoor geven, niet altijd in gezelschap
vliegen en dat er dikwijls een tusschenpooze van verscheidene seconden
ligt tusschen de komst van de eene en die der andere. We moeten dus wat
dit vermogen van mededeelen betreft, de vraag stellen, die sir John
Lubbock heeft opgelost met betrekking tot de mieren.

Wat doen de gezellinnen, die op den schat van de eerste bij afkomen,
enkel haar volgen of wel kunnen ze door haar hierheen gezonden zijn en
hem zelf vinden door hare aanwijzingen en de door haar gegeven
plaatsbeschrijving? 't Is duidelijk, dat dit een enorm onderscheid maakt
wat den omvang en het werk van het verstand betreft. De Engelsche
geleerde heeft met behulp van een zeer ingewikkelde en vernuftige
inrichting van bruggetjes, gangen, slootjes met water en gierponten,
uitgemaakt, dat in zulke gevallen de mieren eenvoudig het spoor volgden
van hun wegwijzer. Deze proeven waren uitvoerbaar met mieren, die men
kan dwingen te gaan waarheen men wil, maar voor de bij met hare vleugels
staan alle wegen open. Men zou dus eenig ander middel moeten bedenken.
Ik wil er een noemen, waarvan ik gebruik heb gemaakt, en dat wel geen
overtuigende resultaten heeft opgeleverd, maar dat als het wat beter
werd ingericht en onder gunstiger omstandigheden naar mijn oordeel,
voldoende zekerheid zou geven.

Mijn studeerkamer op mijn buiten ligt op de eerste verdieping, terwijl
de gelijkvloersche vertrekken zelf reeds vrij hoog liggen. Behalve in
den tijd wanneer de linde- en kastanje-boomen in bloei staan, zijn de
bijen zóó weinig gewend zoo hoog te vliegen, dat ik langer dan een week
vóór mijne waarneming op mijn tafel een open honingraat had laten staan,
(d.i. eene waarvan de cellen open zijn) zonder dat ook maar een enkele
bij door den geur was aangelokt en er een bezoek aan kwam brengen. Toen
nam ik een Italiaansche bij uit een observatie-korf, die op eenigen
afstand van mijn huis stond. Ik nam die mee naar mijn kamer, zette haar
op de honingraat en merkte haar terwijl ze zich te goed deed.

Toen ze verzadigd was, vloog ze terug naar den korf en daar ik haar
gevolgd was, zag ik dat ze haastig over de menigte heenliep, haar kopje
in een ledige cel stak, haar honing afzette en zich gereedmaakte te
vertrekken. Ik loerde op haar en greep haar toen ze weer aan den ingang
verscheen. Twintig malen aaneen herhaalde ik de proef met verschillende
bijen, terwijl ik telkens de "aangelokte" bij achterhield, zoodat de
anderen haar spoor niet konden volgen. Om het gemakkelijk te kunnen
doen, had ik voor den ingang van den korf een doos geplaatst, die door
een schuif in twee afdeelingen was verdeeld. Als de gemerkte bij er
alleen uitkwam, sloot ik haar enkel op zooals ik met de eerste had
gedaan en ging op mijne kamer zitten wachten op de komst der
honingdraagsters, aan wie ze de tijding had kunnen meedeelen. Als ze er
uitkwam met een of twee bijen, dan hield ik haar gevangen in liet
eerste vakje van de doos om haar van hare vriendinnen te scheiden, en
nadat ik die met een andere kleur gemerkt had, gaf ik hun de vrijheid
doch volgde hen met mijne oogen. 't Is duidelijk, dat indien er een
mondelinge of magnetische mededeeling had plaats gehad, een beschrijving
van de plaats, een methode om zich te oriënteeren, enz., ik in mijn
kamer een zeker aantal der aldus ingelichte bijen had moeten vinden. Ik
moet erkennen, dat ik er maar één zag komen. Volgde deze de
aanwijzingen, die ze in den korf gekregen had, of was het louter toeval?
De waarneming was onvolledig, maar de omstandigheden lieten niet toe,
dat ik ze voortzette. Ik liet de "aangelokte" bijen weer los, en weldra
was mijn studeerkamer overstroomd door de gonzende menigte, aan wie zij
volgens hun gewone methode, den weg naar den schat hadden gewezen.[1]


[1] Ik heb de proefneming hervat in de eerste zonnige dagen van deze
ongunstige lente. Ze heeft weer hetzelfde negatieve resultaat
opgeleverd. Van een anderen kant schrijft mij een ymker onder mijne
vrienden, die zeer knap en zeer eerlijk zijne waarnemingen doet, en wien
ik dit probleem had voorgelegd, dat hij langs denzelfden weg vier
onweerlegbare bewijzen voor mededeelingen gekregen heeft. Het feit
vereischt nog nader bevestiging en de kwestie is nog niet opgelost. Maar
ik ben overtuigd, dat mijn vriend zich door zijn zeer begrijpelijk
verlangen, de proef te zien gelukken, op een dwaalspoor heeft laten
brengen.



X.


Zonder eenige gevolgtrekking te maken uit de zeer onvolledige
proefneming, zijn er toch verscheidene andere merkwaardige feiten, die
ons noodzaken te erkennen, dat ze een geestelijk rapport met elkaar
onderhouden, dat meer beduidt dan een "ja" of "neen" of eenvoudig zou
bestaan in een gebaar of in een voorbeeld ter navolging. Men zou o.a.
kunnen noemen de treffende harmonie van den arbeid in den korf, de
merkwaardige verdeeling van arbeid, de geregelde afwisseling, die men er
in aantreft. Ik heb b.v. dikwijls geconstateerd, dat de
honingdraagsters, die ik 's morgens gemerkt had, 's middags--tenzij er
overvloed van bloemen was--bezig waren met het verwarmen of afkoelen van
het broedsel; of wel ik ontdekte ze tusschen de menigte, welke die
geheimzinnige kettingen vormen, te midden waarvan de waswerksters en de
bouwbijen arbeiden. Ik heb ook opgelet, dat de werksters, die ik
gedurende één of twee dagen stuifmeel zag inzamelen, het den volgenden
dag niet meebrachten doch uitsluitend op honingsap uitgingen, en zoo
omgekeerd. Ook kan men ten opzichte van de verdeeling van arbeid nog
aanhalen, wat de beroemde Fransche bijenkenner George de Layens de
_verdeeling der bijen over de honingdragende planten_ noemt. Iederen
dag, dadelijk bij het eerste lichten der zon, hoort de ontwakende korf,
bij de terugkomst van de boden, die den dageraad tegenvlogen, de
gunstige berichten omtrent den bodem: "Heden de linden langs de gracht
in bloei", --"de witte klaver schittert in het gras langs den weg",--"op
de weiden ontluiken steenklaver en salie",--"de lelies en reseda's
vloeien over van stuifmeel". Spoedig moeten ze zich organiseeren, hunne
maatregelen nemen, den arbeid verdeelen. Vijf duizend van de sterksten
gaan naar de linden, drie duizend van de jongsten moeten leven brengen
op de witte klaver. Deze hier smaakten gisteren den nektar der bloemen,
vandaag moeten ze maar, om aan hun tong en de klieren van hun
honingblaas wat rust te gunnen, het roode stuifmeel der reseda's gaan
inzamelen, en die anderen ginds het gele stuifmeel der groote lelies.
Want nooit ziet ge een bij stuifmeel van verschillende kleur of soort
met elkaar vermengen, en een der dingen, waaraan de bijen uit den korf
de meeste zorg besteden, is het methodisch indeelen van het schoone,
geurige meel in de voorraadschuren, volgens kleuren en soorten. Zoo
worden de orders gegeven door den verborgen genius. Dadelijk gaan de
werkbijen uit in lange rijen en ieder hunner vliegt recht op haar doel
af. "'t Schijnt wel", zegt de Layens, "dat de bijen volkomen goed zijn
ingelicht omtrent de localiteit, den betrekkelijken rijkdom aan honing
en den afstand van alle planten, die binnen een bepaalden kring rondom
den korf staan.

Als men de verschillende richtingen, die de honingdraagsters inslaan,
zorgvuldig waarneemt, en dan tot in bijzonderheden den oogst der bijen
uit de verschillende planten van den omtrek onderzoekt, bemerkt men dat
de werkbijen zich over de bloemen verdeelen, zoowel in verhouding tot
het aantal der planten als tot hun rijkdom aan honing. Nog meer: ze
weten iederen dag op nieuw nauwkeurig de waarde te schatten van de beste
zoete vloeistof, die ze kunnen inzamelen.

Als de bijen b.v. in de lente na den bloeitijd der wilgen, op een tijd
dat nog niets op de velden in bloei staat, geen andere keuze hebben dan
de eerste woudbloemen, dan kan men ze ijverig de anemonen, het
longkruid, de stekende brem en de viooltjes zien bezoeken. Beginnen er
enkele dagen daarna genoeg kool- en koolzaadvelden te bloeien, dan
geven ze hunne bezoeken aan de woudbloemen, die nog in vollen bloei
staan, zoo goed als geheel op, om zich te wijden aan den bloesem van
kool en koolzaad.

Zoo regelen ze dagelijks hunne verdeeling over de planten, ten einde in
den kortst mogelijken tijd het beste zoete vocht te kunnen inzamelen.

Men kan dus zeggen, dat de bijen-kolonie even goed bij hare inzamelingen
als binnen in den korf een verstandige indeeling van het aantal
werkbijen weet te treffen, terwijl ze tevens het beginsel van verdeeling
van arbeid toepast."



XI.


Maar, zal men misschien zeggen, wat kan het ons schelen of de bijen al
of niet verstand bezitten? Waartoe dat zorgvuldig wegen van een klein
deeltje eener bijna onzichtbare materie, alsof het een fluïdum gold
waarvan het lot der menschen afhing? Zonder overdrijving meen ik, dat
wij er een onwaardeerbaar belang bij hebben. Wanneer we buiten de
menschenwereld onmiskenbare teekenen van verstand bespeuren, dan voelen
we iets van dezelfde aandoening als Robinson bij het ontdekken van het
voetspoor eens menschen op het strand van zijn eiland. We schijnen
minder eenzaam te zijn dan we meenden. Wanneer we ons rekenschap
trachten te geven van het verstand der bijen, dan bestudeeren we in hen
ten slotte het kostbaarste deel van onze eigen substantie, een atoom van
die buitengewone materie, die overal waar ze zich vasthecht, de
prachtige eigenschap bezit de blinde noodwendigheid om te scheppen, het
leven te organiseeren, te verfraaien en te vermenigvuldigen en wat nog
meer zegt, de onverbiddelijke macht des doods en dien redeloozen stroom,
die bijna al wat bestaat in eeuwige onbewustheid dompelt, voor een tijd
althans af te wenden.

Indien alleen wij een deeltje der materie in dien bijzonderen toestand
van ontwikkeling of verhitting dien wij verstand noemen, bezaten of
konden onderhouden, dan zouden we ons niet zonder grond voor
bevoorrechte wezens mogen houden, en ons verbeelden, dat de natuur in
ons een soort van doel had bereikt; maar daar zien we een gansche
categorie van wezens, de vliesvleugeligen, waarin ze een bijna geheel
gelijk doel bereikt. Dat bewijst niets zoo men wil, maar niettemin neemt
dit feit een eervolle plaats in onder de menigte kleine feiten, die er
toe meewerken licht te verspreiden over onze plaats op deze aarde. Van
zeker oogpunt bezien hebben wij hier een proef op de som met betrekking
tot het meest onberekenbaar deel van ons wezen; we hebben hier te doen
met de lotgevallen van zich opvolgende geslachten, die wij kunnen
overzien van een hooger standpunt dan we ooit bereiken bij de
beschouwing van de lotgevallen der menschen. Hier hebben we in 't
verkort groote en eenvoudige lijnen, die we in onze zoo oneindig wijder
sfeer nooit gelegenheid hebben na te sporen of te volgen. Hier hebben we
geest en stof, soort en individu, evolutie en stilstand, verleden en
toekomst, leven en dood alles bijeen in een verblijf, dat door onze hand
kan worden opgenomen en dat we met één oogopslag omvatten; en men mag
zich afvragen of de macht door de lichamen uitgeoefend en de plaats
welke zij innemen in tijd en ruimte, wel in zoo groote mate als wij dat
meenen de geheime idee der natuur wijzigen, die wij trachten te vatten
in de kleine geschiedenis van den bijenkorf, waar de dagen zijn als
eeuwen en in de groote geschiedenis der menschen, bij wie drie
geslachten reeds den duur eener lange eeuw overschrijden.



XII.


Laten we nu de geschiedenis van onzen korf weer opvatten, waar we die
hebben laten rusten, om zooveel doenlijk een der plooien van het gordijn
van slingers op te lichten, waaronder die vreemde uitwaseming begint,
die den zwerm bedekt met dat zweet bijna zoo wit als sneeuw en lichter
dan het dons van een vleugel. Want het was gelijkt bij zijn ontstaan
volstrekt niet op dat, wat wij kennen: het is ongerept, bijna zonder
gewicht, en gelijkt inderdaad de ziel van den honing (welke zelf de
geest is der bloemen) aangeroepen in een stille bezwering, om later in
onze handen, ongetwijfeld in herinnering aan zijn oorsprong, waarbij
zooveel azuur, zooveel geuren, zooveel gekrystalliseerde ruimte,
gesublimeerde stralen, reinheid en pracht voorkomen, tot het geurende
licht onzer laatste altaren te worden.



XIII.


't Is uiterst moeielijk de verschillende phases na te gaan van de
afscheiding en het gebruik van het was in een zwerm, die begint te
bouwen. Alles gebeurt midden in de massa, wier steeds dichter en dichter
wordende opeenhooping de temperatuur moet verschaffen, die bevorderlijk
is voor deze afscheiding, het voorrecht der jongste bijen. Huber, die ze
het eerst bestudeerd heeft met ongeloofelijk geduld en dikwijls ten
koste van ernstige gevaren, wijdt meer dan tweehonderd vijftig
interessante, maar uiterst verwarde bladzijden aan dit verschijnsel.
Daar ik geen technisch werk schrijf, zal ik, gebruik makende waar het
noodig is van hetgeen hij zoo goed heeft waargenomen, er mij toe bepalen
datgene mee te deelen, wat ieder, die een zwerm in een observatie-korf
heeft, zien kan.

Allereerst dan de bekentenis, dat men nog niet weet door welke chemische
bewerking de honing verandert in was in het nog zoo raadselachtig
lichaam van onze hangende bijen. Men kan alleen constateeren, dat na
verloop van achttien tot vierentwintig uren wachtens, in zulk een hooge
temperatuur, dat het is alsof er een vlam brandt onder in den korf,
witte en doorschijnende schubjes verschijnen in de opening van vier
kleine zakjes, die ter weerszijden aan het achterlijf van de bij liggen.

Wanneer de meesten van al diegenen, die den omgekeerden kegel vormen,
aldus hun lichaam zien belegd met ivoren plaatjes, ziet men er eensklaps
een, als bezield door een plotselinge ingeving, zich losmaken uit de
menigte, vlug over de lijdelijke massa heenklimmen tot aan den top van
den koepel, waar ze zich stevig vasthoudt, telkens met haar kopje de
buren wegduwend, die haar hinderen in hare bewegingen. Dan pakt ze met
haar pooten en haar mond een der acht schubjes van haar achterlijf,
begint er aan te knagen, te schaven, te buigen, te kneden, vermengt het
met haar speeksel, vouwt het open en dicht, drukt het plat en vervormt
het weer met de handigheid van een schrijnwerker, die een of ander
paneel bewerkt. Als dan eindelijk de aldus geknede substantie naar haar
idee de vereischte afmetingen en dichtheid heeft verkregen, maakt ze die
vast tegen den top van den kegel en legt alzoo den eersten steen of
liever den sluitsteen van de nieuwe stad; want hier hebben we te doen
met een omgekeerde stad, die van den hemel neerdaalt en niet van den
aardbodem omhoog rijst zooals de steden der menschen.

Als dat gedaan is, legt ze tegen dezen sluitsteen, die daar in het ledig
hangt, andere brokjes was aan, die ze gaandeweg onder haar hoornen
ringen uit haalt; dan geeft ze aan 't geheel een laatsten lik, een
laatsten duw met de sprieten, en haastig als ze gekomen is, gaat ze weer
heen en verliest zich in de menigte.

Onmiddellijk wordt ze vervangen door een andere bij, die den arbeid
opvat op het punt waarin zij dien gelaten had, er den haren aan
toevoegt, vervormt wat niet geheel in overeenstemming lijkt met het
ideale plan van den stam en op hare beurt weer verdwijnt, terwijl een
derde, vierde, vijfde haar opvolgen; een gansche serie van plotselinge,
geïnspireerde verschijningen, die geen van allen het geheele werk
afmaken, maar allen hun steentje bijdragen tot den eenparigen arbeid.



XIV.


Een nog vormeloos klompje was hangt nu tegen den top van het gewelf aan.
Als het groot genoeg blijkt te zijn, ziet men uit den tros een andere
bij te voorschijn komen, wier uiterlijk merkbaar verschilt van hare
voorgangsters, die de grondslagen hebben gelegd. Als men de zekerheid
ziet waarmede zij optreedt, en de verwachting der haar omringenden, dan
komt men op de gedachte, dat het een soort van begaafd ingenieur is, die
plotseling daar in het ledig de plaats aanwijst waar de eerste cel moet
komen, van welke die van alle overige mathematisch afhangt. In ieder
geval behoort deze tot de klasse der bouwbijen, die geen was
voortbrengen en er zich mee tevreden stellen de materialen, die men hun
verschaft, aan hunne bestemming te doen beantwoorden. Ze kiest dus de
plaats van de eerste cel uit en graaft een oogenblik in den klomp,
terwijl ze het was dat ze van binnen uithaalt, op de kanten werpt, die
zich rondom de holte verheffen. Dan laat ze, even plotseling als de
grondlegsters, haar werk in den steek; een ongeduldige arbeidster komt
haar vervangen en vat haar werk op, dat weer door een derde wordt
voltooid, terwijl anderen uit hun omgeving naar dezelfde methode van
werken, door de een afgebroken en door de ander voortgezet, de verdere
oppervlakte en de tegenovergestelde zijde van den muur van was ter hand
nemen. Men zou zoo zeggen, dat een der eerste wetten van den bijenkorf
zorgt voor verdeeling van de eer van het werk, en dat iedere arbeid er
gemeenschappelijk en anoniem moet wezen om daardoor des te broedelijker
te zijn.



XV.


Weldra kan men de wordende raat reeds onderscheiden. Ze is nog
lensvormig, want de prismatische tubusjes, die haar vormen, zijn
ongelijk van lengte en worden van het middelpunt naar de uiteinden
regelmatig smaller. Op dit oogenblik heeft ze ongeveer het voorkomen en
de dikte van een menschelijke tong, die aan beide kanten bestaat uit
zeshoekige, naast en ruggelings tegen elkaar aan geplaatste cellen.

Zoodra de eerste cellen gevormd zijn, maken de grondlegsters een tweeden
wasklomp aan het gewelf vast en daarna gaandeweg een derden en vierden.
Deze klompjes worden met regelmatige tusschenruimten aangebracht, die
zóó berekend zijn, dat de bijen, als de honingraten geheel gereed zijn
(wat eerst veel later het geval is) altijd de noodige plaats overhouden
om zich tusschen de paralelle wanden te bewegen.

In hun plan moeten ze dus van te voren de definitieve dikte van iedere
raat, die twee- of drie en twintig millimeter bedraagt, en tevens de
breedte van de gangetjes weten, die ze van elkaar scheiden en die
ongeveer elf millimeter breed moeten zijn, namelijk de dubbele hoogte
van een bij, daar ze rug aan rug elkaar moeten passeeren tusschen de
raten door.

Bovendien, onfeilbaar zijn ze niet, en hun beslistheid blijkt niet iets
machinaals te zijns. In moeielijke omstandigheden maken ze soms vrij
groote fouten. Soms is er óf te veel óf te weinig ruimte tusschen de
raten. Dan voorzien ze daarin zoo goed ze kunnen, 't zij door de raat,
die te dicht bij staat, eenigszins te doen hellen, 't zij door in de te
groote ledige ruimte een onregelmatige raat aan te brengen.

Naar aanleiding hiervan zegt Réaumur: "'t Overkomt hun somtijds, dat ze
zich vergissen, en dit is blijkbaar een feit te meer om te bewijzen, dat
ze kunnen oordeelen."



XVI.


Men weet dat de bijen vier soorten van cellen bouwen. Ten eerste de
koninklijke cellen, die iets geheel aparts zijn en op eikels gelijken,
dan de groote cellen, die bestemd zijn voor het grootbrengen der darren
en het bergen van de provisie als er buitengewoon veel bloemen zijn,
vervolgens de kleine cellen, die voor wieg van de werkbijen en voor
gewone magazijnen dienen, en die in een normaal geval ongeveer acht
tiende van de bebouwde oppervlakte in den korf beslaan. Eindelijk bouwen
ze, om zonder dat het slordig staat de groote met de kleine te
verbinden, een zeker aantal overgangscellen. Afgezien van de
onvermijdelijke onregelmatigheid dezer laatsten, zijn de afmetingen van
het tweede en derde type zóó juist berekend, dat Réaumur, toen men op
het tijdstip der invoering van het tientallig stelsel zocht naar een
vaste maat in de natuur, die zou kunnen dienen als uitgangspunt en als
onbetwistbare grondmaat, de cel der bijen voorsloeg[1].

Ieder dezer cellen is een zeshoekig buisje, dat rust op een pyramidale
basis, en elke raat bestaat uit twee laagjes van zulke buisjes, die zich
van de basis naar de tegenovergestelde zijde verheffen, en wel zóó, dat
ieder der drie ruiten, welke de pyramidale basis van een cel aan den
rechten kant uitmaken, tegelijk de eveneens pyramidale basis vormt van
drie cellen aan de keerzijde.

In deze prismatische buisjes wordt de honing verzameld. Om te
verhinderen, dat deze er uitloopt in den tijd van het rijp worden, wat
onvermijdelijk gebeuren moest, indien ze strikt horizontaal waren,
zooals ze lijken, zetten de bijen ze eenigszins op, onder een hoek van
vier op vijf graden.

Bij zijne beschouwing over het merkwaardig geheel van het wonderbare
gebouw zegt Réaumur: "Behalve de besparing aan was, die het gevolg is
van de plaatsing der cellen, behalve dat door deze regeling de bijen de
raat vullen zonder dat er één leeg blijft, vloeien er nog andere
voordeelen uit voort, wat de stevigheid van het werk betreft. De hoek
van den bodem eener cel, de top van de pyramidale holte, wordt gesteund
door den hoek, die twee vlakken van den zeshoek eener andere cel met
elkaar vormen. De twee driehoeken of verlengingen van de zeshoekige
vlakken, die een der inspringende hoeken vullen van de holte, welke
wordt ingesloten door de drie ruiten, vormen samen een vlakken hoek aan
de zijde waar ze elkaar raken; ieder dezer hoeken, die concaaf is binnen
in de cel, steunt aan den kant waar hij convex is een der wanden, die
den zeshoek eener andere cel helpen vormen, en deze wand, welke steunt
op dien hoek, is bestand tegen de kracht, die ze naar buiten zou willen
duwen; zoo worden de hoeken steviger. Alle voordelen die men zou kunnen
eischen met betrekking tot de stevigheid van iedere cel, worden haar
verschaft door haar eigen vorm en door de wijze waarop ze tegen elkander
aangeschikt zijn."


[1] Niet zonder grond verwierp men deze maat. De middellijn der cellen
is bewonderenswaardig regelmatig maar ze is, evenals al wat door een
levend organisme wordt voortgebracht, niet _mathematisch_ onveranderlijk
in een zelfden korf. Bovendien hebben, zooals Maurice Gérard opmerkte,
de verschillende soorten van bijen een verschillenden straal voor hunne
cellen, zoodat de grondmaat verschillend zou zijn volgens den eenen korf
of den anderen, al naar het soort bijen, dat er in wordt aangetroffen.



XVII.


"De meetkundigen weten", zegt Dr. Reid, "dat er slechts drie soorten van
figuren zijn, die men kan nemen, als men een oppervlak in kleine,
gelijke deelen van regelmatigen vorm en van dezelfde grootte, zonder
tusschenruimten wil verdeden.

Het zijn de gelijkzijdige driehoek, het vierkant en de regelmatige
zeshoek, die voor den cellenbouw nog beter is dan de beide andere
figuren wat gemakkelijkheid en weerstandsvermogen betreft. En dezen
regelmatigen zeshoek hebben nu juist de bijen aangenomen, alsof ze
wisten al wat deze voor heeft.

Zoo ook bestaat de bodem der cellen uit drie vlakken, die in één punt
samenkomen, en men heeft aangetoond, dat deze bouworde een belangrijke
besparing aan arbeid en materieel verschaft. Verder was het nog de
vraag, te weten onder welken hoek de vlakken elkaar moeten ontmoeten om
de grootste besparing te geven, een probleem van de hoogere wiskunde,
dat door enkele geleerden, o.a. Maclaurin, is opgelost, welke oplossing
men kan vinden in het verslag van de Koninklijke Academie te Londen[1].
Welnu, de aldus vastgestelde hoek stemt overeen met dien, welke wordt
aangetroffen op den bodem der cellen."


[1] Réaumur had den beroemden wiskunstenaar Koenig het volgende probleem
voorgelegd: "Onder alle zeshoekige cellen met pyramidalen bodem die aan
te wijzen, die met het minste materiaal kan gebouwd worden."--Koenig
bevond, dat zulk een cel een bodem had bestaande uit drie ruiten die
ieder twee groote hoeken hadden van 109 graden 26 minuten en twee kleine
van 70 graden 32 minuten. Een ander geleerde, Maraldi genaamd, stelde
nadat hij zoo nauwkeurig mogelijk de hoeken had gemeten van de door de
bijen gemaakte ruiten, de grooten vast op 109 graden 28 minuten en de
kleinen op 70 graden 32 minuten. Tusschen de beide oplossingen was dus
slechts een verschil van 2 minuten. Naar alle waarschijnlijkheid moet de
vergissing, als het er eene is, eerder aan den kant van Maraldi zijn dan
aan dien der bijen, want met geen enkel instrument kan men met
onfeilbare nauwkeurigheid de hoeken der cellen meten, die niet scherp
genoeg zijn begrensd.

Een ander mathematicus, Cramer, wien men hetzelfde vraagstuk heeft
voorgelegd, gaf trouwens een oplossing, welke die van de bijen nog meer
nabij komt, namelijk 109 graden 28 1/2 minuut voor de grooten, en 70
graden 31 1/2 minuut voor de kleinen. Maclaurin corrigeert Koenig en
geeft 70 graden 32 minuten en 109 graden 28 minuten. Leon Lalanne, 109
graden 28 minuten 16 seconden en 70 graden 31 minuten 44 seconden. Over
de besproken questie zie men: Maclaurin _Philos-Trans. of Londen_ 1743.
Brougham: _Recherches analytiques et expérimentales sur les alvéoles des
abeilles._ L. Lalanne: _Note sur l'Arch. des abeilles_ enz.



XVIII.


Natuurlijk geloof ik niet, dat de bijen deze ingewikkelde berekeningen
maken, maar evenmin geloof ik, dat het toeval of de loop der dingen deze
verrassende resultaten geeft. Voor de wespen b.v., die evenals de bijen
raten met zeshoekige cellen vervaardigen, was het probleem hetzelfde en
zij hebben dat op een veel minder vernuftige wijze opgelost. Hunne raten
hebben slechts ééne laag cellen en missen dien gemeenschappelijken
bodem, die tegelijk voor de twee tegenover elkander liggende lagen van
de raat der bijen dienst doet. Vandaar minder stevigheid, meer
onregelmatigheid en een verlies aan tijd, materiaal en plaats, dat men
op een vierde van het werk en een derde van de benoodigde ruimte kan
schatten. Zoo ook bouwen de Trigonen en de Meliponen, echte tamme bijen
doch op een lageren trap van beschaving staande, hunne voor de eitjes
bestemde cellen maar op één rij, en stutten hunne horizontaal en boven
elkander geplaatste raten door vormelooze en kostbare was-pilaren. Wat
hunne voor de provisie bestemde cellen betreft, dat zijn groote zakken,
die ordeloos naast elkaar staan, en daar waar ze elkaar zouden kunnen
snijden en bijgevolg de besparing aan materiaal en ruimte, waarvan de
bijen gebruik maken, in praktijk konden brengen, lasschen de Meliponen,
zonder op het denkbeeld van deze zuinigheid te komen, tusschen al die
ronde, cellen met vlakke wanden in. Vergelijkt men dan ook een hunner
nesten met de mathematische stad onzer honingbijen, dan meent men een
gehucht met primitieve hutjes te zien naast een onzer onberispelijk
regelmatige steden, welke het logisch, zij het dan ook niet zeer
bevallig, resultaat zijn van het genie van den mensch, die den strijd
tegen tijd, plaats en materie nog veel scherper heeft aangebonden dan
vroeger.



XIX.


De gangbare theorie, die bovendien door Buffon weer werd opgewarmd,
beweert, dat de bijen volstrekt geen plan hebben zeshoeken met
pyramidale basis te maken, dat ze eenvoudig ronde cellen in de was
willen graven, maar dat, daar hunne buurvrouwen, die aan de keerzijde
van de raat werken, tegelijkertijd aan het graven zijn met dezelfde
bedoelingen, de punten waar de cellen elkaar raken noodwendig een
zeshoekigen vorm aannemen. Datzelfde, voegt men er bij, is het geval met
de kristallen, met de schubben van sommige visschen, met zeepbellen,
enz.; datzelfde gebeurt ook in de volgende proef, die Buffon voorslaat.
"Vul", zegt hij, "een of ander pannetje met erwten of andere ronde
korrels en sluit het stevig dicht, nadat ge er zooveel water in hebt
gegoten, als de tusschenruimten tusschen de korrels kunnen bevatten;
laat dit water koken en al deze cylinders worden lichamen met zes
vlakken. De oorzaak hiervan, die van zuiver mechanischen aard is, is
duidelijk: ieder korreltje, dat een ronden vorm heeft, tracht bij het
zwellen eene zoo groot mogelijke plaats in te nemen in een gegeven
ruimte; noodzakelijk moeten ze dus alle door de wederkeerige drukking
zeshoekig worden. Ook iedere bij tracht een zoo ruim mogelijke plaats in
te nemen in een gegeven ruimte; zoo moeten dus eveneens, daar het
lichaam der bijen cylindrisch is, hunne cellen zeshoekig worden om
diezelfde reden, de wederzijdsche belemmeringen".



XX.


Dat zijn nu eens wederzijdsche belemmeringen die een wonder
voortbrengen, evenals de ondeugden der menschen om dezelfde reden een
algemeene deugd ten gevolge hebben, voldoende om te maken dat het
menschenras, dikwijls zoo verfoeielijk in de individuen, het toch niet
is in zijn geheel. Men kan al dadelijk er tegen in brengen, wat
Broughman, Kirby en Spence, en andere geleerden dan ook gedaan hebben,
dat de proef met de erwten en de zeepbellen niets bewijst; want in beide
gevallen loopt die drukking uit op zeer onregelmatige vormen en
verklaart de reden van bestaan van den prismatischen bodem der cellen
nog niet.

Bovenal zou men kunnen antwoorden, dat er meer dan ééne wijze is om
partij te trekken van de blinde noodzakelijkheid, dat de kartonwesp, de
harige hommel, de meliponen en trigonen van Mexico en Brazilië, al zijn
de omstandigheden en het doel dezelfde, tot gansch andere en
onvergelijkelijk inferieure resultaten komen. Men zou er nog aan toe
kunnen voegen dat, zoo de cellen der bijen al gehoorzamen aan de wet der
kristallen, der sneeuw, der zeepbellen en der gekookte erwten van
Buffon, ze tevens door hunne algemeene symmetrie, door hunne plaatsing
ter weerszijden, door hunne nauwkeurig berekende helling enz., in
overeenstemming zijn met verscheidene andere wetten, die in de stof niet
voorkomen.

Men zou er nog bij kunnen voegen, dat het genie van den mensch ook voor
een gedeelte bestaat uit de wijze, waarop hij partij weet te trekken van
dergelijke noodzakelijkheden, en dat wanneer deze wijze ons de best
mogelijke lijkt, dit is omdat wij geen rechters boven ons hebben. Maar
't is maar goed, dat al die redeneeringen van nul en geener waarde zijn
bij de feiten zelf; en om een bezwaar tegen een proef uit den weg te
ruimen, is niets zoo dienstig als een andere proef.

Om er mij van te vergewissen, dat de zeshoekige bouw werkelijk in den
geest van de bij stond opgeteekend, heb ik eens midden uit een raat, op
een plaats waar zoowel broedsel was als volle honingcellen, een schijf
ter grootte van een gulden uitgesneden en weggenomen. Vervolgens sneed
ik dit stuk midden door langs zijne doorsnede dus volgens de dikte van
zijn omtrek, op het punt waar de pyramidale grondvlakken der cellen
bijeenkwamen, en legde op de grondvlakken van een der aldus verkregen
stukken een tinnen plaatje van dezelfde afmeting en zoo stevig, dat de
bijen het niet konden vervormen of verbuigen. Toen legde ik dit stuk,
voorzien van het ronde metalen plaatje, op de plaats vanwaar ik het
genomen had. Een der kanten van de raat had dus volstrekt niets
abnormaals, daar de schade aldus was hersteld, maar aan den anderen kant
zag men een groot gat, waarvan de bodem bestond uit het metalen plaatje
en dat de plaats van een dertig cellen innam. Eerst waren de bijen
geheel uit het veld geslagen; in massa kwamen ze dien onmogelijken
afgrond onderzoeken en bestudeeren, en gedurende verscheidene dagen
bewogen ze er zich druk om heen en beraadslaagden zonder tot eenig
besluit te komen. Maar daar ik ze iederen avond rijkelijk voedde, kwam
er een oogenblik, dat ze geen cellen meer beschikbaar hadden om er hun
voorraad in te verzamelen. Waarschijnlijk kregen de groote ingenieurs,
de bouwbijen en de wasvervaardigsters de opdracht partij te trekken van
dien nutteloozen afgrond.

Een dichte slinger van waswerksters hing zich daar om heen ten einde de
noodige warmte te verkrijgen, andere bijen daalden in het gat af en
begonnen met het metalen schijfje goed vast te maken, met behulp van
kleine staafjes was, die op gelijke afstanden op den omtrek werden
bevestigd, en vastgemaakt aan de hoeken van de omringende cellen. Toen
ondernamen ze het bouwen van drie of vier cellen in den bovensten halven
cirkel van het plaatje door ze aan de wassen staafjes vast te maken.
Ieder dezer overgangscellen was van boven min of meer misvormd om zich
aan te sluiten aan de aangrenzende cel van de raat, maar hare onderhelft
toekende steeds op het tin drie zeer duidelijke hoeken af, waaruit reeds
drie rechte lijntjes te voorschijn kwamen, die zeer regelmatig de eerste
helft van de volgende cel schetsten.

Na verloop van acht en veertig uur was de gansche oppervlakte van het
tin, hoewel er maar drie of op zijn hoogst vier bijen tegelijk konden
werken in de opening, bedekt met cellen. Deze waren beslist minder
regelmatig dan die van een gewone raat; wijselijk weigerde dan ook de
koningin, nadat zij ze doorloopen had, daarin hare eieren te leggen,
want er zou niet dan een verminkt geslacht uit te voorschijn zijn
gekomen. Doch ze waren alle volkomen zeshoekig; men zag er geen enkele
gebogen lijn, geen ronde vormen of hoeken aan. Toch waren hier alle
gewone omstandigheden gewijzigd, de cellen waren niet in een klomp
uitgehold zooals Huber dat had waargenomen, of in een kap van was zooals
bij Darwin, niet eerst cirkelvormig en vervolgens door de drukking
hunner buren in een zeshoekigen vorm gebracht. Er kon geen sprake zijn
van wederzijdsche belemmeringen, aangezien ze één voor één ontstonden en
geheel vrij op een soort onbeschreven blad de grondlijnen ontwierpen.
Het blijkt dus wel, dat de zeshoek niet een gevolg is van mechanischen
dwang, maar dat hij wel degelijk in het plan, in de ervaring, in het
verstand en den wil der bij zetelt. Een andere merkwaardige trek van
hunne scherpzinnigheid, die ik in 't voorbijgaan geef, is deze, dat de
celletjes, die zij op het ronde plaatje bouwden, geen anderen bodem
hadden dan het metaal zelf. Klaarblijkelijk veronderstelden de
ingenieurs van de ploeg werkvolk, dat het tin de vloeistof voldoende zou
tegenhouden, en hadden ze het dus onnoodig geoordeeld het met was te
bestrijken. Maar al spoedig daarna bemerkten ze waarschijnlijk, toen
enkele druppels honing in die bekertjes waren afgezet, dat deze
eenigszins veranderde door de aanraking met het metaal. Ze bedachten
zich toen en bekleedden de geheele oppervlakte van het tin met een soort
doorschijnend vernis.



XXI.


Wilden we het licht laten vallen op alle geheimen dezer meetkunstige
architektuur, dan hadden we nog meer dan één interessant vraagstuk te
onderzoeken, b.v. den vorm der eerste cellen welke aan het dak van den
korf worden vastgemaakt, en die in dien zin gewijzigd is, dat deze
cellen het dak op het grootst mogelijk aantal plaatsen raken.

We zouden ook onze aandacht moeten wijden, niet zoozeer aan de ligging
der groote straten, die bepaald wordt door het parallel-loopen der
raten, als wel aan de plaatsing der steegjes en gangetjes, die hier en
daar midden door of rondom de raten worden aangebracht om het vrije
verkeer en de ventilatie te bevorderen, en die met veel overleg zijn
verdeeld, om te lange omwegen of een mogelijk gedrang te voorkomen. En
eindelijk zouden we het bouwen der overgangscellen moeten bestudeeren,
het eenparig instinkt, dat de bijen er toe brengt op een gegeven
oogenblik de afmetingen hunner woningen te vergrooten, hetzij de
buitengewoon rijke oogst grootere bergplaatsen vordert, hetzij ze de
bevolking krachtig genoeg achten of dat de geboorte van darren vereischt
wordt. Terzelfder tijd zouden we dan de vernuftige zuinigheid en de
harmonische zekerheid bewonderen waarmee ze in zoo'n geval van de kleine
tot de groote of van de groote tot de kleine cel, van de volmaakte
symmetrie tot een onvermijdelijke onregelmatigheid overgaan, om zoodra
de wetten van hunne levende meetkunde het veroorlooven, terug te keeren
tot de ideale regelmaat, zonder dat ook maar één cel verloren gaat,
zonder dat er bij het bouwen één enkele wijk moet blijven leegstaan, of
getuigt van kinderachtigheid, aarzeling of ruwheid, zonder dat er ook
maar één enkel onbruikbaar stuk in hun gebouw voorkomt. Doch ik vrees,
dat ik me reeds in te veel bijzonderheden heb begeven, welke
onbelangrijk moeten zijn voor een lezer, die misschien nog nooit een
vlucht bijen met de oogen heeft gevolgd of er zich enkel terloops voor
heeft geïnteresseerd, zooals we allen terloops belangstellen in een
bloem, een vogel, een edelgesteente zonder er meer van te vragen dan
een oppervlakkige kennis, waar we maar half met onze gedachten bij zijn;
en zonder onszelven voldoende voor te houden, dat het geringste geheim
van een voorwerp, hetwelk we zien in de natuur, die niet is als de
menschen, misschien meer onmiddellijk deel heeft aan het diepzinnig
raadsel van onze bestemming en onzen oorsprong, dan het geheim onzer
hartstochten, die het meest den hartstocht opwekken en het liefst worden
bestudeerd.



XXII.


Om deze studie niet te zwaar te maken, blijf ik ook niet stilstaan bij
het waarlijk verrassend instinkt, dat hen somtijds het uiteinde van
hunne raten smaller doet maken of doet afbreken, wanneer ze de raat
langer of breeder willen maken; men moet echter toegeven, dat afbreken
om weer op te bouwen, uithalen wat men gemaakt heeft om het nog
regelmatiger op nieuw te vervaardigen, een merkwaardige splitsing van
het blind bouw-instinkt veronderstelt. Ik zwijg bovendien over de
merkwaardige proeven die men kan nemen, om hen te dwingen ronde, ovale,
buisvormige of vreemd gedraaide raten te bouwen, en over de vernuftige
wijze, waarop ze de vergroote cellen van de convexe gedeelten weten te
doen correspondeeren met de verkleinde cellen van de concave gedeelten
der raat.

Vóór we echter van dit onderwerp afstappen, moeten we, al was het
slechts een oogenblik, even stilstaan om onze aandacht te schenken aan
de geheimzinnige wijze waarop ze hun arbeid met elkaar in
overeenstemming brengen en hunne maatregelen nemen, wanneer ze tegelijk
en zonder elkaar te zien de beide tegengestelde zijden van een raat
bewerken. Bekijk een dezer raten eens tegen het licht en dan zult ge
daarin, door scherpe schaduwen in het doorschijnende was, een geheel
netwerk van prisma's zien afgeteekend met zóó zuivere hoeken, en een
geheel stelsel van zóó onfeilbaar bij elkaar behoorende lijnen, dat men
zou meenen ze in staal gegraveerd te zien.

Ik weet niet of zij, die nooit het inwendige van een korf gezien hebben,
zich de plaatsing en het voorkomen van een raat genoegzaam kunnen
voorstellen. Denk u, om den korf onzer boeren te nemen, waarin de bij
geheel aan zichzelf is overgelaten, denk u een strooien of teenen stolp;
deze stolp wordt van boven tot onder doorsneden door vijf, zes, acht en
somtijds tien schijven waas, die volkomen evenwijdig loopen en vrij wel
gelijken op groote sneden brood, die van den top dezer stolp neerdalen
en zich naauwkeurig aanpassen aan den ovalen vorm harer wanden. Tusschen
ieder dezer raten blijft een tusschenruimte van ongeveer elf millimeter,
waarin de bijen zich ophouden en rondloopen. Op het oogenblik dat boven
in den korf het bewerken van een dezer schijven begint, is de muur van
was, die er den grondslag van vormt en die later wordt plat gemaakt en
uitgetrokken, nog heel dik en isoleert de vijftig of zestig werkbijen,
die aan de voorzijde arbeiden, geheel van de vijftig of zestig, die
tegelijkertijd aan den achterkant aan 't werk zijn, zoodat ze elkaar
onmogelijk kunnen zien, tenzij hunne oogen de gave hebben ook door de
dichtste stoffen heen te dringen. En desniettegenstaande graaft geene
arbeidster van den voorkant een gat, voegt ze geen brokje was er aan
toe, of dit beantwoordt nauwkeurig aan een voorsprong of een holte van
den achterkant en omgekeerd. Hoe doen ze dat? Hoe komt het dat de een
niet te ver graaft, en de ander niet te weinig?

Hoe kunnen de hoeken der ruiten altijd zoo wonderbaarlijk juist
samentreffen? Wat zegt hun, dat ze hier moeten beginnen en daar
ophouden? Wederom moeten we ons tevreden stellen met het antwoord, dat
geen antwoord is: "Dat is een der geheimen van den korf". Huber heeft
een poging gedaan dit mysterie te verklaren door te zeggen, dat ze
misschien op sommige plaatsen door den druk hunner pootjes of hunner
tanden een klein uitwas aan de tegenovergestelde zijde van de raat te
voorschijn riepen; of dat ze zich rekenschap gaven van de meerdere of
mindere dikte van den klomp door de buigzaamheid, rekbaarheid of eenige
andere natuurlijke eigenschap van de was; of wel, dat hunne sprieten
zich schijnen te leenen tot het onderzoeken der minst of der meest
ingewikkelde deelen der voorwerpen en dienst doen als passers in het
ongeziene; of eindelijk dat de samenhang van alle cellen mathematisch
afhangt van de plaats en de afmetingen van die op de eerste rij, zonder
dat daar iets anders toe noodig is. Maar 't is vrij duidelijk, dat dit
geen voldoende verklaringen zijn: de eerste zijn onbewijsbare
hypotheses; de andere verplaatsen eenvoudig het mysterie. En zoo het al
goed is de mysteries zooveel mogelijk te verplaatsen, men moet zich niet
inbeelden, dat verplaatsing voldoende is om ze uit den weg te ruimen.



XXIII.


Laat ons nu eindelijk de eentonige vlakten en de meetkunstige woestijn
der cellen verlaten. De raten zijn dus begonnen en worden bewoonbaar.
Hoewel het oneindig kleine zich, schijnbaar vrij hopeloos, voegt aan 't
oneindig kleine, en ons oog, dat zoo weinig ziet, toekijkt zonder iets
te zien, neemt het werk van was met buitengewone vlugheid in omvang toe.
De ongeduldige koningin heeft reeds meer dan eens de werkplaatsen
doorloopen, die wit uitkomen in de duisternis, en nu de eerste rijen
woonplaatsen af zijn, neemt zij ze in bezit met haar stoet van
bewaaksters, vertrouwelingen of dienstboden; want 't is niet precies te
zeggen of ze een geleide mee krijgt dan wel een gevolg, of ze wordt
geëerbiedigd of bewaakt. Op de plaats gekomen die zij gunstig oordeelt,
of wel die hare raadsvrouwen haar aanwijzen, zet ze een hoogen rug, bukt
zich en brengt het uiteinde van haar lang lijf in een der ledige
bekertjes, terwijl al die kleine oplettende hoofdjes, de hoofdjes der
wachteressen van haren stoet, met de enorm groote zwarte oogen,
opgewonden een kring om haar heen vormen, haar pootjes ondersteunen,
haar vleugels liefkoozen en koortsachtig gejaagd hunne sprieten over
haar bewegen, alsom haar aan te moedigen, te dringen en geluk te
wenschen.

Men herkent gemakkelijk de plaats waar zij zich bevindt aan dit soort
van lichtende cocarde, of liever aan deze ovale broche, waarvan zij de
middelste topaas is, en die vrij wel gelijkt op de groote broches, welke
onze grootmoeders droegen. Opmerkenswaard is het verder, er is
gelegenheid te over dit op te merken, dat de werkbijen altijd
vermijden, aan de koningin den rug toe te keeren. Zoodra ze een groep
nadert, gaan allen zóó staan, dat ze haar hunne oogen en sprieten
toekeeren en loopen dan achterwaarts voor haar uit. Dat is een teeken
van eerbied of liever van zorg, dat hoe onwaarschijnlijk het ook lijken
moge, toch vaststaat en algemeen voorkomt. Maar laat ons terugkeeren tot
onze vorstin. Dikwijls neemt onder den lichten kramp, die zichtbaar met
het leggen van een ei gepaard gaat, een harer dochters haar in de armen
en schijnt hoofd tegen hoofd en mond tegen mond zachtjes tegen haar te
praten. Doch zij, vrij onverschillig voor deze eenigszins overdreven
betuigingen, gunt zich den tijd, neemt de zaak kalm op, geheel verdiept
in haar zending, die eerder wellust dan arbeid voor haar schijnt te
zijn. Eindelijk staat ze na verloop van eenige seconden kalm op, doet
een enkele schrede, draait een vierde deel van een cirkel om zichzelf,
en steekt vóór dat ze er het uiteinde van haar lijf inbrengt, eerst haar
kop in de naaste cel, om zich te vergewissen of alles in orde is en ze
niet tweemaal legt in dezelfde cel, terwijl twee of drie bijen van het
gevolg haastig beurt om beurt in de verlaten cel duiken, om te zien of
het werk is volbracht, en om het blauwachtig eitje, dat ze er in gelegd
heeft, met hunne zorgen te omgeven of goed op zijne plaats te leggen.
Van dit oogenblik af tot aan de eerste herfst-koude, houdt ze niet meer
op, maar legt steeds eitjes, terwijl ze door de anderen gevoed wordt, en
ze slaapt--zoo dat al slapen is--al eieren leggend. Van dit oogenblik af
is zij de vertegenwoordigster van de alles verslindende macht der
toekomst, die alle hoekjes van het rijk in beslag neemt. Ze volgt over
de cellen van het broedsel, de levende loopplanken en ladders gevormd
door de waswerksters, de spiralen der koningin, die door niets is te
stuiten, de afwisselende en onafgebroken werkzaamheid der menigte, de
medoogenlooze en vergeefsche inspanning, het komen en gaan tot ze
uitgeput raken door hunnen ijver, de slaap een onbekende behalve in de
wieg, waarop de arbeid van den komenden dag reeds ligt te loeren, zelfs
de rust des doods verdreven uit een verblijf, dat noch ziekte noch graf
duldt, iemand, die dit alles aanzag, wendde, toen hij van zijn verbazing
bekomen was, schielijk de oogen af, waarin schrik en droefheid te lezen
stonden.

En werkelijk er schuilt in den korf onder de opgewektheid van den
eersten aanblik, onder de glanzende herinneringen aan de schoone dagen,
waarvan hij vol is en die hem maken tot een bewaarplaats van de
kleinooden des zomers, onder het zwijmelend komen en gaan, dat hem
verbindt met bloemen, stroomend water, azuur, met den zoo vredigen
overvloed van al wat schoonheid en geluk vertegenwoordigt, er schuilt
inderdaad onder al dit verrukkelijke voor het oog, een der droevigste
tooneelen, die men maar aanschouwen kan. En wij blinden, die slechts
verduisterde oogen kunnen openzetten, wanneer we zien op deze
schuldelooze veroordeelden, we weten het wel, dat niet hen alleen onze
klacht geldt, dat niet zij het alleen zijn, die wij niet begrijpen, doch
een der deerniswaardige vormen van de groote kracht, die ook ons bezielt
en verteert.

Ja, als men zoo wil is dit droevig, droevig gelijk alles in de natuur,
wanneer men haar van nabij beschouwt. Zoo zal het zijn zoolang wij haar
geheim nog niet kennen, nog niet weten of ze er een bezit. En indien
wij eenmaal vernemen, dat ze er geen heeft, of dat dit geheim iets
afschuwelijks is, dan rijzen andere plichten voor ons op, die misschien
nog geen naam dragen. Laat ons hart intusschen, indien het dat verlangt,
herhalen: "Dat is droevig", doch laat onze rede zich vergenoegen met te
zeggen: "Dat is nu eenmaal zoo". Voor het oogenblik is 't onze plicht te
zoeken of er niets achter dit droevige verborgen is, en daarom moeten we
niet de oogen afwenden doch het scherp in 't aangezicht zien en het met
evenveel belangstelling en moed bestudeeren alsof het iets verblijdends
ware.--'t Is billijk, dat we alvorens ons te beklagen en de natuur te
veroordeelen, haar ten einde toe ondervragen.



XXV.


We hebben gezien dat de werkbijen, zoodra ze zich niet meer zoo voelen
pressen door de dreigende vruchtbaarheid hunner moeder, haastig
voorraadcellen gaan bouwen, wier bewerking economischer en wier inhoud
grooter is. Van een anderen kant hebben we gezien, dat de moeder het
liefst hare eieren legt in kleine cellen, en dat ze daar aanhoudend om
vraagt. Niettemin, als er geen zijn of ook wel als ze er nog op moet
wachten, onderwerpt ze er zich aan, in dien tusschentijd eieren te
leggen in de groote cellen, die ze op haar weg aantreft.

De bijen, die daaruit geboren worden, zijn mannetjes of darren, hoewel
de eieren geheel en al gelijk zijn aan die waaruit de werkbijen
ontstaan. In tegenstelling echter met hetgeen plaats heeft bij de
verandering van een werkbij in eene koningin, wordt hier de verandering
niet bepaald door den vorm of den inhoud der cel, want uit een ei dat in
een groote cel is gelegd en vervolgens overgebracht in die eener
werkbij, komt (ik ben er vier of vijf maal in geslaagd dit overbrengen
te bewerkstelligen, wat vrij lastig is wegens de microscopische
kleinheid en de uiterste teerheid van het ei) een dar, die wel
eenigermate verminkt, doch wiens geslacht onbetwistbaar is. De koningin
moet dus bij het leggen het vermogen bezitten het geslacht van het ei te
herkennen of te bepalen, en het in overeenstemming te brengen met de cel
waarover ze zich heenbuigt. Slechts zelden vergist ze zich. Hoe legt ze
dat aan? Hoe kan ze uit de myriaden eieren, die hare beide eierstokken
bevatten, de mannelijke van de vrouwelijke scheiden, en hoe komen ze op
haar wensch in den eenigen eierleider, dien ze bezit?

Hier staan we op nieuw voor een der raadselen van den korf en wel voor
een der onoplosbaarste. Wat men wel weet is, dat een maagdelijke
koningin niet onvruchtbaar is, doch slechts mannelijke eieren kan
leggen. Eerst na de bevruchting door de paringsvlucht kan ze naar
willekeur werkbijen of darren voortbrengen. Tengevolge van haren
bruiloftsgang is ze voor goed, tot aan haar dood, in het bezit van de
zaadlichaampjes, die aan haren ongelukkigen geliefde zijn ontrukt. Deze
zaadlichaampjes, wier aantal Dr. Leuckart op vijf en twintig millioen
schat, worden levend bewaard in een afzonderlijke klier, die onder de
eierstokken bij den ingang van den gezamenlijken eierleider ligt, en
zaadblaasje genoemd wordt. Men veronderstelt dus, dat de nauwheid van
den ingang der kleine cellen en de wijze waarop de koningin door den
vorm dezer opening genoodzaakt is zich te krommen en neer te buigen,
zekere drukking uitoefent op het zaadblaasje, tengevolge waarvan de
zaadlichaampjes er uitkomen en in 't voorbijgaan het eitje bevruchten.
Deze drukking zou niet plaats hebben bij de groote cellen, en het
zaadblaasje niet opengaan. Anderen zijn integendeel van meening, dat de
koningin werkelijk macht heeft over de spieren, die het zaadblaasje
openen of sluiten over de vagina, en inderdaad zijn deze spieren
buitengewoon talrijk, krachtig en ingewikkeld. Zonder te willen
beslissen welke dezer beide veronderstellingen de beste is--want hoe
verder men komt, hoe meer men opmerkt, hoe beter men ziet dat men niets
is dan een schipbreukeling op den tot hiertoe zoo onbekenden oceaan der
natuur, hoe beter men leert inzien, dat er altijd weer een nieuw feit op
het punt is te voorschijn te treden uit den boezem van een plotseling
doorzichtiger geworden golf, die in een enkel oogenblik alles
vernietigt, wat men meende te weten toch wil ik bekennen dat ik tot de
tweede overhel. Ten eerste toonen de proeven van een bijenhouder uit
Bordeaux, Drory genaamd, dat indien alle groote cellen uit den korf zijn
verwijderd, de moeder niet aarzelt als 't oogenblik om mannelijke eitjes
al te zetten gekomen is, deze in cellen van werkbijen te leggen; en ook
omgekeerd zal ze eieren van werkbijen in cellen van darren leggen,
indien men er geen andere ter harer beschikking heeft gesteld.

En verder bewijzen de schoone waarnemingen van den heer Fabre over de
Osmia's, wilde en afzonderlijk levende bijen van de familie der
Gastrilegiden, ten duidelijkste, dat deze bij niet alleen van te voren
het geslacht kent van het ei, dat ze gaat leggen, maar dat dit geslacht
facultatief is voor de moeder, die dat bepaalt al naar de ruimte,
waarover ze te beschikken heeft, "een ruimte die dikwijls anders is dan
te verwachten was en die niet gewijzigd kan worden", zoodat ze hier een
mannelijk, daar een vrouwelijk ei legt. Ik treed niet in bijzonderheden
omtrent de proeven van den grooten Franschen entomoloog. Ze zijn uiterst
fijn en nauwkeurig en zouden ons al te ver voeren. Maar welke hypothese
ook wordt aangenomen, de eene zoowel als de andere, verklaart, buiten
alle kennen van de toekomst om, volkomen den hang der koningin, hare
eitjes te leggen in cellen van werkbijen.

Waarschijnlijk heeft deze moeder-slavin, die wij geneigd zijn te
beklagen, maar die misschien een zeer verliefde, zeer wellustige natuur
is, bij de vereeniging van het mannelijk en het vrouwelijk principe, dat
in haar wezen plaats grijpt, een zekere gewaarwording van genot, en als
ware het een nasmaak van den zwijmel der eenige paringsvlucht in haar
gansche leven. Ook hier zou dan de natuur, die nooit zoo vindingrijk is
of zooveel heimelijke voorzorgen en afwisseling heeft als waar het de
lagen der liefde geldt, er voor gezorgd hebben, het belang der soort te
ondersteunen door een genot. Laten wc echter elkaar goed verstaan en ons
niet door onze uitlegging laten bedriegen. Als we aldus aan de natuur
gedachten toekennen En meenen, dat dit eene genoegzame verklaring is,
dan is 't als wierpen we een steen in een dier onmetelijke afgronden,
die men achter in sommige grotten vindt, en verbeelden we ons dan, dat
het geluid, hetwelk de steen maakt bij het neervallen, al onze vragen
zou beantwoorden en ons iets anders zou openbaren dan de onmetelijkheid
van den afgrond.

Wanneer men zoo zegt: de natuur wil dat, organiseert dit wonder, stelt
zich dat en dat ten doel, dan wil dit zeggen, dat een gering
levensverschijnsel zich, terwijl wij er ons juist mee bezig houden,
heeft kunnen handhaven op de enorme oppervlakte van de materie, die in
ons oog werkeloos is en die wij, ten onrechte, het niet of den dood
noemen. Een samenloop van omstandigheden, die volstrekt niet zoo
behoefde te zijn, heeft dit levensverschijnsel bestendigd te midden van
duizend andere, die misschien even interessant zijn, even zeer van
verstand getuigen, doch die niet zoo gelukkig waren, en voor immer
verdwenen zonder in de gelegenheid te zijn geweest onze verwondering te
wekken. Het zou vermetel zijn iets anders te beweren; en al het overige,
onze gedachten daar over, onze onverstoorbare teleologie, onze
verwachtingen en onze bewondering, dat alles is ten slotte niets dan het
onbekende, dat we tegen iets nog minder bekends aanwerpen, om een gering
geluid te voorschijn te roepen, dat ons den hoogsten trap van leven doet
kennen dien wij menschen kunnen bereiken op diezelfde zwijgende en
ondoordringbare oppervlakte; evenals het gezang van den nachtegaal en de
vlucht van den condor hun den hoogsten trap van leven voor hunne soort
openbaren. En desalniettemin blijft het een onzer onbetwistbare
plichten, dit kleine geluid te voorschijn te roepen, zoo dikwijls de
gelegenheid daartoe zich voordoet, zonder er ons door te laten
ontmoedigen, dat het waarschijnlijk ijdel is.



VIERDE BOEK.


DE JONGE KONINGINNEN.



I.


Laat ons hiermede onzen jongen korf weer sluiten waar het leven, zijn
cirkelgang hervattend, zich naar buiten openbaart en zich
vermenigvuldigt, om op zijne beurt weer een splitsing te ondergaan,
zoodra het de volheid van kracht en geluk heeft bereikt; en laat ons
voor het laatst de moederstad nog eens openen, om te zien wat daar
voorvalt na het vertrek van den zwerm.

Als het tumult van het vertrek weer tot bedaren is gekomen en nu twee
derden van hare kinderen haar hebben verlaten zonder plan op terugkeer,
is de ongelukkige stad als een lichaam, dat veel bloedverlies heeft
gehad: ze is moede, verlaten, bijna dood. Toch zijn er eenige duizenden
bijen in gebleven, die onverstoorbaar, al is het dan ook eenigszins mat,
het werk weer hervatten, zoo goed mogelijk de plaats der afwezigen weer
vervullen, de sporen der laatste uitspattingen uit den weg ruimen, de
provisie, buit van de rooftochten wegbergen, de bloemen gaan bezoeken,
de wacht houden over de voorraadschuur der toekomst, zich volkomen
bewust van hunne zending en getrouw aan den plicht, die hun door het lot
duidelijk is aangewezen.

Doch zoo het heden al somber schijne, al wat het oog ontmoet is vol hoop
en verwachting. We bevinden ons hier in een dier kasteelen der Duitsche
legende, waarin de muren bestaan uit duizenden glazen flesschen met de
zielen der menschen, die zullen geboren worden. We bevinden ons in het
verblijf van het leven, dat aan het leven voorafgaat. Daar rondom liggen
in goed gesloten wiegen, in de eindelooze aaneenvoeging der wonderbare
zeszijdige cellen, myriaden larven in wording, nog witter dan melk, die
met gekruiste armen en het hoofd op de borst gebogen, de ure van
ontwaken afwachten. Als men ze zoo ziet in hun eenvormige, ontelbare en
doorschijnende graven, zou men ze voor vergrijsde, in diep nadenken
verzonken aardmannetjes houden, of voor legioenen van maagden geheel
vervormd door de plooien van het lijkkleed en begraven in zeshoekige,
door een volhardend meetkundige tot in het oneindige vermenigvuldigde
prisma's.

Over de gansche uitgestrektheid dier loodrechte muren, welke een gansche
wereld in zich bevatten, een wereld die groeit, verandert, om zichzelve
wentelt, vier of vijf maal van kleederen verwisselt en in het duister
haar lijkkleed spint, zijn honderden werkbijen aan het dansen en aan 't
waaien met de vleugels om de noodige warmte te onderhouden en tevens
voor een doel, dat nog meer in het duister ligt; want hun dans heeft
zeer bijzondere en methodische trillingen, die wel moeten beantwoorden
aan een of ander doel, dat naar ik meen nog geen enkel waarnemer heeft
opgespoord.

Na verloop van eenige dagen beginnen de deksels van deze myriaden urnen
(in een flinken korf telt men er van zestig tot tachtig duizend) te
wijken, en twee groote, zwarte en ernstige oogen komen te voorschijn met
twee sprieten er boven, die het leven rondom hen reeds gaan betasten,
terwijl bezige kaken nog voortgaan met de opening te verwijden. Dadelijk
komen de voedsters aanloopen, helpen de jeugdige bij hare gevangenis
verlaten, ondersteunen haar, borstelen en reinigen haar en bieden haar
op de punt hunner tong den eersten honing van haar nieuwe leven aan.
Zij, die daar pas te voorschijn komt uit een andere wereld, is nog
eenigszins bedwelmd, wat bleek en wankel. Ze ziet er zwakjes uit als een
oud mannetje ontstegen aan zijn graf. Men zou haar voor een reizigster
kunnen houden bedekt met het donzige stof der onbekende wegen, die tot
de geboorte leiden. Overigens is ze van top tot teen reeds geheel klaar,
weet onmiddellijk al wat ze weten moet en zooals de kinderen uit het
volk om zoo te zeggen bij hunne geboorte reeds leeren, dat hun geen tijd
is gegund voor spel en lach, begeeft zij zich dadelijk naar de gesloten
cellen en begint met hare vleugeltjes te slaan en zich op de maat te
bewegen om op hare beurt hare begraven zusters te verwarmen, zonder zich
op te houden met het ontcijferen van het wonderlijk raadsel van haar
bestemming en haar ras.



II.


De meest vermoeiende bezigheden echter worden haar in den beginne
bespaard. Eerst acht dagen na hare geboorte komt ze uit den korf om haar
eerste "reinigings-vlucht" te volbrengen en lucht op te doen in hare
lucht-buizen, die zwellen, haar gansche lichaam doen uitzetten en haar
van dat oogenblik af huwen aan de ruimte. Daarna komt ze terug, wacht
nog een week en dan wordt haar eerste uitgang als honingdraagster in
gezelschap harer zusters georganiseerd, onder een heel eigenaardige
zenuwachtigheid, die door de bijenhouders kunst-zon wordt genoemd.
Liever nog zou men het onrust-zon moeten noemen. Men ziet inderdaad, dat
ze bang zijn, dat zij, de dochteren van de beperkte duistere ruimte en
van de menigte, bang zijn voor dien azuren afgrond men de oneindige
eenzaamheid van het licht, en hunne om zich tastende opgewektheid is van
vrees geweven. Ze loopen voor de poort heen en weer, ze dralen,
vertrekken en komen terug, wel twintig keeren achtereen. Ze wiegelen op
de lucht, en met het kopje onafgewend naar het tehuis gekeerd,
beschrijven ze groote kringen in opwaartsche beweging, doch plotseling
als gedrukt door spijt dalen ze weder, en hunne dertien duizend oogen
ondervragen, weerkaatsen en onthouden alles tegelijk, alle boomen, de
fontein, het hek, het latwerk, de daken en de vensters der omgeving; tot
dat de luchtweg, langs welken ze zich op hunnen terugtocht zullen laten
glijden, even onwrikbaar in hun geheugen staat gegrift, alsof twee
strepen van staal dien afteekenden in den ether.

Alweder een mysterie. Ook dit willen we ondervragen even als die
anderen, en zoo het zwijgt evenals zij, dan wordt door dit zwijgen
althans het veld onzer bewuste onwetendheid, dat het vruchtbaarste is
van alle, die onze activiteit bezit, niet eenige morgens vergroot,
nevelachtig wel is waar, doch bezaaid met goeden wil. Hoe vinden de
bijen hunne woning terug, die ze somtijds onmogelijk kunnen zien, die
dikwijls onder de hoornen verscholen ligt en wier ingang in ieder geval
slechts een onmerkbaar punt is in de onbegrensde ruimte? Hoe komt het,
dat ze maar uiterst zelden verdwalen, als ze in een doosje twee of drie
kilometer ver van den korf worden gebracht?

Kunnen ze dien door alle hinderpalen heen ontdekken? Nemen ze bepaalde
herkenningsteekenen te baat om zich te oriënteeren, of wel bezitten ze
dat bijzondere en nog weinig bekende zintuig, dat wij aan sommige dieren
toeschrijven b.v. aan zwaluwen en duiven, en dat het _zintuig voor de
richting_ genoemd wordt? De proeven van J.H. Fabre, van Lubbock en
vooral van Romanes (in de _Natuur_, 29, Oktober 1886) schijnen uit te
maken, dat ze niet geleid worden door dit merkwaardig instinkt.

Van een anderen kant heb ik meer dan eens geconstateerd, dat ze niet
veel aandacht verleenen aan den vorm of de kleur van den korf. Ze
schijnen er meer op te letten, hoe de plank waarop hun huis rust, er
gewoonlijk uitziet, op de plaatsing van den ingang en het
landings-plankje[1]. Doch zelfs dit is bijkomstig, en indien men tijdens
de afwezigheid der honing-draagsters den gevel hunner woning van boven
tot onder wijzigt, dan komen ze evengoed onmiddellijk daarop af van uit
de diepten van den horizont, en leggen eerst eenige aarzeling aan den
dag op het oogenblik dat ze den onherkenbaren drempel zullen
overschrijden. Hunne wijze van zich te oriënteeren schijnt voor zoover
onze proeven ons daarover een oordeel toelaten, veeleer gebaseerd op een
buitengewoon nauwkeurig opnemen van allerlei kleine kenmerken. Niet den
korf zelf herkennen ze, maar zijn plaatsing met betrekking tot de
voorwerpen in de omgeving, tot op drie vier millimeter benaderd. En dit
kenmerk is zoo merkwaardig, zoo mathematisch zeker en zoo diep in hun
geheugen gegrift, dat alle werkbijen, als men den korf, nadat ze vijf
maanden in een donkeren kelder hebben overwinterd, weer op zijn plankje
zet doch iets meer naar rechts of links dan vroeger, bij hunnen
terugkeer van de eerste bloemen, zonder zich door iets te laten afleiden
rechtstreeks naar de plaats zullen vliegen, waar de korf het vorige jaar
stond, en niet dan tastend eindelijk het verplaatste vlieggat vinden.
Men zou kunnen meenen, dat de ruimte den ganschen winter het
onuitwischbaar spoor hunner tochten had vastgehouden, en dat het paadje,
waar langs ze zich volijverig voortbewogen, in den hemel bleef gegrift.

Wanneer men dan ook een korf verplaatst, verdwalen vele bijen, tenzij er
sprake is van een groote reis en het geheele landschap, dat ze door en
door kennen tot drie of vier kilometer in 't rond, veranderd is, of
tenzij men er voor gezorgd heeft een plankje, een stukje dakpan of een
of andere belemmering voor het vlieggat te plaatsen, waardoor ze
gewaarschuwd worden, dat er iets is veranderd, en ze zich op nieuw
moeten oriënteeren en het juiste punt bepalen.


[1] Het landings-plankje, dat dikwijls niets anders is dan de verlenging
van de plank waarop de korf staat, vormt een soort stoepje, portaaltje
of rustplaats vóór den hoofdingang of 't vlieggat.



III.


Nadat we dit gezegd hebben, keeren we terug naar onze stad, die op nieuw
wordt bevolkt, waar onophoudelijk nieuwe wiegen opengaan en zelfs de
substantie der muren in beweging komt. Deze stad heeft echter nog geene
koningin. Aan de kanten van een der middelste raten verheffen zich zeven
à acht zonderlinge gebouwtjes, die op de golvende vlakte der gewone
cellen doen denken aan de protuberances en kringen, die de
photographieën der maan zoo vreemd maken. 't Zijn een soort capsules van
ruwe was of hangende, volkomen gesloten eikels, die de plaats van drie
of vier werkbijen-cellen innemen. Gewoonlijk liggen ze in een groep
bijeen en een sterke, buitengewoon bezorgde en oplettende wacht behoedt
dit gebied, dat een soort ontzag schijnt in te boezemen. Daar komen de
moeders tot ontwikkeling. In ieder dezer huisjes is vóór het vertrek van
den zwerm een eitje neergelegd, 't zij door de moeder zelve, 't zij nog
waarschijnlijker, hoewel men er zich niet van heeft kunnen vergewissen,
door de voedsters, die het daarheen overbrengen uit een of andere cel
uit de buurt.

Drie dagen daarna ontwikkelt zich uit dat ei een made, waaraan men een
bijzonder en zoo overvloedig mogelijk voedsel toedient; en hier kunnen
we één voor één de bewegingen nagaan van een dier verrukkelijk vulgaire
methoden der natuur, die wij indien het menschen gold, met den verheven
naam van Fataliteit zouden omkleeden. Het kleine larfje ontwikkelt zich
dank zij dit stelsel van opvoeding op een gansch bijzondere wijze, en
zijn denkbeelden worden tegelijk met zijn lichaam dermate gewijzigd, dat
de bij, die daaruit geboren wordt, tot een geheel ander ras van insekten
schijnt te behooren.

Ze zal vier of vijf jaar leven in plaats van zes of zeven weken. Haar
lijf wordt tweemaal langer, haar kleur glanziger en lichter, haar angel
krom. Haar oogen zullen slechts acht à negen duizend facetten tellen in
plaats van twaalf of dertien duizend. Haar brein wordt beperkter, maar
haar eierstokken enorm groot, en ze zal een afzonderlijk orgaan, de
zaadblaas, bezitten, die haar om zoo te zeggen tot een hermaphrodiet
maakt. Ze krijgt geen der organen voor een leven van inspanning: noch
zakjes om was af te scheiden, noch borstels, noch korfjes om er het
stuifmeel in te verzamelen. Ze zal geen der gewoonten en geen der
hartstochten kennen, die wij onafscheidelijk achten van de bij. Ze zal
geen verlangen koesteren naar de zon, noch behoefte aan de open lucht,
en sterven zonder een enkele bloem bezocht te hebben. Haar leven zal ze
doorbrengen in de duisternis en de drukte van de groote menigte, met het
onvermoeid opzoeken van wiegjes om ze te bevolken. Daarentegen zal
alleen zij de onrust der liefde kennen. Ze is er niets eens zeker van,
dat ze twee oogenblikken in haar leven het licht zal aanschouwen---want
het uitvliegen van den zwerm is niet onvermijdelijk--misschien zal ze
slechts eenmaal gebruik maken van hare vleugels, doch dan om den minnaar
te gemoet te vliegen! 't Is merkwaardig, dat zooveel dingen, dat
organen, denkbeelden, verlangens, gewoonten, een gansch levenslot aldus
liggen opgesloten, niet in een zaadje--dat zou het gewone wonder zijn
van plant, dier en mensch--doch in een vreemde en levenlooze substantie:
ineen druppel honing[1].


[1] Sommige bijenkenners beweren, dat werkbijen en koninginnen na het
opengaan van het ei hetzelfde voedsel ontvangen, een soort melk, die
zeer rijk is aan stikstof en wordt afgescheiden door een afzonderlijke
klier, waarvan de kop der voedsters is voorzien. Maar na verloop van
enkele dagen worden de larfjes der werkbijen gespeend en onder het
grover diëet van honing en stuifmeel gesteld, terwijl daarentegen de
toekomstige koningin tot aan hare volkomen ontwikkeling wordt volgepropt
met de kostbare melk, die koninginne-pap genoemd wordt. Hoe dit ook zij,
de resultaten blijven daarom evenzeer een wonder.



IV.


Ongeveer een week is verloopen sedert het vertrek der oude koningin. De
koninklijke nymphen, die in de hulsels slapen, zijn niet allen van
denzelfden leeftijd, want het is in 't belang der bijen, dat de
koninklijke geboorten na elkaar plaats hebben, op de tijden dat ze
beslissen of er een tweede, derde of zelfs wel een vierde zwerm uit den
korf zal vertrekken. Reeds eenige uren zijn ze bezig de wanden van de
rijpste moederwieg langzamerhand dunner te maken, en de jonge koningin,
die van binnen uit tegelijkertijd het ronde deksel doorknaagt, steekt
haar kopje er uit, komt halverwege te voorschijn en met behulp van de
verpleegsters, die dadelijk komen aanloopen, haar afvegen, schoonmaken
en liefkoozen, wikkelt ze zich los en doet hare eerste schreden op de
raat. Evenals een pasgeboren werkbij is ze bleek en nog wankel op hare
pootjes, maar na verloop van een minuut of tien worden deze steviger en
daar ze wel voelt, dat ze niet de eenige is, dat ze haar rijk moet
veroveren, dat er hier of daar mededingsters schuilen, loopt ze vol
onrust langs de wanden van was om deze op te sporen. Hier komen de
wijsheid en de geheimzinnige besluiten van het instinkt, van den geest
des bijenkorfs, of van de vergaderde werkbijen tusschenbeide. 't Geen
het meest verrast als men in een observatie-korf den loop dezer
gebeurtenissen met de oogen volgt, is dat men nooit de minste aarzeling,
de minste verdeeldheid waarneemt. Nergens eenig spoor van tweedracht of
verschil van meening. Daar heerscht niets dan een reeds te voren
ingestelde eensgezindheid, dit is de atmosfeer van dezen staat, en
iedere bij schijnt reeds bij voorbaat te weten, wat alle anderen denken.
Toch is dit een hoogst gewichtig oogenblik voor hen, 't is om zoo te
zeggen de minuut waarvan leven of dood afhangen. Ze moeten weten welke
partij te kiezen uit drie of vier mogelijkheden, die ver-reikende
gevolgen zullen hebben, welke onderling totaal verschillen en door eene
kleinigheid noodlottig kunnen worden. Ze moeten de passie of de
ingeschapen plicht van het vermeerderen der soort met het behoud van den
moederstok en diens afstammelingen weten te verzoenen. Een enkelen keer
vergissen ze zich; ze laten drie of vier zwermen na elkaar uitvliegen,
die den moederstaat totaal uitputten en zelf te zwak zijn om zich snel
genoeg te organiseeren, zoodat ze worden overvallen door ons klimaat,
dat niet het oorspronkelijk klimaat is waaraan de bijen ondanks alles de
herinnering blijven behouden, en bezwijken bij het intreden van den
winter. Dan vallen ze als slachtoffers van de zwerm-koorts, die even als
onze gewone koorts een soort al te sterke reactie van het leven is, een
reactie, die haar doel voorbijstreeft, den kring afsluit en den dood
vindt.



V.


Geen der besluiten, die ze zullen nemen, schijnt zich met dwingende
noodzakelijkheid op te dringen, en als de mensch eenvoudig toeschouwer
blijft, kan hij niet voorzien, wat ze zullen kiezen. Maar een bewijs dat
er altijd overleg is bij deze keuze is hierin gelegen, dat hij daarop
invloed kan uitoefenen, ja zelfs die keuze bepalen, door enkele
omstandigheden te wijzigen, b.v. door de ruimte die hij toestaat kleiner
of grooter te maken, of volle honingraten weg te nemen en er leege voor
in de plaats te stellen, welke voorzien zijn van werkbij-cellen.

De zaak is dus, dat ze weten, niet of ze dadelijk een tweeden en derden
zwerm zullen uitzenden--dat zou vrij wel enkel een blind besluit zijn,
een gevolg van den gril of het onbezonnen verlangen van een gunstig
oogenblik de zaak is, dat ze op het oogenblik, eenparig, maatregelen
treffen, die hen zullen vergunnen drie of vier dagen na de geboorte der
eerste koningin een tweeden zwerm uit te zenden, en een derde drie dagen
na het vertrek der jonge koningin aan het hoofd van dezen tweeden zwerm.
Niemand zal kunnen ontkennen, dat we hier een geheel systeem, een
gansche combinatie van voorzorgsmaatregelen aantreffen, die, vooral als
men denkt aan de kortheid van hun leven, een geruimen tijd in beslag
nemen.



VI.


Deze maatregelen betreffen de bewaking der jonge koninginnen, die nog
begraven liggen in hunne gevangenis van was. Ik veronderstel, dat de
bijen het verstandiger oordeelen geen tweeden zwerm uit te zenden. Hier
doen zich dus weer twee mogelijkheden voor. Zullen ze aan de
eerstgeborene der koninklijke maagden, aan haar, die wij hebben zien
uitkomen, toestaan hare vijandelijke zusteren te vernietigen, of wel
zullen ze wachten totdat deze de gevaarlijke plechtigheid van de
"parings-vlucht" heeft volbracht, waarvan de toekomst van het volk kan
af hangen? Dikwijls wettigen ze den onmiddellijken moord, dikwijls ook
verzetten zij er zich tegen, maar 't laat zich gemakkelijk begrijpen,
dat het moeielijk is uit te maken of dit gebeurt met het oog op een
tweeden zwerm, of op de gevaren van de "parings-vlucht"; want meer dan
eens heeft men waargenomen, dat ze, na tot een tweeden zwerm te hebben
besloten, plotseling daarvan afzagen en heel het voorbestemde nakroost
vernietigden, 't zij omdat de tijden ongunstiger waren geworden, 't zij
om eenige andere reden, die we niet kunnen opsporen. Doch stel dat ze
het nuttig hebben geoordeeld van het zwermen af te zien en de gevaren
van de "parings-vlucht" te aanvaarden. Wanneer nu onze jonge koningin,
aangevuurd door haar verlangen, het gebied van de groote wiegen nadert,
dan wijkt de wacht ter zijde om haar vrijen doortocht te laten. Ten
prooi aan haar woedende jaloezie werpt ze zich op de eerste
koninginne-cel, die ze aantreft en doet met tanden en pooten al haar
best om de was te breken. Ze slaagt er in, rukt met geweld de pop er
uit, die in die woning rust, wikkelt de slapende prinses los en als haar
mededingster reeds kenbaar is, keert ze zich om, steekt haar angel in de
open cel en boort als waanzinnig dezen daarin, totdat de gevangene
bezwijkt onder de wonden van het giftig wapen. Dan komt ze tot rust, en
vindt voldoening in den dood, het mysterie, dat aan den haat van alle
wezens grenzen stelt, trekt haar angel in, valt op een andere cel aan,
opent die om er echter voorbij te gaan als zeer enkel een onvolgroeide
larf of nymph in vindt, en gaat zoo voort tot op het oogenblik, dat ze
hijgend en uitgeput bemerkt, dat hare tanden en nagels machteloos langs
de wanden van was afglijden.

De bijen rondom haar zien hare woede aan zonder er in te deelen en gaan
haar uit den weg om haar het veld vrij te laten; maar zoodra een cel is
doorboord en verwoest komen ze aanloopen, halen het lijk, het nog
levende larfje of de gepijnigde nymph er uit, gooien ze uit den korf, en
proppen zich gretig vol met de kostelijke koninklijke pap, die den bodem
van de cel overdekt. En daarna, als hunne uitgeputte moeder hare woede
laat varen, voleindigen zij zelven den moord der onschuldigen, en het
vorstelijk ras heeft met zijne woonplaatsen opgehouden te bestaan.

Met de executie der darren, die overigens meer is te verontschuldigen,
is dit de afschuwelijke ure van den bijenkorf, de eenige waarin de bijen
aan tweedracht en dood verlof geven hunne woningen te overmeesteren.
En, zooals het zoo vaak in de natuur voorkomt, zijn het juist de door de
liefde bevoorrechten, die de buitengewone pijlen van een gewelddadigen
dood op zich zien gericht.

Enkele malen, doch uiterst zelden daar de bijen voorzorgsmaatregelen
nemen om dit geval te voorkomen, enkele malen gebeurt het, dat twee
koninginnen tegelijkertijd uitkomen. Dan heeft onmiddellijk bij het
verlaten van de wieg de doodelijke kamp plaats, waarvan Huber voor het
eerst een merkwaardige bijzonderheid heeft opgeteekend: telkens wanneer
de beide maagdelijke koninginnen in hun curas van sits bij hun uitval
zulk een stelling innemen, dat ze bij het steken met hun angel elkaar
weerkeerig zouden doorboren dan is het, juist als bij de gevechten in de
Ilyas, alsof den god of godin, wellicht de god of de godin van het ras,
tusschen beide komt; door een zelfden schrik bevangen, gaan de beide
strijdende partijen uiteen en ontvluchten elkaar geheel ontdaan, om kort
daarna elkander weer te zoeken en opnieuw uiteen te gaan indien de
dubbele ramp opnieuw de toekomst van hun volk bedreigt; totdat het aan
een van beiden gelukt hare onvoorzichtige of onhandige mededingster te
verrassen, en haar te dooden zonder gevaar voor zichzelve, want de wet
van de soort eischt slechts één offer.



VII.


Wanneer de jeugdige vorstin op deze wijze de wiegen heeft vernield of
hare mededingster gedood, wordt ze door het volk erkend, en om in
waarheid te regeeren en zich behandeld te zien evenals vroeger hare
moeder, blijft haar niets meer overig dan hare paringsvlucht te
volbrengen; want de bijen bemoeien zich weinig met haar en bewijzen haar
weinig eer zoolang ze nog onbevrucht is. Dikwijls echter is hare
geschiedenis minder eenvoudig, en slechts zelden weerstaan de werkbijen
hun verlangen een tweeden keer te zwermen.

In dit geval komt ze evenals in het eerste, en gedreven door hetzelfde
voornemen, naar de koninklijke cellen toe, doch in plaats van daar
onderworpen dienaressen te vinden, die haar aanmoedigen, stuit ze op een
sterke vijandelijke macht, die haar den weg verspert. Opgewonden, en
steeds aangedreven door haar idée fixe, wil ze zich met geweld een
doortocht banen of een anderen weg inslaan, doch overal ontmoet ze
schildwachten, die de slapende prinsessen bewaken. Ze wil doorzetten,
doet een nieuwen aanval, doch met steeds meer kracht stoot men haar
terug en mishandelt haar zelfs, tot ze eenigszins vaag begint te
begrijpen, dat die kleine werkbijen een wet vertegenwoordigen, waarvoor
de wet die haar aandrijft moet wijken.

Eindelijk verwijdert ze zich, en in haar nog niet gekoelde drift loopt
ze van raat tot raat onder het aanheffen van dien eigenaardigen
krijgszang of dreigende klacht, die iedere bijenhouder kent en die
gelijkt op den zilveren klank van een verwijderde trompet; dit geluid
van onmacht en verbittering is zóó krachtig, dat men het vooral 's
avonds, op drie of vier meter afstands door de dubbele wanden van den
korf heen hoort, al is die ook nog zoo goed gesloten.

Deze koninklijke kreet heeft een magischen invloed op de werkbijen. Hij
vervult hen met een soort van eerbiedigen schrik of verbijstering, en
wanneer de koningin hem doet weerklinken over de cellen waarvan men haar
verwijderd houdt, dan staan de wachten die haar omringen en lastig
vallen plotseling stil, buigen het hoofd, en wachten onbewegelijk, of
hij niet zal ophouden te weerklinken. Overigens meent men, dat juist
door de overmacht van dezen kreet, dien hij nabootst, de
Doodshoofd-vlinder in de korven kan komen om zich aan honing te goed te
doen, zonder dat de bijen er aan denken hem aan te vallen.

Twee of drie, en soms wel vijf dagen achtereen worden deze klaagtonen
der gesmade aldus gehoord, die de in bescherming genomen pretendenten
ten strijde oproepen. Ondertusschen komen deze tot ontwikkeling, willen
op hunne beurt het licht aanschouwen en beginnen de deksels hunner
cellen te doorknagen. Groote wanorde bedreigt de republiek. Doch toen de
genius van den korf zijn besluit nam, heeft hij alle gevolgen daarvan
overzien en de bewaaksters, die goed op de hoogte zijn, weten van uur
tot uur wat hun te doen staat om de onverhoedse stooten van het
gedwarsboomd instinkt te pareeren en twee vijandelijke krachten tot een
zelfde doel te doen samenwerken. Ze weten, dat de jonge koninginnen, die
naar het geboorte-uur verlangen, indien ze er in slaagden te ontsnappen,
in de handen hunner reeds onoverwinnelijke oudere zuster zouden vallen,
die ze een voor een zou vernietigen. Terwijl dus een der ingesperden van
binnen de poorten harer gevangenis afknaagt, bedekken zij die van buiten
met een nieuwe laag was, en de ongeduldige zet hardnekkig haar werk
voort zonder liet minste vermoeden, dat ze te doen heeft met een
betooverden hinderpaal, die uit de puinhoopen steeds nieuw verrijst.
Onderwijl hoort ze de uitdagende kreten van hare mededingster, en daar
ze haar bestemming en hare koninklijke plichten reeds kent nog vóór ze
een blik heeft kunnen werpen op het leven en weet wat een bijenkorf is,
beantwoordt ze die heldhaftig van uit hare gevangenis. Daar echter hare
kreten de wanden van een grafgewelf moeten doordringen, klinken ze
geheel anders, dof, hol, en de bijenhouder die 's avonds, wanneer op de
velden alle geluid verstomt en het zwijgen der sterren begint, de
wonderbare steden komt ondervragen, herkent en begrijpt de beteekenis
van deze samenspraak tusschen de ronddwalende maagd en de gevangenen.



VIII.


Overigens is zulk een lange opsluiting gunstig voor de jonge
koninginnen, die als ze uitkomen rijp en reeds krachtig zijn en klaar om
hunne vlucht te nemen. Van een anderen kant heeft het wachten de vrije
koningin sterker gemaakt en haar in staat gesteld de gevaren eener reis
te doorstaan. De tweede zwerm of _nazwerm_ verlaat dan de woning met de
eerstgeborene onder de koninginnen aan zijn spits. Onmiddellijk na haar
vertrek bevrijden de in den korf achtergebleven werkbijen een der
gevangenen, die dezelfde moorddadige pogingen doet, dezelfde kreten van
toorn uitstoot, om op hare beurt drie dagen later den korf te verlaten
aan het hoofd van een derden zwerm en zoo maar voort ingeval van
_zwerm-koorts_, totdat de moederstad totaal is uitgeput.

Swammerdam haalt een korf aan, die door zijn eigen zwermen en het
zwermen van die zwermen, dertig kolonies gaf in één enkel seizoen.

Zulk een buitengewone vermenigvuldiging wordt vooral aangetroffen na een
slechten winter, alsof de bijen, die altijd voeling hebben met de
geheime wenschen der natuur, zich bewust waren van het gevaar, dat de
soort bedreigt. In normale tijden is deze koorts echter vrij zeldzaam in
krachtige en goed bestuurde korven. Vele zwermen maar eens en
verscheidene zelfs in geheel niet.

Gewoonlijk zien de bijen na den tweeden zwerm van een verdere verdeeling
af, 't zij ze de geduchte verzwakking van den moederstok opmerken, 't
zij het betrekken van den hemel hun voorzichtigheid voorschrijft. In dat
geval staan ze toe, dat de derde koningin de gevangenen vermoordt, en
het gewone leven gaat weer zijn gang en wordt met te meer ijver opgevat
daar de werkbijen alle zeer jong zijn, de korf verarmd is en ontvolkt,
en er voor den winter groote leemten zijn aan te vullen.



IX.


Het vertrek van den tweeden en derden zwerm is juist zooals die van den
eersten en alle omstandigheden zijn gelijk, behalve dat er minder bijen
zijn, dat de troep minder omzichtig is en geen verkenners heeft, en dat
de jonge, maagdelijke, vurige en lichte koningin veel verder vliegt en
reeds bij de eerste pleisterplaats haar volk tot op grooten afstand van
den korf heeft meegevoerd. Voeg er nog bij, dat deze tweede en derde
uittocht veel vermeteler zijn en dat het lot dezer zwervende kolonies
zeer hachelijk is. Als vertegenwoordigster der toekomst hebben ze enkel
een onvruchtbare koningin aan hun spits. Hun gansche bestaan hangt af
van de op handen zijnde paringsvlucht. Een voorbijvliegende vogel,
enkele regendruppels, een koude wind, een vergissing, en het onheil is
onherstelbaar. Dit weten de bijen zóó goed, dat ze, wanneer ze een
toevluchtsoord gevonden hebben, ondanks hunne reeds groote gehechtheid
aan de woning die eerst sedert een enkelen dag de hunne is, ondanks het
aangevangen werk, dikwijls alles in den steek laten om hunne jeugdige
souvereine te vergezellen bij het zoeken van een minnaar, om hunne oogen
onafgewend op haar gevestigd te houden, haar te omgeven en te omhullen
met duizenden liefderijke vleugeltjes, of met haar te gronde te gaan
indien de liefde haar zóó ver van den nieuwen korf doet afdwalen, dat de
nog ongewone terugweg vervluchtigt en verdwijnt uit hun aller geheugen.



X


Zóó sterk is echter de wet der toekomst, dat geen enkele bij aarzelt met
het oog op deze onzekerheid en dit doodsgevaar. Een zelfde geestdrift
voor een tweeden en derden zwerm als voor een eersten. Wanneer de
moederstaat zijn besluit beeft genomen, dan vindt ieder dezer
gevaarlijke jonge koninginnen een troepje werkbijen gereed haar lot te
deelen en haar te vergezellen op haar reis, waarbij veel te verliezen en
niets te winnen is dan de hoop op voldoening van een instinkt. Wie geeft
hun de energie, die wij nimmer bezitten, om met het verleden te breken
als met een vijand? Wie kiest uit de massa degenen, die moeten gaan en
wie wijst aan welke zullen achterblijven? Niet die of die klasse
vertrekt of blijft, hier zijn het de jongsten, daar de oudsten, rondom
iedere koningin, die heengaat om niet terug te keeren, verdringen zich
zeer oude honingdraagsters naast kleine werkbijtjes, die zich voor het
eerst wagen in het duizelingwekkende azuur. 't Is evenmin het toeval, de
gelegenheid of een voorbijgaande opwelling van geestdrift of van
ontmoediging door een gedachte, instinkt of gevoel, waardoor de
betrekkelijke grootte van een zwerm wordt bepaald. Herhaaldelijk heb ik
er mij op toegelegd, te berekenen welke verhouding er bestond tusschen
het aantal bijen van den zwerm en van degenen die achterblijven; en
hoewel de moeielijkheden aan de proef verbonden het verkrijgen van
mathematische zekerheid beletten, heb ik toch kunnen constateeren dat
deze verhouding, als men mede rekening houdt met het broedsel, dus met
de op handen zijnde geboorten, constant genoeg was om een werkelijke en
geheimzinnige berekening van den genius des bijenkorfs te doen
vermoeden.



XI.


We zullen niet alle avonturen dezer zwermen nagaan, het zijn er vele, en
dikwijls zeer ingewikkelde. Somtijds vallen twee zwermen samen, een
andermaal gebeurt het in de verwarring van het heengaan, dat twee of
drie der gevangen koninginnen aan het toezicht der bewaaksters
ontsnappen en zich voegen bij den zich vormenden tros. Weer een
andermaal maakt een der jonge koninginnen gebruik van de zwermingsvlucht
om, waar ze zich van darren omringd ziet, zich te laten bevruchten en
dan voert ze heel haar volkje mee tot op een buitengewone hoogte en
afstand. In de praktijk van de bijenteelt brengt men deze tweede en
derde zwermen naar den moederstok terug. De koninginnen vinden elkaar
terug in den bijenkorf, de werkbijen scharen zich rondom de strijdenden
en wanneer de beste heeft gezegevierd, verwijderen zij in hun afkeer van
wanorde en hun lust tot werken de lijken, sluiten de deur voor
toekomstige daden van geweld, vergeten het verleden, keeren terug naar
hunne cellen, en gaan op nieuw den vreedzamen weg op naar de bloemen,
die hen wachten.



XII.


Om ons verhaal te vereenvoudigen zullen we de geschiedenis van de
koningin weer opvatten, waar we die hadden afgebroken, daar waar de
bijen haar hadden toegestaan hare zusters in de wieg te dooden. Zooals
ik reeds gezegd heb verzetten ze zich dikwijls tegen dezen moord, ook
zelfs wanneer ze niet het voornemen schijnen te koesteren een tweeden
zwerm uit te zenden. Dikwijls ook hechten zij er hunne goedkeuring aan,
want de staatkundige geest der korven van een zelfden bijenstand is even
verschillend als die der menschen-volken van een zelfde vastland. Doch
zeer zeker begaan ze een onvoorzichtigheid door hem te wettigen. Komt de
koningin om of verdwaalt ze bij hare parings-vlucht, dan blijft er
niemand over om haar te vervangen, en de larven der werkbijen zijn al
over den leeftijd om nog in koninklijke herschapen te kunnen worden.
Maar enfin, de onvoorzichtigheid is begaan en dus is de eerste, die
uitkomt, de eenige en erkende heerscheres in de gedachten haars volks.
Toch is ze nog maagd. Om gelijk te worden aan de moeder, die zij
vervangt, moet ze in de eerste twintig dagen na hare geboorte een
ontmoeting hebben met het mannetje.

Wordt door een of andere oorzaak deze ontmoeting vertraagd, dan blijft
ze onherroepelijk maagd. Toch is ze zooals we gezien hebben niet
onvruchtbaar, al is ze maagd. Hier staan we tegenover die groote
anomalie, die wonderlijke voorzorgsmaatregel of gril van de natuur, die
men parthenogenesis noemt, en die een zeker aantal insekten met elkaar
gemeen hebben, te weten de boomluizen, de stofvleugelige insekten van
het geslacht Psyche, de Hymenopteren van den stam der Cynipides, enz. De
koningin-maagd kan dus eieren leggen als ware zij bevrucht, maar uit
alle eieren die ze legt, in groote of kleine cellen, zullen enkel darren
geboren worden, en daar deze nimmer werken, enkel op kosten der wijfjes
leven, zelfs nooit honing gaan zoeken voor zich zelven en niet in hun
onderhoud kunnen voorzien, volgt slechts weinige weken na den dood van
de laatste afgetobde werkbij, de volledige ondergang der kolonie. Uit de
maagd zullen duizenden mannetjes geboren worden, en ieder dezer
mannetjes bezit millioenen zaadlichaampjes, waarvan er geen enkel in
haar organisme is kunnen binnendringen. Dat is zoo men wil niet
wonderlijker dan duizend andere analoge verschijnselen; want als men
zich bezighoudt met deze problemen, voornamelijk met die van de
voortplanting, waarbij het wonderlijke en verrassende van alle kanten
opduiken, nog veel overvloediger en nog veel minder volgens menschelijke
wetten dan in de wonderbaarlijkste tooversprookjes, dan wordt na verloop
van korten tijd de verbazing zoo iets gewoons, dat men er vrij spoedig
de notie van verliest. Toch was het feit de moeite waard te worden
opgeteekend. Doch van een anderen kant, hoe in het reine te komen met de
bedoeling der natuur, die aldus de darren, welke zoo noodlottig zijn,
begunstigt ten koste der zoo noodzakelijke werkbijen? Is ze bang, dat
anders het verstand der wijfjes hen er toe brengen zou het aantal dezer
nadeelige parasieten, die nu eenmaal onvermijdelijk zijn voor de
instandhouding der soort, buitensporig te verminderen? Is het uit
overdreven reactie tegen den ramp van een onvruchtbare koningin? Behoort
het tot die al te geweldige en blinde voorzorgsmaatregelen, die de
oorzaak van het kwaad niet kennen, met het geneesmiddel het doel
voorbijschieten, en om een lastig geval te vermijden, een ramp
teweegbrengen? In werkelijkheid--doch laat ons niet vergeten, dat het
niet geheel en al de natuurlijke en oorspronkelijke werkelijkheid is,
daar de kolonies in de primitieve wouden veel meer verspreid moeten
geleefd hebben dan tegenwoordig, in werkelijkheid ligt het bijna nooit
aan gebrek aan mannetjes, wanneer een koningin niet is bevrucht, want
deze zijn altijd talrijk en komen van zeer verre. Veeleer hebben koude
of regen haar te lang in den korf opgesloten gehouden, en nog vaker de
onvolkomenheid harer vleugeltjes, waardoor ze niet in staat is tot de
hooge vlucht, die vereischt wordt door het orgaan der darren. Nochtans
legt de natuur, zonder rekening te houden met deze meer reëele oorzaken,
zich met hartstocht toe op het vermenigvuldigen der darren. Ze brengt
zelfs nog andere wetten in beroering om er te verkrijgen en somtijds
vindt men zelfs in een verweesden korf twee of drie werkbijen, die zoo
sterk worden geprikkeld door het verlangen naar instandhouding der
soort, dat ze zich ondanks hunne verminkte eierstokken inspannen om
eieren te leggen, hunne organen eenigszins zien opleven onder den drang
van dit tot het uiterste geprikkeld gevoel, en er werkelijk in slagen
eenige eieren voort te brengen; doch ook uit deze eieren ontstaan
evenals uit die der maagd-moeder, enkel darren.



XIII.


Hier betrappen we op heeterdaad een hoogeren doch misschien
onvoorzichtigen wil, die met zijn tusschenkomst den van verstand
getuigenden wil van sommige levens met onweerstaanbare kracht
tegenwerkt. Dergelijke interventies zijn in de wereld der insekten vrij
veelvuldig en het is merkwaardig ze daar te bestudeeren. Daar deze
wereld rijker bevolkt en samengestelder is dan de overigen kan men
sommige wenschen der natuur daar nog beter waarnemen en men verrast haar
daar te midden van allerlei proefnemingen, die men voor onvoltooid zou
kunnen houden.

Zoo heeft ze b.v. één grooten wensch, dien ze overal aan den dag
legt,--te weten: de verbetering van iedere soort door het overleven van
den sterkste. Gemeenlijk is de strijd goed georganiseerd. Het
doodenoffer der zwakken is enorm groot, dat kan haar weinig schelen
ingeval de belooning van den overwinnaar maar ontwijfelbaar en zeker is.
Doch er zijn gevallen, waarin men zeggen zou, dat ze nog niet den tijd
heeft gehad hare combinaties weer te ontbinden, waarbij het lot van den
overwinnaar al even rampzalig is als dat der overwonnenen. En om bij
onze bijen te blijven, in dit opzicht ken ik niets treffenders dan de
geschiedenis der triongulins der _Sitaris Colletis_. Men zal trouwens
zien, dat verscheidene bijzonderheden dezer geschiedenis niet zoo vreemd
zijn aan die van den mensch als men geneigd zou zijn te meenen.

Deze triongulins zijn de primaire larven van de parasiet eener wilde,
afgezonderd levende bij met een stompe tong, de Colletis, die haar nest
bouwt in onderaardsche gangen. Voor de opening dezer gangen loeren ze op
de bij en ten getale van drie, vier, vijf en somtijds meer klampen ze
zich aan haar haren vast en gaan op haar rug zitten. Had de strijd der
sterken tegen de zwakken op dit oogenblik plaats, dan zou er verder
niets over te zeggen vallen en alles zou zijn verloop hebben volgens de
algemeene wet. Maar, waarom weet men niet, hun instinkt wil en bijgevolg
beveelt de natuur, dat ze zich rustig houden zoo lang ze op den rug der
bij zitten. Terwijl deze de bloemen bezoekt, haar cellen bouwt en van
levensmiddelen voorziet, wachten ze geduldig hun tijd af.--Maar zoodra
er een ei is gelegd springen alle er op, en de onschuldige Colletis
sluit de goed van levensmiddelen voorziene cel zorgvuldig dicht, zonder
te vermoeden, dat ze er tevens den dood harer nakomelingschap in
opsluit.

Zoodra de cel dicht is begint onmiddellijk rondom het ééne ei de
onvermijdelijke en heilzame strijd der natuurlijke teeltkeus tusschen de
triongulins. De sterkste of handigste grijpt zijn tegenstander bij zijn
gevoeligste plaats, beurt hem boven zijn kop en houdt hem zóó uren lang
in zijn kaken totdat hij bezwijkt. Doch gedurende dezen kamp heeft een
andere triongulin, die óf nog alleen over was óf zijn mededinger reeds
overwonnen heeft, zich meester gemaakt van het ei en is er aan begonnen.
Dan moet de laatste overwinnaar het nog klaar spelen met dezen nieuwen
vijand, wat hem niet moeielijk valt, want de triongulin, die een honger
heeft te stillen welke reeds van vóór zijn geboorte dateert, hecht zich
zóó hardnekkig aan zijn ei, dat hij aan geen zelfverdediging denkt.

Eindelijk is ook hij gedood en is de ander alleen met het zoo kostbare
en met zooveel moeite veroverde ei. Begeerig steekt hij zijn kop in de
door zijn voorganger gemaakte opening en zet zich aan den langen
maaltijd, die hem in een volkomen insekt zal herscheppen, en hem de
noodige middelen moet verschaffen om uit de cel te komen, waarin hij is
opgesloten. De natuur echter, die deze proef van den strijd verlangt,
heeft van een anderen kant het loon van deze zegepraal met zoo karige
nauwgezetheid berekend, dat een ei juist voldoende is voor het voedsel
van een enkelen triongulin. "Zoodat," zegt Mayet, wien wij het verhaal
van dit verbijsterend ongeval te danken hebben, "zoodat onze overwinnaar
al het voedsel mist, dat zijn laatste vijand vóór zijn dood heeft
verzwolgen, en zoo sterft hij op zijn beurt, daar hij niet in staat is
de eerste gedaanteverwisseling te doorstaan, blijft aan het vlies van
het ei hangen of vermeerdert het aantal der in het zoete vocht
verdronkenen met één."



XIV.


Dit geval, al is het zelden zóó goed na te gaan als hier, is niet eenig
in de natuurlijke geschiedenis. Onverhuld aanschouwt men hier den strijd
tusschen den welbewusten wil van den triongulin, die wenscht te leven,
en den duisteren, algemeenen wil der natuur, die eveneens verlangt dat
hij zal leven en zelfs dat hij zijn leven nog krachtiger en beter zal
maken dan zijn eigen wil hem zou aandrijven te doen. Doch door een
vreemde zorgeloosheid vernietigt die hem opgelegde verbetering het leven
van den meerdere; en de Sitaris Colletis zou reeds lang verdwenen zijn,
indien niet enkele individuen, afgezonderd door een toeval dat strijdt
met de bedoelingen der natuur, aldus ontkwamen aan de voortreffelijke en
met de toekomst rekenende wet, die overal de zegepraal der sterksten
eischt.

Dus er zijn gevallen, dat de groote macht, die ons onbewust lijkt doch
wel wijs moet zijn, daar het leven, dat ze organiseert en onderhoudt
haar altijd in 't gelijk stelt, dus er zijn gevallen, dat deze een
misgreep doet? Schiet dus hare hoogere rede, die wij aanroepen wanneer
neer we de grenzen der onze bereikt hebben, schiet deze dus te kort? En
indien dat zoo is, wie verhelpt dit dan weer?

Laat ons echter terugkomen op haar onweerstaanbare interventie, die den
vorm der parthenogenesis aanneemt. Vergeet niet, dat deze vraagstukken,
waarop wij stuiten in een wereld, die zeer ver van de onze schijnt af te
staan, ons van nabij raken. Eerstens is het mogelijk, dat alles op
dezelfde wijze toegaat in ons eigen lichaam, waarop we zoo trotsch zijn.
De wil of de geest der natuur, die werkt in onze maag, ons hart en in
het onbewuste deel onzer hersenen, zal al heel weinig verschillen van
dien geest of dien wil in de meest rudimentaire beesten, planten en
zelfs mineralen. En dan, wie zou durven beweren, dat een dergelijke
geheime doch niet minder gevaarlijke interventie nooit voorkomt in de
bewuste sfeer der menschen? Wie heeft ten slotte gelijk in het
onderhavige geval, de natuur of de bij? Wat zou er gebeuren indien deze
óf nog volgzamer óf nog verstandiger was, zoodat ze den wensch der
natuur ten volle begreep, dezen volgde tot het uiterste, en omdat hij
gebiedend darren eischt, deze ook in het oneindige vermenigvuldigde? Zou
ze geen gevaar loopen hare soort te gronde te richten? Moet men
aannemen, dat de natuur bedoelingen heeft, waarvan het gevaarlijk en
noodlottig zou zijn, ze met al te grooten ijver op te volgen, en dat een
harer wenschen deze is, dat men niet al hare verlangens moge begrijpen
en volgen? Is dit misschien niet een der gevaren, die het menschdom
loopt? Wij ook voeden in ons onbewuste krachten, die totaal het
tegendeel willen van hetgeen ons verstand eischt. Is het goed dat dit
verstand, hetwelk gewoonlijk niet meer weet waar het heen zal, nadat
het den ganschen cirkel heeft afgelegd, is het goed, dat het zich
schaart naast deze krachten en onverwachts ook haar gewicht daaraan komt
hechten?



XV.


Hebben wij het recht uit de gevaren der parthenogenesis het besluit te
trekken, dat de natuur niet altijd de rechte verhouding weet te treffen
tusschen middel en doel, dat hetgeen zij wil staande houden zijn behoud
somtijds te danken heeft aan andere voorzorgsmaatregelen, die ze genomen
heeft tegen deze voorzorgsmaatregelen zelf, en dikwijls ook aan
omstandigheden, die haar geheel vreemd zijn, en die ze niet heeft
voorzien? Maar kan ze voorzien, heeft ze de bedoeling iets staande te
houden? De natuur, zal men zeggen, is een woord, waarmee we het
onkenbare dekken, en slechts weinige beslissende feiten geven ons het
recht haar bedoeling of verstand toe te schrijven. Dat is waar. Hier
leggen we de hand op de hermetisch gesloten vaten, die onze opvatting
van het heelal kenmerken. Om er niet onveranderlijk datzelfde opschrift
_Onbekend_ op te plaatsen, dat ontmoedigt en het stilzwijgen oplegt,
snijden wij er, al naar vorm en grootte, de woorden in: "Natuur",
"Leven", "Dood", "Oneindigheid", "Selectie", "Geest der soort", en nog
vele andere, evenals zij die ons zijn voorgegaan, er de namen "God",
"Voorzienigheid", "Noodlot", "Belooning" aan hechtten. Dat is zoo, en
niets meer zoo men wil. Maar zoo het inwendige op deze wijze al duister
blijft, we hebben er althans dit mee gewonnen, dat we, nu de inschriften
minder dreigend zijn, die vaten durven naderen, ze aanraken en met
heilzame nieuwsgierigheid het oor daartegen te luisteren leggen.

Maar welken naam men er ook aan moge geven, dit is zeker, dat althans
één dezer vaten, het grootste, datgene dat als opschrift het woordje
"Natuur" draagt, een zeer reëele kracht inhoudt, de meest reëele van
alle en die op onzen aardbol een verbazend groote en wonderbaarlijke
hoeveelheid leven weet te onderhouden, door zóó vernuftige middelen, dat
men zonder overdrijving zeggen mag, dat ze alles overtreffen, wat het
genie der menschen weet tot stand te brengen. Zouden deze quantiteit en
deze qualiteit ook kunnen blijven bestaan door andere middelen?
Vergissen _wij_ ons als wij meenen voorzorgsmaatregelen te zien waar
misschien niets anders aanwezig is dan een gelukkig toeval, dat een
millioen ongelukkig toevallen overleeft?



XVI.


't Kan zijn; maar dan leert zulk een gelukkig toeval ons lessen van
bewondering, die vrij wel gelijk staan met die welke we zouden opdoen
als het meer dan toeval was. Laat ons niet enkel onze aandacht schenken
aan de wezens, die een schemering van verstand of bewustzijn bezitten en
kunnen strijden tegen de blinde wetten, laat ons zelfs niet stilstaan
bij de eerste schaduwachtige vertegenwoordigers van het beginnende
dierenrijk: de Protozoën. De proeven van den beroemden microscopist
M.H.J. Carter, F.R.S., toonen dat zich inderdaad reeds een wil,
verlangens, voorkeur openbaren in zulke oneindig kleine embryo's als de
myxomyceten; dat er bij infusiediertjes, oogenschijnlijk ontbloot van
alle organisme, list wordt aangewend, zooals b.v. bij de _Amoeba_, die
met huichelachtig geduld loert op de jonge _Acineten_, als ze uit het
moederei te voorschijn komen, daar ze weet, dat ze op dat oogenblik nog
geen giftige sprieten hebben. Deze _Amoeba_ nu bezit noch zenuwstelsel,
noch eenig waarneembaar orgaan. Laat ons regelrecht afgaan op de
planten, die onbewegelijk zijn en schijnbaar afhankelijk van alle
gebeurlijkheden, en zonder stil te staan bij de vleeschetende planten,
de _Drosera's_ b. v., die werkelijk net doen als dieren, liever de
scherpzinnigheid bestudeeren, welke wordt aan den dag gelegd door onze
eenvoudigste planten om te maken dat het bezoek eener bij noodzakelijk
de kruisbestuiving ten gevolge heeft, die noodzakelijk voor hen is. Let
op het wonderbare spel van rostellum en retinaculum in verband met de
kleverigheid en het mathematisch en automatisch overhellen der massa
pollinis (stuifmeelmassa) in de _Orchis Morio_, de nederige orchidee
onzer velden[1]; onderzoek eens de onfeilbare bascule van de twee
helmknopjes der salie, die op een bepaalde plaats het lichaam van het
insekt, dat hen bezoekt, aanraken, om te maken, dat dit op zijne beurt
op een nauwkeurig bepaalde plaats den stempel van een naburige bloem
raakt; let verder eens op het successievelijke kartelen van de
_Pedicularis Sylvatica_ (bosch-kartelblad) en de berekeningen van haren
stempel. Zodra de bij komt, zien we alle organen dezer drie bloemen in
beweging geraken op de wijze van die ingewikkelde mechaniek, die men op
onze dorpskermissen zien kan, en die in beweging geraakt, wanneer een
behendig schutter het zwarte punt van de schijf heeft getroffen.

We zouden nog lager kunnen afdalen en, evenals Ruskin in zijn _Ethics of
the Dust_ gedaan heeft, de gewoonten, het karakter en de listen en lagen
der kristallen aantoonen, hunne onderlinge twisten, wat ze doen indien
een vreemd lichaam hunne plannen komt verstoren, plannen die ouder zijn
dan al wat onze verbeelding maar kan bevatten, de wijze waarop ze een
vijand toelaten of weren; de mogelijke zegepraal van den zwaksten over
den sterksten, zoo b.v. bij het almachtige Kwarts, dat beleefd de plaats
ruimt voor het nederige en huichelachtige Epidoot (een soort van
porphyr) en dit vergunt zich over hem te legeren, den nu eens
verschrikkelijken, dan weer bewonderenswaardigen strijd van het
rotskristal met het ijzer, den regelmatigen, vlekkeloozen groei en de
ongenaakbare reinheid van 't eene blok hyalith (glas-opaal) dat reeds
bij voorbaat alle vlekken weert, en het ziekelijk opwassen, de
klaarblijkelijke onzedelijkheid van zijn broeder, die deze vlekken
aanneemt en kommerlijk voortkruipt in het ledig; we zouden de
zonderlinge verschijnselen van aaneenvoeging en samengroeiing der
kristallen kunnen aanhalen, waarvan Claude Bernard spreekt, enz.....
Doch deze geheimen zijn ons al te vreemd. We houden ons maar aan onze
bloemen, de laatste gestalten van een leven, dat nog eenige verwantschap
met het onze heeft. We hebben hier niet meer te doen met dieren of
insekten, aan wie wij een redelijken en eigen wil toeschrijven,
krachtens welken zij zich in stand houden. Terecht of ten onrechte
schrijven wij er hun geen toe. In ieder geval kunnen wij bij hen geen
spoor ontdekken van die organen in welke gewoonlijk de wil, het
verstand, het initiatief tot de daad ontstaan en zetelen. Bijgevolg komt
al wat in hen op zoo bewonderenswaardige wijze werkt, onmiddellijk van
datgene wat wij elders de Natuur noemen. 't Is niet meer het intellekt
van den individu, doch de onbewuste en ongedeelde kracht, die strikken
spant aan andere van haar afwijkende vormen. Zullen we daar nu uit
opmaken, dat deze strikken iets anders zijn dan louter toevallige
omstandigheden, die door eveneens toevallige gewoonten regel zijn
geworden? We hebben daartoe nog niet het recht. Wel kan men zeggen, dat
bij gebreke van dit wonderbaar samentreffen deze bloemen niet zouden
hebben voortbestaan, maar dat ze zouden zijn vervangen door andere,
welke geen kruisbestuiving noodig hadden, zonder dat iemand het
niet-bestaan der eersten had opgemerkt, zonder dat het leven, dat over
de aarde golft, ons minder onbegrijpelijk, minder verscheiden of minder
verbazingwekkend was voorgekomen.


[1] Het is onmogelijk hier in bijzonderheden de beschrijving te geven
van dezen merkwaardigen valstrik, dien Darwin ons mededeelt. Hier volgt
een ruwe schets: het stuifmeel der _Orchis Morio_ is niet korrelig maar
kleeft samen in den vorm van kleine knotsjes, pollinium of _massa
pollinis_ genoemd. Ieder dezer knotsjes (het zijn er twee) eindigt van
onderen in een kleverig kliertje (het _retinaculum_) dat is vervat in
een soort van vliezig zakje (het _Rostellum_), hetwelk bij de geringste
aanraking openspringt. Wanneer een bij op de bloem gaat zitten, komt
haar kopje als het zich uitstrekt om het honingsap er uit te halen, in
aanraking met het vliezig zakje, dat scheurt en de twee kleverige
kliertjes bloot legt. Dank zij de kleverigheid dezer kliertjes hecht
zich het _pollinium_ uit die beide aan het kopje van het insekt, dat dit
bij het verlaten der bloem meeneemt als twee knobbelige horentjes.
Bleven deze, die vol stuifmeel zitten, recht en stijf, dan zouden ze op
het oogenblik, dat de bij in een naburige Orchidee binnendringt, den
vliezigen zak der tweede bloem aanraken en dezen eenvoudig doen barsten,
doch ze zouden den _stempel_, het vrouwelijk orgaan, dat bevrucht moet
worden, niet bereiken, daar het onder dien vliezigen zak ligt. De genius
van de _Orchis Morio_ heeft die moeielijkheid voorzien en na verloop van
dertig seconden, dat is dus juist de tijd, dien het insekt noodig heeft
om klaar te komen met het uitzuigen van het honingsap en het overgaan op
een andere bloem, droogt de steel van het kleine knotsje op en
schrompelt ineen, altijd naar denzelfden kant en in dezelfde richting;
de knobbel, die het stuifmeel bevat, begint te hellen, en de hoek van
die helling is zoodanig berekend, dat hij zich op het oogenblik dat de
bij in de naburige bloem binnendringt, precies op de plaats van den
stempel bevindt, waarop hij zijn bevruchtend stof moet uitstorten. (Men
zie voor alle bijzonderheden van dit intiem drama in de onbewuste wereld
der bloemen, de merkwaardige studie van Ch. Darwin; _Over de bevruchting
der Orchideeën door de insekten, en de goede gevolgen der kruising,
1862)._



XVII.


En toch zou 't ons moeielijk vallen niet op te merken, dat daden, die er
geheel en al uitzien als daden van voorzichtigheid en verstand, het
gelukkig toeval te voorschijn roepen of doen voortduren. Van waar gaan
zij uit? Van het voorwerp zelf of van de kracht, waaruit dit het leven
put? Ik zal niet zeggen: "dat komt er weinig op aan"; integendeel, er
zou ons enorm veel aan gelegen liggen, dat te weten. Maar in afwachting
van het antwoord op deze vraag, of het de bloem zelve is, die er met
alle krachten naar streeft het leven, dat de natuur in haar gelegd
heeft, te onderhouden en te volmaken, of dat de natuur haar best doet
dat deel van het leven, hetwelk de bloem heeft aangenomen, te
onderhouden en te verbeteren, of eindelijk dat het toeval ten slotte het
toeval regelt, pleiten talloos veel verschijnselen er voor te gelooven,
dat iets hetwelk aan onze hoogste gedachten beantwoordt, bij tijden te
voorschijn treedt uit een groot geheel, dat we moeten bewonderen zonder
te kunnen zeggen, waar het zich bevindt.

't Lijkt ons toe alsof er somtijds iets verkeerds uit dat groot geheel
te voorschijn komt. Maar al weten we ook al heel weinig, menigmaal
hebben we gelegenheid op te merken, dat dit verkeerde juist een daad van
voorzichtigheid is, die boven het bereik lag van onzen eersten blik.
Zelfs in het kleine kringetje, dat onze oogen omvatten, kunnen we de
ontdekking doen, dat zoo de natuur zich hier schijnt te vergissen, dit
gebeurt omdat ze het nuttig oordeelt ginds hare schijnbare nalatigheid
weer goed te maken. Ze heeft de drie bloemen, waarvan we spraken, in zoo
ongunstige omstandigheden geplaatst, dat ze zichzelven niet kunnen
bevruchten, doch dit is zoo omdat ze er voordeel in ziet, zonder dat wij
begrijpen waarom, deze drie bloemen door hunne buren te doen bevruchten;
en het genie, dat ze rechts in gebreke bleef te toonen, openbaart ze ter
linkerzijde door het vernuft harer slachtoffers te scherpen. De wegen en
omwegen van dezen genius blijven ons onverklaarbaar, doch zijn peil
blijft steeds hetzelfde. Het schijnt te dalen door een of andere
vergissing, als we aannemen dat eene vergissing mogelijk is, doch
onmiddellijk daarna stijgt het weer hooger in het orgaan, dat belast is
met het herstel der fout. Hoe wij ons ook wenden of keeren, het staat
hooger dan wij. Het is de cirkelvormige oceaan, de onmetelijke
watervlakte zonder laagste peil, waarop onze stoutste en
onafhankelijkste gedachten nooit iets anders zullen zijn dan willig
schuim. Heden noemen we het natuur, en morgen zullen we er misschien een
anderen, vreeselijker of zachter naam voor vinden. En ondertusschen
heerscht het gelijktijdig en gelijkmatig over leven en dood, en
verschaft aan die beide onverzoenlijken de prachtige of gemeenzame
wapenen, die zijn boezem bedreigen en sieren tevens.



XVIII.


Wat nu de vraag betreft of deze genius maatregelen neemt om te
onderhouden wat leeft en zich beweegt op zijne oppervlakte, of dat men
dezen zonderlingen cirkel moet afsluiten door het zeggen, dat wat zich
op zijne oppervlakte beweegt, maatregelen neemt tegen den genius zelf,
die het doet leven, dat blijven open vragen. We kunnen onmogelijk te
weten komen of eenige soort heeft voortbestaan ondanks de gevaarlijke
zorgen van dien hoogsten wil, onafhankelijk daarvan, of wel juist
daardoor.

Al wat we kunnen constateeren is, dat die of die soort bestaat, en dat
bij gevolg de natuur op dit punt gelijk heeft gekregen. Wie zal ons
echter zeggen hoevele andere, die wij niet gekend hebben, gevallen zijn
als slachtoffers, van haar verstand in zijn vergeetachtigheid of onrust?
Al wat we verder nog kunnen constateeren is, welke verrassende en
somtijds vijandelijke vormen het vreemde fluïdum, dat we leven noemen,
aanneemt, nu eens in absolute onbewustheid, dan weder in een soort van
bewustheid, het fluïdum dat ons bezielt zoo goed als al het overige, en
dat onze gedachten schept, die een oordeel daarover uitspreken en onze
onbeduidende stem, die haar best doet er over te praten.



VIJFDE BOEK.

DE PARINGSVLUCHT.



I.


We komen nu tot de wijze waarop de bevruchting der bijen-koningin plaats
heeft. Ook hier heeft de natuur buitengewone maatregelen genomen om de
paring van mannetjes en wijfjes uit verschillende moederstokken te
begunstigen; een vreemde wet, die ze volstrekt niet had behoeven uit te
vaardigen, een gril of misschien het gevolg van een oorspronkelijke
nalatigheid, waardoor ze nu allerlei merkwaardige krachten aan 't werk
moet zetten, om die te herstellen.

Waarschijnlijk zou het heelal, indien zij ook maar de helft van het
genie, dat ze nu verspilt aan kruisbevruchting en sommige andere
willekeurige wenschen, had besteed om het leven te verzekeren, het
lijden te verlichten, den dood te verzachten en afschuwelijke rampen te
vermijden, ons een minder onbegrijpelijk raadsel zijn geweest, minder
erbarmelijk dan hetgeen we nu trachten te doorgronden. Maar we hebben
niet te doen met wat had kunnen zijn, we hebben onze bewustheid en onze
belangstelling in het bestaande te putten uit hetgeen is.

Rondom de maagdelijke koningin en met haar levende in den korf midden in
de massa, bewegen zich honderden mannetjes, die altijd dronken zijn van
honing, en wier eenige reden van bestaan de vereeniging der liefde is.
Maar hoewel hier twee verlangens, die overal elders alle hinderpalen
omverworpen, voortdurend met elkaar in aanraking zijn, heeft de paring
nooit plaats in den korf, en men is er nog nooit in geslaagd, een
gevangen koningin te doen bevruchten[1]. De minnaars, die haar omgeven,
weten niet wat ze is, zoolang ze in hun midden woont. Zonder te
vermoeden dat ze zoo juist van haar afkomen, dat ze met haar sliepen op
dezelfde raten, dat ze misschien in de haast van het uitvliegen tegen
haar aan zijn gebonsd, gaan ze haar zoeken in de ruimte, op de meest
verborgen plaatsjes van den horizont. 't Is alsof hunne
bewonderenswaardige oogen, die hun geheelen kop bedekken als een
schitterende helm, haar eerst leeren kennen en begeeren, wanneer ze
zweeft in het azuur. Dagelijks van elf tot drie uur, wanneer het licht
zijn hoogsten glans heeft en vooral wanneer de middag tot aan de grenzen
des hemels zijn groote blauwe vleugelen uitspreidt om de vlammen der zon
aan te wakkeren, gaat hunne gevederde horde er haastig op uit om de
echtgenoote op te sporen, die nog koninklijker en nog moeielijker te
verkrijgen is dan alle ongenaakbare prinsessen uit de sprookjes, want
twintig of dertig stammen omringen haar en komen uit alle naburige
staten aansnellen, om een hofstoet van meer dan tien duizend
pretendenten voor haar te vormen. Uit deze duizenden zal er één enkele
worden uitgekozen voor één enkelen kus van ééne minuut, die hem aan het
geluk maar tevens aan den dood zal huwen, terwijl alle overigen doelloos
rondom het verbonden paar heenvliegen, en weldra zullen sterven zonder
de begoochelende en noodlottige verschijning weer te zien.


[1] Aan Professor Mc Lain is het onlangs gelukt eenige koninginnen
kunstmatig te bevruchten, doch eerst na eene echte, chirurgicale,
gevaarlijke en ingewikkelde operatie. Overigens was de vruchtbaarheid
dezer koninginnen beperkt en voorbijgaand van aard.



II.


Ik overdrijf deze verrassende en dolzinnige verkwisting der natuur niet.
In de beste korven telt men gewoonlijk vier of vijf honderd darren. In
zwakke of verbasterde korven vindt men er dikwijls vier of vijf duizend,
want hoe meer een bijenkorf ten ondergang neigt, des te meer darren
brengt hij voort. Men kan zeggen dat een bijenstand van tien kolonies
gemiddeld op een gegeven oogenblik een volk van tien duizend darren in
de lucht verspreidt, waaronder er tien of hoogstens vijftig zijn, die
kans hebben de eenige daad te volbrengen, waarvoor ze geboren worden.

En ondertusschen putten zij den voorraad der stad uit, en de aanhoudende
arbeid van vijf of zes werkbijen is nauwelijks voldoende om de
vraatzucht en begeerigheid van een dezer parasieten te bevredigen, die
in hun nietsdoen enkel onvermoeid zijn in het eten. Doch de natuur is
altijd grootsch, wanneer ze te doen heeft met de functies of de
voorrechten dor liefde. Karig is ze alleen, waar het de organen en
werktuigen voor den arbeid betreft. In 't bijzonder is ze heftig tegen
al wat de menschen deugd hebben genoemd. Daarentegen telt ze de schatten
en gunsten niet, die ze strooit op het pad ook der minst interessante
gelieven. Van alle kanten roept ze: "Vereenigt u, vermenigvuldigt u, er
is geen andere wet, geen ander doel dan de liefde," en ze is vrij er
zachter bij te voegen:--"En leeft daarna voort als ge kunt, dat gaat mij
niet meer aan". Wat men ook doet, wat men ook anders zou verlangen,
overal vindt men deze zelfde moraal weer, die zoozeer afwijkt van de
onze. Let nog eens op haar onrechtvaardige karigheid en onzinnige
weelderigheid bij deze zelfde wezentjes. Van haar geboorte af tot aan
haren dood moet de strenge honingdraagster overal heen, ver weg, naar de
dichtst begroeide streken, om een massa bloemen op te sporen, die
wegschuilen voor den blik. In de doolhoven der honingkelken en de
geheime gangen der helmknopjes moet ze den verborgen honing en 't
stuifmeel opsporen. En toch zijn hare oogen en reukorganen vergeleken
met die der darren als die van een invalide. Al waren deze laatsten
bijna blind en ontbloot van een reukorgaan, dan zouden ze er weinig
onder te lijden hebben, ze zouden het nauwelijks weten. Ze hebben niets
te doen, geen enkele prooi te vervolgen. Hun voedsel wordt hun geheel
klaar voorgezet en hun leven brengen ze door met het opslurpen van den
honing zoo maar van de raat, in de duisternis van den korf. Doch zij
staan in dienst der liefde en de grootste en overbodigste gaven worden
met volle handen in den afgrond der toekomst geworpen. Een van hen op de
duizend heeft ééns in zijn leven de tegenwoordigheid der koninklijke
maagd in de diepte van het azuur te ontdekken. Een op de duizend moet
één enkel oogenblik in de ruimte het spoor volgen van het wijfje, dat
niet tracht te ontvluchten. Dat is voldoende. De partijdige macht heeft
hare ongehoorde schatten, tot in 't overdadige en onzinnige, voor hen
opengesteld. Aan ieder dezer mogelijke (doch zeer onwaarschijnlijke)
minnaars, waarvan er negen honderd negen en negentig gedood worden
enkele dagen na het noodlottig bruiloftsfeest van den duizendste, heeft
ze dertien duizend oogen gegeven aan beide kanten van den kop, terwijl
de werkbij er zes duizend heeft. Ze heeft, volgens de berekeningen van
Cheshire, hunne sprieten voorzien van acht duizend holten voor den reuk,
terwijl de werkbij er geen vijf duizend bezit. Hier hebben we een
voorbeeld van de wanverhouding, die men bijna overal kan opmerken
tusschen de gaven, die ze aan de liefde verleent en die welke ze aan den
arbeid toemeet, tusschen de gunsten, die ze uitstort over hetgeen het
leven hooger opvoert door eenig genoegen, en de onverschilligheid
waarmee ze aan zijn lot overlaat al wat geduldig zich staande houdt in
moeite en kommer.

Wie naar waarheid het karakter der natuur zou willen schilderen, naar de
trekken, die men aldus te zien krijgt, hij zou er iets zeer
buitengewoons van maken, dat geenerlei gelijkenis zou vertoonen met ons
ideaal, en toch moet ook dit uit haar voortkomen. Aan den mensch echter
zijn veel te veel zaken onbekend dan dat hij dit portret zou durven
onderhanden nemen; hij zou niets anders op 't doek kunnen brengen dan
een groote schaduw met twee of drie lichtende punten, die echter slechts
een onzeker schijnsel zouden afwerpen.



III.


Ik denk, dat slechts weinigen het geheim van het bruiloftsfeest der
bijen-koningin, hetwelk gevierd wordt in de verborgen schuilhoeken van
een oneindigen en schitterenden blauwen hemel, hebben geschonden. Wel
echter kan men het aarzelend vertrekken der bruid en den moorddadigen
terugkeer der echtgenoote waarnemen.

Ondanks haar ongeduldig verlangen kiest ze dag en uur, en wacht achter
hare poorten tot een wonderschoone morgen door de groote azuren urnen in
de voor haar bruiloftsfeest bestemde ruimte wordt uitgegoten. Ze kiest
graag het oogenblik, waarop nog een weinig dauw bladeren en bloemen met
een herinnering bevochtigt, wanneer de laatste koelte van de bezwijkende
morgenschemering nog worstelt met en bijna verslagen is door de hitte
des daags, als een naakte maagd in de armen van een forschen krijger,
wanneer de stilte en de rozen van den naderenden middag nog hier en daar
een enkelen geur van de morgen-viooltjes of een doorzichtigen kreet van
den dageraad doorlaten.

Dan verschijnt ze aan den ingang, óf te midden van onverschillige
honingdraagsters, die zich bedrijvig aan den arbeid begeven, of wel
omgeven door opgewonden werkbijen, al naar ze zusters in den korf
achterlaat of dat er geen kans meer is, haar te vervangen. Ze vliegt
achteruit, keert twee of drie maal weer terug naar het plankje, en
wanneer ze het uiterlijk en de juiste plaats van haar koninkrijk, dat ze
nooit van buiten heeft gezien, goed in haar geest heeft opgenomen,
vliegt ze als een pijl uit den boog naar het zenith van 't azuur. Zoo
bereikt ze hoogten en een lichtende sfeer, waarin de overige bijen zich
op geen enkel tijdstip huns levens wagen. Van uit de verte, waar ze in
hun luiheid om de bloemen heen zweven, hebben de darren die verschijning
opgemerkt en den magnetischen geur ingeademd, die zich verspreidt en van
den een op den ander wordt overgebracht tot aan de naburige
bijenstanden. Onmiddellijk verzamelen zich geheele benden en werpen zich
om haar te achtervolgen in de zee van vreugde, wier doorzichtige grenzen
steeds worden verplaatst. Zij, dronken van hare vlucht, en gehoor
gevende aan de prachtige wet der soort, die haren minnaar voor haar
kiest en wil dat alleen de sterkste haar zal inhalen in de eenzaamheid
van den ether, zij stijgt nog steeds, en voor de eerste maal dringt de
blauwe morgenlucht krachtig door de luchtgaten van haar lichaam en zingt
als het bloed des hemels in de duizenden vertakkingen van de beide
luchtbuizen, die de helft van haar lichaam innemen en zwelgen in de
ruimte. Nog altijd stijgt ze. Ze moet een eenzaam gebied bereiken, dat
niet meer wordt bezocht door de vogels, want dezen zouden het mysterie
kunnen verstoren. Nog hooger verheft ze zich, en reeds verminderde daar
onder haar de ongelijke bende, waaruit enkele zich afscheiden. De
zwakken, de invaliden, de grijsaards, de onwelkome gasten en slecht
gevoeden uit werkelooze of zwakke korven, geven de vervolging op en
verdwijnen in het ruim. Daar in het oneindig opaal blijft nog slechts
een klein, onvermoeid groepje hangen. Ze vergt een laatste stijging van
hare vleugels en ziet, de door de onbegrepen macht uitverkorene ijlt op
haar toe, omvat haar, dringt in haar, en gedragen door de dubbele
snelheid van hun beider vlucht, dwarrelt de stijgende spiraal hunner
omhelzing één seconde in de vijandige hartstochtelijkheid der liefde.



IV.


De meeste wezens hebben een onbestemd gevoel, dat een zeer onbetrouwbaar
toeval, een soort van doorschijnend vlies, den dood scheidt van de
liefde, en dat de diepste gedachten der natuur verlangen, dat men
sterven zal op 't oogenblik waarop men leven wekt. Waarschijnlijk maakt
deze erfelijke vrees de liefde van zoo groot gewicht. Hier althans wordt
dit denkbeeld in zijn primitieven eenvoud tot werkelijkheid, dit
denkbeeld waarvan een herinnering blijft nazweven over den kus des
menschen. Zoodra de paring is voltrokken opent zich de buik van den dar,
het orgaan scheurt af en neemt de massa der ingewanden met zich mee, de
vleugels ontspannen zich en als had dit huwelijk hem met een
bliksemschicht gedood, draait het geledigde lichaam even rond en valt in
den afgrond.

Dezelfde gedachte, die straks in de parthenogenesis de toekomst van den
korf aan de buitengemeene vermenigvuldiging der darren ten offer bracht,
offert hier het mannetje aan de toekomst van den korf.

Deze gedachte zet ons altijd op nieuw in verbazing; hoe meer men haar
zoekt te doorgronden, des te minder zekerheid krijgt men, en Darwin
b.v., om dengene te noemen die van alle menschen er de meest
hartstochtelijke en methodische studie van heeft gemaakt, Darwin raakt
zonder het te willen bekennen bij iedere schrede meer van de wijs en
krabbelt achteruit tegenover het onverwachte en onvereenigbare. Zie hem
eens, als ge getuige wilt zijn van het vernederend en toch edel
schouwspel van het menschelijk genie, den strijd aanbindend tegen de
oneindige macht, zie hem eens in zijn pogingen om de vreemde,
ongelooflijke, geheimzinnige en onsamenhangende wetten van de
onvruchtbaarheid en de vruchtbaarheid der bastaardsoorten of die van de
variëteiten in de karakters der soorten of geslachten te ontwarren.
Nauwelijks heeft hij een regel geformuleerd of uitzonderingen zonder tal
dringen op hem aan, en al spoedig mag de aangevallen regel blij zijn als
hij een boekje vindt om zich in te verschuilen en onder den naam van
uitzondering zijn bestaan te kunnen rekken.

Dit komt doordat in de bastaardsoorten, in de variëteiten (vooral in de
gelijktijdige variëteiten, die men correlaties van groei noemt) in het
instinct, in de gevallen van vitale concurrentie, in de selectie, in de
geologische opvolging en de geographische verspreiding der bewerktuigde
wezens, in de wederkeerige verwantschap, evenals overal elders, de
gedachte der natuur uitvoerig en slordig, zuinig en kwistig, voorzichtig
en onoplettend, onstandvastig en onwankelbaar, druk en onbewegelijk, één
en ontelbaar, grootsch en popperig is uitgedrukt op hetzelfde oogenblik
en bij hetzelfde verschijnsel. Terwijl ze het onmetelijk en maagdelijk
veld van den eenvoud vóór zich had, bevolkt ze het met kleine
vergissingen, tegenstrijdige wetjes, kleine lastige vraagstukken, die in
het leven geen weg weten, even als blinde kudden. 't Is waar, zóó
gebeurt alles in onze oogen, waarin alleen die werkelijkheid weerkaatst
wordt, die zich aanpast aan onze bevatting en onze behoeften, en niets
geeft ons het recht te gelooven, dat de natuur hare verkeerde oorzaken
en gevolgen uit het oog verliest.

In ieder geval laat ze hun zelden toe al te ver te gaan en te naderen
tot gevaarlijke en onlogische gewesten. Ze beschikt over twee krachten,
die nimmer hun macht verliezen, en wanneer de verschijnselen zekere
grenzen overschrijden, dan geeft ze een wenk aan leven of dood, die dan
weer de orde komen herstellen en onverschillig den weg weer nieuw
afbakenen.



V.


Ze ontsnapt ons aan alle kanten, veronachtzaamt de meeste onzer regels
en verbreekt al onze maatregelen. Ter rechterzijde staat ze verre
beneden onze gedachten, maar plotseling stijgt ze ter linker hoog als
een berg. Ieder oogenblik schijnt het alsof ze zich vergist, zoowel in
de wereld harer eerste proefnemingen, als in die der laatste, ik bedoel
de wereld des menschen. Daar wettigt ze het instinct der duistere massa,
de onrechtvaardigheid en onwetendheid van het aantal, de nederlaag van
verstand en deugd, de moraal zonder verheffing, waardoor de groote
stroom der soort zich laat leiden en die kennelijk lager staat dan de
moraal volgens de opvatting en den wensch van een geest, die zich
aansluit bij de veel klaarder rimpeling, welke zich stroomopwaarts
beweegt. Vraagt echter deze zelfde geest zich in onze dagen ten onrechte
af, of het niet zijn plicht is alle waarheid, bij gevolg de moreele even
goed als de rest, liever in dezen chaos te zoeken dan in zichzelf, waar
ze betrekkelijk zoo helder en zoo duidelijk schijnt?

Hij denkt er niet aan het verstand en de deugd van zijn ideaal, dat door
zoovele helden en wijzen gewijd is, te verloochenen, doch somtijds zegt
hij tot zichzelven, dat dit ideaal misschien te veel buiten de enorme
massa om ontstaan is, wier veelomvattende schoonheid het beweert te
vertegenwoordigen. Met volle recht heeft hij tot nu toe moeten vreezen
dat hij, wanneer hij zijn moraal pasklaar maakte naar die der natuur,
vernietigen zou wat voor hem juist het meesterstuk dier zelfde natuur
is. Nu hij deze echter eenigszins beter kent, en nu enkele wel nog
eenigszins duistere, maar toch ongedacht uitvoerige antwoorden, hem een
enkelen blik deden werpen op een plan en een verstand, die hooger staan
dan al wat hij had kunnen uitdenken als hij zich in zichzelf had
opgesloten, nu koestert hij minder vrees, hij heeft niet meer zoo
dringend behoefte aan een veilig schuilhoekje voor zijn eigen verstand
en deugd. Hij oordeelt nu, dat wat zóó groot is, ons nooit zal leeren af
te dalen. Hij zou gaarne weten of niet het oogenblik gekomen was om zijn
principes, zijn zekerheid en zijn droomen aan een zorgvuldiger onderzoek
te onderwerpen.

Ik herhaal, hij denkt er niet aan, zijn menschelijk ideaal prijs te
geven. Juist datgene wat aanvankelijk van dit ideaal afkeerig wil maken,
leert ons er toe terugkeeren. De natuur zou geen verkeerden raad kunnen
geven aan een geest voor wien elke waarheid, die niet althans even hoog
staat als de waarheid van zijn eigen verlangen, niet verheven genoeg
lijkt om definitief te zijn en het groote plan waardig, dat hij zich
beijvert te omhelzen. Niets verandert in zijn leven van plaats, of het
moet met hem stijgen, en nog langen tijd zal hij tot zichzelf zeggen,
dat hij stijgt, wanneer hij het oude beeld van het goede naderbij komt.
Maar in zijn denken wijzigt zich alles met veel grooter vrijheid, en in
zijn hartstochtelijke contemplatie kan hij ongestraft zóó ver afdalen,
dat hij de wreedste en onzedelijkste contradicties van het leven kan
lief krijgen als deugden; want hij heeft er een voorgevoel van, dat een
massa opeenvolgende valleien voeren tot de hoogvlakte waarnaar hij
verlangend uitziet. Deze contemplatie en deze liefde beletten niet dat
hij, al zoekende naar zekerheid, en zelfs dan wanneer zijne nasporingen
hem leiden naar het tegendeel van wat hij liefheeft, toch zijn gedrag
regelt naar de waarheid die volgens zijn menschelijk inzicht het
schoonst is en zich bij al het voorbijgaande houdt aan het allerhoogste.
Al wat de deugd doet toenemen wordt onmiddellijk een deel van zijn
leven; al wat haar zou doen verminderen blijft er slechts in hangen,
even als die onoplosbare: zouten, die eerst bij de beslissende proef in
beweging komen. Hij kan een waarheid van lager orde aannemen, maar met
het handelen in overeenstemming daarmee wacht hij--eeuwen lang, indien
het moet,--totdat hij ziet in welk verband deze waarheid staat tot
andere waarheden, die genoeg van 't oneindige in zich bevatten om alle
andere in zich op te nemen en te overtreffen.

In één woord hij maakt scheiding tusschen de zedelijke en de
verstandelijke orde, en neemt in de eerste slechts datgene op wat
grooter en schooner is dan vroeger. En zoo het niet goed is deze beide
te scheiden, zooals men maar al te dikwijls doet in het leven om minder
goed te handelen dan men denkt--het slechtere te zien en het betere te
volgen, zijne gedachten te doen overtreffen door zijn daden, dat is
altijd heilzaam en verstandig, want de menschelijke ervaring vergunt ons
van dag na dag met te meerder vastheid te hopen, dat de hoogste gedachte
waartoe we kunnen stijgen, nog langen tijd beneden de geheimzinnige
waarheid zal blijven, die wij zoeken. Bovendien, al behelsde al hetgeen
is voorafgegaan geenerlei waarheid, dan nog zou er een eenvoudige en
natuurlijke reden voor hem overblijven om zijn menschelijk ideaal niet
op te geven. Hoe meer kracht hij toekent aan de wetten, die ons
zelfzucht, onrechtvaardigheid en wreedheid ten voorbeeld schijnen te
stellen, des te meer erkent hij tegelijkertijd de geldigheid dier andere
wetten, die aanmanen tot edelmoedigheid, medelijden en rechtvaardigheid:
want zoodra hij begint de aandeelen die hij toekent aan het heelal en
aan zich zelven op methodische wijze aan elkaar gelijk te maken of
evenredig te verdeelen, vindt hij in die laatste wetten iets dat in den
grond der zaak even natuurlijk is als in die eerste, daar ze even diep
in hem zelven staan gegrift als die andere in al wat hem omringt.



VI.


We keeren terug tot de tragische bruiloft der koningin. In het
voorbeeld, waarmede wij ons bezig houden, wil dus de natuur met het oog
op de kruisbevruchting, dat de paring van den dar en de koningin alleen
mogelijk is hoog in de lucht. Maar hare wenschen raken in elkaar verward
als de draden van een net, en haar dierbaarste wetten moeten
onophoudelijk tusschen de mazen van andere wetten doorsluipen, die een
oogenblik later zich op hunne beurt door die der eerste moeten heen
werken.

Daar ze deze zelfde lucht heeft bevolkt met tal van gevaren, koude
wanden, luchtstroomingen, storm, duizeling, vogels, insekten,
waterdroppels, die even goed aan onverbreekbare wetten gehoorzamen, moet
ze maatregelen treffen om de paring zoo kort mogelijk te maken. En dat
gebeurt door den bliksemsnellen dood van het mannetje. Eene omhelzing is
voldoende, en de gevolgen van dit huwelijk spelen zich af in het lichaam
van de echtgenoote.

Deze daalt van uit de blauwende hoogten weer neer tot den korf, terwijl
de losgewikkelde ingewanden van den minnaar als vaandels achter haar aan
wapperen. Sommige bijenhouders beweren, dat de werkbijen bij hare
thuiskomst, die zoo rijk is aan beloften, groote vreugde aan den dag
leggen. Büchner o.a. hangt er een uitvoerig tafereel van op. Ik heb
herhaaldelijk deze thuiskomst van de bruiloft waargenomen en ik beken,
dat ik niets van buitengewone opwinding bemerkt heb, behalve in die
gevallen waar men te doen had met een jeugdige koningin, die aan het
hoofd van een zwerm was uitgetrokken en de eenige hoop van een
kortelings gestichte en nog ledige stad was. Dan zijn alle werkbijen
buiten zich zelven en vliegen haar tegemoet. Maar gewoonlijk, al is er
dikwijls precies even veel gevaar voor de toekomst der stad, schijnen ze
haar te vergeten. Ze hebben alles voorzien tot op het oogenblik dat ze
den moord der koninklijke mededingsters toestonden. Doch eenmaal op dat
punt gekomen, schijnt hun instinct te stokken, 't is alsof er een gat is
in hunne voorzichtigheid. Ze schijnen dus vrij onverschillig. Ze heffen
don kop op, herkennen misschien het moorddadig getuigenis van de
bevruchting, maar leggen, eenigszins wantrouwend, volstrekt niet die
blijdschap aan den dag, die onze verbeelding verwachtte. Zeer positief
en weinig geneigd zich illusies te maken, wachten ze waarschijnlijk
eerst andere bewijzen af, vóór ze zich vroolijk maken. Ten onrechte wil
men alle gevoelens van deze wezentjes, die zoo zeer van ons verschillen,
logisch en menschelijk maken. Bij de bijen en bij alle overige dieren,
die een afschijnsel van ons verstand met zich omdragen, komt men zelden
tot zulke duidelijke resultaten als die welke in de boeken worden
beschreven. Te veel omstandigheden blijven ons nog verborgen. Waarom
zouden we hen volmaakter afbeelden dan ze zijn, door dingen te zeggen,
die geen waarheid behelzen? Indien sommige menschen meenen, dat de bijen
interessanter zouden zijn indien ze nog meer op ons geleken, dan komt
dit doordat ze nog geen duidelijke voorstelling hebben omtrent hetgeen
de belangstelling van een oprechten geest moet wekken. Het deel van den
waarnemer is niet zich te verbazen maar te begrijpen, en 't is precies
even merkwaardig eenvoudig de leemten aan te wijzen van een verstand en
alle sporen van een hersen-systeem, dat van het onze verschilt, als er
wonderen van te verhalen.

Toch is die onverschilligheid niet algemeen, en wanneer de hijgende
koningin op het plankje verschijnt, dan vormen zich eenige groepen, die
haar vergezellen naar die gewelven, waarin de zon, de held van alle
feesten van den korf, slechts met kleine, aarzelende schreden
binnendringt en de wanden van was zoowel als de gordijnen van honing in
schaduw en azuur hult. Voor het overige is de jong-gehuwde al even kalm
als haar volk, en in de bekrompen hersenen dezer praktische en
barbaarsche koningin is geen plaats voor velerlei aandoeningen. Ze
bekommert zich slechts om één ding, namelijk zich zoo spoedig mogelijk
te ontdoen van de lastige souvenirs van haren echtgenoot, die haren gang
belemmeren. Ze gaat vóór de poort zitten en verwijdert zorgvuldig de
overbodige organen, die dadelijk door de werkbijen worden meegenomen en
weggegooid; want het mannetje heeft haar alles gegeven wat hij bezat, en
veel meer dan vereischt werd. Ze houdt in haar zaadblaasje enkel het
zaadvocht, waarin de millioenen kiemen zwemmen, die tot aan haar
uiteinde, één voor één, bij het aanraken der eitjes, in de duisternis
van haar lichaam de geheimzinnige vereeniging van het mannelijke en het
vrouwelijke element zullen tot stand brengen, waardoor de werkbijen
geboren worden. Door een zonderlinge verwisseling verschaft zij het
mannelijk, en het mannetje het vrouwelijk principe. Twee dagen na de
paring legt ze haar eerste eitjes, en dan wordt ze door haar volk
dadelijk met groote zorg behandeld. Van dat oogenblik af, nu ze een
dubbele sexe bezit, daar ze een onuitputtelijk mannelijk element in zich
besloten houdt, begint haar eigenlijk leven, ze verlaat den korf niet
meer en ziet nimmer het licht meer terug, tenzij om een zwerm te
vergezellen; en haar vruchtbaarheid eindigt eerst bij het naderen van
haar dood.



VII.


Welk een wonderbaar bruiloftsfeest, zoo sprookjesachtig als we maar
zouden kunnen bedenken daar in het volle azuur, doch zoo uitermate
tragisch; door de vlucht van het verlangen over het leven heen gedragen,
bliksemsnel en onvergankelijk, geheel eenig in zijn soort en
verblindend, eenzaam en oneindig. Welk een wondere wellust waarbij de
dood, die zijn offer komt verrassen in de maagdelijke en onbegrensde
ruimte, het schoonste en klaarste wat er in deze sfeer te vinden is,
deze seconde van geluk, vastlegt in de verheven doorschijnendheid van
den grooten hemel, waar hij in het smetteloos licht reinigt wat toch
altijd eenigszins laag is in de liefde, den kus onvergetelijk maakt, en
met zijn eigen ditmaal moederlijke handen zelf zorg draagt twee kleine,
brooze levens in een enkel lichaam te vereenigen en voor een lange
toekomst onafscheidelijk samen te voegen, waarbij hij zich vergenoegt
met het hem ten deel vallend tiende.

De diepe waarheid bezit niet zooveel poëzie, ze heeft er een andere,
voor ons minder gemakkelijk te vatten, maar die we ten slotte misschien
zullen leeren begrijpen en liefhebben. De natuur heeft er volstrekt niet
aan gedacht, aan deze beide "raccourcis d'atôme" (deeltjes van atomen)
zooals Pascal ze noemen zou, een schitterend huwelijk, een ideaal
liefdes-geluk te verschaffen. Zij had enkel, zooals we reeds gezien
hebben, de verbetering der soort op het oog door kruisbevruchting. Om
zeker daarvan te zijn heeft ze het orgaan van het mannetje op een zóó
bijzondere wijze aangebracht, dat hij er onmogelijk ergens anders dan
in de ruimte gebruik van kan maken. Eerst moet hij een heelen tijd
vliegen om daardoor zijn beide groote luchtbuizen flink te doen
uitzetten. Deze enorme blazen, die zich geheel vullen met azuur, dringen
dan de lagere deelen van het achterlijf terug en hebben de uitzetting
van het orgaan ten gevolge. Dit is, wat de physiologie betreft, het
gansche geheim van die bewonderenswaardige vlucht der minnenden, van die
verbijsterende jacht bij dit prachtig bruiloftsfeest; vrij laag bij den
grond zullen sommigen, bijna kwetsend zullen anderen zeggen.



VIII.


"En wij," zoo vraagt de dichter, "moeten wij ons dan maar steeds blijven
verheugen in dingen, die de waarheid te boven gaan?"

Ja zeker, laten we ons bij iedere gelegenheid, ten allen tijde, in alle
dingen blijven verheugen, niet in wat de waarheid te boven gaat, wat
onmogelijk is, daar wij niet weten waar ze zich bevindt, maar in wat die
kleine waarheden te boven gaat, die wij te zien krijgen. Indien een of
andere herinnering, illusie, hartstocht, toeval, of welk ander motief
dan ook, maakt dat een voorwerp zich voor onzen blik schooner vertoont
dan voor dien van anderen, laat dan allereerst dit motief zelf ons lief
zijn. Misschien berust het enkel op een dwaling: die dwaling echter
belet geenszins, dat het oogenblik, waarop dit voorwerp ons het
bewonderenswaardigst voorkomt, juist het oogenblik is, waarop we de
meeste kans hebben, de waarheid daarvan te ontdekken. De schoonheid, die
wij er aan verleenen, vestigt onze aandacht op zijn ware schoonheid en
grootheid, die niet zoo gemakkelijk ontdekt worden en die gedegen zijn
in de betrekking, waarin ieder voorwerp onvermijdelijk staat tot
algemeene en eeuwige krachten. Het vermogen tot bewondering dat we
hebben doen ontstaan naar aanleiding van eene illusie, is niet verloren
voor de waarheid, die vroeger of later komen zal. Met woorden en
gevoelens, met de warmte die is gewekt door denkbeeldige schoonheden van
vroegere tijden, ontvangt de menschheid van heden waarheden, die
misschien nooit het licht hadden aanschouwd, en nooit een gunstigen
bodem hadden gevonden, indien deze prijsgegeven illusies niet eerst hart
en verstand hadden verwarmd, waarin nu die waarheden nederdalen.
Gelukkig de oogen, die geen illusies noodig hebben om te zien, dat het
schouwspel grootsch is! En voor de overigen is het juist de illusie, die
hen leert zien, bewonderen en zich verinnigen. En hoe hoog ze ook
opzien, nimmer zullen ze te hoog zien. Zoodra men de waarheid nadert,
verheft ze zich hooger; zoodra men haar bewondert, komt men haar nader.
En hoe hoog hunne vreugde zich ook verheffe, ze zullen zich nooit
verheugen in het ledig of wel boven de onbekende en eeuwige waarheid
uit, die als schoonheid over alle dingen zweeft.



IX.


Wil dit nu zeggen, dat we ons maar zullen blijven houden aan de leugen,
aan een willekeurige en onreëele poëzie en dat we bij gebrek aan beter
daarin maar al onze vreugde moeten stellen? Wil dit zeggen, dat we in 't
voorbeeld, dat we bespraken,--op zichzelf is dat niets, maar we blijven
er bij stilstaan, omdat het als type kan dienen van duizend andere, en
van onze gansche houding tegenover verschillende soorten van
waarheden,--wil dit nu zeggen, dat we in dit voorbeeld de physiologische
verklaring maar moeten wegcijferen om enkel de aandoeningen vast te
houden en te smaken, in ons gewekt door deze parings-vlucht, die, wat er
dan ook de oorzaak van zij, niettemin een der schoonste lyrische daden
is van die belangelooze en onweerstaanbare macht, waaraan alle levende
wezens gehoorzamen, en die men liefde noemt? Niets ware kinderachtiger
en onmogelijker, dank zij de voortreffelijke neigingen van iederen geest
in onze dagen, die te goeder trouw is.

Dit kleine feit van de uitzetting van 't orgaan der mannelijke bij, wat
enkel kan plaats hebben ten gevolge van de zwelling der luchtbuizen,
wordt door ons natuurlijk aanvaard, daar het niet kan worden
weersproken. Maar indien we ons daarbij neerlegden, indien we in 't
geheel niet verder zagen, indien we daaruit afleidden, dat iedere
gedachte, die te ver of te hoog reikt, noodzakelijk verkeerd is, en dat
de waarheid altijd gelegen is in de materieele bijomstandigheden; indien
we niet, waar dan ook, in allerlei nog veel grooter onzekerheden dan
die, welke werd verdreven door onze kleine verklaring, b.v. in het
vreemde mysterie der kruis-bevruchting, in den duur der soort en van 't
leven, in het plan der natuur, indien we daarin niet zochten naar een
vervolg op die verklaring, naar een voortzetting der schoonheid en
grootheid in het onbekende, dan zouden we, durf ik bijna beweren, verder
van de waarheid ons leven leven dan zij die blindelings willen blijven
hangen aan de dichterlijke en fantastische uitlegging van dit wonderbaar
huwelijk. Klaarblijkelijk vergissen zij zich in den vorm of de nuance
der waarheid, doch veel meer dan degenen, die zich vleien haar geheel in
handen te hebben, leven zij onder den indruk daarvan en in haar
atmosfeer. Zij staan klaar om haar te ontvangen, de waarheid vindt bij
hen een veel gastvrijer dak, en zoo zij haar al niet zien, toch richten
zij hunne oogen naar de plaats der schoonheid en grootheid, waar het
heilzaam is te gelooven dat zij zich bevindt.

We kennen het doel der natuur niet, de waarheid, die in onze oogen alle
andere overheerscht. Maar ter wille van deze waarheid zelve, om onze
ziel warm te houden voor het nasporen daarvan, is het noodig, dat we
haar voor groot houden. En mochten we te eeniger tijd inzien, dat we een
verkeerden weg hebben ingeslagen, dat ze klein is en onsamenhangend, dan
zullen we juist tengevolge van de bezieling, die haar vermeende
grootheid ons had verleend, hare kleinheid ontdekken, en deze kleinheid
zal ons, wanneer ze zekerheid voor ons geworden is, leeren wat ons te
doen staat. In afwachting daarvan echter doen we niet te veel, wanneer
we, om haar op te sporen, al wat ons verstand en ons hart aan kracht en
moed bezitten, aan het werk zetten. En ook al zou het laatste woord van
dit alles nog zoo armzalig zijn, dan is het toch geen geringe zaak, dat
we de kleinheid en de ijdelheid van het doel der natuur in al hunne
naaktheid hebben ten toon gesteld.



X.


"Voor ons bestaat nog geen waarheid," sprak een der groote physiologen
onzer dagen tot mij, terwijl ik een wandeling met hem deed, "wij hebben
de waarheid nog niet gevonden, doch overal vinden we in drieërlei vorm
een schoonen schijn, die zich als waarheid voordoet. Ieder doet een
keuze of liever deze dringt zich aan hem op, en de keuze, die hij
ondergaat of dikwijls zonder nadenken doet, en waaraan hij zich houdt,
bepaalt den vorm en de houding van al wat hij in zich opneemt. De
vriend, dien wij ontmoeten, de vrouw die glimlachend op ons toetreedt,
de liefde, die ons hart opent, de dood of de smart, die het weer
sluiten, deze September-hemel, dien wij aanschouwen, deze prachtige,
liefelijke tuin, waar men zooals in Corneille's Psyche "overbladerde
laantjes met vergulde borstbeelden aan de uiteinden" ziet, de grazende
kudde met den slapenden herder, de laatste huizen van het dorp, de
oceaan tusschen de boomen, dat alles daalt of rijst, alles neemt
schooner vormen aan of wordt van zijn tooi ontdaan, vóórdat het in ons
binnendringt, al naar den wenk, dien onze keus hem geeft. Laat ons den
schijn leeren kiezen. Aan den avond eens levens, waarin ik steeds weer
de kleine waarheid en de physische oorzaak heb gezocht begin ik liefde
te koesteren niet voor 't geen daarvan verwijdert, maar voor 't geen
daaraan voorafgaat en vooral datgeen wat hen eenigszins overtreft."

We waren boven op een plateau gekomen in 't landschap Caux in Normandië,
dat doet denken aan een Engelsch park, maar een natuurlijk en onbegrensd
park. 't Is een der weinige punten van den aardbodem, waar het landschap
zich volkomen gezond vertoont met een ongerept groen. Iets verder naar
het Noorden loopt het gevaar, te ruw te worden; iets verder zuidelijk
wordt het door de zon verteerd en verbrand. Aan 't eind eener vlakte,
die zich tot aan de zee uitstrekte, waren boeren bezig koren op te
stapelen.

"Zie eens hier," sprak hij tot mij: "van hier beschouwd zijn ze schoon.
Zij maken dat eenvoudig en toch zoo gewichtig voorwerp, dat meer dan
alle andere het gelukkig en bijna onveranderlijk gedenkteeken is van het
tot rust gekomen menschelijk leven: een korenschelf. De afstand, de
avondlucht maken van hun blijde uitroepen een soort lied zonder woorden,
een weerklank op het edele lied der bladeren boven onze hoofden. Boven
hen een prachtige hemel, alsof welwillende geesten, voorzien van vurige
palmen, al het licht naar den kant van den korenschelf gedreven hadden
om langer den arbeid te verhelderen. En het spoor dier palmen is in het
azuur achtergebleven. Zie eens naar dat nederig kerkje, dat daar ter
halver hoogte hen overheerscht en hen bewaakt, tusschen de volle
lindeboomen en het grasveld van het kerkhof, dat hun zoo gemeenzaam is,
en dat het uitzicht heeft op den oceaan. Harmonisch bouwen ze daar hun
monument van leven onder de monumenten hunner dooden, die deze zelfde
dingen deden en nog in hun midden zijn.

Omvat dat alles met uwen blik: geen enkele trek daarin, die het te
bijzonder, te karakteristiek maakt, zooals 't geval zou zijn in
Engeland, Provence of Holland. 't Is de groote schilderij, algemeen
genoeg om symbolisch te kunnen wezen, van een natuurlijk en gelukkig
leven. Hier ziet ge dus de schoonheid en harmonie van het menschelijk
leven in zijn nuttige bezigheden. Zie dien man, die de paarden leidt,
zie 't gansche lichaam van dengeen, die de schoof aanreikt op zijn
hooivork, de vrouwen gebogen over 't graan en de spelende kinderen. Ze
hebben geen steen verlegd, geen schop aarde omgespit met het doel het
landschap schooner te maken; ze doen geen schrede, planten geen boom,
zaaien geen bloem, of 't moet noodig zijn. Dit gansche tafereel is
eenvoudig het onwillekeurig resultaat van de pogingen des menschen om in
de natuur een korten tijd te kunnen bestaan; en toch weten diegenen
onder ons, die er enkel aan denken, tafereelen van vrede, gratie of
diepen zin uit te denken of te scheppen, niets volmaakters te vinden, en
komen eenvoudig dit schilderen of beschrijven, wanneer ze ons schoonheid
of geluk willen afbeelden. Dit is de eerste schijn, die door sommigen de
waarheid wordt genoemd."



XI


"Laat ons nader treden. Begrijpt ge nu, wat dat gezang was dat zoo
schoon in 't gebladerte der boomen? Het wordt gevormd door ruwe woorden
en vloeken; en de uitbarstingen van lachen, die we hooren, worden
teweeggebracht doordat een man of eene vrouw met vuil werpt of wel dat
men den zwakkere uitlacht, den gebochelde, die zijn vracht niet kan
beuren, den manke, dien men omstoot, den idioot, dien men uitscheldt.

Ik heb ze al verscheidene jaren waargenomen. We zijn in Normandië, de
bodem is vet en willig. Rondom dezen schelf heerscht meerdere welvaart
dan elders rondom dergelijke tafereeltjes. Bijgevolg zijn de meeste
mannen en vele vrouwen eveneens alcoholisten. Nog een ander gif, dat ik
niet behoef te noemen, vreet in dit geslacht in. Daaraan en aan den
alcohol hebben we zulke kinderen te danken, als ge voor uwe oogen ziet,
dien dwerg, dien klierachtige, dien krombeen, dien hazelip, dat
waterhoofd. Allen hebben ze, de mannen en vrouwen, ouden en jongen, de
gewone ondeugden van den boer; ze zijn brutaal, huichelachtig,
leugenachtig, diefachtig, kwaadsprekend, wantrouwend, jaloersch en zeer
gemakkelijk te vinden voor oneerlijke voordeeltjes, gemeene
uitleggingen, vleierij van den sterkste. De noodzakelijkheid houdt hen
bijeen en dwingt hen elkaar te helpen, maar ieders geheime wensch is,
elkaar nadeel toe te brengen, zoodra ze het zonder gevaar doen kunnen.
Het ongeluk van een ander is het eenige echte genoegen in het dorp. Een
groote ramp is er een onderwerp van heimelijk genot, dat nog lang
nawerkt. Ze bespionneeren, benijden, verachten en haten elkaar. Zoolang
ze arm zijn, koesteren ze een steeds weer aangewakkerden en stillen
wrok, en zoo zij op hunne beurt dienstboden hebben, dan maken ze gebruik
van hun eigen ervaringen op dit gebied, om de hardheid en vrekkigheid,
waaronder zij geleden hebben, in nog erger mate in praktijk te brengen.

Ik zou u allerlei kunnen vertellen van de kleinzieligheid, het bedrog,
de heerschzucht, de onrechtvaardigheid, den haat, die hen vervult bij
dien arbeid, waarover de ruime hemel, waarover vrede ligt uitgespreid.
Meen niet, dat het gezicht van dien bewonderenswaardigen hemel of van
die zee, die achter de kerk een anderen hemel uitspant, welke over de
aarde vloeit als een groote spiegel van kennis en wijsheid, meen niet
dat deze hun blik ruimer of hooger maken. Ze kijken er nooit naar. Niets
vervult hunne gedachten of brengt ze in beroering, dan drie of vier
bepaalde dingen, waar ze bang voor zijn; ze vreezen den honger, de
macht, de openbare meening en de wet, en de hel in de ure van hunnen
dood. Om te laten zien, hoe ze zijn, zou men ze één voor één moeten
nemen. Daar hebt ge b.v. dien langen daar links, die er zoo joviaal
uitziet en zulke mooie schoven bindt. Nu, verleden zomer werd door zijn
vrienden zijn rechterarm gebroken bij een standje in de herberg. Ik heb
de breuk, een leelijke en gecompliceerde, hersteld. Ik heb hem langen
tijd verpleegd, heb voor zijn levensonderhoud gezorgd, tot hij het werk
weer kon hervatten. Dagelijks kwam hij bij mij. Daarvan heeft hij
geprofiteerd om in het dorp te verspreiden, dat hij mij eenmaal verrast
had in de armen mijner schoonzuster, en dat mijn moeder dronk. Hij is
niet slecht, hij is niet boos op mij; integendeel, zie maar, er komt een
oprecht gemeende glimlach op zijn gelaat, nu hij mij ziet. Evenmin wordt
hij daartoe gedreven door socialen haat; de boer haat den rijke niet,
hij heeft veel te veel respekt voor den rijkdom. Maar ik houd het er
voor, dat de goede man niet begreep, waarom ik zooveel zorg voor hem zou
dragen zonder er voordeel bij te hebben. Hij vermoedt dat daar iets
achter zit, en wil daar niet de dupe van worden. Vóór hem had menigeen,
rijk of arm, hetzelfde gedaan of nog erger. Hij dacht niet te liegen met
het verspreiden dezer verzinsels, hij gaf gehoor aan een vaag bevel van
de zedelijkheid rondom hem. Hij gehoorzaamde zonder het te weten, en om
zoo te zeggen zijns ondanks, aan den machtigen wensch van de algemeene
kwaadsprekendheid.... Maar waarom een tooneel verder uit te werken, dat
voor ieder, die eenige jaren op het land heeft gewoond, een bekende zaak
is. Dit hier is de tweede schijn, die door het meerendeel der menschen
de waarheid genoemd wordt. Het is de waarheid van het noodzakelijk
leven. Dit is zeker, dat ze berust op zeer nauwkeurige feiten, de
eenige, die door iederen mensch kunnen worden waargenomen en beleefd."



XII.


"Laten we op deze korenschoven gaan zitten," vervolgde hij, "en nog eens
om ons heen zien. Laten we geen dier kleine feiten afwijzen, die de
werkelijkheid vormen, waarvan ik sprak. Ze moeten maar uit zich zelf in
de verte verdwijnen. Ze staan daar vooraan in den weg, doch we moeten
erkennen, dat er zich een geduchte, bewonderenswaardige kracht achter
bevindt vindt, die 't geheel in stand houdt. Is 't enkel in stand
houden, voert ze het niet steeds hooger? De menschen, die we hier voor
oogen hebben, zijn toch niet meer geheel en al wilde dieren, zooals bij
La Bruyère, "die een soort van gearticuleerde stem hadden, en zich des
nachts in laden terugtrokken, waar ze leefden van zwart brood, water en
wortels...."

"Het ras is minder sterk en minder gezond," zult gij zeggen, 't is
mogelijk; de alcohol en die andere geesel zijn rampen, die de menschheid
moet te boven komen, misschien wel beproevingen, welke aan sommige onzer
organen, die van het zenuwstelsel b.v., ten goede zullen komen; want we
zien steeds, dat het leven voordeel trekt uit het kwaad, dat het
overwint. Bovendien zal een kleinigheid, die morgen misschien reeds
gevonden wordt, voldoende zijn om ze onschadelijk te maken. Dat is dus
niet de reden waarom we onzen blik zoo laag bij den grond moeten houden.
Deze menschen hebben gedachten en gevoelens, welke die van La Bruyère
nog niet hadden.--"Nog liever het eenvoudige, naakte beest, dan dat
afschuwelijke half-beest." mompelde ik.--"Zoo spreekt ge onder den
invloed van dien eersten schijn, dien der dichters, waarover we
gesproken hebben," hernam hij; "laten we dien niet verwarren met dien,
welke we nu onderzoeken. Deze gedachten en gevoelens zijn gering en
laag, zoo ge wilt, maar wat gering en laag is, is reeds beter dan 't
geen niet is. Zij gebruiken ze voor weinig anders dan om elkander te
benadeelen en even middelmatig te blijven als ze zijn; maar zoo gaat het
dikwijls in de natuur. Van de gaven, die zij verleent, bedient men zich
aanvankelijk enkel voor het kwade om slechter te maken, wat zij scheen
te willen verbeteren; maar ten slotte is altijd een of ander goed het
gevolg van al dat kwaad. Overigens wil ik volstrekt den vooruitgang niet
bewijzen; al naar de plaats, waarop men zich bevindt, is het iets heel
kleins of heel groots. Den toestand der menschen iets minder
afhankelijk, iets minder moeielijk maken is een belangrijk punt,
misschien het zekerst ideaal; maar beschouwd met een geest, die zich
voor een oogenblik heeft losgemaakt van de materieele gevolgen, is de
afstand tusschen den man, die aan de spits gaat van den vooruitgang, en
hem, die zich blindelings voortsleept achteraan, uiterst gering. Onder
deze jonge boeren, wier hersenen slechts met vormelooze ideeën zijn
gevuld, zijn er verscheidene, bij wie het mogelijk is in korten tijd
dienzelfden graad van bewustheid te verkrijgen, waarin wij beiden leven.
Men is vaak getroffen door de kleine tusschenruimte, die de volgens ons
idee volslagen onbewustheid dezer lieden scheidt van de bewustheid, die
men voor de hoogste houdt.

En bovendien, waaruit bestaat ze eigenlijk, die bewustheid, waar we zoo
trotsch op zijn? Uit veel meer schaduw dan licht, uit veel meer
verworven onkunde dan kennis, uit veel meer dingen, waarvan we weten,
dat we er maar van moeten afzien ze te leeren kennen, dan dingen, die
wij kennen. En toch bestaat daarin onze gansche waardigheid, onze meest
reëele grootheid, en is zij waarschijnlijk het verrassendste
verschijnsel ter wereld. Zij is het, die ons veroorlooft het hoofd op te
heffen waar we staan tegenover het onbekend principe, en te zeggen: Ik
ken u niet, maar iets in mij houdt u reeds omvat. Ge zult mij misschien
vernietigen, maar zoo dat niet gebeurt om uit mijn overblijfselen een
beter organisme dan het mijne te vormen, dan toont ge minder te zijn dan
ik, en de stilte, die dan volgen zal op den dood van de soort, waartoe
ik behoor, zal u verkondigen, dat ge geoordeeld zijt. En als ge zelfs
niet in staat zijt u er om te bekommeren of ge al of niet rechtvaardig
wordt beoordeeld, wat beteekent dan uw geheim? We zijn er niet meer op
gesteld, het te doorgronden, het moet onbeduidend en leelijk zijn. Ge
hebt bij toeval een wezen voortgebracht, dat ge niet de bevoegdheid hadt
voort te brengen. 't Is maar gelukkig voor hem, dat ge 't door een ander
toeval weer hebt uit den weg geruimd, vóór het nog de diepte van uwe
onbewustheid had gepeild, en nog gelukkiger, dat het niet de eindelooze
reeks uwer proefnemingen heeft overleefd. Het hoorde niet thuis in een
wereld, waarin zijn intellect geen weerklank vond bij een eeuwig
intellect, waarin zijn verlangen naar het betere hem geen enkel
wezenlijk goed kon doen bereiken.

"Nogmaals, vooruitgang is niet noodig om ons warm te maken voor dit
schouwspel. Daartoe is het raadsel al voldoende, en dit raadsel is even
groot en heeft een even geheimzinnigen glans in die boeren als in ons.
Overal vindt men het, als men het leven volgt tot in zijn almachtig
principe. Van eeuw tot eeuw wijzigen we de benaming van dit principe.
Somtijds had het namen, die duidelijk en ook troostrijk waren; men heeft
ingezien, dat die troost en die duidelijkheid zinsbedrog waren. Maar of
we het God noemen of Voorzienigheid, Natuur, Toeval, Leven, Noodlot, het
mysterie blijft hetzelfde en al wat de ervaring van duizenden jaren ons
heeft kunnen leeren, is dien naam omvattender te maken, dichter bij ons
staande, buigzamer, geschikter voor het verwachte en het onverwachte.
Dezen draagt het tegenwoordig, en daarom leek het nooit grooter dan nu.
En hier hebt ge een der tallooze vormen van den derden schijn, en dat is
de laatste waarheid."



ZESDE BOEK.


DE DARRENSLACHT.



I.


Als na de bevruchting der koningin de hemel helder en de lucht warm
blijft, als er overvloedig stuifmeel en honingsap in de bloemen is, dan
dulden de werkbijen door een soort van vergeetachtige toegevendheid, of
misschien uit overmaat van voorzichtigheid, de lastige en schadelijke
aanwezigheid der darren nog eenigen tijd.--Deze gedragen zich in den
korf evenals de vrijers van Penelope in het huis van Ulysses. Ze slempen
en maken goede sier, ze leiden een werkeloos leven als verkwistende,
onkiesche eere-minnaars: welvoldaan, dik en vet, de wegen vullend, den
doortocht versperrend, den arbeid belemmerend, duwend en geduwd,
gewichtig doende, opgeblazen door een onverstandige en onschadelijke
minachting, zelven echter geminacht met verstand en nevenbedoeling,
onbewust van de toenemende verbittering en het lot dat hun te wachten
staat. Ze kiezen het lekkerste hoekje van de woning uit om er op hun
gemak te gaan sluimeren, staan nonchalant op om op de open cellen zelf
van den geurigsten honing te smullen en bevuilen de raten, die ze
bezoeken, met hunne uitwerpselen. De geduldige werkbijen herstellen
stilletjes de schade, met het oog op de toekomst. Tusschen twaalf en
drie uur, wanneer het blauwende landschap van een aangename matheid
trilt onder den onweerstaanbaren blik van een Juli- of Augustus-zon,
vertoonen ze zich voor de poort. Ze hebben een helm op van groote zwarte
kralen, twee hooge bewegelijke vederbossen, een overkleed van roodbruin
fluweel, met lichte plekken, een helden-vacht, een viervoudigen,
deftigen en doffen mantel. Ze maken een verbazend lawaai, verwijderen de
schildwachten, gooien de waaistertjes om, en loopen de werkbijen omver,
die beladen met hun nederigen buit terugkeeren. Ze hebben de drukke,
overdreven en onverdraagzame manieren van onmisbare goden, die met veel
drukte uitgaan voor eenig doel, waarvan het plebs niet weet. Een voor
een wagen ze zich in de ruimte, pralend en onweerstaanbaar, en gaan
kalmpjes zitten op de naastbijzijnde bloemen, waarop ze inslapen tot ze
gewekt worden door de koelte van den namiddag. Dan komen ze met dezelfde
drukte en meesterachtigheid weer terug, en altijd vol van datzelfde
groote doel, waarvan niets uitlekt, ijlen ze naar de voorraadschuur,
dompelen hun kop tot aan den hals in de vaten met honing om de verloren
krachten te herwinnen, zoodat ze opzwellen als groote wijnzakken, en
keeren terug naar dien slaap zonder droom en zonder zorgen, die hen
bevangen houdt tot aan den volgenden maaltijd.



II.


Maar het geduld der bijen evenaart dat der menschen niet. Op zekeren
morgen wordt er een wachtwoord in den korf gegeven, het gaat van mond
tot mond, en de vreedzame werkbijen veranderen in rechters en beulen.
Wie het geeft weet men niet; plotseling duikt het op uit de koude en
beredeneerde verontwaardiging der werkbijen, en geheel in den geest der
eenstemmige republiek, vervult het alle harten, zoodra het maar is
uitgesproken. Dien dag ziet een deel van het volk van het honingzoeken
af, om zich aan het werk der gerechtigheid te wijden. De dikke luiaards,
die daar in trossen bijeen onbekommerd zitten te slapen op de
honingdragende wanden, worden plotseling gewekt door een leger woedende
maagden. Ze ontwaken schijnheilig en onzeker, gelooven hunne oogen niet,
en slechts met moeite breekt hun verbazing zich baan door hun luiheid
heen, als een straal der maan door het water van een moeras. Ze
verbeelden zich, dat ze het slachtoffer zijn van een misverstand, zien
met verbazing om zich heen, en daar de grondidee van hun leven in hunne
dikke hersenen het eerst weer opleeft, doen ze een schrede in de
richting van de honingcellen om zich daar te versterken. Maar ze zijn
voorbij, de dagen van den Mei-honing, van den bloemen-wijn der linden,
van de zoo gemakkelijk te verkrijgen ambrozijn der salie, van thijm,
marjolijn en witte klaver. In plaats van den vrijen toegang tot die
heerlijke volle reservoirs, die dadelijk bij de aanraking hunner lippen
hunnen lekkeren en zoeten voorraad openstelden, zien ze een brandend
braambosch om zich heen van tegen hen gerichte vergiftigde angels. De
geheele atmosfeer der stad is veranderd. De weldoende geur van den
nektar heeft plaats gemaakt voor den scherpen reuk van 't venijn,
waarvan duizenden droppeltjes aan het uiteinde der angels hangen, en
wrok en haat voortplanten. Vóór hij zich nog rekenschap heeft gegeven
van den ongehoorden ommekeer in zijn weelderig bestaan, door het
omverwerpen van al die heerlijke wetten der stad, ziet ieder der
ontstelde parasieten zich aangevallen door drie of vier dienaressen der
gerechtigheid, die hun best doen zijn vleugels af te snijden, het dunne
steeltje door te zagen, dat het achterlijf met het borststuk verbindt,
de trillende sprieten te verwijderen, de pooten te ontwrichten, en een
opening te vinden tusschen de ringen van het harnas, om hun zwaard
daarin te steken. In al hun grootte toch ongewapend, niet in 't bezit
van een angel, denken ze aan geen verdediging, en trachten zich uit de
voeten te maken, of stellen hunne logge massa tegenover de stooten der
aanvallers. Op den rug liggend, houden ze met hunne krachtige pooten op
onhandige wijze hunne vijandinnen vast, doch deze houden vol; of wel al
rondwentelend sleepen ze de heele groep mee in een dollen rondedans, tot
ze weldra uitgeput blijven liggen. Na verloop van korten tijd verkeeren
ze in zóó deerniswaardigen toestand, dat het medelijden, hetwelk in de
diepste diepte van ons hart nooit zoo heel ver van de gerechtigheid
afstaat, haastig terugkeert en--doch te vergeefs--gratie zou willen
vragen aan de hardvochtige werkbijen, die enkel de diepe en dorre wet
der natuur kennen. De vleugels der ongelukkigen zijn doorboord, hunne
pooten uitgerukt, hunne sprieten afgeknaagd, en hunne prachtige zwarte
oogen, waarin de weelderige bloemen zich afspiegelden, waarin 't azuur
en de onschuldige aanmatiging van den zomer weerkaatsten, geven nu,
verzacht door het lijden, enkel een beeld te zien van wanhoop en van
angst voor het einde. Sommigen bezwijken aan hunne wonden en worden
onmiddellijk door twee of drie hunner beulen naar de verwijderde
begraafplaats gedragen. Anderen, die nog niet zoo erg zijn gekwetst,
weten zich in een hoek te verschansen, waar ze zich allen op elkaar
hoopen en waar een onverbiddelijke wacht hen houdt ingesloten tot ze van
gebrek omkomen. Velen slagen er in de poort te bereiken en met hunne
tegenpartij in de ruimte te ontwijken; tegen den avond echter komen ze,
door honger en koude gedreven, bij massa's naar den ingang van den korf
om een schuilplaats af te smeeken. Daar vinden ze opnieuw een
onverbiddelijke wacht. Den volgenden morgen houden de werkbijen
opruiming voor de poort, waar de lijken der reuzen liggen opgestapeld
die tot niets nut waren, en de herinnering aan dit ras van leegloopers
wordt in de stad totaal uitgewischt tot aan de volgende lente.



III.


Dikwijls heeft die moord op denzelfden dag in een groot aantal kolonies
van den bijenstand plaats. De rijkste en de best bestuurde geven het
sein. Eenige dagen daarna volgen de minder voorspoedige republieken hun
voorbeeld. Alleen de armste en zwakste volken, die wier moeder zeer oud
en bijna onvruchtbaar is, onderhouden hunne mannetjes tot aan den
winter, daar zij de hoop niet willen opgeven, de maagdelijke koningin,
die ze verwachten en die nog kan geboren worden, bevrucht te zien. Dan
komt de onvermijdelijke ellende, en de gansche stam, moeder, parasieten
en werkbijen voegt zich bijeen tot een hongerige groep, die elkaar eng
omvat houdt en nog vóór de eerste sneeuw in de duisternis van den korf
in alle stilte omkomt.

Na 't voltrekken van het vonnis aan de leegloopers wordt in de bevolkte
en rijke steden de arbeid hervat, doch met afnemenden ijver, want reeds
wordt het honingsap zeldzamer. Met de groote feestelijkheden en de
groote drama's is het gedaan. Het wonderbaar lichaam, waarin myriaden
zielen zich tot slingers aaneensloten, het edel monster zonder slaap,
zich voedend met bloemen en lucht, de roemrijke korf der schoone
Juli-dagen, slaapt langzamerhand in, en zijn warme adem vol geuren
begint langzamer te gaan en verstijft. Toch wordt nog de herfst-honing
opgestapeld in de voedende wanden om den noodzakelijken voorraad
volledig te maken, en de laatste vergaarbakken worden verzegeld met het
onschendbaar zegel der witte was. Men houdt op met bouwen, het aantal
geboorten vermindert, dat der dooden neemt toe, de nachten worden langer
en de dagen korter. De meedoogenlooze regens en windvlagen, de nevelen
van den ochtend, de hinderlagen van de te vroeg invallende duisternis
rapen honderden werksters weg, die niet weerkeeren, en het gansche
volkje, dat even begeerig haakt naar zonneschijn als de krekels van
Attica, voelt de koude bedreiging van den winter op zich neerdalen.

De mensch heeft zijn aandeel aan den oogst reeds weg. Iedere goede korf
heeft hem tachtig of honderd pond honing opgeleverd, en de
allervoortreffelijkste geven er soms twee honderd, enorme vlakten
vloeibaar licht vertegenwoordigend, groote velden met bloemen, die één
voor één moesten worden bezocht, een duizendtal per dag. Nu werpt hij
een laatsten blik op de kolonies, die op 't punt staan te verstijven.
Aan de rijksten ontneemt hij hunne overvloedige schatten om ze uit te
deelen aan die anderen, die in deze werkzame wereld zijn verarmd door
steeds onverdiende rampen. Hij dekt de woningen warm toe, neemt de
nuttelooze lijken weg en laat de bijen over aan hun grooten winterslaap.
Dan verzamelen ze zich in 't midden van den korf, klemmen zich aan
elkaar vast en gaan hangen aan de raten, die de getrouwe urnen bevatten,
waaruit in de dagen van ijzige koude, de vervormde substantie van den
zomer zal te voorschijn komen. Midden in bevindt zich de koningin,
omgeven door haar wacht. De eerste rij werkbijen klampt zich vast aan de
verzegelde cellen, een tweede rij dekt hen, en wordt op hare beurt door
een derde overdekt, en zoo gaat het voort tot de laatste, die het
omhulsel vormt. Wanneer deze buitenste bijen voelen, dat de koude hen
bevangt, gaan ze terug binnen in de massa, en worden door andere
afgewisseld, en zoo alle om beurten. De hangende massa gelijkt op een
roodbruinen, lauwwarmen bol, die door de honingwanden wordt gesneden, en
die bijna onmerkbaar stijgt of daalt, vooruit of achteruit gaat naar
gelang de cellen, waaraan hij zich vasthoudt, leeg raken. Want, in
tegenspraak met wat men gewoonlijk meent, vertraagt het leven der bijen
in den winter wel, doch het staat niet stil[1]. Door de eenparige
beweging hunner vleugeltjes, de in leven gebleven zusjes van het
zonnevuur, die sneller of langzamer gaan al naar de wisseling in de
temperatuur daar buiten, onderhouden ze daar binnen in hunnen bol een
gelijkmatige warmte overeenkomende met die van een lente-dag. Deze
geheime lente spruit voort uit den heerlijken honing, zelf in vroeger
tijd getransformeerd uit een zonnestraal, en die nu tot zijne
oorspronkelijke gedaante terugkeert. Hij vloeit door den bol heen als
het weldadig bloed. De bijen, die op de boordevolle cellen zitten,
bieden hem aan hunne naaste buren aan, en deze op hunne beurt weer aan
anderen. Zoo gaat hij van poot tot poot en van mond tot mond, tot hij de
verst verwijderde bereikt van de groep, die slechts ééne gedachte heeft,
en wier leven verscheiden is en toch één in duizenden harten. Hij
vervult de plaats van zon en bloemen, tot zijn oudere zuster, de
werkelijke zon van de echte volle lente, door de poort hare eerste zoele
blikken werpt, waaronder viooltjes en anemonen herleven, en zachtjes de
werkbijen wekt, om hen te doen zien, dat het azuur zijne plaats in de
wereld heeft heroverd, en dat de cirkel zonder einde, die den dood aan
het leven verbindt, weder een wenteling om zijne as heeft volbracht en
nieuw leven ontvangen.


[1] Een flinke korf verteert gewoonlijk gedurende de inwintering, die in
onze streken ongeveer zes maanden duurt, namelijk van October tot begin
April, twintig à dertig pond honing.



ZEVENDE BOEK.


DE VOORUITGANG DER SOORT.



I.


Alvorens dit boek te besluiten, zooals we den korf hebben gesloten over
de verstijfde stilte van den winter, wil ik zelf een tegenwerping maken,
die slechts zelden uitblijft van de zijde dergenen, voor wie men de
verrassende staatkunde en nijverheid der bijen ontvouwt. Ja, mompelen
zij, dat alles is nu heel wonderbaarlijk, maar zonder dat er eenige
verandering in komt. Daar leven ze nu reeds duizenden jaren onder
merkwaardige wetten, maar duizenden jaren zijn deze wetten dezelfde
gebleven. Reeds duizenden jaren bouwen ze die merkwaardige raten,
waaraan men niets heeft toe te voegen of af te nemen, en waarin men de
kennis van den scheikundige, den landmeter, den architect en den
ingenieur vereenigd aanschouwt; doch deze raten zijn precies gelijk aan
die welke men in oude sarcophagen vindt of die staan afgebeeld op
Egyptische steenen en papyrusrollen. Noem ons één enkel feit, dat wijst
op eenigen den minsten vooruitgang, wijs ons op een of andere
bijzonderheid, die toont dat ze iets nieuws hebben ingevoerd, een enkel
punt, waarop ze de routine van eeuwen hebben gewijzigd: dan zullen we
ons buigen en erkennen, dat in hen niet alleen een bewonderenswaardig
instinct schuilt, maar een verstand, hetwelk recht heeft dat van den
mensch ter zijde te streven, en tegelijk met hem te hopen op een of
andere bestemming, hooger dan die van de onbewuste of afhankelijke
materie.

Niet alleen de leek spreekt aldus, maar bekende entomologen als Kirby en
Spence hebben hetzelfde argument aangevoerd, om aan de bijen elk ander
intellect te ontzeggen buiten en behalve dat hetwelk zich nauw merkbaar
beweegt in den engen kerker van een verrassend doch onveranderlijk
instinct. "Toon ons," zeggen zij, "één enkel geval, waarin ze, door de
omstandigheden gedrongen, b.v. op het denkbeeld zijn gekomen de was en
de maagdenwas te vervangen door klei of mortel, dan zullen we
toestemmen, dat ze in staat zijn tot overleg'."

Deze redeneering, die Romanes "The question begging argument" noemt, en
die men ook wel de "onverzadelijke redeneering" zou kunnen noemen, is
hoogst gevaarlijk en zou ons, op den mensch toegepast, buitengewoon ver
doen afdwalen. Wel beschouwd spruit ze voort uit dat "eenvoudig gezond
verstand," dat dikwijls heel wat kwaad aanricht en dat aan Galileï ten
antwoord gaf: "Niet de aarde draait, want ik zie de zon zich aan den
hemel bewegen, 's morgens weer opkomen en des avonds ondergaan, en niets
gaat boven het getuigenis mijner oogen." Gezond verstand is uitstekend
en noodig als grondslag voor onzen geest, onder voorwaarde echter, dat
het wordt gecontroleerd door iets hoogers, dat nimmer sluimert en dat
waar het noodig is, aan datzelfde gezond verstand herinnert, hoe
oneindig groot nog zijne onkunde is; zoo niet, dan is 't niets meer dan
de routine der lagere deelen van ons intellect. De bijen zelven echter
hebben antwoord gegeven op de tegenwerping van Kirby en Spence.
Nauwelijks was ze uitgesproken, of een ander natuuronderzoeker, Andrew
Knight, kwam, toen hij de zieke schors van zekere boomen had bestreken
met een soort van cement, vervaardigd uit was en terpentijn, tot de
ontdekking, dat zijne bijen het inzamelen van maagdenwas geheel hadden
opgegeven en uitsluitend deze hun onbekende materie gebruikten, die
weldra beproefd werd bevonden en algemeen aangenomen, daar ze die geheel
gereed en in overvloed vonden in de omgeving hunner woning.

Trouwens, de helft van de theorie en de praktijk der bijenkunde is de
kunst, vrijen loop te laten aan het initiatief der bij, aan haar
ondernemend verstand gelegenheid te geven zich te oefenen, en echte
ontdekkingen, wezenlijke uitvindingen te doen. Zoo gebeurt het b.v. wel,
dat bijenhouders, wanneer het stuifmeel schaarsch is in de bloemen, een
zekere hoeveelheid meel in de nabijheid van den bijenstand uitstrooien,
om zoodoende mede te helpen aan het grootbrengen der larven en nymphen.
't Is vrij duidelijk, dat de bijen een dergelijke stof nooit hebben
aangetroffen in hun natuurstaat, in hunne oorspronkelijke woonplaatsen,
de bosschen of Aziatische valleien, waar zij waarschijnlijk het
levenslicht aanschouwden in het tertiaire tijdperk. En toch, wanneer men
zorg draagt er eenige te lokken, door ze op het uitgestrooide meel te
zetten, dan betasten ze het, proeven het, zien in, dat het in qualiteit
bijna gelijk staat met het stof der helmknopjes, keeren naar den korf
terug, deelen de tijding mede aan hunne zusteren en ziet, daar komen
alle honingdraagsters op deze onverwachte en onbegrijpelijke spijze
aanvliegen, terwijl toch in hunne aangeboren herinneringen hun voedsel
onafscheidelijk moet zijn van de bloemkelken, waar zij reeds sedert zoo
vele eeuwen zulk een weelderig en overdadig onthaal vinden.



II.


Nauwelijks honderd jaar, namelijk sedert den arbeid van Huber, is men
bezig een ernstige studie te maken van de bij en de eerste belangrijke
waarheden te vinden, die maken, dat men ze met vrucht kan waarnemen.
Iets meer dan vijftig jaar geleden werd, dank zij de raten en korven met
lossen bouw van Dzierzon en Langstroth, de rationeele en praktische
bijenkunde gegrondvest en was de korf niet langer dat onschendbaar huis,
waarin alles gebeurde in een diep mysterie, dat men eerst eenigszins kon
doorgronden, nadat de dood het in puin had gestort. En eindelijk, nog
geen vijftig jaar is het geleden, dat de verbeteringen in het microscoop
en het laboratorium van den entomoloog het juiste geheim hebben
geopenbaard van de voornaamste organen der werkbij, koningin en darren.
Is 't nu zoo vreemd, dat onze kennis even weinig omvattend is als onze
ervaring? De bijen leven al duizenden jaren en wij nemen ze waar sedert
tien of twaalf lustra. Zelfs dan, wanneer het ware uitgemaakt, dat er
niets veranderd is in den korf sedert wij dien hebben geopend, zouden we
dan het recht hebben daaruit op te maken, dat er ook nooit iets in
gewijzigd is vóór wij hem hebben ondervraagd? Weten we dan niet, dat een
eeuw in de evolutie eener soort verloren gaat als een regendruppel in
een draaikolk, en dat een milennium voor het leven der algemeene materie
even snel voorbij gaat als een jaar voor de geschiedenis van een volk?



III.


Maar 't is volstrekt geen uitgemaakte zaak, dat er niets veranderd is in
de gewoonten der bijen. Wanneer men ze zonder vooroordeel onderzoekt,
zal men zonder nog het kleine veld, waarop het licht van onze
hedendaagsche ervaring valt, te verlaten, integendeel zeer merkbare
afwijkingen vinden. En wie zal zeggen, welke ons ontgaan? Een waarnemer,
die ongeveer honderd vijftig maal onze grootte had en bijna zeven
honderd duizend maal ons gewicht (dit zijn de verhoudingen tusschen onze
gestalte en ons gewicht en die van de nederige honingbij), die onze taal
niet verstond en geheel andere zintuigen had dan wij, zou er zich
rekenschap van geven, dat er vrij merkwaardige materieele veranderingen
hebben plaats gehad in de laatste twee derden dezer eeuw, doch hoe zou
hij zich een denkbeeld vormen van de moreele, sociale, godsdienstige,
staatkundige en economische evolutie?

Zoo straks zal die wetenschappelijke hypothese, welke onder alle de
grootste waarschijnlijkheid bezit, ons veroorloven onze huis-bij in
verbinding te brengen met den grooten stam der Apiërs, waaronder zich
waarschijnlijk hare voorouders bevinden en die alle wilde bijen
omvat[1]. Dan zullen we physiologische, sociale, economische,
industrieele en bouwkundige veranderingen zien, die nog van meer belang
zijn dan die van onze menschelijke evolutie. Voor 't oogenblik houden
wij ons aan onze eigenlijk gezegde honingbij. Men telt daarvan ongeveer
zestien vrij duidelijk te onderscheiden soorten; maar in den grond der
zaak is het, of men te doen heeft met de _Apis Dorsata,_ de grootste, of
met de _Apis Florea_, de kleinste die men kent, precies hetzelfde
insect, enkel min of meer gewijzigd door het klimaat en de
omstandigheden, waaraan het zich heeft moeten aanpassen. Al die soorten
verschillen onderling niet veel meer dan een Engelschman van een
Spanjaard of een Japannees van een Europeaan. Terwijl we zoodoende onze
eerste opmerkingen eenigszins beperken, zullen we hier enkel aanvoeren,
wat we met onze eigen oogen en op dit zelfde oogenblik zien, zonder
behulp van eenige hypothese, hoe waarschijnlijk en onvermijdelijk die
zijn moge. Wij zullen niet alle feiten, die men zou kunnen opnoemen, de
revue laten passeeren. Eenige der gewichtigste, in vlugge opsomming,
zullen voldoende zijn.


[1] Ziehier de plaats, die onze gewone bij inneemt in de
wetenschappelijke classificatie:

  Klasse   ---- Insecten
  Orde     ---- Vliesvleugelige (Hymenoptera)
  Familie  ---- Apiden
  Geslacht ---- Apis
  Soort    ---- Honingbij (Mellifica).

De term _Mellifica_ behoort tot de klassen-indeeling volgens Linnaeus.
Hij is niet zeer gelukkig, daar, enkele parasieten misschien
uitgezonderd, alle Apiden mellifica zijn. Scopoli zegt: _Cerifera_;
Réaumur _domestica;_ Geoffroy _gregaria_. De _Apis ligustica_, de
Italiaansche bij, is eene variëteit van de _Apis Mellifica_.



IV.


En dan in de eerste plaats de belangrijkste en radicaalste verbetering,
die bij den mensch niet mogelijk ware zonder verbazend veel arbeid: de
uitwendige bescherming van de gemeenschap.

De bijen bewonen niet als wij steden onder den blooten hemel,
overgeleverd aan de nukken van wand en storm, doch steden, die geheel
door een beschuttend omhulsel zijn omgeven. In den natuurstaat echter en
in een ideaal klimaat is dit niet zoo. Indien ze slechts gehoor gaven
aan hun dieper instinct, dan zouden ze hunne raten onder den blooten
hemel bouwen. De _Apis Dorsata_ in Indië zoekt niet met voorliefde holle
boomen of rotskloven. De zwerm gaat aan den oksel van een tak hangen, en
de raat wordt gebouwd, de eieren door de koningin gelegd, de provisie
opgestapeld, zonder andere beschutting dan de lichamen der werkbijen
zelf. Somtijds heeft men onze Noordelijke bij wel zien terugkeeren tot
dit instinct en zwermen gevonden, die aldus in de lucht leefden midden
in het struikgewas.[1]

Doch zelfs in Indië heeft deze blijkbaar ingeschapen gewoonte
noodlottige gevolgen. Ze dwingt zulk een groot aantal werkbijen tot
werkeloosheid, wier eenige bezigheid daarin bestaat de noodzakelijke
warmte te onderhouden rondom degenen, die het was bewerken en het
broedsel grootbrengen, dat de _Apis Dorsata_ zoo aan de takken hangend,
maar één enkele raat kan bouwen. De geringste schuilplaats daarentegen
stelt haar in staat er vier, vijf en meer te maken, en vermeerdert in
dezelfde mate de bevolking en de welvaart der kolonie. Alle bijenrassen
der koude en gematigde streken hebben dan ook deze oorspronkelijke
methode bijna, geheel opgegeven. Klaarblijkelijk heeft de natuurlijke
teeltkeus dit verstandig initiatief van het insect begunstigd door
alleen de talrijkste en best beschermde stammen onze winters te doen
overleven.

Wat eerst een denkbeeld was in strijd met het instinct, is langzamerhand
een instinctieve gewoonte geworden. Doch dit neemt niet weg, dat het
oorspronkelijk een zeer koene gedachte was, welke waarschijnlijk
vergezeld ging van allerlei opmerkingen, proefnemingen en redeneeringen,
de geduchte op deze wijze het groote natuurlijke en aanbiddelijke licht
vaarwel te zeggen om zich in de duistere diepten van een boomstam of
grot te vestigen. Men zou bijna kunnen zeggen, dat dit denkbeeld even
gewichtig was voor het verder lot der bijen, als de uitvinding van het
vuur voor dat van het menschelijk geslacht.


[1] Het geval komt zelfs vrij veelvuldig voor bij een tweeden en derden
zwerm, omdat deze minder ervaren en minder voorzichtig zijn dan de
oorspronkelijke zwerm. Ze hebben een jonge en wufte koningin aan het
hoofd en bestaan bijna geheel uit zeer jonge bijen, in wie het
oorspronkelijke instinct zich nog luider doet hooren, daar ze nog niets
weten van de strengheid en de nukken van onzen barbaarschen hemel.
Overigens overleeft geen dezer zwermen de eerste herfstvlagen, en zoo
vermeerderen zij het ontelbaar aantal slachtoffer van de langzame en
raadselachtige proefnemingen der natuur.



V.


Na dezen grooten stap vooruit, die, al is hij oud en overgeërfd, toch
ook aktueel is, vinden we een massa oneindig verscheiden bijzonderheden,
die ons bewijzen, dat de nijverheid en de staatkunde van den bijenkorf
niet zijn vastgelegd in onverbrekelijke formules. We spraken over het
verstandig verwisselen van stuifmeel voor meel, en van de maagdenwas
voor een kunstmatig cement. We hebben gezien, hoe knap ze de woningen,
waarin men hen bracht, in plaats van zich daardoor uit het veld te laten
slaan, voor hun doel geschikt wisten te maken. We hebben ook gezien, hoe
verbazend handig ze onmiddellijk partij wisten te trekken van de
kunstraten voorzien van cellen-indruk, die men voor hen had bedacht.
Hier is het werkelijk iets heel buitengewoons, hoe ze een wonderbaar
gelukkig, maar onvolmaakt verschijnsel zich ten nutte wisten te maken.
Ze hebben werkelijk den mensch met een half woord begrepen. Stel u eens
voor, dat wij sedert eeuwen onze steden in plaats van met hardsteen,
kalk en baksteen, met een zekere smeedbare substantie hadden gebouwd,
die we met moeite moesten afscheiden door speciaal daartoe bestemde
organen van ons lichaam. Op zekeren dag zet een almachtig wezen ons neer
midden in een fabelachtige stad. We zien al spoedig, dat deze gemaakt is
van een zelfde stof als die, welke wij afscheiden, maar de rest is als
een droom, waarin wel samenhang is, doch zóó vervormd en verkleind en
saamgedrongen, dat hij ons nog meer van de wijs brengt dan het geval zou
zijn als we er geen samenhang in bespeurden. Ons gewone bouwplan vinden
we er in terug, alles is er wat we verwachtten, doch slechts in aanleg
en als 't ware verpletterd door een reeds vóór zijn ontstaan daarop
inwerkende kracht, die het heeft vastgehouden als ontwerp en verhinderd
zich verder te ontwikkelen. De huizen, die vier of vijf meter hoog
moeten zijn, vormen kleine verhevenheden, welke we met onze beide handen
kunnen bedekken. Duizenden muren zijn aangegeven door een streepje, dat
tegelijkertijd hun omtrek aangeeft en de stof, waarvan ze gebouwd zullen
worden. Elders weer zijn groote onregelmatigheden, die we zullen moeten
in orde brengen, afgronden om te dempen en in harmonie te brengen met
het geheel, uitgestrekte wankelende massa's, die een stut noodig hebben.
Want 't werk is wel verrassend, maar onzeker en gevaarlijk, Het is
uitgedacht door een scherp verstand, dat de meeste onzer bedoelingen
heeft geraden, doch ze slechts heel ruw heeft kunnen uitvoeren, daar
juist zijn reusachtigheid het in den weg stond. 't Komt er dus nu maar
op aan, dit alles te ontwarren, partij te trekken van de geringste
bedoelingen van den bovennatuurlijken gever, in enkele dagen te bouwen,
wat anders jaren vereischt, organische gewoonten op te geven, de
methode van arbeid totaal onderst boven te werpen. Zeer zeker zou de
mensch al zijn opmerkzaamheid noodig hebben om de vraagstukken op te
lossen, die zich hier voordeden, en niets te verliezen van de hulp, die
hem op deze wijze door een grootsche voorzienigheid werd aangeboden. En
toch dit alles doen zoo ongeveer de bijen in onze nieuwerwetsche
bijenkorven[1].


[1] Daar we ons hier voor het laatst met de bouwkunst der bijen
bezighouden, willen we in 't voorbijgaan een merkwaardige bijzonderheid
van de _Apis Florea_ aanteekenen. Enkele wanden van hare darren-cellen
zijn cylindrisch in plaats van zeshoekig. Zij schijnt nog niet geheel in
't gereede te zijn met den overgang van den eenen vorm tot den anderen,
en het definitief aannemen van den besten.



VI.


Zelfs de staatkunde der bijen, heb ik gezegd, staat waarschijnlijk niet
onveranderlijk vast. Dit is het duisterste punt, dat ook het moeilijkst
valt te constateeren. Ik zal niet stilstaan bij de verschillende
manieren, waarop ze hunne koninginnen behandelen, bij de wetten van het
zwermen, die iedere korf voor zichzelf heeft en die blijkbaar van
geslacht op geslacht worden overgeleverd, enz. Doch naast deze feiten,
die nog niet voldoende vaststaan, zijn er andere constante en scherp
omlijnde, die ons doen zien, dat niet alle rassen der honingbij
denzelfden trap van staatkundige ontwikkeling hebben bereikt en dat men
er vindt, waar de publieke opinie zich tastend voortbeweegt en misschien
een andere oplossing zoekt voor het probleem van het koningschap. De
Syrische bij b.v. voedt gemeenlijk honderd twintig koninginnen op en
dikwijls nog meer, terwijl onze _Apis mellifica_ er hoogstens tien of
twaalf groot brengt. Cheshire spreekt van een volstrekt niet abnormalen
Syrischen korf, waarin men een en twintig doode en negentig levende en
vrije koninginnen ontdekte. Hier staan we dus aan het aanvangs- of
eindpunt van een tamelijk vreemde evolutie, waarvan het interessant zou
zijn ze grondig te bestudeeren. Laat ons er nog bijvoegen, dat wat de
koninginnen betreft, de Cyprische bij de Syrische zeer nabij komt. Is
dit een nog eenigszins onzekere terugkeer tot de oligarchie, na de
ervaring opgedaan met de monarchie, tot het moederschap van velen na dat
der ééne? Dit is zeker, dat de Syrische en Cyprische bijen, nauw verwant
met de Egyptische en Italiaansche, waarschijnlijk de eersten zijn, die
door den mensch zijn tam gemaakt. En ten slotte doet een laatste
waarneming ons nóg duidelijker zien, dat de zeden, evenals de
omzichtigheid, die blijkt uit de organisatie van den korf, niet het
resultaat zijn van een oorspronkelijken impuls, werktuigelijk
volgehouden in den loop der eeuwen en de onderscheiden klimaten, maar
dat de geest, die de kleine republiek regeert, alle nieuwe
omstandigheden weet op te merken, er zich naar te voegen en er partij
van te trekken, evenals hij vroeger reeds geleerd had gevaren af te
wenden. Naar Australië of Californië overgebracht, verandert onze zwarte
bij totaal van gewoonten. Reeds van het tweede of derde jaar af leeft
ze, nu ze gezien heeft, dat het daar voortdurend zomer is en de bloemen
haar nooit in den steek laten, van den eenen dag op den anderen,
vergenoegt zich met een zoo geringe hoeveelheid honing en stuifmeel als
voor het dagelijksch voedsel vereischt wordt, en doet zelfs geen
voorraad op voor den winter; zoo winnen hare nieuwe en verstandige
waarnemingen het van hare overgeërfde ervaring[1].

Zelfs kan men haar alleen door haar gaandeweg de vruchten van haar
arbeid af te nemen, in voortdurende werkzaamheid houden.


[1] Een dergelijk feit vindt men opgeteekend bij Büchner, dat eveneens
bewijst, hoe het aanpassen aan de omstandigheden niet iets is van langen
duur, een questie van eeuwen, iets onbewusts en gedwongens, maar
onmiddellijk plaats heeft en met verstandig overleg: In Barbados, waar
ze leven te midden der raffinaderijen, en dus 't geheele jaar door
suiker in overvloed vinden, staken ze totaal het bezoeken der bloemen.



VII.


Dit alles kunnen we met onze eigen oogen zien. Men zal moeten toegeven,
dat dit feiten van belang zijn, wel geschikt de meening aan het wankelen
te brengen van degenen, die zichzelf wijs maken, dat in geen enkel
verstand vooruitgang is te bespeuren en iedere toekomst onbewegelijk
vast staat, behalve het verstand en de toekomst des menschen.

Nemen we echter voor een oogenblik de hypothese van de evolutie aan, dan
breidt het tooneel zich uit en het onzekere, grootsche licht daarvan
reikt weldra tot aan ons eigen levenslot. Een onweersprekelijk feit is
het niet, maar voor wie nauwkeurig waarneemt is het moeielijk voorbij te
zien, dat er in de natuur een wil schuilt, die er naar streeft, een deel
der materie tot een teederder en misschien beter staat te verheffen,
haar oppervlak langzamerhand te doordringen van een hoogst geheimzinnig
fluïdum, dat we in den aanvang leven noemen, daarna instinct, en spoedig
daarop verstand; het bestaan van alles, wat leeft voor een onbekend doel
te verzekeren, te organiseeren en te verlichten. Zeker is het niet, maar
vele voorbeelden rondom ons maken ons de veronderstelling aannemelijk,
dat, zoo men de hoeveelheid materie kon schatten, die sedert haren
oorsprong aldus hooger is opgevoerd, men zou bevinden, dat deze
aanhoudend is toegenomen. Ik herhaal het, de opmerking mist alle
vastheid, maar 't is de eenige die we hebben kunnen maken omtrent de
verborgen kracht, die ons leidt; en dat is al veel in een wereld, waar
het onze eerste plicht is, vertrouwen te stellen in het leven, zelfs al
ontdekte men daarin geen enkelen bemoedigenden lichtstraal, en zoolang
er geen zekerheid bestaat voor het tegendeel.

Ik weet al wat men kan aanvoeren tegen de evolutieleer. Ze heeft
talrijke bewijzen en machtige redeneeringen, die echter, waar het er op
aan komt, geen overtuigende kracht hebben. Men moet zich nooit geheel
zonder voorbehoud overgeven aan de nieuw ontdekte waarheden van den tijd
waarin men leeft. Misschien zullen over honderd jaar vrij wat
hoofdstukken, die daarvan doortrokken zijn, juist daardoor verouderd
lijken, even als heden ten dage de werken van de philosophen der vorige
eeuw, met hunnen veel te volmaakten mensch, zooals er geen bestaat, en
verscheidene bladzijden uit de XVIIde eeuw, ontsierd door de idee van
den boozen en kleingeestigen god van de door zooveel ijdelheid en leugen
verdraaide katholieke overlevering.

Nochtans, als men de waarheid omtrent eenige zaak niet te weten kan
komen, dan is het goed de hypothese te aanvaarden, die op het oogenblik
waarin het toeval ons deed geboren worden, zich met den meesten klem aan
het verstand opdringt. Tien tegen één dat ze verkeerd is, doch zoolang
men haar voor waar houdt, is ze nuttig; ze vuurt den moed aan en stuurt
de onderzoekingen in eene nieuwe richting. Op 't eerste gezicht lijkt
het verstandiger, waar men deze vernuftige veronderstellingen wil doen
plaats maken voor iets anders, eenvoudig de diepe waarheid zelve te
zeggen, deze namelijk, dat men niets weet. Doch deze waarheid zou alleen
dan heilzaam zijn, wanneer het was uitgemaakt, dat men nooit iets te
weten zal komen. En ondertusschen zou ze ons laten staan, waar we staan,
wat veel noodlottiger is dan de ergste illusies. We zijn nu eenmaal zoo,
dat niets ons verder of hooger brengt dan de sprongen onzer dwalingen.
In den grond der zaak zijn we het weinigje, dat we weten, verschuldigd
aan hypotheses, die altijd gewaagd, somtijds onzinnig en voor 't
meerendeel nog minder voorzichtig waren dan die van onzen tijd.
Misschien waren ze onverstandig, doch ze hebben de nasporingen levendig
gehouden. Al was de wachter bij den haard van het hotel der menschheid
blind of heel oud, wat zou het den reiziger deren, die zich verkleumd
naast hem nederzet? Als het vuur onder zijn hoede maar niet is
uitgegaan, dan heeft hij gedaan wat de beste had kunnen doen. Laat ons
dat vuur op anderen overdragen, niet slechts ongeschonden maar ook
verlevendigd, en niets kan dit beter aanwakkeren dan deze hypothese van
de evolutie, die ons noodzaakt al wat daar leeft op de aarde, in haar
binnenste, in de diepten der zeeën en de wijdte der hemelen, met nog
strenger methode en meer onverflauwde belangstelling te ondervragen. Wat
stelt men er tegenover, wat kunnen we in haar plaats aanbieden, als we
haar verwerpen? De openhartige bekentenis van de geleerde onwetendheid,
die zichzelve kent, maar gewoonlijk werkeloos is en de nieuwsgierigheid
verlamt, welke nog noodzakelijker is voor den mensch dan de wijsheid
zelve, of wel de hypothese van de onveranderlijkheid der soort, die nog
minder bewezen is dan de onze, die voor altijd de levende deelen van het
probleem afsnijdt en zich ontdoet van het onverklaarbare door zichzelf
alle onderzoek te ontzeggen.



VIII.


Op dezen April-morgen heb ik in mijn tuin, die weer tot nieuw leven
ontwaakt onder een goddelijken groenen dauw, voor de bloemperken van
rozen en bevende primula's met hunnen rand van wit taschjeskruid, dat
men ook wel boerenkers of visselkruid noemt, de wilde bijen weergezien,
de voorouders van die, welke zich naar onze wenschen hebben geschikt, en
ik dacht weer aan de lessen van den ouden bijenkweeker in Zeeland. Meer
dan eens geleidde hij mij langs zijn veelkleurige bloembedden, die waren
aangelegd en onderhouden als in den tijd van vader Cats, den goeden,
prozaïschen en onuitputtelijken dichter. Ze vormden rozetten, sterren,
slingers, hangers en kroonluchters aan den voet van een hagedoorn of een
vruchtboom gesnoeid in den vorm van een bol, een pyramide of een
spinrokken, en de maagdenpalm liep waakzaam als een herdershond langs
de randen om de bloemen te beletten in de paden te groeien. Daar heb ik
de namen en de gewoonten leeren kennen van die onafhankelijke
honingdraagsters, aan wie wij nooit onze aandacht schonken, daar we ze
voor gewone vliegen, voor kwade wespen of domme torren houden. En toch
draagt ieder hunner onder het dubbel paar vleugels, dat hen kenmerkt in
het land der insecten, een levensplan, de idee en de middelen tot een
verschillend en dikwijls zeer wonderbaar levenslot. Hier hebben we in de
eerste plaats de naaste bloedverwanten onzer gewone bij, de behaarde en
ineengedrongen hommels, een enkelen keer klein, doch meestal zeer groot
en even als de oorspronkelijke mensch bedekt met een loshangend kleed
zonder snit, waaromheen zich de koper- of vermiljoenkleurige ringen
bevinden. Het zijn nog halve barbaren; ze verkrachten de bloemkelken,
scheuren ze indien ze weerstand bieden en dringen onder de satijnen
sluiers der bloemkroon door, zooals de holenbeer de geheel met zijde en
paarlen bewerkte tent van een Byzantijnsche prinses zou binnendringen.

Naast hem vliegt een monster met duisternis bekleed, grooter dan de
grootste onder hen. Hij gloeit van een somber vuur, eenigszins groen en
violetkleurig; dit is de Xylocopa of Houteter, de reuzin in de
bijenwereld. Als tweede in rang naar de grootte komt dan de Chalicodoma
of metsel-bij, die in zwart laken gekleed is en van klei en kiezelzand
woningen vervaardigt zoo hard als steen. Dan komen in bonte mengeling de
Dasypoden en Halicten, die op wespen gelijken, de Andrena's, dikwijls
ten prooi aan een fantastischen parasiet, den Stylops, die het voorkomen
van het slachtoffer, dat hij zich heeft uitgekozen, totaal verandert,
de Panurgen, bijna dwergjes en altijd beladen met een zware vracht
stuifmeel, de veelvormige Osmiën, die honderden bijzondere industrieën
hebben. Een hunner, de _Osmia papaveris_, vergenoegt er zich niet mee
het noodzakelijke eten van de bloemen te vorderen; ze snijdt van de
bloemkroon zelf van papaver en klaproos groote purperen lappen af, om
daarmee het paleis harer dochters koninklijk te behangen. Een andere
bij, de kleinste van alle, een stofje zwevend op vier elektrische
vleugeltjes, de lappendeken, Megachilis, snijdt uit de blaadjes van de
rozenstruik halve-maantjes, zoo nauwkeurig, dat het is, alsof ze de
blaadjes had laten uitslaan; ze vouwt die, past ze in elkaar en vormt
een kokertje van eenige wonderbaar regelmatige vingerhoedjes, die alle
tot cel van een larfje dienen.

Doch een geheel boek zou nauwelijks voldoende zijn om de gewoonten en
verschillende talenten op te sommen van deze honing-lievende menigte,
die zich in alle richtingen over de verlangende en passieve bloemen
beweegt, deze vastgeketende gelieven, die wachten op de
liefde-boodschap, hun gebracht door verstrooide gasten.



IX.


Men kent ongeveer vier duizend vijf honderd soorten van wilde bijen.
Natuurlijk zullen we ze niet alle de revue laten passeeren. Misschien
zal men eenmaal door grondige studie, door waarnemingen en
proefnemingen welke tot nu toe niet gedaan zijn en die meer dan één
menschenleven zouden vereischen, een helder licht kunnen doen vallen op
de geschiedenis van de evolutie der bij. Voor zoover ik weet is deze
geschiedenis nog nooit methodisch geschreven. 't Is te hopen, dat het
gebeuren zal, want ze zou meer dan één probleem moeten aanroeren, even
groot als die van menige geschiedenis der menschheid. Wat ons betreft,
zonder iets met beslistheid te zeggen, daar we hier in de gesluierde
gewesten der veronderstellingen komen, we zullen er ons mee vergenoegen
een enkelen stam der vliesvleugeligen te volgen op zijn weg naar een
hooger bestaan, naar een weinigje welvaart en veiligheid, en met een
enkelen trek zullen we de belangrijkste punten van deze stijging
aangeven, die over vele duizenden jaren loopt. De stam in questie is,
zooals we reeds weten, die der Apinen[1], welke zoo scherp geteekende en
duidelijk waarneembare kenmerken bezit, dat men veilig mag gelooven, dat
al zijne leden van een enkelen voorvader afstammen.

De leerlingen van Darwin, o.a. Hermann Müller, beschouwen een kleine
wilde bij, die over het gansche heelal verspreid is en _Prosopis_
genoemd wordt, als de hedendaagsche vertegenwoordigster van de
oorspronkelijke bij, van wie alle bijen, die wij in onze dagen kennen,
zouden afstammen.

De ongelukkige _Prosopis_ is tegenover de bewoonster onzer korven vrij
wel wat de holbewoner zou zijn in vergelijking met de gelukkige bewoners
onzer groote steden. Misschien hebt ge haar meer dan eens in een
verlaten hoekje van uw tuin, waar ze zich bewoog in het struikgewas,
gezien, zonder er op te letten en zonder te vermoeden, dat gij de
eerwaardige stammoeder voor u zaagt, aan wie wij waarschijnlijk de
meeste onzer bloemen en vruchten te danken hebben. (Inderdaad, men houdt
het er voor, dat er meer dan honderd duizend plantensoorten verdwijnen
zouden, indien onze bijen ze niet meer bezochten. En wie weet of we haar
ook niet onze beschaving moeten dank weten, want in deze mysteriën
schakelt zich alles aaneen). Ze is schoon en levendig; de in Frankrijk
meest verbreide soort is bevallig wit gevlekt op een zwarten grond. Doch
deze sierlijkheid verbergt een ongeloofelijke naaktheid. Ze leidt een
kommerlijk leven. Ze is bijna naakt, terwijl al hare zusteren met warme
en weelderige vachten zijn bekleed. Ze bezit geen enkel werktuig voor
den arbeid. Ze heeft geen korfjes om het stuifmeel in te verzamelen,
zooals de Apiden, of bij gebreke daarvan den uitwas aan de heup van de
Andrena's, noch die aan den buik van de Gastrilegiden. Moeizaam moet ze
met behulp van haar pootjes het meel uit de kelken inzamelen en het
inslikken om het naar hare woning te brengen. Ze heeft geen andere
hulpmiddelen dan haar tong, haar mond en haar pootjes, maar haar tong is
te kort, haar pootjes zijn zwak en hare kaken krachteloos. Daar ze geen
was kan voortbrengen, geen hout kan uithollen, geen grond kan omwoelen,
vervaardigt ze op onhandige wijze gangen in het weeke merg van droge
bramen, maakt er eenige ruw bewerkte cellen in, voorziet die van een
klein weinigje voedsel voor kinderen, die ze nooit zien zal en dan, als
hare armzalige taak is volbracht voor een doeleinde, dat zij niet kent
en wij al evenmin, legt ze zich in een hoekje neer om te sterven, alleen
in de wereld, evenals ze geleefd heeft.


[1]'t Is van belang de drie benamingen _Apinen, Apiden_ en _Apiten_ niet
met elkaar te verwarren, die wij beurtelings zullen gebruiken en die we
ontleenen aan de klassen-indeeling van Emile Blanchard. De stam der
Apinen omvat alle families der bijen. De Apiden vormen de eerste dezer
families en worden weder in drie groepen ingedeeld: De _Meliponiten_, de
_Apiten_ en de _Bombiten_ (Hommels). De _Apiten_ eindelijk omvatten de
verschillende variëteiten van onze honingbij.



X.


We gaan heel wat overgangsvormen voorbij, bij welke we langzamerhand de
tong konden zien langer worden om het honingsap uit de diepte van een
grooter aantal bloemkronen te kunnen putten, het apparaat voor het
inzamelen van stuifmeel ontstaan en zich ontwikkelen, nl. borstels en
haartjes aan scheenbeen, tars en buik, de pootjes en kaken sterker
worden, nuttige afscheidingen zich vormen, en den genius, die voorzit
bij het bouwen van woningen, naar alle kanten verrassende verbeteringen
zien zoeken en vinden. Zulk een studie zou een boekdeel vereischen. Ik
wil er slechts een enkel hoofdstuk, en nog minder, een enkele bladzijde
van schetsen, die ons door al de aarzelende pogingen heen van den wil om
te leven en gelukkig te zijn, de geboorte, het ontluiken en de
bevestiging van de sociale verstandhouding aantoont.

We hebben de ongelukkige Prosopis zien fladderen, die haar klein eenzaam
bestaan in dit groot heelal vol vreesaanjagende krachten, in stilte
draagt. Een zeker aantal harer zusteren, die reeds tot beter gewapende
en bekwamer rassen behooren, de goed gekleede Colleta's b.v. of de
merkwaardige rozenblad-snijdster, en de lapjesdeken Megachilis, leven
in even groote afzondering, en indien bij toeval zich een wezen aan haar
hecht en haar woning komt deelen, dan is 't een vijand of nog
veelvuldiger een parasiet. Want de wereld der bijen is met nog vreemder
spooksels bevolkt dan de onze, en menige soort heeft aldus een
geheimzinnigen en werkeloozen dubbelganger, volkomen gelijk aan het
slachtoffer, dat hij zich kiest, behalve dat reeds sinds onheugelijke
tijden zijn luiheid hem één voor één alle werktuigen voor den arbeid
heeft doen verliezen, en dat hij nog enkel kan blijven bestaan ten koste
van het werkzaam type van zijn ras[1].

Toch broeit het sociaal instinkt reeds onder die bijen, die men wel wat
al te categorisch _eenzame Apiden_ genoemd heeft, als een vlam die wordt
gedoofd onder de opeenhooping der materie, welke alle oorspronkelijk
leven onderdrukt. Hier en daar, waar men het volstrekt niet verwachten
zou, gelukt het dit instinct bij wijze van verkenningstocht, in
aarzelende en somtijds vreemdsoortige uitbarstingen, den houtstapel te
doordringen, die hem drukt en die eens door zijn zegepraal zal worden
verteerd.

Indien alles stof is in deze wereld, dan staat men hier wel voor de
meest onstoffelijke verandering der materie. Het geldt hier over te gaan
van het zelfzuchtig, onzeker en onvolmaakt leven tot het eenigszins
veiliger en eenigszins gelukkiger leven van broederschap. Het geldt op
ideëele wijze door den geest te vereenigen, wat in werkelijkheid is
gescheiden door het lichaam; te bewerken, dat het individu zich zal
opofferen voor de soort, en de dingen, die men niet ziet in de plaats
stellen van dat wat men ziet. Is het te verwonderen, dat de bijen niet
onmiddellijk verwezenlijken, wat wij, die staan op het bevoorrecht
standpunt, waar het instinct van alle kanten in het bewustzijn straalt,
nog niet eens hebben ontward? 't Is dan ook interessant, bijna
aandoenlijk, te zien hoe de nieuwe idee nog tastend zich voortbeweegt te
midden van de duisternis, die al wat op deze aarde ontstaat, omhult. Ze
komt uit de materie en is aanvankelijk nog geheel stoffelijk. Ze is
niets dan koude, honger of angst omgezet in iets, dat nog geene gestalte
heeft. Ze kruipt onzeker rondom de groote gevaren, de lange nachten, de
nadering des winters, en een verdachten slaap, die bijna gelijk is aan
den dood.


[1] Voorbeelden.--De Hommels, die de Psithyren tot parasieten hebben, de
Stelida's, die leven ten koste van de Anthidiën. "Men moet wel
aannemen", zegt J. Perez (_De Bijen_) zeer terecht naar aanleiding van
de veelvuldig voorkomende gelijkheid van den parasiet en zijn
slachtoffer, "men moet wel aannemen, dat de beide soorten slechts twee
vormen zijn van een zelfde type, en in de nauwste verwantschap tot
elkaar staan. Voor de natuurkundigen, die de evolutie-leer aanhangen, is
deze verwantschap niet zuiver ideëel maar reëel. Die woekerdieren zouden
dan enkel een zijlijn zijn van de inzamelende soort, en zouden juist die
organen voor de inzameling verloren hebben tengevolge van het
parasitisch leven".



XI.


De Xylocopen zijn, zooals we gezien hebben, machtige bijen, die hun nest
in droog hout schroeven. Zij leven altijd alleen. Toch gebeurt het wel,
dat men tegen het einde van den zomer, enkele individuen van een
bijzondere soort (_Xylocopa Cyanescens_) in hunne kouwelijkheid tot een
heele groep vereenigd in den steel van een affodil ziet kruipen om er
den winter gezamentlijk door te brengen. Deze broederschap in het late
seizoen is uitzondering bij de Xylocopen, maar bij hunne naaste
verwanten, de Ceratinen, is ze reeds tot een vaste gewoonte geworden.
Het denkbeeld breekt zich baan. Dadelijk echter komt het tot stilstand,
en tot nu toe heeft het bij de Xylocopen de eerste onduidelijke linie
van de liefde nog niet kunnen overschrijden.

Bij andere Apinen neemt de nog tastende idee andere vormen aan. De
Chalicodomen der schuren, die tot de metsel-bijen behooren, de Dasypoden
en Halicten, die legers graven, vereenigen zich in talrijke kolonies om
hunne nesten te bouwen. Maar 't is een denkbeeldige menigte, gevormd uit
op zichzelf staande wezens. Geenerlei overleg, geen enkele
gemeenschappelijke daad. Ieder staat geheel geïsoleerd in de menigte en
bouwt hare woning voor zich alleen, zonder zich om hare buren te
bekommeren. "Het is," zegt J. Perez, "enkel een verzameling individuen,
die door gelijkheid van smaak en vermogens op eenzelfde plaats worden
saamgebracht, bij wie de stelregel van het ieder voor zich in zijn
ganschen omvang in praktijk wordt gebracht; 't is een troep arbeiders,
die enkel door hun aantal en hun werklust aan den zwerm van den korf
doen denken. Zulke vereenigingen zijn dus eenvoudig het gevolg van het
groot aantal individuen, die dezelfde localiteit bewonen."

Doch bij de Panurgen, de nichten der Dasypoden, breekt plotseling een
lichtstraaltje door, en laat het ontluiken van een nieuw gevoel in de
toevallige bijeenvoeging zien. Ze vereenigen zich op dezelfde wijze als
de vorigen en ieder graaft voor zich hare onderaardsche woning; doch de
ingang, de gang die van de aardoppervlakte naar de verschillende holen
geleidt, is gemeenschappelijk.

"Zoo gedraagt zich dus ieder," zegt dezelfde Perez, "wat het
vervaardigen der cellen betreft, alsof zo alleen ware; doch allen maken
gebruik van de gang, die den toegang verleent; hierin profiteeren allen
van den arbeid eener enkele en sparen zoodoende den tijd en de moeite
uit, die vereischt zouden worden om ieder eene afzonderlijke gang te
vervaardigen. 't Zou interessant zijn na te gaan of ook deze
voorafgaande arbeid niet gemeenschappelijk werd verricht, en of niet
verscheidene wijfjes elkaar aflosten om er beurtelings aan deel te
nemen."

Hoe dit ook zij, het denkbeeld van broederschap hoeft reeds de wand
doorboord, die twee werelden van elkander scheidde. 't Zijn nu niet meer
de winter, de honger of de angst, die het, nog geheel onkenbaar,
afdwingen van 't instinct; hier doet het werkzaam leven het aan de hand.
Doch ook ditmaal komt het dadelijk tot stilstand, en weet zich nog niet
verder in deze richting te bewegen. Dat doet er niet toe, het verliest
den moed niet, en beproeft andere wegen. En ziet, nu dringt het door bij
de Hommels, rijpt daar, neemt er in een andere atmosfeer gestalte aan en
bewerkt de eerste beslissende wonderen.



XII.


De Hommels, die groote behaarde bijen, met hun zwaar geluid, die ons wel
vrees aanjagen, doch zeer vreedzaam zijn, en die wij allen kennen,
leven eerst in afzondering. Dadelijk in de eerste dagen van Maart begint
het bevruchte wijfje, dat den winter heeft overleefd, haar nest te
bouwen, 't zij onder den grond, 't zij in een heester, al naar de soort,
waartoe ze behoort. In de ontwakende lente is zij alleen op de wereld.
Ze gaat aan 't opredderen, aan 't graven en aan 't bekleeden van de
uitgekozen plaats. Dan maakt ze vrij vormelooze cellen van was, voorziet
ze van honing en stuifmeel, legt eieren en broedt ze uit, verzorgt en
voedt de larfjes, die uitkomen, en weldra ziet ze zich omringd van eene
schare dochters, die haar bijstaan bij haar werk binnen en buitenshuis,
en waarvan er eenige op hare beurt eieren gaan leggen. De welvaart neemt
toe, de bouw der cellen wordt beter, de kolonie breidt zich uit. De
stichteres blijft er de ziel en de voornaamste moeder van en ziet zich
geplaatst aan het hoofd van een koninkrijk, dat is als het ontwerp van
dat onzer honingbij. En een nog zeer ruw ontwerp. De welvaart is er
altijd nog zeer beperkt, de wetten zijn er slecht omschreven en worden
slecht gehoorzaamd, bij tusschenpoozen duiken het oorspronkelijk
cannibalisme en de kindermoord weer op, de bouworde is nog vormeloos en
kostbaar, doch wat het grootste onderscheid tusschen de beide rijken
uitmaakt is dit, dat het ééne duurzaam en het andere slechts tijdelijk
is. Inderdaad, dat der Hommels zal in den herfst volledig te gronde
gaan, zijne drie- of vierhonderd bewoners zullen omkomen zonder een
spoor van hun aanzijn achter te laten, al deze inspanning vergaat, en er
zal slechts één wijfje overblijven, dat in de volgende lente even
eenzaam als hare moeder en evenals deze niets bezittende, denzelfden
nutteloozen arbeid opnieuw zal beginnen. En toch blijft het feit
bestaan, dat ditmaal het denkbeeld zich zijner kracht bewust is
geworden.

Bij de Hommels zien we het deze grens nog niet overschrijden, doch
getrouw aan zijne gewoonte, gaat het zich onmiddellijk door een soort
van onvermoeide zielsverhuizing, nog trillend van zijn laatste
zegepraal, overmachtig en reeds bijna volmaakt, incarneeren in een
andere groep, de voorlaatste van het ras, die welke onze honingbij
onmiddellijk voorafgaat, waarin het zijn glanspunt bereikt, ik bedoel de
groep der Meliponiten, die de tropische Meliponen en Trigonen omvat.



XIII.


Hier is alles georganiseerd, evenals in onze korven. Waarschijnlijk is
er maar ééne moeder[1] en verder zijn er geslachtloozen en darren. Zelfs
zijn sommige bijzonderheden er beter geregeld. De mannetjes zijn er b.v.
niet geheel werkeloos, ze scheiden was af. De toegang tot de stad wordt
met meer zorg verdedigd: gedurende de koude nachten is hij afgesloten
door een poort, in de warme nachten door een soort gordijn, dat lucht
doorlaat.

Doch de republiek is minder sterk, het leven der leden minder veilig, de
welvaart beperkter dan bij onze bijen, en overal waar men deze laatsten
er in brengt, hebben de Meliponiten de neiging, voor hen de plaats te
ruimen. Het denkbeeld van broederschap hoeft zich gelijkelijk en
prachtig in de beide rassen ontwikkeld, behalve op één punt, waarop het
bij een van hen nauwelijks verder is dan wat het reeds bij de beperkte
familie der Hommels bereikt had. Dit punt is de mechanische organisatie
van den gemeenschappelijken arbeid, het uitsparen van alle overbodige
inspanning, in één woord de bouworde van den korf, die, zooals duidelijk
is te zien, van minder gehalte is.

Ik kan volstaan met te herinneren aan hetgeen ik in Boek III, Hoofdstuk
XVIII gezegd heb, en voeg er nog aan toe, dat in de korven dor Apiten
alle cellen gelijkelijk geschikt zijn voor het kweeken van broedsel of
voor het bewaren van de provisie, en dat ze even lang bestaan als de
stad zelve, terwijl ze bij de Meliponiten slechts tot één doeleinde
kunnen gebruikt worden en dat die, welke tot wiegjes der jeugdige
nymphen dienen, vernietigd worden, nadat deze zijn uitgekomen.

Bij onze honingbijen heeft dus het denkbeeld zijn volmaaktsten vorm
aangenomen. En zoo hebben we dan hier een vlug ontworpen en onvolledig
overzicht van de ontwikkeling dezer idee. Staan die verschillende vormen
eens voor goed vast bij iedere soort en zou de lijn, die hen verbindt,
enkel in onze verbeelding bestaan? Baat ons nog geen systeem gaan
opbouwen in deze nog zoo gebrekkig onderzochte gewesten. We kunnen
enkel voorloopige gevolgtrekkingen maken en, als we willen, bij voorkeur
overhellen tot die, welke de meeste hoop geven; want zoo we noodzakelijk
moesten kiezen, dan hebben we reeds een schemerachtige aanduiding, dat
de meest gewenschte tevens die zijn, welke de meeste zekerheid hebben.
En laat ons overigens erkennen, dat onze onwetendheid nog zeer groot is.
Duizenden proefnemingen, die men zou kunnen doen, zijn nog niet gedaan.
Zouden b.v. de Prosopis, de gevangenen, die genoodzaakt zijn met hunne
gelijken samen te wonen, op den langen duur den ijzeren drempel van de
volstrekte eenzaamheid kunnen overschrijden, er evenals de Dasypoden
pleizier in krijgen zich te vereenigen, en een poging tot verbroedering
doen zooals de Panurgen? Zouden de Panurgen op hare beurt van de
gemeenschappelijke gang den overgang kunnen maken tot een
gemeenschappelijke kamer? Zouden de moeders der Hommels, die samen
overwinterden, in gevangenschap grootgebracht en gevoed, er toe kunnen
komen samen overleg te plegen en den arbeid te verdeelen? En wat de
Meliponiten betreft, heeft men hun wel eens kunstraten met cellen-indruk
gegeven? Heeft men hun kunstmatige honing-amphora's aangeboden om de
zonderlinge, die zij bouwen, te vervangen? Zouden ze die aannemen en er
partij van trekken; en hoe zouden ze hunne gewoonten plooien en schikken
naar dezen ongewonen bouw? Dit zijn alles vragen, die we richten tot
zeer kleine wezentjes en die toch de kern van onze grootste geheimen
inhouden. We kunnen er geen antwoord op geven, want onze ondervinding
dateert eerst van gisteren. Als we rekenen van af Réaumur, dan is men
ongeveer anderhalve eeuw bezig met het waarnemen van de zeden van
enkele wilde bijen. Réaumur kende er maar een paar, wij hebben er eenige
andere bestudeerd; doch honderden, misschien duizenden, zijn tot op
heden enkel ondervraagd door onwetende of haastige reizigers. Die welke
wij kennen sedert den schoonen arbeid van den schrijver der
_Gedenkschriften_, hebben niets in hunne gewoonten veranderd, en de
Hommels, die omstreeks 1730 met goudpoeder waren bestrooid, trilden als
het verkwikkelijk gemurmel der zon, en zich te goed deden aan honing in
de tuinen van Charenton, geleken volkomen op die welke, nu de
April-maand is weergekeerd, morgen zullen gonzen eenige schreden van
daar verwijderd, in het bosch van Vincennes. Doch van Réaumur tot op
onze dagen, dat is slechts een wenk des tijds voor ons onderzoek, en
verscheidene menschenlevens aan elkander gevoegd vormen slechts eene
seconde in de geschiedenis van eene gedachte der natuur.


[1] 't Staat niet vast, dat de regel van slechts ééne koningin of moeder
streng wordt volgehouden bij de Meliponiten. Blanchard meent terecht,
dat er waarschijnlijk verscheidene wijfjes in een zelfden korte leven,
daar ze niet voorzien zijn van een angel en bijgevolg elkander niet zoo
gemakkelijk kunnen dooden als de bijen-koninginnen. Toch heeft men zich
tot nu toe niet van de waarheid daarvan kunnen overtuigen wegens de
groote overeenkomst tusschen wijfjes en werkbijen en de onmogelijkheid,
in ons klimaat Meliponen te kweeken.



XIV.


Al heeft nu de idee, die wij met de oogen hebben gevolgd, haren hoogsten
vorm aangenomen bij onze honingbijen, daarmede is niet gezegd, dat alles
in den korf onverbeterlijk is. Een meesterstuk, de zeshoekige cel,
bereikt daarin in ieder opzicht hare absolute volmaking, en aan alle
genieën vereenigd zou het onmogelijk zijn iets daaraan te verbeteren,
Geen enkel levend wezen, niet eens de mensch, heeft in zijne sfeer tot
stand gebracht, wat de bij tot stand bracht in de hare; en indien er
eens een geest, die niet tot de aarde behoorde, haar het meest volmaakte
voorwerp van de logica des levens kwam vragen, zou men hem een
eenvoudige honingraat moeten aanbieden.

Doch niet alles evenaart dit meesterstuk. In 't voorbijgaan hebben we
reeds eenige fouten en vergissingen aangeteekend, nu eens in 't oog
vallend, dan weer meer bedekt: de schadelijke overvloedigheid en
werkeloosheid der darren, de parthenogenesis, de gevaren van de
parings-vlucht, het overdreven veel zwermen, het gebrek aan meegevoel,
het haast monsterachtig opofferen van den individu aan de gemeenschap.
Laten we er nog aan toevoegen een zonderlinge neiging om enorme massa's
stuifmeel op te zamelen, die niet gebruikt al spoedig ransig en hard
worden en maar in den weg staan; verder de lange onvruchtbare
tusschenpoos tusschen het eerste zwermen en de bevruchting der tweede
koningin, enz.

Van deze fouten is de ergste, de eenige, die in ons klimaat bijna altijd
noodlottig is, het herhaald zwermen. Doch laat ons, wat dit betreft,
niet vergeten, dat de natuurlijke teeltkeus van onze gewone bij reeds
sedert duizenden van jaren door den mensch is tegengewerkt. Van den
Egyptenaar uit den tijd der Pharao's tot op de boeren van onze dagen
heeft de bijenhouder altijd tegen de wenschen en belangen der soort in
gehandeld. De voorspoedigste korven zijn die, welke slechts één zwerm
uitzenden dadelijk in 't begin van den zomer. Zoo vervullen zij hun
moederlijk verlangen, verzekeren de instandhouding van den moederstok,
de noodzakelijke vernieuwing der koninginnen, en de toekomst van den
zwerm, die zoo talrijk en zoo vroeg in den tijd, gelegenheid heeft
stevige en welvoorziene woningen te bouwen voorliet invallen van den
herfst. 't Is wel zeker, dat, wanneer men ze aan zichzelf overliet, het
bij onze Noordelijke rassen langzamerhand regel geworden zou zijn weinig
te zwermen, daar dan deze korven en hunne afstammelingen alleen de
bezwaren van den winter zouden overleven, die bijna geregeld de door
andere instincten beheerschte kolonies zouden vernietigd hebben. Maar
juist deze voorzichtige, welvarende en goed geacclimatiseerde korven
worden altijd door den mensch vernield, om in 't bezit te komen van
hunne schatten. Hij liet en laat nog in de tot gewoonte geworden
praktijk enkel de uitgeputte moederstokken, de tweede of derde nazwermen
overleven, die zoo ongeveer genoeg hebben om den winter door te komen of
waaraan hij wat honing-afval meedeelt om hunne armelijke provisie aan te
vullen. Het gevolg daarvan is geweest, dat waarschijnlijk de soort is
verzwakt, dat de neiging tot al te veelvuldig zwermen zich erfelijk
heeft ontwikkeld en dat tegenwoordig bijna al onze bijen, vooral de
zwarte, te vaak zwermen. Sedert enkele jaren is de nieuwe methode van
het bijenkweeken met mobielbouw deze gevaarlijke gewoonte komen
bestrijden, en wanneer men ziet, met hoeveel snelheid de teeltkeus
inwerkt op de meeste onzer huisdieren, op ossen, honden, schapen,
paarden, duiven, om ze niet alle op te noemen, dan is 't geoorloofd te
meenen, dat wij over niet te langen tijd een geslacht van bijen zullen
bezitten, die het natuurlijk zwermen bijna geheel zullen opgeven en zich
met alle kracht zullen toeleggen op het inzamelen van honing en
stuifmeel.



XV.


Maar hoe staat het met die andere fouten; zou een verstand, dat zich
klaarder bewust was van het doel des gemeenschappelijken levens, zich
ook daarvan niet kunnen bevrijden? Er zou heel wat te zeggen vallen
omtrent deze fouten, die nu eens 't gevolg zijn van onbekendheid met den
korf, dan weer van 't zwermen met zijne misgrepen, waarin wij de hand
hebben gehad. Maar naar hetgeen hij tot nu toe gezien heeft, kan ieder
naar willekeur aan de bijen verstand toekennen of ontzeggen. Ik ben er
niet op gesteld hen te verdedigen. Mij komt het zoo voor, dat ze in
verschillende omstandigheden begrip toonen te bezitten; doch al deden ze
blindelings al wat ze doen, dan zou mijne nieuwsgierigheid er niet
minder om zijn. 't Is interessant op te merken, hoe eenig brein in
zichzelf buitengewone hulpmiddelen vindt om te strijden tegen de koude,
den honger, den dood, den tijd, de ruimte of de eenzaamheid, al die
vijanden van de materie, die leven heeft verkregen; maar dat een wezen
er in slaagt zijn ingewikkeld en diep leventje te onderhouden zonder
iets meer dan zijn instinct, zonder iets anders te doen dan het zeer
gewone, dat is eveneens zeer interessant en zeer buitengewoon. Het
gewone en het buitengewone vloeien ineen en wegen tegen elkander op,
wanneer men ze op de rechte plaats stelt te midden der natuur. Niet zij,
die aangematigde namen dragen, maar het onbegrepene en onverklaarde
moeten onze blikken tot zich trekken, onze werkzaamheid aanvuren en een
nieuwen, juisten vorm geven aan onze gedachten, gevoelens en woorden, 't
Is verstandig zich niet op iets anders toe te leggen.



XVI.


Bovendien, wij hebben eigenlijk niet de bevoegdheid, in naam van ons
verstand de fouten der bijen te veroordeelen. Zien we onder ons het
verstand en het bewustzijn niet langen tijd leven te midden van
dwalingen en fouten zonder ze op te merken, en nog langer zonder
genezing aan te brengen? Indien er één wezen bestaat, dat door zijn
bestemming er speciaal, bijna organisch toe is aangewezen zich ten volle
bewust te worden, volgens de zuivere rede te leven en het
gemeenschappelijk leven te organiseeren, dan is het wel de mensch. En
toch, zie eens wat hij er van maakt, en vergelijk eens de gebreken van
den bijenkorf met die van onze maatschappij. Indien wij bijen waren, die
de menschen waarnamen, dan zou onze verbazing groot zijn, als we b.v. de
onlogische en onjuiste organisatie van den arbeid zagen bij een stam van
wezens, die ons toch overigens met een eminent verstand begaafd leken.
We zouden zien hoe de oppervlakte der aarde, de eenige bron van alle
gemeenschappelijk leven, moeizaam en ontoereikend werd bebouwd door twee
of drie tiende van de gansche bevolking; hoe een ander tiende in
volslagen werkeloosheid het beste doel der produkten van dien arbeid
verslond; hoe de overige zeven tiende, tot een eeuwigdurenden
half-honger veroordeeld, hunne krachten onophoudelijk moesten inspannen
voor vreemdsoortig en onvruchtbaar werk, waarvan ze zelven nooit
voordeel trekken en dat er enkel toe schijnt te dienen, het leven der
leegloopers nog ingewikkelder en onverklaarbaarder te maken. We zouden
er uit afleiden, dat het verstand en de zedelijkheid dezer wezens tot
een gansch andere wereld behoorden dan de onze en dat ze principes
volgden, die wij maar niet zonden wenschen te begrijpen. Laat ons dit
overzicht over onze gebreken maar niet verder voortzetten. Ze staan ons
toch altijd voor den geest. Doch 't is waar, al zijn ze daar, ze richten
er al heel weinig uit. Niet veel meer dan van eeuw tot eeuw staat een
hunner even op, schudt voor een oogenblik den slaap van zich af, stoot
een kreet van verbazing uit, rekt den pijnlijken arm eens, die het hoofd
heeft gestut, verandert van houding, legt zich weer neder en slaapt
opnieuw in, totdat een nieuwe pijn, gevolg van de doffe vermoeienis der
rust, het wederom wekt.



XVII.


Nemen we nu de evolutie der Apinen of althans der Apiten eenmaal aan,
daar ze waarschijnlijker is dan het tegendeel, dan rijst de vraag welke
vaste en algemeene richting deze evolutie neemt? Ze schijnt dezelfde
lijn te volgen als de onze. Klaarblijkelijk streeft ze er naar
inspanning, onveiligheid, gebrek te verminderen, en het welzijn, de
gunstige kansen en het gezag der soort te bevorderen. Aan dit doeleinde
schroomt ze niet het individu ten offer te brengen en geeft door de
gemeenschappelijke voordeelen van kracht en geluk vergoeding voor de
trouwens denkbeeldige en ongelukkige onafhankelijkheid der eenzaamheid.
't Heeft er veel van alsof de natuur, evenals Pericles bij Thucidides,
het er voor houdt, dat de individuen gelukkiger zijn in een stad, die in
haar geheel voorspoedig is, zelfs indien zij er moeten lijden, dan
wanneer het individu welvaart geniet en de staat kwijnt. Ze beschermt
den ijverigen slaaf in de machtige stad, en geeft den voorbijganger, die
geen taak heeft in deze onbestendige associatie, aan de vele vijanden
zonder naam en gedaante prijs, die schuilen in alle oogenblikken des
tijds, alle bewegingen van 't heelal, alle oneffenheden van de ruimte.
't Is nu niet de tijd om over deze gedachte der natuur te disputeeren,
noch om ons af te vragen, of het den mensch betaamt zich daarnaar te
richten; doch 't is wel zeker, dat overal waar de oneindige massa ons in
de gelegenheid stelt den schijn eener idee te vatten, die schijn dezen
weg inslaat, waarvan we het einde niet kennen. Wat ons aangaat zal 't
voldoende zijn te constateeren, met hoeveel zorg de natuur er zich op
toelegt, al wat op de vijandelijke inertie der materie eenmaal is
veroverd, te bewaren en vast te leggen in het zich ontwikkelend ras. Ze
zet een punt achter de welgeslaagde poging en legt den achteruitgang,
die onvermijdelijk zou zijn na die inspanning, allerlei speciale en
welwillende wetten in den weg. Deze vooruitgang, dien men bij de
verstandelijk meest ontwikkelde soorten moeielijk zou kunnen loochenen,
heeft wellicht geen ander doel dan die beweging zelf en weet niet waar
hij heen gaat. In ieder geval, in een wereld waarin niets, uitgenomen
enkele feiten van dezen aard, op een duidelijken wil wijst, is het van
veel beteekenis enkele wezens zich trapsgewijze en onafgebroken te zien
ontwikkelen, sedert den dag, waarop wij onze oogen geopend hebben; en al
hadden de bijen ons niets anders geopenbaard dan deze geheimzinnige
spiraal van licht in den alles overheerschenden nacht, dan zou dit
genoeg zijn om ons den tijd niet te doen betreuren, gewijd aan de studie
hunner kleine daden en nederige gewoonten, die zoo ver af staan van en
toch eigenlijk zoo dicht bij onze groote passies en onze trotsche
bestemming.



XVIII.


't Is mogelijk dat dit alles ijdel is, en dat onze spiraal van licht en
die der bijen evenzeer enkel schijnt om de duisternis op te vroolijken.
't Is ook mogelijk dat een geweldig incident van buiten af komend, van
een andere wereld of van een nieuw natuurverschijnsel, plotseling een
beslissende richting geeft aan dat pogen of het voor goed vernietigt.
Doch laat ons onzen weg vervolgen alsof er niets abnormaals gebeuren
zou. Al wisten we, dat morgen eene of andere openbaring, b.v. de
aanraking met een oudere en meer lichtgevende planeet, onze gansche
natuur zou in de war brengen, de diep in ons binnenste gewortelde
hartstochten, wetten en waarheden van ons wezen zou onderdrukken, dan
nog zou 't het verstandigst wezen in het heden al onze belangstelling te
wijden aan die hartstochten, wetten en waarheden, ze in onzen geest tot
harmonie te brengen, en getrouw te blijven aan onze bestemming, die
hierin bestaat, de duistere machten van het leven aan ons te onderwerpen
en tot een eenigszins hooger peil te brengen in ons zelven en rondom
ons. 't Kan zijn dat er in de nieuwe openbaring niets van blijft
bestaan, doch 't kan _niet_ zijn, dat zij die tot den einde toe hunne
zending, de menschelijke zending bij uitnemendheid, hebben vervuld, niet
in de eerste rijen zouden staan om deze openbaring te ontvangen: en
zelfs indien ze hun mocht leeren, dat de eenige ware plicht bestond in
niet vragen en zich er in schikken, dat men niet weten kan, dan zullen
zij beter dan anderen dezen plicht weten te begrijpen en er partij van
te trekken.



XIX.


En bovendien, laten we aan onze droomen niet die richting geven. Laten
we de mogelijkheid eener algeheele vernietiging evenmin opnemen in de
becijfering onzer behoeften, als de wonderbare hulp van eenig toeval.
Tot nu toe waren we ondanks de schoone beloften onzer verbeeldingskracht
toch altijd aan ons zelven en onze eigen hulpmiddelen overgeleverd. Door
onze eigen nederigste pogingen hebben wij al, wat er nuttigs en
duurzaams op deze aarde is verricht, tot stand gebracht. 't Staat ons
vrij het beste of het ergste te verwachten van eenig buitengewoon
voorval, doch alleen op voorwaarde, dat deze verwachting zich niet
bemoeit met onze taak als menschen. Ook hier geven ons de bijen een
uitstekende les, uitstekend als alle lessen der natuur. Voor hen kwam er
werkelijk een wonderdadige tusschenkomst. Veel beslister dan wij zijn
zij overgeleverd aan de handen van een wil, die hun geslacht kan
vernietigen of wijzigen, en aan hun lot een andere wending geven. En
niettemin volgen zij hun oorspronkelijken en grooten plicht. En 't zijn
juist diegenen onder hen, welke 't best gehoor geven aan dezen plicht,
die er het geschiktst voor zijn te profiteeren van die bovennatuurlijke
tusschenkomst, waardoor in onze dagen het lot hunner soort aan 't
stijgen is. Nu is het minder moeielijk dan men meent, den onafwijsbaren
plicht van een wezen te ontdekken. Men kan dien altijd lezen uit het
orgaan, dat juist hem onderscheidt en waaraan alle andere ondergeschikt
zijn. En zoo goed als 't op de tong, in den mond en de maag der bijen
geschreven staat, dat zij honing moeten voortbrengen, zoo goed is het in
onze oogen, onze oren, ons merg, alle uitwendige organen van ons hoofd,
in 't gansche zenuwstelsel van ons lichaam te lezen, dat wij er toe
geschapen zijn, al wat wij in ons opnemen van de dingen der aarde, om te
zetten in een bijzondere en geheel eenige kracht op dezen aardbol. Zoo
ver ik weet is geen wezen zóó zeer als wij bewerktuigd om dat vreemde
fluïdum voort te brengen, dat we noemen met den naam van gedachte,
verstand, begrip, rede, ziel, geest, hersenvermogen, deugd, goedheid,
kennis; want het bezit duizenden namen, al heeft het slechts één
essence. Alles in ons werd daaraan opgeofferd. Onze spieren, onze
gezondheid, de lenigheid onzer ledematen, het evenwicht onzer dierlijke
functies, de rust onzes levens, dragen den steeds grooter wordenden last
van zijn overwicht. Het is de kostelijkste en moeielijkste toestand
waartoe men de materie kan verheffen. De vlam, de warmte, het licht, het
leven zelf, het instinct, dat nog fijner is dan het leven, en de meeste
der onvatbare machten, die de kroon der wereld waren vóór onze komst,
dat alles is verbleekt bij de aanraking met het nieuwe fluïdum. We weten
niet, waarheen het ons leidt, wat het met ons doen zal, wat wij er mee
doen zullen. 't Zal aan hem staan ons dit te doen weten, wanneer het in
volheid van kracht heerschen zal. Laat ons in afwachting daarvan er
enkel aan denken daaraan te geven, al wat het van ons vraagt, daaraan
alles ten offer te brengen, wat zijn ontwikkeling zou kunnen
tegenhouden. 't Is wel niet twijfelachtig of dat is voor 't oogenblik
onze eerste en duidelijkste plicht. Deze zal ons de overige bij
toeneming leeren. Hij zal ze voeden en versterken al naardat hijzelf
gevoed wordt, even als het water der bergen in rechte reden met het
geheimzinnig voedsel van zijn top de beken der vlakte voedt en
versterkt. Laten we ons niet kwellen met den wensch, te weten wie partij
zal trekken van de kracht, die aldus ten onzen koste vermeerderd wordt.
De bijen weten niet of zij den honing zullen eten, dien zij inzamelen.
Evenmin weten wij, wie voordeel zal trekken van de geestelijke kracht,
die wij in 't heelal brengen. Even als zij van bloem tot bloem gaan om
meer honing in te zamelen dan zij zelven en hunne kinderen behoeven,
laat ons zoo gaan van werkelijkheid tot werkelijkheid om alles bijeen te
garen wat tot voedsel kan strekken aan deze onvatbare vlam, opdat wij op
alles zijn voorbereid in de zekerheid onzen organischen plicht te hebben
vervuld. Laat ons haar voeden met onze gevoelens, onze hartstochten, met
al wat we zien, hooren, ruiken, aanraken en met haar eigen essence, dat
is de idee, die ze haalt uit de ontdekkingen, ervaringen, opmerkingen,
uit al wat ze bezoekt. Dan komt er een oogenblik, waarop alles zich zóó
natuurlijk ten goede keert voor een geest, die zich heeft ondergeschikt
gemaakt aan de eischen van den echt menschelijken plicht, dat zelfs het
vermoeden dat al zijn krachtsinspanning misschien doelloos is, den ijver
zijner nasporingen nog klaarder, zuiverder, belangloozer,
onafhankelijker en edeler maakt.




*** End of this LibraryBlog Digital Book "Het leven der bijen" ***

Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home