Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Malta en de Maltezer Orde - De Aarde en haar Volken, 1906
Author: Vuillier, Gaston, 1846-
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.


*** Start of this LibraryBlog Digital Book "Malta en de Maltezer Orde - De Aarde en haar Volken, 1906" ***


Malta en de Maltezer Orde.

Naar het Fransch van GASTON VUILLIER.


I.

Van Syracuse naar Malta.--La Valette en de stichting door den
Grootmeester der Orde.--Aankomst in de groote haven.--Aanzien van de
stad.--Koetsiers en schippers.--De witte steenen huizen.--Terrasvormige
daken.--Mannen en vrouwen van Malta.--Het huiselijk leven.--Het
gezelschapsleven.--De kantwerksters.--Een avond in de Barraea.--Het
Hooglandersregiment en hun muziek op het plein.--De hoofdstraten.--De
paleizen.


Ik was voornemens, mij van Tunis naar Malta te begeven, om er de
plechtigheden van de Heilige Week bij te wonen, die mij als zeer
origineel waren aanbevolen. Daar echter een onverwacht besluit
van de engelsche autoriteiten de haven van La Valette gesloten had
verklaard voor uit het Oosten komende schepen en voor wat van de kust
van Afrika kwam, moest ik mijn reisplan veranderen. De vrees voor het
overbrengen van de pest bij het bestuur van Malta leidde er dus toe,
dat ik een plaats besprak op een paketboot van de Compagnie Générale
Transatlantique. Deze bracht mij naar Tripoli, en ik had er geen
spijt van.

Maar de toen opgedane ondervinding en een groot aantal andere
omstandigheden, die zich in den loop van mijn reizen voordeden, deden
mij besluiten, voor het vervolg geen vast reisplan te maken. Ik vond
er meer genoegen in, mij op goed geluk te laten gaan, mijn fantasie
te volgen of het toeval te laten beslissen.

Onder zulke omstandigheden nam ik plaats aan boord van een italiaansche
stoomboot, die zich gereed maakte om uit te varen. De bestemming liet
mij vrij koel, want een horizon vol geheimzinnigheden had toen groote
aantrekkelijkheid voor mij. Het was te Syracuse, dat ik mij inscheepte,
en toen ik mij op de brug bevond, zag ik om naar den grond van Sicilië,
die mij zooveel rein en edel genot had geschonken, zooveel uren van
bekoring in zijn toovertuinen en van angstige ontzetting op de woeste
hellingen van zijn kraters. Ik moest nu misschien voor altijd dat mooie
Trinakria vaarwel zeggen, en het was mij, of ik een deel van mijzelven
achterliet tusschen de verre heuvels, die in de schaduw wegscholen.

De stad begaf zich ter ruste in het bleeke licht van den scheidenden
dag. In den brandenden zonneschijn had ik de bergachtige omstreken
doorwandeld tusschen de instortende oude muren, die resten zijn van
monumenten uit een grootsch verleden. Ik had de tempels bewonderd van
het antieke Ortygia, had rondgedwaald in de beruchte steengroeven van
de Lautumiae en was genaderd tot dichtbij de geheimzinnige fontein,
waar de nymf Arethusa, om hare liefde schreiend, eeuwig hare tranen
mengt onder het water van de zee.

De avond was gekomen, en de stralen der maan, brekend door den nevel,
wierpen als liefkoozend hun licht over de sombere grootschheid der
oude heuvels. De duisternis roept droomen wakker; de ruimte vulde
zich voor mij met gestalten, en ik zag het verleden oprijzen uit het
stof en leven krijgen in die vage nachtelijke helderheid. Illusie!
Alleen de asch der oude stad lag op de zwijgende hoogten en vervloog
als alle glorie in het ledige, verstoven door den wind.

Weldra verdween Syracuse. Dichtbij ons trilde een vuurtorenlicht,
ging weer uit om weer op te lichten en dan weer te verdwijnen, als
een ironische glimlach van het lot, dat ons zelfs op zee herinnert aan
zijn grilligheid en aan onze droomen, die illusies, aan onze wenschen,
die bedrog zijn.

De uren glijden voort, ... het wordt dag. Wij krijgen Malta in het
gezicht. De opgaande zon, die in haar maagdelijkheid rose uit het
water opstijgt, werpt lichtjes op de muren van La Valette, dat in
onbepaalde omtrekken zich aan het oog vertoont.

La Valette, dat ik vroeger slechts terloops had gezien onder een
brandende zon, met zijn wallen en bastions en al, wat denken deed aan
een heftigen strijd, die wel aanstaande scheen, dreef daar boven de
zee als in een wazig spiegelbeeld. Teêr gekleurde wolken verborgen
de op rijen staande kanonnen voor ons oog en verzachtten den aanblik
der groote, fel dreigende, versterkte rots. Een damp dreef rustig
op de oppervlakte van het water in golvende sluiers en zweefde door
de lucht als een fijne wolk, die langzamerhand uiteenrafelde en zich
oploste in het etherische licht van den morgen.

Naarmate wij dichterbij kwamen, ontdeed de stad zich van haar sluiers,
om forsch en frisch, maar dor en koud, tevens het heldere zonlicht
op te vangen. De aanblik is nog niet veranderd sinds den tijd, reeds
lang geleden, toen de stad de zeeën beheerschte. Zij wekt nog altijd
herinneringen aan oorlogsgeweld en krijgsmansglorie.

De beroemde stichter der stad, de Grootmeester Jean Parisot de la
Valette, had als plaats voor de stad gekozen den berg Scebarras,
een groote, kale rots, een soort van schiereiland tusschen twee ruime
baaien, die de twee belangrijkste havens zijn geworden, Marsa en de
quarantainehaven, Marsa-Muscet geheeten.

Het was in 1565 na de nederlaag van het leger van Soliman den Tweede,
die het eiland had willen veroveren. De Grootmeester besloot partij te
trekken van een oogenblik van rust in den strijd, om de door de Turken
vernielde wallen weer te herstellen en de beide havens te verdedigen
door het aanleggen van een nieuw fort op het schiereiland tusschen
hen beide in. Op datzelfde schiereiland ging hij toen een stad bouwen,
omringd door vestingwerken, waar het klooster en de woning der ridders
veilig zouden zijn.

Met dat doel en vooral om den niet onaanzienlijken financiëelen
steun te erlangen, dien hij noodig had, wendde de Grootmeester
zich door tusschenkomst van de bij de hoven geaccrediteerde gezanten
rechtsstreeks tot de koningen van Frankrijk, Spanje en Portugal en tot
den Paus, evenals tot verschillende italiaansche vorsten. Die gezanten
zetten uiteen, dat het niet voldoende was, Malta door een hardnekkigen
tegenstand te hebben gered, maar dat men, nu het eiland nog door
een handigen tegenstander kon veroverd worden, verplicht was, het
zoo spoedig mogelijk te versterken, dat er nieuwe verdedigingswerken
moesten worden aangelegd, nadat de gevolgen van het doorgestane beleg
waren verholpen.

De afgevaardigden legden vooral den nadruk op die punten, welke voor de
afzonderlijke regeeringen, tot wie zij zich wendden, in het bijzonder
van belang waren, en toen ze melding maakten van het voornemen van
den Grootmeester, om een stad te bouwen, legden zij de plannen over
ter ondersteuning van het denkbeeld.

Al de vorsten, getroffen door de grootschheid en het nut van
de voorstellen, beloofden, ze te steunen en La Valette bij deze
onderneming te helpen. De Paus beloofde, eraan deel te nemen met
vijftien duizend kronen, de koning van Frankrijk met veertig duizend
livres, Filips de Tweede, met negentig duizend en de koning van
Portugal met dertig duizend. De commandeurs der Orde stonden in edele
belangeloosheid hun bezittingen af en gaven hun kostbaarste meubelen,
om de onderneming te doen slagen.

Zonder tijd te verliezen, liet La Valette dadelijk ingenieurs,
bouwmeesters en werklieden uit Italië komen, en kort daarna begaf
zich de Grootmeester in plechtig ambtsgewaad, vergezeld door den
Raad van Bestuur der Orde en gevolgd door al de ridders, naar den
berg Scebarras, waar hij den eersten steen legde voor de nieuwe
stad. Op dien steen stond gegrift het besluit van den Raad, dat wij
hier vertaald uit het Latijn laten volgen.

"De zeer beroemde en vereerde broeder, Jean de la Valette,
Grootmeester van de Orde der Hospitaalridders of der Ridders van
Sint-Jan, die voor oogen heeft al de gevaren, waaraan zijn ridders
en zijn volk van Malta hebben blootgestaan bij het jongste beleg en
die in overleg met den Raad der Orde, om nieuwe ondernemingen van
den kant der Barbaren tegen te gaan, het plan heeft gevormd, een stad
te bouwen op den berg Scebarras, heeft heden, Donderdag 28 Maart van
het tegenwoordige jaar 1566, na den heiligen naam van God te hebben
ingeroepen, de tusschenkomst der Heilige Maagd te hebben gevraagd
en die van den Heiligen Johannes den Dooper, den patroon der Orde,
om den zegen des hemels af te smeeken op een zoo belangrijk werk,
er den eersten steen van gelegd, waarop zijn wapen is gebeiteld met
de gouden leeuwenmuilen. De nieuwe stad is op zijn bevel gedoopt met
den naam Stad van La Valette."

Gouden en zilveren medailles, die een afbeelding der nieuwe stad
droegen en liet opschrift: Melita renascens, d.i. "Het herboren Malta"
met het jaar en den datum der stichting, werden in grooten getale in
de fondamenten geworpen. Na die plechtigheid ging men met ijver aan
het werk. Allen namen er aan deel, rijken zoowel als armen, edelen
en handwerkslieden. Iedereen wilde deel hebben aan het werk, waarin
het heil van allen was gelegen voor de toekomst. Een commandeur,
de la Fontaine, die bekend was om zijn goed inzicht in de kunst
van het aanleggen van versterkingen, had de opperste leiding der
werkzaamheden op zich genomen. De ridders droegen er ook het hunne
toe bij, enkelen begaven zich op de schepen der Orde naar Sicilië
en Italië, om bouwmaterialen te halen, anderen gingen tot Lyon,
om zich met de verbetering der inrichting van de artillerie bezig te
houden. Wie bleven, hielden toezicht op de arbeiders bij de aardwerken,
lieten openingen aanvullen, bressen herstellen en zorgden voor den
aanleg der nieuwe versterkingen.

De Grootmeester verloor twee jaren achtereen de werkzaamheden niet
uit het oog; hij woonde te midden der werklieden, nam zijn maaltijden
juist als een gewoon arbeider en gaf het voorbeeld van den grootsten
ijver. Daar de gelden niet alle regelmatig inkwamen, liet hij, om
daarin te voorzien, kopergeld slaan, waaraan hij een verschillende
waarde toekende naar zwaarte of model. Zoodra het verwachte geld
inkwam, werd het andere aan de circulatie onttrokken. En daardoor
kreeg het volk der werkers zooveel vertrouwen, dat het werk niet een
enkelen dag stilstond.

Bij zulk een edele geestdrift, in zulk een gloed van ijver en
werkkracht verrees die stad, die ik nu uit zee zag verrijzen, toen
het schip naderde. Eindelijk lag ze schitterend voor ons uitgespreid.

Wij zijn juist de nieuwe invaart gepasseerd, waar de sterke batterijen
van het Sint-Elmusfort zijn gevestigd, en de groote haven ligt daar
als een prachtig meer met spiegelende oppervlakte, omringd door
massieve bouwwerken.

Het is werkelijk een soort van binnenzee, waar kanalen en baaien op
uitkomen, die de ruimte nog vergrooten, want zij vormen reeds op zich
zelf veilige schuilplaatsen, waar geheele vloten zich zouden kunnen
verbergen, om het juiste oogenblik af te wachten voor een aanval op
den vijand.

De groote haven of de Marsa, want ze heeft haar ouden arabischen naam
behouden, is zelve in twee deelen verdeeld door een schiereiland,
dat als in een felle spoor uitloopt in het fort Saint-Ange op Isola
Point. Op het oostelijk uiteinde staat het fort Ricasoli, genoemd
naar den italiaanschen burgemeester, die het liet bouwen; in het
zuidoosten en zuiden zijn het Sint-Michelsfort en het fort Salvator
door zware versterkingen omgeven. Ze herinneren aan den Grootmeester
Nicolaas Cotoner, die hun de verdedigingsmiddelen schonk.

Waarheen het oog zich wendt rondom den grooten plas, overal staren
u in het licht de dreigende reuzenbouwwerken tegen met hun strakke
profielen.

La Valette lijkt op niets wat ik reeds heb gezien; het is een
eenig schouwspel, en men krijgt lust, het voor iets fabelachtigs te
houden. Het is een opeenhooping van wanden van vuurmonden en vlammende
rotsen, vol gaten als een honingraat. Tusschen de steilten ziet men
de kanalen en grachten, en het maakt den indruk, of een steengroeve
van cyclopen door de zee is overweldigd. Al de gebouwen der sterke
forten gelijken op elkaar; alle hebben ze denzelfden vorm en dezelfde
kleur. Wal volgt op wal met gekanteelde muren, en naast de eene rots
verrijst onmiddellijk weer een andere. Hier en daar schijnen bastions
in de lucht te hangen, men kijkt tegen bogen aan of tegen hooge torens
met terrassen.

Dat eerste opdagen van La Valette is in mijn herinnering nog altijd
even frisch gebleven als op den eersten dag toen ik er kennis mee
maakte.

Als ik de oogen sluit, zie ik alles, de straten der stad met de hooge
huizen, waar uit de vensters kleurig linnengoed te drogen hangt, dat
door den wind wordt bewogen. Het was als op een feestdag, want het
leek of de oude muren vlagden, en lompen worden zelfs mooi in het volle
zonlicht. Ik kan nog telkens het vizioen vernieuwen van die eindelooze
reeks vensteropeningen in die forten uit de legende, het spiegelende
water en de stroomen van licht, die over de wijde ruimte vloeiden.

Ik zie weer op de kaden de drukke volksmenigte, de altijd weer bij de
landingplaats aankomende booten, die koopwaren of passagiers innamen en
dan wegvoeren; de uithangborden der winkels van scheepsbenoodigdheden
met namen, die zoo moeilijk te begrijpen zijn, als alles wat het
zeewezen aangaat.

Zoodra wij de haven binnenvoeren, waren de koetsiers uit de stad
snel komen aanrijden. Zij veroorzaakten een opstopping op de kade en
gesticuleerden om het hardst, om klanten te lokken, terwijl ontelbare
bootjes om het schip heen draaiden en hun diensten aanboden met
veelzeggende mimiek. De kleine booten zijn eigenaardig; ze gelijken wel
iets op gondels, niet door hun sierlijkheid, want ze zijn kort en dik,
maar door hun hoogen voorsteven. De meeste zijn groen geverfd en met
bizarre teekeningen versierd. Aan weerszijden van den voorkant ziet
men een oog geteekend van naïeve uitdrukking en vorm, wat het bootje
er als een zeemonster doet uitzien. Over de meeste is een gekleurd
zeil gespannen.

Ik volgde met belangstelling de voorvallen op de kade en bleef nog
eenigen tijd aan boord. Eindelijk vertrok ik, en een kales bracht
mij in snellen draf langs een helling naar de Levantstraat.

Overal hetzelfde verblindende licht, dat met het vele opdwarrelende
stof aan La Valette het aanzien geeft van een brandende stad. Enkele
fijne, violette schaduwen gaven in de gebouwen vormen van menschen en
dingen aan. De meeste straten kwamen op de zee uit. De menigte liep
af en aan even druk als aan het strand. Ernstige Arabieren, in hun
burnoes gedrapeerd, vormden door hun kalmte een sterke tegenstelling
met de Maltezers, de Grieken en de Levantijnen; een paar kooplieden
van verkoelende dranken, met een vaatje op zij, boden hun waar aan,
en van tijd tot tijd kwam een dorstige voorbijganger begeerig drinken.

Nu en dan kreeg ik op die wandeling door La Valette een vizioen
van op rijen staande zwarte kanonnen, van scheepsmasten, dicht
opeen gedrongen als boomen in een bosch, het wandelend bosch van
Shakespere. Verscheiden straten zijn niet anders dan trappen, zoo
bijvoorbeeld de Santa Luciastraat. Aan de meeste daarvan hebben de
huizen platte daken met balkons met ramen erin, zeker een engelsche
uitvinding.

De huizen in La Valette en op het geheele eiland Malta zijn
gebouwd van een zachte, verblindend witte steensoort, afkomstig
van het eiland. Langen tijd is er in dat gesteente een levendige
uitvoerhandel gevoerd, omdat het zoo gemakkelijk te bewerken was,
vooral naar Smyrna en de andere steden van de Levant.

Maar er zijn heel wat bezwaren aan die steensoort verbonden, want ze
ondervindt sterk den invloed van het weêr, wat waarschijnlijk door
de uit zee opkomende dampen bevorderd wordt. Ook geeft de verbazende
witheid van de huizen aanleiding tot een terugkaatsing van het licht,
die nadeelig is voor de oogen. De Maltezers kunnen aan het gesteente
door polijsten een glans geven, die het op marmer gelijken doet.

De huizen hebben veelal platte daken, met buizen tot afvoer
van het regenwater. Die daken, waarop bloemvazen en kuipen met
planten prijken, zijn dikwijls kleine tuintjes, waar de bewoners
op zomeravonden frissche lucht zoeken; ze gebruiken er ook vaak de
maaltijden en ontvangen er gezelschap.

Op de hoeken van sommige straten staan heiligenbeelden in nissen,
en de vrome Maltezers houden er nacht en dag de lampen brandende.

Het rijtuig hield eindelijk stil voor een hôtel. Ik rustte er uit
in de schaduw, nog geheel verblind door de stroomen van licht, die
langs en over mij waren gevloeid.

Nu was ik dan te La Valette, de oude hoofdstad van Malta, maar ik was
er als onbekende, zonder aanbevelingsbrieven voor de enkele Franschen,
die er woonden. Het beste in de gegeven omstandigheden was, mij aan
te melden aan het fransche consulaat, waar ik kans had, vriendelijk
te worden ontvangen. Dat was een goede gedachte; de consul was een
hulpvaardig man, aangenaam in den omgang en bereidwillig gestemd ten
opzichte zijner landgenooten.

Nog dienzelfden avond begaf ik mij met een brief van onzen consul
naar de wijk Guardia mangia Pietà, waar een fransch koopman woonde,
die sinds vele jaren op Malta gevestigd was. Hij had zich een mooie
positie verworven en, naar men zeide, een aanzienlijk vermogen. Zijn
naam was Ribot, en hij ontving mij met open armen.

Hij praatte veel met mij over de Maltezers. "Ik heb al sedert het begin
van mijn zijn hier opgemerkt", zei ik tot hem, "dat hun gezicht een
voor mij geheel nieuw karakter heeft, met die breede wangen, groote
ooren, die ver naar achteren staan, de zwarte haren en de dikke bossige
wenkbrauwen. Het komt mij in het geheel niet twijfelachtig voor,
dat dit ras van phoenicische afkomst is. De Maltezer is levendig en
bewegelijk; men voelt het, dat hij zich gelukkig voelt op zijn rots
te midden der golven in een element van zonnegloed en zee."

"Ja, zoo is het inderdaad," antwoordde mij de heer Ribot, "de Maltezer
is in zijn element, beter dan de anderen, die hier wonen. Morgen
zult U opmerken, dat de vreemdelingen bleeke gezichten hebben met een
vermoeiden trek, alsof hun bloed verdroogd was in de hitte der zon."

En op het gelaat van den spreker las ik de teekenen van neurasthenie,
die hij zelf mij aanwees.

"Het komt," zei hij, "dat hier niets herinnert aan de geurige
frischheid onzer kleine steden, de fluweeltint onzer heuvels en
de geheimzinnige bekoring onzer dalen. Het geruisch der zee, en op
dagen van boos weer het gebulder van den wind om de rotsen vervangen
voor een poos de groote hitte van den zomer en de onbeschrijflijke
doodschheid der in de gloeihitte der zon verpoeierende rotsen. Alleen
des avonds herademt men en begint opnieuw te leven. Vaak ook zenden
de winden uit de woestijnen van Afrika ons hun brandenden adem toe,
en het zijn enkel de winden uit het Noordoosten, die de buitengewone
warmte soms wat temperen."

De winter is gewoonlijk zeer zacht op Malta; het is een echte lente met
overvloed van bloemen, die schitteren in rijke kleuren en verrukkelijk
geuren. Een groot aantal engelsche familiën komen dan ook den winter
op het eiland doorbrengen.

Een der gevaren van het klimaat zijn de plotselinge overgangen van
hitte tot koude, die onophoudelijk terugkeeren, en waar het menschelijk
lichaam zeer gevoelig voor blijft.

De vreemdeling vooral moet zich in acht nemen voor dit bezwaar,
dat de Maltezers niet zoo sterk gevoelen. Als de zon brandend heet
schijnt en de terugkaatsing van het licht verblindend is, krijgt men
over het transpireerende lichaam bij den een of anderen hoek van een
straat een ijskouden wind uit zee te voelen.

Zulke klimaatstoestanden zouden het waarschijnlijk maken, dat het leven
der inboorlingen er door verkort werd; maar dat is in het geheel niet
het geval. Het is volstrekt geen zeldzaamheid, hier wakkere grijsaards
te ontmoeten, die nog in het bezit zijn van al hun vermogens en van
de betrekkelijk groote lichaamskracht, welke zij tot op zeer hoogen
leeftijd behouden. De Maltezers hebben zeker aan dit klimaat, dat de
zenuwen voortdurend gespannen houdt, een buitengewone bewegelijkheid
te danken van gevoel en van armen en handen, waardoor zij verbazend
druk gesticuleeren. Ze hebben ook heftige hartstochten. Voor handel
en scheepvaart toonen ze zich intusschen zeer geschikt, en hun eiland
hebben ze zeer lief; die kalkrots Malta noemen zij de bloem der wereld,
"fiore del mondo."

Ik heb overal opgemerkt, dat de eilandbewoners zeer aan hun land zijn
gehecht, welks natuurschoon ze met naïeve overdrijving bewonderen,
zooals ze ook vol lof zijn voor wat hun soldaten en hun mannen van
wetenschap praesteeren. En het is ook immers algemeen bekend, dat hoe
ondankbaarder de grond is, waar iemand woont, des te meer moeite kost
het hem, zich ervan te verwijderen en des te meer is hij eraan gehecht.

In de dorpen van het binnenland op Malta ondervindt het huiselijk
leven nog den invloed van de oude oostersche gebruiken. De mannen
hebben de geheele oostersche jaloerschheid, en de vrouwen leiden een
leven van afzondering. Een oude arabische spreuk schijnt er nog in
eere te worden gehouden, namelijk dat de vrouwen slechts tweemaal
in haar leven in het publiek moeten verschijnen, bij haar huwelijk
en bij haar dood. De schoonste lof, die haar te beurt kan vallen,
is in de oogen van den Maltezer, dat er nooit over haar wordt
gesproken. Te La Valette is zulk een strengheid niet op te merken;
de aanhoudende aanwezigheid van vreemdelingen, die er door den handel
heen worden geroepen, de invloed van het vroegere Ridderhof, de bals
en de schouwburgen hebben der vrouw meer vrijheid geschonken.

Maar die vrijheid is slechts schijn, en alleen de dames der uitgaande
wereld hebben er voordeel van. Tijdens mijn verblijf te La Valette
wenschte ik een der vele mooie kantwerkstertjes te teekenen, die in
hun fijne zijden weefsels nog het kruis der Maltezer ridders borduren,
te midden van de grilligste versieringen. Ondanks alle moeite, die
de heer Ribot in het werk stelde, en ofschoon hij toch al zoo lang
in het land woonde, ondanks het aanbod van een hooge belooning, kon
hij geen familie vinden, die bereid was, een haar vrouwelijke leden
voor een schilder te laten poseeren. Het gelukte mij zelfs niet,
een enkele dier kantwerksters aan het werk te zien.

Ze zijn bekoorlijk, die Maltezer vrouwen; ze schijnen van de rotsen
een tint als van doorschijnend ivoor te hebben aangenomen. Meestal
zijn ze niet groot en hebben fijne trekken, iets onzegbaar teêrs,
en haar groote oogen hebben een zachten glans onder de faldetta. Die
faldetta is een soort van zwartzijden mantel, die tot het middel
reikt, om het hoofd heengaat en er in een halven kring door stijf
gaas van af wordt gehouden, zoodat zij het gelaat voor zon en wind
en voor onbescheiden blikken behoedt. Als in een zijden schelp
met liefelijken glans rust dus het hoofd, en met de hand wordt dat
omhullend kleedingstuk gracelijk vastgehouden, terwijl ze er mee
kunnen manoeuvreeren juist als de mooie Spaansche met haar waaier.

Deze fijne, teêre vrouwen hebben voorbeelden van heldenmoed gegeven,
waartoe men ze, op het uiterlijk afgaande, niet in staat zou hebben
geacht. Bij allerlei gelegenheden hebben ze haar eiland met moed
verdedigd, vooral onder het beleg door Soliman den Tweeden.

De secretaris van het fransche consulaat, dien de consul wel te
mijner beschikking had willen stellen, vond er een genoegen in,
mij de bezienswaardigheden en het karakteristieke van La Valette
te laten zien. Hij was mij een onwaardeerbare gids, en zijn groote
bereidwilligheid verloochende zich nooit een oogenblik. Altijd vond
ik hem gereed, mij met zijn vrijen tijd ten dienste te wezen.

"Als u wilt," zei hij op een dag tot mij, "zullen we van avond
samen naar De Barraca gaan."--De Barraca?"--"U zult het wel zien. De
Barraca is een zaak, waar men hier trotsch op is, en niemand, die in
La Valette is geweest, mag vertrekken zonder de beroemde Barraca te
hebben leeren kennen."

Des avonds begaven wij ons naar de bovenstad, op het gebied der hooge
wallen. Daar betreedt men een donkere laan, waar eenige wandelaars
loopen. Wij waren aangeland onder groote bogen, toen mijn gids
uitriep: "Hier zijn we er!" Ik had gedacht aan een nachtelijke
excursie naar ruïnen, want de naam Barraca alleen zei zoo weinig,
en ik liet mijn oog zoekend rondgaan, om brokken muur te vinden of
ontmantelde vestingwerken. Maar tegen de met sterren bezaaide lucht
teekende zich geen enkele vorm af.

"Nee, nee," zei mijn begeleider, "naar beneden moet u kijken, heelemaal
naar beneden."

En toen, tegen een balustrade leunend, keek ik naar beneden in
het ledig. In de gapende diepte, de nachtelijke geheimzinnigheid,
pinkten overal lichtjes, die in de verre verte al flauwer werden. Men
kon de afstanden onmogelijk met juistheid schatten; maar heel ver
schenen de lichtjes zacht te verdwijnen, om zich in de sterren op te
lossen. In den helderen azuren hemel raakten ze den Melkweg, die als
een doorschijnend gaas tot bij het zenith aan den hemel dreef.

Toen mijn oogen langzamerhand aan het duister gewend raakten, begon
de nacht mij flauw verlicht te schijnen, en de aanvankelijk niet te
onderscheiden vormen teekenden zich scherper af. Beneden ons heel in
de diepte kon ik de stad met de haven vóór ons uitgespreid zien liggen.

Maar het was nog meer raden dan zien in dien afgrond, waar in het
bleeke maanlicht bewegelijke lichtplekken zich bij en in de haven
heen en weer bewogen.

Soms gingen plotseling lichten uit, en even plotseling werden andere
ontstoken, vlamden op, gingen ten halve uit, om spoedig weer op te
duiken. Het waren de lichten der stad, die aan onze voeten lag, de
veelkleurige seinlichten en vuurtorens in de haven, de lichten van
schepen en booten, die flikkerden en beefden, nu eens nader schenen
te komen, dan terugweken als vallende sterren, of aan den horizon
uiteenspatten als meteoren, terwijl er ook als pijlen in de schuimende
zee neervielen.

Van beneden rezen, ik weet niet van waar, groote boomen omhoog,
welker donkere silhouetten zich scherp afteekenden tegen het zoo vage
beeld van het nachtelijk La Valette. Toen bespeurde ik zeer dicht
bij ons de donkere profielen van enkele Maltezers, die onbewegelijk
als beelden op hun rots stonden; naast hen, met de band onder de kin,
stijf en hoekig een paar engelsche officieren, die onbewogen schenen
te blijven tegenover de met sterren bezaaide zee.

Weinig panorama's kunnen een vergelijking doorstaan met dat van
de Barraca superiore. Ik heb het op alle uren van den dag en nacht
gezien, en in het heldere daglicht heeft zich de indruk van den nacht
verduidelijkt. Van dit hooge punt omvat men de gansche uitgestrektheid
der havens, en vanaf het fort Ricasoli aan den ingang der Marsa
tot aan de nieuwe haven krijgt men de enorme uitgestrektheid te
aanschouwen van een nu vooruitspringende, dan terugwijkende lijn,
welke aan de kust den zoom van drie afzonderlijke steden afteekent,
maar die dichtbij elkaar liggen en bijna in elkander overgaan. In
het midden verrijst het historisch kasteel Saint-Ange, met de vier
zware, naar buiten gerichte batterijen. Hier en daar bespeurt men
opeenhoopingen van huizen, reuzengroepen, die aan den eenen kant
uitloopen op een langen gordel van versterkingen, de Cotonera, aan
den anderen bij de groote haven.

Op grooteren afstand breidt zich het open veld uit met zijn dorpen,
en de klokkenhuizen, die op groote torens gelijken. Onder de voeten
van den toeschouwer, onmiddellijk beneden hen, bevinden zich de
kaden, waar het altijd druk is, met rechts de huizen van La Valette,
de statige paleizen uit den tijd der ridders, en de campanile's.

De indruk, dien men krijgt, is die van ver weg zich op vleugels te
hebben laten dragen; zoo schijnt het over dag, en des nachts kan
men niet onder woorden brengen, wat men voelt; men is als het ware
heengebogen over de ijle ruimte, waarin ongekende werelden zweven. En
zoo geeft dus de dorre rots van Malta nieuwe, onverwachte tooneelen
te zien. Ook dingen van wonderbaar poëtischen aard had zij voor
mij bewaard.

Op een avond in de schemering, toen het stadsgewoel tot rust was
gekomen en een parelmoeren licht zich over de ivoren stad uitspreidde,
kwam ik op de markt tegenover het paleis van den Gouverneur. Aan den
horizon, dien ik aan het eind der straten onduidelijk kon waarnemen,
trokken nevels op. De zee lag kleurloos en vlak als een spiegel. En
toen liet zich op het eenzame plein een zeer zachte muziek hooren. Het
leken de zangen, gekomen van de in nevels gehulde bergen van het
Noorden, zoet en klagend; men wist niet, of zij zongen van een droevig
verleden of van een hoopvolle toekomst. Muziek doet dadelijk beelden
voor mijn geest verrijzen. Hier zag ik de uitgestrekte heiden der
landes, zoo ver het oog reikte, onder een grijzen hemel; bergen met
donkere wouden, een verlaten land, en ik voelde mij koud door een
onuitsprekelijk gevoel van vereenzaming....

Het was de muziek van de pijpers, de doedelzakblazers van de
Hooglanders; soldaten van dat regiment liepen op het plein heen en
weer, in automatischen pas, ernstig en onverschillig. Zij droegen
de kilt, het korte rokje, geruit in de kleuren der clan, de muts met
wapperende veeren, de plaid in heldere kleuren, met een gesp op den
rechter schouder vastgehecht, en toen ik ze daar zoo kalm en ernstig
zag loopen, meende ik, dat de tonen der bekende instrumenten in hun
ziel de vriendelijke herinnering wakker riepen aan hun ver vaderland,
en hun intieme, innige gewaarwordingen gaf.

Het tooneel was van korten duur; zij liepen een zeker aantal malen het
plein op en neer, keerden met korten zwaai om, toen ze aan het eind
gekomen waren, en toen de serenade afgeloopen was, verdwenen ze. Ik
bleef. De tonen, zoo klagend, die ik pas had gehoord, ruischten nog in
mijn ooren, en in die op het eind loopende schemering, op dat plein,
dat de Maltezers schenen te vermijden op dit uur, terwijl de muziek der
veroveraars er zich liet hooren, droomde ik van de schotsche heiden,
die zoo aangrijpend somber zijn, van dien laag hangenden hemel vol
wolken, waar zij zich in het oneindige in voortzetten.

Thans kregen de witte straten van La Valette, straten nog lauw van de
hitte van den dag, een vreemde, doorzichtige tint in die onwezenlijke
schemering. Op zee was alles rustig; zij was als een bleeke afgrond,
waaruit de dorre rots oprees.

Welk een roerend denkbeeld voor een volk van zaken, om elken dag
op deze rots, waar zooveel bloed gevloeid heeft, die muziek te doen
hooren, die aan het afwezige vaderland herinnert! Herinnering en hoop
gemengd, aan de zee toevertrouwd, vóór men zich ter ruste begeeft.

La Valette is, zooals wij reeds hebben gezien, amphitheatersgewijze
gebouwd op een schiereiland, dat de beide voornaamste havens van
Malta van elkander scheidt. De stad heeft een treffend, zeer bijzonder
aanzien.

Drie hoofdpoorten geven toegang tot de stad, de Koningspoort, de
Marinepoort en de poort van Marsa-Muscet. Twintig straten loopen door
de stad, acht in de lengte, twaalf in de breedte. Ze zijn geplaveid
met een zeer hard gesteente, zoncol genoemd, dat wel wat op Portland
gelijkt en op den romeinschen travertino.

Onder de mooiste en breedste straten van La Valette heeft men eerst
de Strada Reale, die over den top gaat van het schiereiland, waar de
stad op is gebouwd en dien in de geheele lengte doorsnijdt van het
Sint-Elmusfort tot aan de Koningspoort, voerend naar de voorstad
Floriana, Als men er door gaat, heeft men eerst het Giorgio-
of Raadhuisplein, dan het Bankplein, en verder draagt de straat
verschillende namen.

Enkele particuliere paleizen zijn een bezoek overwaard in La Valette,
hetzij om hun architectorale beteekenis, hetzij om de historische
herinneringen, die ze wekken. In het paleis van de familie Spinola
woonden in 1808 de prinsen uit het Huis van Orleans. Het hôtel gaat
door voor het mooiste van alle, en terecht. De bouwtrant is bekoorlijk,
de versieringen zijn zeer rijk en toch niet overdadig. Het plan voor
dit schoone gebouw is afkomstig van den bouwmeester Peruzzi. Het gebouw
werd door een bisschop opgericht, aartsdiaken van de kathedraal;
het werd door Bonaparte bewoond tijdens zijn verblijf op het eiland
in 1798. Hij had er zijn hoofdkwartier gevestigd. Sinds dien hebben
achtereenvolgens de engelsche generaals Stuart, Fox en Abercromby
er geresideerd.

De dwarsstraten, die sterk hellen, en die dikwijls in trappen zijn
veranderd, zijn evenals de andere zeer zindelijk, daar de onderaardsche
afvoerbuizen voor den afloop van het water zorgen en voor dien van
het vuil. De stad is zeer druk door veel beweging op straat en een
levendig vervoer van goederen. De openbare gebouwen zijn regelmatig en
wat koud van aanzien, opgetrokken van het maltezer gesteente, dat zeer
zacht is en het nadeel bezit, spoedig te verweeren. De buitengewone
witheid, doet, zooals we reeds zeiden, de weerkaatsing onaangenaam
zijn. Trots die bezwaren is de steen lang een gewild uitvoerartikel
geweest naar de Levant en vooral naar Smyrna.

De voorsteden van La Valette, Floriana, Burmole, Senglea en Borgo, zijn
even druk als de stad. Men vindt er overal mooie gebouwen en openbare
inrichtingen. Achter Senglea staat een groot gebouw, dat het huis
wordt genoemd van Francisco da Cunha. Daar had de baljuw van Suffren
een fabriek opgericht van katoenen stoffen, op het voorbeeld van die
van Voor-Indië. Hij zou zelfs uit Mysore arbeiders hebben meegenomen,
inlandsche mannen en vrouwen, om in zijn fabriek te werken. Ik weet
niet, hoe het met die poging is gegaan.



II.

Malta in de oudheid als phoenicische kolonie.--Stichting van de orde
der Hospitaalridders van Sint Jan te Jeruzalem, later geworden tot
de orde der Maltezer Ridders.--Uit Jeruzalem verdreven, wijken ze
eerst uit naar Saint Jean d'Acre, dan naar Cyprus, en nog later
naar Rhodus.--Sultan Soliman verjaagt hen van Rhodus.--Karel de
Vijfde geeft hun het eiland Malta in 1530.--De organisatie der
Orde.--Haar lotgevallen ten tijde van de bezetting door de Franschen
in 1798.--Nog altijd houdt de Orde der Maltezer Ridders zich in
stand.--De schilderachtige voorstad Manderaggio.


Het eiland Malta, welks kusten door een menigte van kreken, baaien en
golven ingesneden zijn, zou het oude, door Homerus bezongen Ogygia
zijn. Daar werd Ulysses, na door den storm aan land geworpen te
zijn, zeven jaren lang in zijn betooverde grot door de nymf Calypso
vastgehouden. Er wordt nog een naar de nymf genoemde grot aangewezen,
en het heet, dat het de grot was die zij bewoonde. Al zeer vroeg werd
Malta door de Phoeniciërs gekolonizeerd, die te Krendi en op andere
plaatsen van het eiland bouwwerken oprichtten, waarvan nog ruïnen
over zijn.

De kolonie, die de Phoeniciërs op Malta stichtten, was een van hun
meest welvarende stichtingen; spoedig werd ze beroemd om haar handel,
haar rijkdom en de pracht harer tempels. Daar werden, evenals in
Phoenicië aangebeden de goden Mytharas, Isis en Osiris. Twee tempels
vooral waren beroemd, die van Juno of Isis en die van den Tyrischen
Hercules, door de Grieken Alexicacos genoemd, dien de volken uit het
Oosten op dit eiland kwamen aanbidden.

Men kan in het Museum van La Valette verscheiden punische
gedenkpenningen zien. Onder de voorwerpen van dezelfde herkomst waren
vroeger twee prachtige marmeren kandelabers met een phoenicisch en een
grieksch opschrift. Een van die kandelabers werd door den Grootmeester
Rohan aan Lodewijk den Zestienden ten geschenke gegeven. Het Journal
de Trévoux, dat in 1786 van die beide voorwerpen gewag maakt, noemt
ze zeer zeldzame en schoone kunstwerken, schatten, die de oudheid
ons heeft nagelaten. Ziehier de vertaling van het opschrift, dat
ze droegen.

"Abdassar en Asseremor, zoon van Asseremor, zoon van Abdassar, hebben
de gelofte afgelegd voor onzen Heer Melkart, beschermheilige van Tyrus;
moge hij hen beschermen op hun onzekeren weg. Denys en Serapion uit
de stad Tyrus, beiden zonen van Serapion, voor Hercules bijgenaamd
Archegetes."

Dit opschrift leert ons, dat de Hercules, die op Malta werd aangebeden,
er ook wel Archegetes werd genoemd, dat hoofd of leider beteekent,
en Melkarthos of Melkart, dat is "machtig koning."

In het jaar 736 v.C. werden de Phoeniciërs van het eiland verdreven
door de van Sicilië gekomen Grieken. Dezen gaven aan het eiland den
naam van Melita. Zou die naam Melita de bedoeling hebben gehad, te
herinneren aan den uitstekenden honig, welke op Malta werd ingezameld,
of is hij geschonken ter eere van de nymf Melita, dochter van Doris
en Nereus? Het is onbekend.

Toen de Karthagers op Malta de plaats der Grieken innamen, en de
Romeinen op hun beurt de Karthagers hadden verdreven, werd Malta
een zelfstandige kolonie, en onder romeinsch bestuur behielden de
Maltezers hun wetten en vrijheden.

In de negende eeuw van onze jaartelling kwam het eiland in de handen
der Arabieren en werd de opslagplaats van hun handelsgoederen en
schuilplaats voor hun vloten. Omstreeks het jaar 1190 werd het land
veroverd door den Noorman Roger, en van dien tijd af deelde het eiland
in de lotgevallen van Sicilië, tot op het oogenblik dat de Ridders
van Sint Jan er zich kwamen vestigen.

De orde dier vermaarde ridders was gedurende de meer dan twee
eeuwen durende souvereiniteit, die zij over het eiland uitoefende,
een weldaad voor de bevolking. Zij bracht het land tot bloei en tot
roem, terwijl ze voor geheel Europa van groote beteekenis was door den
verwoeden oorlog, dien zij voerde tegen de barbarijsche zeeroovers
en door de bescherming, die ze aan den zeehandel der christelijke
staten bood. Het is wel de moeite waard een overzicht te geven van
haar geschiedenis en van haar werk.

De orde der Hospitaalridders van Sint Jan van Jeruzalem, die later,
zooals wij in het vervolg zullen zien, de Orde der Ridders van
Malta werd, was gesticht door den Franschman Reymond du Puis tegen
het eind der elfde eeuw met het doel, behoeftige pelgrims, die zich
naar de heilige plaatsen begaven, te helpen en hun een onderkomen te
bezorgen. De orde liet gewapende mannen de bedevaartgangers begeleiden
en zorgde, dat de laatsten beschermd werden tegen de mohammedaansche
benden, die het land afliepen. Zoo werden de ridders ertoe gebracht,
hun organisatie tegelijk een militair en een godsdienstig karakter
te geven.

In de twaalfde eeuw wijdde paus Paschalis de Tweede de orde
bij kanoniek besluit in en gaf hun de roode banier met het witte
kruis. Door de christelijke wereld ruim van geld voorzien, voerden
de Broeders van Sint Jan voortaan den strijd tegen de ongeloovige
Mohammedanen. Maar de overwinningen van Saladin verjoegen hen uit
Jeruzalem. Zij verschansten zich in Saint-Jean d'Acre, daarna op Cyprus
en eindelijk op Rhodus, waar ze zich twee eeuwen lang handhaafden
tegen de onvermoeide pogingen der Turken, en waar ze den naam van
Ridders van Rhodus aannemen.

Doch Soliman kwam aan de spits van een leger van 200.000 soldaten
en sloot het fort in, dat door nauwelijks 600 ridders en 4000
man werd verdedigd. Na wonderen van dapperheid te hebben verricht,
capituleerde de stad, wier hulpmiddelen uitgeput waren, in 1522. Des
nachts verlieten de Grootmeester en de Ridders Rhodus in volslagen
wanorde. Het was een bedroevende exodus van heldhaftige krijgers,
vluchtend uit een land, dat twee eeuwen lang door hun roem bestraald
was geworden. Toen de zieken, de kinderen en de vrouwen in de
schepen in veiligheid waren gebracht, begaven ook de mannen zich
scheep. Villiers de l'Isle Adam, de Grootmeester, scheepte zich het
laatst in. De vloot, bestaande uit vijftig schepen, galeien, galjoten,
brigantijnen, feloeken en het groote schip, waar zich de Grootmeester,
de Commandeurs en de Ridders op bevonden, trok weg. Zoo werden al de
goederen der Orde mee aan de zee toevertrouwd.

En zie, alsof de woede der elementen zich wilde paren aan de woede
van de vijanden, dreef een storm in den Griekschen Archipel de vloot
uiteen, die zooveel kostbaars herbergde. Maar volgens een dikwijls
waargenomen verschijnsel, dat zoowel in het leven der volken als in
dat der enkele menschen optreedt, kwam in den tijd van den hoogsten
nood een onverwachte lichtstraal den schijnbaar hopeloozen toestand
verhelderen. De verstrooide vloot kon zich weer aaneensluiten; de
ontredderde schepen vonden een haven, en in goeden staat teruggebracht,
konden ze weer zee kiezen en hun zwerftocht vervolgen.

... Op een lentedag verscheen vóór Messina een vaartuig, welks
onbekende vlag in het licht schitterde. Het was een schip van kolossale
afmetingen, en van den mast wapperde een banier met het beeld der
Heilige Maagd, die in haar armen den gekruisigden Heer droeg. Er
omheen stond het opschrift: "Afflictis spes unica rebus". Dat was als
een verschijning van leed en ongeluk, een beeld van het uitgestooten
geloof, dat eindelijk hulp kwam vragen in een christelijk land.

Het groote schip, de koningin der zeeën, zooals de Sarracenen het
noemden toen het nog aan hen behoorde, was een vaartuig, dat om zijn
afmetingen iets legendarisch had gekregen. Er werd verteld, dat de top
van de hoogste masten der grootste galeien nog niet tot de hoogte van
zijn voorsteven reikte. Zes menschen konden nauwelijks den grootsten
mast omspannen. Het schip had zeven verdiepingen, waarvan twee onder
de waterlijn. Buiten de lading en de bemanning kon het duizend soldaten
bergen, en honderd kanonnen bewapenden de drijvende vesting.

Van Messina gingen L'Isle Adam en de zijnen naar Viterbo in den
Kerkelijken Staat. Daar bleven ze, tot Karel de Vijfde hun het
eiland Malta tot residentie schonk. De acte van schenking werd te
Castelfranco, bij Bologna, opgesteld in 1530. Er werd in gezegd,
dat de keizer in zijn hoedanigheid van koning van Sicilië aan de
Orde van Jeruzalem de eilanden, kasteelen en dorpen Malta, Gozzo,
Commino en West-Tripoli afstond met alle souvereiniteitsrechten. De
schenking geschiedde op de volgende voorwaarden: Ten eerste zou de
Orde jaarlijks een valk leveren aan den koning van Sicilië; ten tweede
zou de bisschop van Malta altijd door den koning worden benoemd;
ten derde zou de admiraal der Orde altijd een Italiaan wezen, en
ten vierde zouden de inwoners van Malta en de overige eilanden hun
rechten en privileges behouden.

Toen Karel de Vijfde het eiland Malta aan de Ridders van Sint Jan van
Jeruzalem gaf, zond de Raad der Orde, vóór hij de gift aanvaardde,
acht ridder-commissarissen er heen, om er den staat van zaken op te
nemen en te onderzoeken, of het eiland geschikt was voor den zetel
der Orde en voor haar bedoelingen. Ziehier de voornaamste punten uit
het rapport der afgevaardigden. Het resultaat was niet zeer hoopvol:

"Het eiland is buitengewoon dor, ontbloot van alle bosch, en het
hout, dat er gebrand wordt, moet van Sicilië worden aangebracht. De
inwoners maken, om hun ovens te stoken gebruik van een soort van
doornige distels, die ze op de onvruchtbaarste plaatsen inzamelen. Zij
gebruiken ook wel voor het koken van hun zeer eenvoudig potje den
mest der ezels en runderen, die ze in de zon laten drogen, welker
stralen zoo krachtig door de rotsen worden weerkaatst, dat de hitte
in den zomer sterk genoeg is, om die stoffen zoo droog te maken,
dat ze als brandstof bruikbaar zijn.

"Het eiland is vrij goed bevolkt. De inwoners zijn gevestigd
in verspreide en open liggende dorpen. Hun taal is de moorsche,
en ze leven in uiterst bekrompen omstandigheden. Het koren, dat ze
verbouwen kan hen niet langer voeden dan voor een derde van het jaar,
en voor de rest moeten zij het van Sicilië laten komen. Het bedoelde
eiland is daarbij onophoudelijk blootgesteld aan de rooftochten der
ongeloovige zeeroovers, die, zonder eenige vrees te toonen voor het
kasteel, vrij in de havens binnenvaren en zeer dikwijls een groot
aantal arme Maltezers in ballingschap meevoeren."

Toen de commissarissen van hun zending en hun rapport bij den
Grootmeester en den Raad rekenschap moesten komen afleggen,
antwoordden zij nog, dat het verblijf op Malta zeer onaangenaam was,
ja in den zomer zoo goed als ondragelijk; maar dat zij bij de gebleken
moeilijkheid, om een betere plaats ter vestiging te erlangen, toch
van oordeel waren, dat men de gift van den keizer moest aanvaarden. De
Grootmeester gaf aan dien wenk gehoor en nam het geschenk aan.

De Grootmeester nam bezit van Malta op 26 October 1530. Hem vergezelden
de voornaamste officieren der Orde en een groot aantal grieksche en
rhodische familiën, die de Ridders gevolgd waren en zich met hen op
Malta vestigden. Van dien tijd af zijn de ridders bekend geworden
onder den naam van Maltezer Ridders.

Uit het boven aangehaalde rapport blijkt, dat het lot der Maltezers in
dien tijd zeer onzeker was, daar ze zich in het geheel niet verdedigen
konden tegen de invallen der barbarijsche zeeroovers. Steeds hing
hun het gevaar boven het hoofd, dat hun huizen werden vernield en
dat ze zelf in slavernij werden weggevoerd. De opperheerschappij
der Orde beschermde hen onmiddellijk tegen die steeds dreigende
gevaren, want de eerste zorg van den Grootmeester was, het fort
Saint-Ange te laten herstellen, en La Sangle te versterken, om de
galeienhaven te beschermen. Een nieuw fort, het Sint-Elmusfort,
werd op het schiereiland opgericht, daar waar zich in het vervolg
de stad La Valette verhief; het beschutte tegen een overval de beide
voornaamste havens, die door het schiereiland werden gescheiden.

De Ridders van Sint Jan van Jeruzalem brachten, door op Malta den
zetel van hun bestuur te vestigen, er een aanzienlijke geldswaarde
in omloop. Zij beliep zelfs een minimum van vier millioen francs,
wat een enorme som was voor dien tijd. Men rekent daar dan ook onder
de uitgaven van de vele leden der Orde, die geregeld in grooten getale
het eiland bewoonden.

De welstand nam te meer toe, daar de bewoners geen enkele directe
belasting betaalden, en alleen aan vrij matige douanerechten waren
onderworpen.

Men zal begrijpen, hoe groote voorrechten de Maltezers genoten
onder het bestuur der Ridders, als men hun lot vergelijkt met
dat der Sicilianen in dien tijd. Die laatsten waren, ofschoon ze
een buitengewoon vruchtbaar land bewoonden, tot de diepste armoede
gebracht door de zorgeloosheid en het despotisme hunner regeering. Op
Malta daarentegen was de op zich zelf dorre grond vruchtbaar gemaakt
door zorg en inspanning. Het eiland werd overdekt met een groot
aantal kleine stadjes en ten gevolge van de veiligheid, die door
de nieuwe regeering werd gewaarborgd, nam de bevolking van Malta en
Gozzo, die in den aanvang van het bestuur der Ridders slechts 25.000
inwoners bedroeg, zoo toe, dat men er weldra meer dan 100.000 telde,
terwijl Sicilië met zijn vruchtbaren grond niet anders te zien gaf dan
tooneelen van ellende en een betrekkelijk veel kleiner aantal inwoners.

L'Isle Adam hield zich, nadat hij de verschillende punten van het
eiland, waar de vijand een verrassing kon beproeven, had versterkt,
ook bezig met de versterking van de vloot der Orde.

Alle inspanning had ten doel de bescherming van den handel
der christelijke naties, die voortdurend werd bedreigd door de
zeeroovers. Na zeer korten tijd werd de vlag der Ridderorde gevreesd
door de zeeschuimers van de Middellandsche Zee.

Het komt mij wel belangwekkend voor, in het kort samen te vatten hoe
de Maltezer Orde was georganiseerd, zij, aan wie de volken van Europa
zoo langen tijd de veiligheid van hun handel op de Middellandsche
Zee te danken hadden. De Hospitaalridders waren, voor zoo ver ze
godsdienstige ridders waren, verdeeld in drie volkomen van elkander
verschillende klassen; geboorte, rang en functies liepen uiteen.

De eerste klasse bestond uit de Ridders van het recht, die dezen
eeretitel droegen op grond van hun edele afkomst. Alleen zij konden het
brengen tot de waardigheid van Baljuw, tot die van Prior, Grootkruis
geheeten, en tot die van Grootmeester. Later werden ook de Ridders der
Genade ertoe gerekend, die, van een adellijken vader en niet adellijke
moeder afkomstig, dispensatie van den paus noodig hadden, om tot die
waardigheden te worden toegelaten. Een bepaling van de statuten hield
in, dat zij, wier vader of die zelf den een of anderen handel hadden
gedreven, die bankiers of wisselagenten, boekhouders of boeren waren
geweest, die een winkel of magazijn hadden gehad, ook al waren zij
van edelen bloede, nooit tot broeders-ridder konden worden toegelaten.

De tweede klasse omvatte de dienstdoende geestelijken in de kerken
van Sint Jan, die aalmoezeniers konden worden op de schepen of galeien.

Een derde klasse omvatte de broeders-zieleherders, leden der Orde,
die, zonder broeders of ridders te zijn, onder de bevelen der ridders
dienden in den oorlog of in de hospitalen.

Daarna kwamen, niet de minst belangrijke, de priesters en dienstdoende
broeders in de lagere ambten van klooster en hospitaal. En eindelijk
had men nog de dames religieuses van de Maltezer Orde, wier kloosters
in Frankrijk, Italië en Spanje waren gevestigd. Er werden voor hare
toelating dezelfde eischen van adeldom gesteld als voor de Ridders.

De orde van Sint Jan van Jeruzalem was gesticht in denzelfden geest
en naar hetzelfde model als de oude ridderschap. In het begin nam men
enkel leden aan te Jeruzalem of ten minste op gewijden grond. Altijd
werd als hoofdeisch voor de toelating gesteld, dat men authentieke
bewijzen moest kunnen bijbrengen voor adellijke afkomst. Allen moesten
adellijke krijgers tot voorvaderen hebben gehad. Later had men behoefte
aan aanvulling der gelederen, die gedund waren in de oorlogen tegen
de ongeloovigen, en de Hooge Raden der Orde stonden toe, dat na het
onderzoek van de titels van adeldom men als nieuwelingen leden mocht
opnemen uit de groote priorkloosters van Europa.

In het jaar 1355, waarin de oudste registers beginnen van de fransche
grootprioraten, nam men enkel edellieden aan, wier namen en geslachten
in hun provincie bekend en beroemd waren. En die gestrengheid werd
niet alleen volgehouden, maar werd nog verscherpt, toen soms lieden
van ouden adel rijke niet-adellijken huwden. Van dien tijd af werd
een proces-verbaal gevorderd, dat de legimitatie en de afkomst
van den candidaat boven allen twijfel stelde. Buitendien moest
dit proces-verbaal formeel bewijzen, dat zijn ouders, grootouders,
overgrootouders, tot meer dan een eeuw in de geschiedenis terug,
edellieden waren geweest.

Drie bewijzen werden gevorderd, door getuigen, door brieven, door
plaatselijke en geheime inlichtingen.

Het eerste vereischte het getuigenis van vier adellijke getuigen. De
commissarissen, die meestal oud-commandeurs waren, deden hen, vóór
ze werden gehoord, een plechtigen eed zweren. Het tweede bewijs
bestond in een nauwkeurig onderzoek van de titels en aanspraken, door
den candidaat ingeleverd. Om het derde bewijs te erlangen, waren de
commissarissen genoodzaakt, zich te begeven naar de geboorteplaats van
den candidaat, daar een zeer bescheiden, maar niettemin zeer nauwkeurig
onderzoek in te stellen, en wel niet alleen waar de candidaat zelf
was geboren, maar ook op de plaats, van waar de familie afkomstig was.

Waren zij in het bezit van al die bewijzen, dan maakten de
commissarissen een proces-verbaal op, dat naar den Grootmeester op
Malta werd gezonden, die, na den Raad der Orde te hebben gehoord,
het godsdienstig gewaad aan den aanvrager liet uitreiken.

Men ziet dus, met hoe groote zorg de nieuwelingen onder de Ridders
werden opgenomen, ten einde toch maar in die godsdienstige militie
een hoogen en volkomen authentieken adel te behouden.

Als er niets mankeerde aan de bewijzen ten gunste van een candidaat,
kon hij worden aangenomen op drie tijden of op drie verschillende
leeftijden. Hij trad als mondig lid tot de Orde toe op zestienjarigen
leeftijd, ofschoon hij zich eerst op 21-jarigen leeftijd naar Malta
behoefde te begeven; hij betaalde als intreêgeld ongeveer 260 gouden
kronen. De aangenomen candidaat kon ook als page van den Grootmeester
al op twaalfjarigen leeftijd toetreden en mocht dat blijven tot zijn
vijftiende jaar. En eindelijk, in de laatste jaren van het bestaan
der Orde maakte men ook minderjarigen tot lid, namelijk kinderen in
de wieg.

De Ridders, die in het Kapittel waren opgenomen, nadat ze de bewijzen
van ouden adel hadden geleverd, welke wij hebben opgenoemd, huwden
niet en kregen eerst stem in het Kapittel, als ze hun "karavaantocht"
hadden meegemaakt, dat is, als ze aan de gewapende expedities hadden
deelgenomen.

De Orde, die bestond uit Ridders van wel acht verschillende volken,
werd verdeeld in acht "Tongen", namelijk Provence, Auvergne, Frankrijk,
Italië, Castilië, Aragon, Engeland en Duitschland.

De "tong" Italië was bijzonder streng in de toelating, want ze eischte
van elk der candidaten tweehonderd jaren van erkenden adel voor elk
der vier kwartieren, terwijl die vier kwartieren reeds een onmisbare
voorwaarde waren voor de toelating. Overeenkomstige eischen werden
in de afdeelingen Aragon en Castilië gesteld. Maar er was op Malta
geen volk, waarvoor de bewijzen nauwkeuriger werden onderzocht dan
voor Duitschland.

De Ridders waren bijzonder gevoelig op het punt van eer, en
tweegevechten kwamen veelvuldig te La Valette voor. Die duels waren
echter aan zekere beperkingen gebonden. Zoo moesten de tegenstanders,
wilden zij niet de zwaarste straffen over zich zien gebracht, den
degen in de schede steken, onmiddellijk als een vrouw, een priester
of een ridder het hun beval. Men zou geneigd zijn te denken, dat
de duels in zulke omstandigheden zelden bloedig zouden zijn. Dat
is echter een dwaling. Wanneer een Ridder in een duel was gedood,
werd er altijd een kruis geteekend op den muur tegenover de plaats,
waar hij gevallen was. Er waren veel van die kruisen te zien in de
straten van La Valette.

Twee Ridders kregen eens twist bij het biljartspel. Een van hen,
die den ander reeds veel beleedigingen had toegeslingerd, vergat
zich ten slotte zoozeer, dat hij tot handtastelijkheden overging en
den tegenstander sloeg. Daarna weigerde hij zijn verontschuldigingen
aan te bieden of den degen te kruisen. Dat was een schandaal voor het
geheele eiland Malta, waar geen voorbeeld bekend was van een dergelijke
lafheid. De op zoo grove wijze beleedigde officier riep herhaalde
malen zijn tegenstander op en liet hem telkens den tijd, na te denken
over de gevolgen van een weigering. Maar alles was vergeefsch; de
beleediger bleef zich onttrekken aan de gevolgen zijner daad.

Hij werd veroordeeld, gedurende vijf-en-veertig achtereenvolgende
dagen boete te doen in de kathedraal van Sint Jan, daarna vijf jaren in
een gevangenis door te brengen en zijn leven in gevangenschap in een
fort te besluiten. Naar men meent is door geen maatregel van genade
dit strenge vonnis verzacht.

De Orde was, zooals wij boven hebben gezien, verdeeld in "Tongen", en
aan elk van die was een paleis toegewezen voor haar vergaderingen. De
Ridders gebruikten er hun maaltijden; vandaar dat die paleizen wel
herbergen werden genoemd. Die acht "herbergen" bestaan nog onder
dezelfde namen van vroeger, dus herbergen van Provence, van Auvergne,
van Frankrijk, van Italië, van Aragon, van Duitschland, van Castilië
en van Engeland.

Frankrijk had drie herbergen. Daaruit kwamen de meeste Grootmeesters
der Orde voort; zij leverde de meeste ridders en droeg het meeste bij
tot den roem en de grootheid der Orde. Door een zonderlingen loop
van zaken, die onverklaarbaar moet heeten, was het voor Frankrijk
weggelegd, de grootsche instelling op Malta te vernietigen, welke
het eeuwenlang toch zoo krachtig had gesteund.

Toen het leger, dat Bonaparte naar Egypte bracht, in 1798 Malta
voorbijging, bezat de Orde ondanks den achteruitgang in haar financiën
er toch nog een voorraad van 1500 kanonnen, mortieren en houwitsers,
35.000 geweren, 12.000 vaten kruit, twee schepen van groote afmetingen,
een fregat, drie galeien enz. Het personeel bestond uit een effectief
van 17.000 man, onder wie 332 Ridders. Die hulpbronnen, die toch
werkelijk niet te versmaden waren, werden ongebruikt gelaten door den
Grootmeester; hij liet, zonder weerstand te bieden, Bonaparte zich van
La Valette meester maken en ook van de oude stad. Den 13den Juni werd
er een overeenkomst gesloten, waarbij de heerschappij over Malta en
onderhoorigheden overging aan de Fransche Republiek. Die verovering
van Malta door de Franschen maakte een einde aan het politiek bestaan
der Ridders van St. Jan.

De ontruiming van het eiland door den Grootmeester en de Ridders
berokkende den bewoners onberekenbare verliezen. Vooreerst was de
Grootmeester hun schuldenaar voor ongeveer een millioen francs,
en de op Malta wonende Ridders ten getale van meer dan 600, lieten
aanmerkelijke schulden na. Aan den anderen kant waren vele familiën,
waarvan de leden ambten op het eiland bekleedden, geruïneerd.

De verplichting, die hun werd opgelegd, om officieren te herbergen,
werd als een zeer hinderlijke maatregel beschouwd. De zeden der
Maltezers werden gekrenkt door het feit, dat de menschen vreemdelingen
tot hun huiselijken kring moesten toelaten. Eindelijk werkte ook
de belasting, die er moest worden opgebracht, om in de onkosten
van de kazerneering der soldaten te voorzien, de ontevredenheid in
de hand. Deze openbaarde zich in heviger mate te La Valette dan op
het platteland.

Zoodra het eiland onder fransch bestuur was gekomen, werd het door
Sicilië op den index geplaatst, en dat eiland weigerde den toegang
tot zijn havens aan de verschillende maltezer schepen, die er zich van
levensmiddelen kwamen voorzien. De verschijning van enkele engelsche
fregatten in de wateren van Malta, kort na de bezetting door de
Franschen, belette het uitgaan der koopvaardijschepen, geladen
met katoen voor Spanje uit de haven van La Valette. Daar zoo de
katoenhandel geknakt was, waren de vrouwen, die over het algemeen geen
andere hulpmiddelen hadden dan het spinnen, tot den bedelstaf gebracht.

Alles scheen buitendien samen te werken, om de Maltezers ontevreden
te stemmen. Men had het grootste gedeelte van het zilver, dat zich
in de schatkist van de oude stad bevond, weggehaald, om er geld van
te munten. De kloosters, behoorende tot dezelfde Orde, moesten tot
een enkel worden vereenigd, en de acten van den Burgerlijken Stand
moesten in orde worden gemaakt als in Frankrijk. Velen meenden daaruit
te moeten opmaken, dat de doop was afgeschaft en dat voortaan het
huwelijk als sacrament opgehouden had te bestaan, enz. enz.

Al die verschillende redenen van ontevredenheid, gevoegd bij
de vooroordeelen, die men in den geest der Maltezers had doen
ontstaan in zake de Fransche Revolutie, hadden het terrein uitstekend
voorbereid voor den opstand, welke plotseling uitbrak tegen de fransche
overheersching. De aanhangers van het hof van Napels en de Engelschen
waren er mogelijk niet geheel vreemd aan....



Waarschijnlijk zal men met verbazing vernemen, dat de Orde der Maltezer
Ridders nog bestaat. Evenals vroeger is zij in "Tongen" verdeeld, dat
wil zeggen in verschillende nationaliteiten. Men heeft de italiaansche
afdeeling, die tegenwoordig omvat het Groot-Prioraat van Rome, het
lombardisch-venetiaansch Groot-Prioraat en dat der Beide Siciliën,
dan de duitsche afdeeling, die het boheemsche Groot-Prioraat bezit
en de spaansche afdeeling. Buiten die vier "Tongen" vormen takken der
Orde geregelde genootschappen, dat der rijnsch-westfaalsche Ridders,
dat der silezische Ridders, dat der engelsche Ridders en dat der
fransche Ridders.

De Orde is vaak door de europeesche mogendheden erkend. Zij is
diplomatiek vertegenwoordigd geweest op het Weener Congres in 1813
door twee gemachtigden, verder op het congres van Aken in 1818 en
eindelijk op het congres van Verona in 1822.

In 1844 stelde de hertog de Broglie voor, de Orde af te vaardigen
als gemachtigde van alle beschaafde volken naar een internationale
conferentie tot afschaffing der slavernij in Afrika. Bij de nog
niet lang geleden gehouden Conferentie van Genève werd de Orde van
Malta officiëel opgeroepen, en zij nam door haar afgevaardigde aan
de debatten deel, waaruit de beroemde Conventie van het Roode Kruis
voortvloeide.

De heer L. de la Brière heeft een zeer belangrijk werk uitgegeven
over de Orde der Maltezer Ridders. Ik heb er de gegevens aan ontleend,
die ik hier heb gebruikt.

De Orde is erkend door den Pauselijken Stoel; ze heeft een officiëelen
gezant op het Vaticaan, die er aan alle plechtigheden deelneemt. "De
katholieke mogendheden", zegt de heer de la Brière, "houden de Orde
in eere, al zijn ze nog niet tot een diplomatieke uitwisseling van
vertegenwoordigers overgegaan. De uniform van Malta wordt altijd aan
de hoven van Europa met onderscheiding behandeld, en alle vorsten
dragen in persoon de eereteekenen der Orde."

De schrijver verhaalt een zeer belangwekkend feit, waarvan de graaf
Chandon de Briailles de held was. Tijdens den fransch-duitschen oorlog
onderhield de graaf te Epernay op zijn eigen kosten een ambulance
van zeshonderd bedden. De Duitschers maakten zich van de stad en
van de ambulance meester. De graaf de Briailles wordt verwijderd,
bijna uit het bezit gestooten van zijn eigen ambulance. Daar komt hij
op het denkbeeld, zijn costuum van Maltezer Ridder aan te trekken
en zoo te midden van zijn zieken te verschijnen; dadelijk bewijzen
de Duitschers hem alle eer, groeten hem beleefd, laten hem vrij,
om zijn liefdadig werk te vervolgen, en toonen voor zijn persoon
den grootsten eerbied. Dus is het Maltezer kruis het voorwerp van
algemeene vereering.

De Orde bezit ondanks de beroovingen, waaraan zij dikwijls heeft
blootgestaan, nog haar plaatselijke inkomsten, vooral in Boheme,
Tyrol en Italië. Het zijn schenkingen, die voor hun geheele leven aan
enkele leden der Orde zijn gedaan. De begiftigden deden echter afstand
van hun eigendom, om zich aan werken van liefdadigheid te wijden. Te
Rome heeft de Orde in de deftigste wijk, in de Condottistraat, een
groot paleis, waar de Grootmeester en de kanselarij wonen; op den
Aventijn bezit ze een kerk en een klooster van Maria met een villa
en uitgestrekte tuinen.

In Italië, Oostenrijk en Boheme bezit de Orde een honderdtal
Commandementen, o.a. te Pérouse, Ferentino, Osimo, Viterbo, Orvieto,
Pontecorvo, Parma, Sorrento, Beneventum, Palermo, Reggio, Weenen
en Brünn.

De Orde werkt op hospitaalgebied, dat haar oorspronkelijk terrein
was. Ze heeft haar hospitalen in Europa en in het Heilige Land;
ze houdt haar oorlogsambulances in goeden staat, dat ze dadelijk in
functie kunnen treden, evenals de treinen voor de ambulances. Haar
leden hebben vooral in Westfalen en Silezië de hulp aan de gewonden
op het slagveld in hun handen gecentraliseerd, en bezitten er een
machtige organisatie.

De tegenwoordige staat der Orde omvat twee soorten van leden, die
scherp onderscheiden categorieën vormen.

De eersten, de Broeders, in de Orde Ridders van het Recht genoemd, zijn
zij die, na hun bewijzen te hebben geleverd, dus na door authentieke
stukken hun acht kwartieren van adeldom te hebben bewezen zonder
een enkele mésalliance, toegelaten zijn met een noviciaat van tien
jaren, en die de kloostergelofte in den traditioneelen vorm hebben
afgelegd met het oude ceremoniëel. Zij blijven in de wereld leven,
maar zijn streng gehouden aan het godsdienstig celibaat. Er zijn van
die broeders tien in geheel Europa.

De leden van de tweede categorie, of leden van eer en devotie, zijn
veel talrijker, hun aantal bedraagt meer dan duizend. Zij leggen geen
enkele gelofte af en behouden den adellijken titel hunner geboorte.

Bij uitzondering kan de Grootmeester vanwege belangrijke diensten,
aan de Orde bewezen, onder den naam van Ridders der Genade,
enkele begunstigde leden toelaten, van wie geen bewijzen worden
gevorderd. Zoo iemand was de beroemde kardinaal Berryer, was ook
kardinaal Lavigerie en dan ook het Academielid Michaud, die de
geschiedenis der kruistochten schreef.

In Frankrijk heeft men alleen Ridders van eer en devotie, en dat aantal
is nog vrij gering. Op den uitdrukkelijken wensch van den Grootmeester
en op initiatief van baron de Montaignac hebben die Ridders zich
vereenigd tot een genootschap van liefdadigheid, zooals dat ook reeds
hadden gedaan de Maltezer Ridders van sommige andere landen. Wijlen de
hertog de Sabran en wijlen de hertog de Mortemart zijn successievelijk
voorzitter geweest van de groep der fransche ridders, wier hoofd op
dit oogenblik de graaf de Rohan-Chabot is. Twee fransche geestelijken
behooren ook tot het genootschap, de abt Pascal, kapelaan, en de abt
Gonon, pastoor van Sint Jan van Malta, te Aix in Provence.

Elk jaar houdt het Genootschap een vergadering, waar over de
werkzaamheden beraadslaagd wordt en waarbij door den kapelaan een
mis wordt voorgediend voor de overleden broeders in de kapel van de
basiliek van Montmartre, die aan Johannes den Dooper is gewijd. Aan
het slot van dien dienst vereenigen de Maltezer Ridders zich gewoonlijk
aan een vriendschappelijken maaltijd.

Te Parijs hebben ze het Sint-Janshospitaal met consultatiekamer,
een huis op de hellingen van Montmartre in de schaduw van de kerk van
het Heilige Hart; er is niets schitterends aan, en men ziet er enkel
een vriendelijke villa, die vroolijk en eenvoudig in het groen is
gelegen. Bij de algemeene armenzorg van Montmartre is een deel van
het werk aan de Ridders opgedragen, en verscheiden keeren roept op
den heuvel van het Heilige Hart het hospitaal van Sint Jan onder de
troepen hongerigen diegenen tot zich, die het meest te beklagen zijn,
om ze te troosten, te helpen en hun wonden en kwalen te genezen.

Het witte kruis met de acht punten is op de poorten aangebracht en
ook op de meubels in de consultatiekamer. Een der ridders, graaf
Gaston Chandon de Briailles, houdt persoonlijk toezicht op het werk
en geeft zijn krachten en zijn hart aan de zaak.

Een ander lid van de Orde, tevens medicus, doet het geneeskundig en
chirurgisch werk, graaf Churchill. Nadat hij in de Orde van Malta was
opgenomen, en nadat de gewone jaren der academische studiën voor hem
voorbij waren, heeft deze met ambitie naar het goede strevende man
zich met allen ernst op de studie toegelegd en heeft den graad van
doctor in de medicijnen verworven, alleen met het doel, zich volgens
de wet aan de zorg voor de armen te mogen wijden in den geest der Orde.

Er was op Malta zelf ook altijd voor de Ridders werk in overvloed,
want in de aardige stad La Valette met haar interessante herinneringen
kent men donkere en ellendig armoedige straatjes. Bij een wandeling
met den secretaris van het fransche consulaat kwamen we toevallig
onverwachts in de wijk Manderaggio, het treurigste hoekje op Malta.

Uit de zindelijke en lichte straten waren we plotseling zonder
overgang in een wirwar van steegjes verzeild geraakt, smalle nauwe
doorgangen tusschen hemelhooge huizen, alle oud en vervallen. Het
was als een doolhof en telkens liepen we stomp en moesten omkeeren,
om ons eindelijk weer bij het begin terug te vinden.

Bogen hangen hier en daar over de straatjes heen en geven, naar
het schijnt, stevigheid aan de oude muren, die vol spleten zitten,
afgeschilferd zijn en waar door vuile buizen onwelriekend vocht
stroomt. De bodem wordt gevormd door groote, platte steenen,
die glibberig zijn door vuil, kleverig vocht. Overal ligt afval
te verrotten en vergiftigt de lucht, terwijl keukengeuren uit de
donkere holen opstijgen en door hun scherpte den voorbijganger de
keel als toeschroeven.

Wie echter veel houdt van schilderachtige dingen, niet al te hevig
gehinderd wordt door onaangename geuren, kan met de levendigste
belangstelling een wandeling doen door Manderaggio. De bevolking,
die in die ongenoemde steegjes woont, in dien wirwar van zonderlinge
huizen, biedt veel belangwekkends aan. Nu en dan valt er een vreemd en
grillig licht op groepjes kinderen, die er, o wonder, frisch en gezond
uitzien op dien mesthoop; zij zingen en spelen, en de huisvrouwen gaan
heen en weer op onbezorgde en vroolijke manier, maken groenten klaar,
bereiden visch, en onder het knetteren van het bakken mengt zich gelach
en vroolijk geroep, maar ook het geklok van het vuile water, dat van
de bovenverdiepingen haastig door de afvoerbuizen naar beneden loopt.

In Manderaggio ziet men in de donkere gangen van de zoo oude huizen
en het weerzinwekkende vuil van eindelooze ellende het intense leven
even goed of beter dan in de rijke wijken van La Valette.

Die armoedige bevolking is overigens vol eerbied en hulpvaardigheid
voor den vreemdeling, die zich onder haar waagt. Het kwam mij zelfs
voor, dat ik er oneindig veiliger was dan in de straten van Palermo
en Grenada, of, om kort te gaan, in alle groote steden van Spanje en
Italië, waar men ook die groote tegenstellingen aantreft van rijkdom
en armoede.

Ik wil daarmee niet zeggen dat het onveilig zou zijn, in die steden
bij dag door de volkswijken te gaan, maar men krijgt toch een gevoel,
of men op zijn hoede moet wezen. Te Palermo bij voorbeeld zal men,
als men met aandacht een of ander belangwekkend type bekijkt, al gauw
aangezien worden op een manier, die u uw schreden doet verhaasten,
zonder dat men lust krijgt zich er langer op te houden. Hier ondervond
ik niets dergelijks. Men beweegt zich overal zonder eenig gevaar.



III.

De monumenten van La Valette.--De Sint Jans-kathedraal en haar
achttien kapellen met de graven der Grootmeesters.--Geschiedenis der
voornaamste Grootmeesters.--Het verlies van de schatten uit de Sint
Janskerk.--Het paleis der Grootmeesters.--De bibliotheek.--Het Paleis
van Justitie, de oude herberg van Frankrijk.--Het arsenaal.--Een met
beenderen behangen zaal in een hospitaal.--De kerkhoven.--Bezoek aan
Città Vecchia, de oude hoofdstad van Malta.--Aanzien van het land.--De
Sint Paulsgrot.--De Maltezers en de engelsche overheersching.


De groote Sint Janskerk der Ridders, waar alle graven der Grootmeesters
zijn te vinden, is het merkwaardigste bouwwerk van La Valette. Ik
bedoel hier niet zoozeer uit het oogpunt van het uiterlijk, van de
architectonische beteekenis, want het gebouw is zwaar, massief en
streng, eerder een fort dan een kerk, maar uit historisch oogpunt. Twee
kortdikke klokkentorens, een voorhal, een balcon of terras, waar de
Grootmeester zich voor de eerste maal na zijn verkiezing aan het volk
vertoonde, als het Conclave hem had aangewezen, dat is eigenlijk alles,
wat het uitwendige van het heiligdom ornamenteels vertoont. Op den
top van den gevel stond oudtijds een reusachtig borstbeeld van den
Heiland, een bronzen beeld, dat de galeien der Orde bij het verlaten
van de groote haven begroetten, wanneer ze uitgingen op een kruistocht
tegen de Muzelmannen.

De Sint Janskathedraal is, afgezien van de rijke versieringen aan de
wanden, in het inwendige van bijzonder eenvoudige conceptie. Het is een
groot parallelogram, dat een gewelf met dubbele bogen draagt. Aan dat
gewelf is in achttien afdeelingen of kaders de geschiedenis voorgesteld
van den heilige, naar wien de kerk genoemd is. Het forsche, krachtige
werk is men verschuldigd aan het penseel van den Ridder Matthias
Préti, bijgenaamd de Calabrees, leerling van du Guerchin en vriend
van Rubens. Maar ongelukkig zijn die schilderijen slecht gerestaureerd
en hebben veel van hun oorspronkelijke bekoring verloren.

Achttien kapellen, die in elkander loopen en zoodoende een soort van
galerij vormen, bevinden zich in elk der zijvleugels. Zeven ervan
waren gewijd aan de zeven "Tongen", waaruit de Orde bestond. De
wanden, versierd met houtsnijwerk, dat verguld en in houtreliëf is
aangebracht, stellen symbolen en godsdienstige plechtigheden voor van
de volken, waartoe leden der Orde behoorden, met de prachtige graven
der Grootmeesters van elke afdeeling.

Al die graven, behalve die van de duitsche kapel, zijn met marmer
bekleed, en erboven prijkt het borstbeeld of het beeld ten voeten uit
van den overledene, terwijl er gebeeldhouwde medaillons en schilderwerk
omheen zijn aangebracht. Verscheiden van die kunstwerken werden door
Matthias Préti uitgevoerd. Die van de duitsche kapel zijn van een
maltezer kunstenaar.

Als men de basiliek betreedt, die er van buiten zoo eenvoudig uitziet,
wordt men allereerst getroffen door de rijke versiering. Men moet
daarbij echter niet vergeten, dat meer dan drie eeuwen lang het
heiligdom der Ridders voortdurend verfraaid kon worden door de
groote mildheid der Orde, Boven het hoofdaltaar, dat druk bewerkt is,
schittert op een breed voetstuk een groote marmeren groep, den doop
van Christus door Johannes den Dooper voorstellend. Dat prachtige,
witte kunstwerk is van den maltezer kunstenaar Melchior Gaffa, die
het plan ontwierp en nog een begin maakte met de uitvoering. Na zijn
dood werd het voltooid door den beroemden beeldhouwer Bernini.

Zilveren pilaren scheiden het koor van de rest der kerk. Het
plaveisel der kerk bestaat geheel uit groote marmeren grafsteenen van
verschillende kleur, waarin kostbare gesteenten mozaïeken vormen. Een
reuzenbladzijde met necrologieën ontrolt zich voor onze voeten. Daar
staan de groote heldenfeiten te lezen uit het leven der roemrijke
strijders. De geheele hooge aristocratie van Europa kan er de eene
of andere herinnering vinden van een voorvader of vriend.

Het graf van den Grootmeester Nicolaas Cottoner maakt vooral een diepen
indruk. Op een voetstuk, door twee karyatiden gedragen, ziet men twee
overwonnenen, een Muzelman en een neger in ketenen, verder het bronzen
borstbeeld van den Grootmeester met den kraag der geestelijken en het
harnas van den krijgsman, en dat alles op een hoop aan den vijand
ontnomen vlaggen. Ook kan men er de halve maan der Mohammedanen op
vinden met helmen, kanonnen en wapens van allerlei soort. Alles is
in wit marmer uitgevoerd. Achter het borstbeeld verheft zich een
pyramide met het wapenschild en de Faam, die op een bazuin blaast,
terwijl een engel op de groep wijst. Die figuren, het schild en de
pyramide zijn ook van marmer. Het geheel is van zeer decoratieve
werking en maakt een rijken indruk.

De Orde had aan Nicolaas Cottoner den aanleg van verscheiden
versterkingen te danken. Een ervan draagt nog zijn naam. Hij droeg
veel bij tot de weerbaarmaking van Floriana en Marsa Muscet. Om de
verdediging van den ingang tot de groote haven te voltooien, liet hij
het fort Ricasoli of het Koningsfort aanleggen van de dertig duizend
kronen, die een Ridder voor dat doel afstond. Paus Clemens de Tiende
wenschte in een pauselijken brief den Grootmeester Nicolaas Cottoner
geluk met zijn pogingen om Malta te versterken, Malta, dat het bolwerk
was voor alle staten der christelijke wereld.

Het grafmonument, dat opgericht werd voor Raymond Perellos de
Roccafoull van de "Tong" Aragon, baljuw van Negropont, vóór hij
tot het grootmeesterschap werd verheven, is zeer rijk versierd en
van groote uitwerking. Zijn bronzen buste komt naar voren uit een
uitgehold marmeren medaillon. Erboven prijken zijn wapens, door vlaggen
omgeven. Aan den voet staat een engel, leunend op de attributen der
lictoren. Het Recht, voorgesteld door een vrouw, houdt de weegschaal;
een vrouw zoogt een kind. Die beide vrouwenfiguren van wit marmer zijn
gezeten aan weerszijden van het monument. Het voetstuk vertoont een
bundel wapens en schilden, op het een waarvan men de halve maan ziet,
terwijl op het andere een Gorgonenhoofd is afgebeeld.

De Grootmeester Raymond Perellos had een lange en aan feiten rijke
regeering. Hij onderscheidde zich door zijne groote vrijgevigheid voor
de gezinnen, wier leden in den dienst der Orde stierven; hij bracht
veel nieuwe versterkingen aan en verwaarloosde niets van wat hij
meende dat geschikt kon wezen om den glans en den roem der Orde te
verhoogen. Tweemaal per jaar worden aan de muren van de kathedraal
prachtige tapijten opgehangen, die het leven van den Verlosser
voorstellen, en den Triomf van het Christendom. Ze zijn een legaat
van den Grootmeester Perellos.

Het monument, dat gebouwd is voor den Grootmeester Marcus Antonius
Zondodari, die uit Siena geboortig was, is ook zeer prachtig;
het onderscheidt zich door een gelukkige vereeniging van marmer en
brons. Als bij al die grafmonumenten in de Sint-Janskerk der Ridders
van Malta, brengt een legende, in het voetstuk gebeeldhouwd, de
deugden en weldaden van den Grootmeester in herinnering. Hier ziet
men hem, liggend op zijn doodkist, die door naakte kinderen wordt
gedragen. De Oorlog, voorgesteld door een vrouw, schijnt met behulp
van een kind bezig, de plooien te leggen van de vlag, waarin hij zal
begraven worden.

Antoine Manuel de Vilhena, Portugees van de afdeeling Castilië,
werd tot Grootmeester gekozen bij den dood van Zondodari. Het voor
hem opgerichte monument behoort tot de mooiste, die de prachtige
Sint-Janskathedraal der Maltezer Ridders sieren. Altijd bewondert
men de harmonieuse rangschikking der onderdeelen, die al die
graven kenmerkt, den overvloed van motieven en symbolen, die er
levendigheid aan geven, en den rijkdom en de verscheidenheid der
gebruikte materialen.

Bij dit laatste wordt het borstbeeld, gevat in een medaillon, door
een krans van laurierbladen gevormd, door engelen aangeboden. Op de
voorzijde heeft de Faam naast de wapens met een kroon er boven de
bazuin aan den mond gebracht. Op de sarcofaag, door bronzen leeuwen
gedragen, houdt een kind het zwaard opgeheven, den enormen eeredegen
van den Grootmeester. Andere kinderen storten tranen.

Antoine Manuel de Vilhena had alle rangen der Orde doorloopen. Hij
was gewond geworden bij een aanval op twee tripolitaansche schepen,
die generaal Antoine Corea de Souza in 1680 buit maakte. Hij werd
achtereenvolgens benoemd tot majoor, kolonel en commandant van een
galei, tot commissaris der bewapening, groot-kanselier der Orde,
baljuw van Acre en eindelijk tot schatmeester der Orde. In zijn
qualiteit van Grootmeester liet hij het fort Manuel oprichten op het
eilandje Marsa-Muscet.

Wij mogen bij deze beknopte opnoeming niet vergeten het graf van
Jean de la Valette, die in 1586 stierf. Een lang opschrift telt
zijn heldendaden op, zijn overwinningen op de Turken, de beroemde
belegering, die hij van het leger van Soliman had te doorstaan, en
vooral de stichting van de groote stad, die door zijn toedoen zoo
gevreesd werd. Soliman de Tweede zag met de grootste bezorgdheid de
toenemende macht, welke de Ridders in de Middellandsche Zee kregen,
en waarvan hij de duidelijkste blijken kreeg door de vernieling van de
meeste zijner vloten. Hij besloot Malta aan te vallen en er de Ridders
uit te verdrijven, die hij te voren reeds van Rhodus had verjaagd. In
den loop van het jaar 1565 drongen honderd-vijftig turksche schepen
in de haven van Marsa Scirocco binnen, en zetten er zestig duizend
gewapende mannen aan land, onder bevel van den pacha Mustapha, van
Dragut, en van den dey van Algiers.

De gedenkwaardige belegering van La Valette deed de dapperheid der
Ridders duidelijk uitkomen. De Grootmeester van Malta, Jean Parisot
de la Valette, bewees in die moeilijke omstandigheden, dat hij waardig
was de opvolger van L'Isle Adam te zijn. Zijn stoutmoedigheid en zijn
militaire talenten gaven hem daar recht op.

De resultaten van de toen op de Turken behaalde overwinning waren
niet gering. Malta was bevrijd; Italië was weer veilig en Europa kon
gerust zijn. Twintig duizend Turken waren op het slagveld gebleven,
en generaal Mustapha, hun aanvoerder, had met het overschot van
zijn leger een toevlucht gezocht aan boord van zijn schepen en ging
heen van Malta. Keizer Soliman kreeg een zeer diepen indruk van deze
nederlaag. Hij dacht er over, een nieuwe expeditie te organiseeren,
die hij zelf wilde leiden en waarover hij in persoon het bevel dacht
te voeren, toen de dood hem overviel te midden van zijn plannen van
wraak en vernieling.

Na die roemrijke zegepraal liet de Grootmeester La Valette, ondanks
zijn hoogen leeftijd en zijn wonden altijd even onvermoeid, de
versterkingen, die de Turken hadden verwoest, herstellen. Hij beloonde
op edelmoedige wijze zijn bondgenooten en de bewoners van het eiland,
die hem met zelfverloochening hadden bijgestaan, en die bij dit beleg
meer dan zeven duizend van hun landgenooten hadden verloren.

Toen was het, dat met den materiëelen steun, dien Frankrijk, Spanje,
Portugal en de italiaansche vorsten hem verleenden, hij in 1566 de
fondamenten legde van de naar hem genoemde stad.

Wij hebben nog niet van de oneenigheid gesproken, die er ontstond
tusschen hem en den paus en die de laatste jaren van het roemrijk
bestaan van Jean Parisot de La Valette verbitterden. Om de
droefgeestigheid te verjagen, die zich van hem had meester gemaakt
ten gevolge van die moeilijkheden, steeg hij te paard, gevolgd door
zijn jachtgezelschap, en begaf zich naar de vlakte aan de golf van
Sint Paul, om er patrijzen te jagen. De zeer groote hitte van dien dag
hinderde hem; hij kreeg een zonnesteek en kwam met koorts in de stad
terug. Na den dood van de La Valette vermeerderden de Grootmeesters,
zijn opvolgers, de versterkingen der door hem gebouwde stad.

Zij bouwden ook nieuwe forten in het binnenland van het eiland en
stelden de kusten beter in staat van verdediging. Maar deze maatregelen
bleken nog niet voldoende, om aan de sultans van Turkije alle hoop te
ontnemen, zich eenmaal weer van dat eiland meester te maken, dat hun
handel steeds maar weer afbreuk deed. Zij deden van tijd tot tijd
landingen, maar ze werden telkens verslagen en met groot verlies
teruggeslagen. Eindelijk maakten de Maltezers zich meester van een
turksch schip, dat met aanzienlijke rijkdommen beladen was. Het had
prins Osman en prinses Fatima aan boord, kinderen van keizer Ibrahim,
die op weg waren naar Alexandrië met het plan naar Mekka te reizen.

Op Malta werden de doorluchtige reizigers met de grootste
onderscheiding behandeld en men bewees hun alle eer, die men aan hun
rang verschuldigd was. En wat als bewijs kan dienen voor de groote
edelmoedigheid der Ridders, prinses Fatima werd, met geschenken
overladen, op haar eigen schip teruggezonden naar Konstantinopel. Prins
Osman, die getroffen was door zooveel edelmoedigheid, wilde Malta niet
weer verlaten. Hij ging tot het Christendom over en werd monnik op
Sint-Dominicus, waarvoor hij afstand deed van de kroon van een groot
rijk, zonder zelfs de waardigheid te willen aannemen van kardinaal,
welke de paus hem aanbood. Ibrahim, die ten diepste gegriefd was
in zijn hart en in zijn politiek, besloot zich te wreken door de
verwoesting van Malta. Hij maakte reeds verbazende toebereidselen
voor dat doel, toen de dood hem verraste, zooals hij het Soliman had
gedaan, vóór de wraakplannen tot uitvoering waren gekomen.

In de kapel, aan de "tong" van Frankrijk gewijd, herinnert het
graf van graaf du Beaujolais aan het lijden van een ongelukkigen
prins uit het huis Bourbon, die in 1808 op Malta stierf, waar hij om
gezondheidsredenen was heengegaan. Men vindt er ook het graf van den
Grootmeester Emmanuel de Rohan, welke graftombe een schoon kunstwerk
te zien geeft, de onthoofding van Johannes den Dooper voorstellend,
van de hand van Michel Angelo van Caravaggio.

In de krypt bevinden zich de graven van verscheiden andere
Grootmeesters, o.a. dat van Villiers de l'Isle Adam. De onderaardsche
kapel van het Heilige Kruis bevat ook de graven van Pierre du Pont,
gestorven in 1535, dat van Jean d'Omèdes, die de Sint-Elmus- en
Sint-Michielforten liet bouwen en vele bastions liet aanleggen. Hij
overleed in 1533. Dan is er het graf van Claude de La Sangle, aan wien
de verdedigingswerken van de naar hem genoemde voorstad veel te danken
hebben; verder de graven van Guidalotti de Monte en van Jean Lévèque
de le Cassière, in 1581 overleden. Aan dien Grootmeester heeft men ook
den bouw van de Sint-Janskathedraal te danken, en hij zorgde ervoor,
dat de stoffelijke overblijfselen van zijn doorluchtige voorgangers
daarheen werden overgebracht.

De schatkamer der Sint-Janskerk was in den tijd der Ridders door geheel
Europa beroemd, zoo groot was het aantal zeer kostbare voorwerpen,
dat ze bevatte.

Men kon er als reliek een hand van Johannes den Dooper zien, in
goud gevat en ingelegd met diamanten, robijnen en andere kostbare
steenen. Zij was door Bajazet geschonken aan Pierre d'Aubusson,
Grootmeester van Rhodus. Er wordt ook melding gemaakt van een kruis
van edelgesteenten, dat een stukje van het echte kruis zou bevatten,
dan van een gouden lampetkan, gevuld met kostbare steenen, die Hendrik
de Achtste van Engeland aan Villiers de l'Isle Adam had aangeboden na
het verlies van Rhodus; dan van een prachtigen degen en van een dolk,
door Filips den Tweeden, koning van Spanje ten geschenke gegeven aan
den Grootmeester La Valette na zijn roemrijke verdediging tegen de
Turken. In grooten getale waren er verder de voorwerpen van goud,
zilver en diamanten, die de Grootmeesters en Groot-Priors van iedere
"tong" der Orde verplicht waren elke vijf jaar, aan de kerk aan te
bieden. Geen enkele basiliek bezat zooveel kostbare voorwerpen, zooveel
lampen en kandelabers van zilver en van die hoogte en zwaarte, dat
twee mannen ze slechts met moeite konden dragen. Van al die rijkdommen
is er niets meer over. Men beschuldigt het Directoire ervan, ze te
hebben geroofd.

De vlag der Orde, en de kostbare schatten van de Sint-Janskerk,
welker waarde verscheiden millioenen bedroeg, werden meegevoerd op
het fregat La Sensible. De commandant van het schip, die tusschen
Malta en Toulon door de Engelschen werd aangevallen, liet, vóór hij
zich overgaf, alles over boord werpen. Zoo werden de schatten van
de Sint-Janskerk op Malta vernietigd; alleen de staatsiedegen, dien
de Grootmeester der Orde bij plechtige gelegenheden droeg, ontkwam
aan de algemeene ramp. Bij de capitulatie van het eiland werd het
staatsiewapen ter hand gesteld aan Napoleon, die het toevertrouwde aan
markies de Dolomieu, door wien het Directoire ervan in het bezit werd
gesteld. En zoo dient die degen nu tot opluistering van een vitrine
in de Nationale Bibliotheek, afdeeling medailles.

Midden in La Valette, op het plein Saint-Georges, staat het
Regeeringspaleis, oude residentie der Grootmeesters, gebouwd door
Hyacinthe del Monte. Dat is een groot en zwaar bouwwerk, meer op
een vesting dan op een paleis gelijkend. Twee overdekte terrassen
en balkons versieren den voorgevel; maar dat zijn toevoegsels van
betrekkelijk nog jongen datum. Onder Grootmeester de Pinto werden beide
poorten, die uitkomen op het plein Sint-Georges, verfraaid met enkele
versieringen, waarvan de stijl slecht past bij het overige gebouw.

Er is een opschrift, dat mij, als ik den muur, waarop het is
aangebracht, aanzie, aan het droomen brengt. Het luidt: "Magnae et
invictae Britanniae-Melitensium amor et Europae vox--has insulas
confirmant--A.D., 1814" d.w.z.: "Aan het groote en onoverwinnelijke
Brittannië--de liefde van de Maltezers en de stem van Europa--wordt
het bezit van deze eilanden gewaarborgd."

Maar daar de waarheid is, dat het Congres van Weenen in 1814 aan de
Engelschen Malta liet behouden met de eilanden in de buurt, kan
men moeilijk beweren, dat het de liefde der Maltezers is geweest,
waardoor dat bezit werd gewettigd.

Het Regeeringspaleis, de oude verblijfplaats der Grootmeesters,
wordt tegenwoordig bewoond door den gouverneur van Malta, en de
administratie is er met haar kantoren gevestigd. Op een binnenplein
staat een bronzen beeld van Neptunus, een werk van Jean de Boulogne,
dat eertijds in het Marinegebouw stond.

Nadat men een breede, witmarmeren trap is opgegaan, komt men
door galerijen, waarvan één versierd is met de portretten van de
Grootmeesters der Orde, en de andere met schilderijen, voorstellende
de wapenfeiten en de heldendaden der Ridders.

Die laatste galerij leidt naar de feestzaal, waar een vorstelijke
troon staat met de wapens van Engeland, en in de tapisseriezaal,
waar vroeger de Raad der Orde bijeenkwam voor zijn beraadslagingen.

De leunstoel van den Grootmeester is er nog. De gobelins, die de wanden
bedekken, personifiëeren de vier werelddeelen. Enkele schilderijen
van veldslagen dragen tot de versiering bij. Op de galerij komt ook
uit de groote wapenzaal met de bijzonder mooie en rijke verzameling
wapens uit de Middeleeuwen, maliënkolders, dijharnassen en armstukken,
kurassen, helmen, schilden en hellebaarden, de eerste vuurwapenen,
vuursteen- en andere geweren, in het geheel veertig duizend, en
eindelijk het zwaard van den beruchten zeeroover Dragut. Tusschen
al dat moordtuig hangt het portret van den Grootmeester Wignacourt,
door Caravaggio geschilderd.

De bibliotheek van La Valette is ondergebracht in een sierlijk gebouw,
dat onder den Grootmeester de Rohan tot stand is gekomen. Zij is
gesticht in 1760 door den franschen baljuw Louis Guérin de Tencin en
ze werd eerst overgebracht naar het gebouw, waar zij zich thans in
bevindt, enkele jaren voor de verspreiding der Orde door Bonaparte.

De boekenschat werd samengesteld uit de particuliere
boekenverzamelingen der Ridders, die gehouden waren hun boeken na
te laten aan die openbare instelling. Het gebouw staat in een tuin,
en is in ionischen stijl opgetrokken, sober van versieringen en toch
bijzonder mooi.

Een breede laan leidt erheen. Een trap, die zich bovenaan in tweeën
splitst, geeft aan de eene zijde toegang tot de administratiekamer en
aan de andere tot de bibliotheek met haar 60.000 deelen. Er zijn daar
kostbare manuscripten, oude drukwerken en zeer interessante archieven,
die betrekking hebben op de oudste tijden der beschaving van het eiland
Malta. Opmerkelijk is ook, in een klein museum naast de bibliotheek,
een rijke collectie van voorwerpen der natuurlijke historie van het
eiland en vooral van de mineralogie. Met belangstelling zal men er
kennis nemen van oude dingen van phoenicische en grieksche afkomst,
op Malta en Gozzo aangetroffen.

Onder de interessante gebouwen van La Valette moet het Justitiegebouw
worden genoemd, dat oudtijds een geheel andere bestemming had, want het
was de herberg van de "tong" Frankrijk. Genoemd moeten ook worden de
beide schouwburgen, de eene, die reeds oud is, werd opgericht onder den
Grootmeester Manuel de Vilhena. De andere, van jongen datum, is grooter
en weeldiger ingericht. Het is het Massimo- of Koningstheater. In 1873
werd het door brand verwoest, waarbij alleen de muren bleven staan; het
is sedert dien tijd weer opgebouwd, maar het heeft nooit de schoone
versieringen teruggekregen, die de zaal vóór den brand opluisterden.

Het Marine-arsenaal, dat men niet zonder speciaal verlof mag bezoeken,
is hoogst belangwekkend. Men kan er alle moderne verbeteringen
aanschouwen ter zake van zeevaart en den oorlog ter zee, en het geeft
te denken naar aanleiding van de macht der britsche marine. Alle
machines ziet men er in beweging; alle instrumenten zijn gereed of
kunnen dadelijk in werking worden gesteld, als er iets aan eenig schip
moet worden gerepareerd. Voorraadmagazijnen grenzen aan het arsenaal
en kunnen de vloot en het leger van het noodige voorzien, zoowel in
tijd van oorlog als in dien van vrede. In de buurt zijn de dokken,
die de grootste pantserschepen van de engelsche zeemacht kunnen bergen.

Er zijn te La Valette verscheiden hospitalen, waarvan één in het
westelijk deel van de voorstad Floriana. Er zou niets bijzonders zijn
te zeggen over die laatste inrichting, als zij niet de allervreemdste
zaal bevatte, die men maar met mogelijkheid kan zien, en ik betwijfel
het, of er wel ergens een dergelijke te vinden is. Het is werkelijk
niet te begrijpen, hoe men op het zonderlinge en lugubere denkbeeld
is gekomen, de wanden dier zaal geheel uit beenderen te doen
bestaan. Bovendien is in een hooge nis een symbool van den tijd
geplaatst, een skelet met een zeis in de hand, omgeven door de
begrafenisattributen van den sombersten aard.

Van beenderen heeft men er allerwonderlijkste wapenrustingen gemaakt,
voorts teekeningen, guirlanden en allerlei versieringsmotieven. Op
enkele plaatsen zijn symmetrisch en op bepaalde afstanden hoopen
schedels neergelegd; elders heup- en dijbeenderen, die als degens
elkander kruisen. Het is griezelig en belachelijk tevens, en men kan
zich geen voorstelling maken van het denkbeeld, dat bij die decoratie
heeft voorgezeten.

Op korten afstand van La Valette zijn twee kerkhoven, de turksche
begraafplaats met opengewerkte koepels en witte minarets, die het
kerkhof in de verte op een kleine oostersche stad doen gelijken,
en het stadskerkhof op een plateau, waar een gothische kerk staat
met een slanken klokkentoren.

Op een dag verliet ik La Valette, om mij naar Città Vecchia te
begeven of Città Notabile, de oude hoofdstad van het eiland. Bij
het verlaten van de stad door de massieve poort aan de wallen, die
den naam draagt van de Città-Vecchiapoort, lag er een in verblindend
zonlicht badende weg voor mij. Ik zag de reusachtige waterleiding,
die de Grootmeester Aloys de Wignacourt had laten aanleggen in 1616,
en die nu nog La Valette van water voorziet. Altijd bleef het een
verblindende zon, waarin ik slechts met moeite de voorwerpen herkende,
een terugkaatsing van het licht, die pijnlijk was, zoodat ik met half
gesloten oogen liep.

Nu en dan verrees er in de verte een witte massa en draaide in spiralen
rond, werd grooter en steeg op naar de lucht, om dan met verwonderlijke
snelheid ons te naderen en te omhullen. Het was een stofwolk, door
den wind voortgedreven, en een tweede wolk volgde nog op de eerste.

Dan plotseling lag weer het land onder de schitterende zonnestralen
te branden, dor en droog en als verkalkt door de hitte, neerdalend
van den donkerblauwen hemel.

Alles was verblindend, de grond, de boomen, de verre gebouwen. Het
leek op sneeuw of op ongrijpbaar wit poeder, dat alles overdekte. De
lucht zelve was er door verduisterd.

Meer op een afstand teekende, op een hoogte, een stad zich af tegen
den horizon, een mooie stad met een middeleeuwsch silhouet en palmen,
uitstekend boven de muren; dat was Città Vecchia. Op de golvende
vlakte links zag men dorpjes met alleenstaande klokkentorens.

Steenen muren, waarop enkele vijgeboomen met hun stoffige bladeren
groeiden, omgaven de tuinen en sloten den weg in. Nu en dan ging
mij een voetganger voorbij, gebogen onder den storm van zon en stof,
of een arme vrouw, die een half naakt kind aan de hand had, en dan
was de stilte weer daar.

Wij beklommen den heuvel, gingen over een ophaalbrug, en waren in
een smalle straat, die bochtig was, maar ons toch naar de kathedraal
zou brengen, het eenige bouwwerk, dat wij te Città Vecchia hebben
te bezoeken.

Die oude hoofdstad van Malta, welker stichting nog tot vroegeren
tijd moet opklimmen dan de stichting van Rome, was in den aanvang
van betrekkelijk weinig belang; er wordt zelfs gezegd, dat het
slechts een gewoon versterkt kamp was. Er werden vele grieksche
en romeinsche oudheden gevonden, ook overblijfselen van tempels,
gewijd aan Juno en Proserpina. Op den top van den heuvel, waar
de oude stad ligt, heeft men de sporen van een prachtig romeinsch
paleis ontdekt. Twee-en-twintig eeuwen gingen over deze ruïnen heen,
gedurende welke de Arabieren, meesters van Malta, er de graven van
gebruikten, want men vindt er tegenwoordig nog de beenderen van hun
dooden in. Men zou gezegd hebben, dat de stad voortaan niet anders dan
een doodenstad moest zijn. Men heeft de fondamenten van de zuilengang
van dit paleis blootgelegd, verder prachtige mozaïeken, vazen en tal
van merkwaardigheden, die den oudheidkundige belang inboezemen. De
overblijfselen leggen getuigenis af van een vergevorderde beschaving in
den tijd dat barbaarschheid nog heerschte in een groot deel van Europa.

Vóór de kathedraal van Città Vecchia ligt een steenen trap met twee
oude kanonnen, die door ik weet niet welken souverein aan de Ridders
werden aangeboden. Alleen om deze reden hechtten de Maltezers er
aan. De kathedraal verrijst op een pleintje en wel op dezelfde plaats,
waar het paleis van Publius lag, den prefect van Malta, die Paulus
opnam, toen deze apostel op reis van Palestina naar Rome, schipbreuk
leed op de kust. Publius, tot het Christendom bekeerd, werd tot
bisschop benoemd door Paulus en werd later als martelaar gedood te
Athene. De kathedraal dagteekent van 1702 en werd gebouwd volgens de
plannen van den maltezer architekt Lorenzo Gaffa. Aan elke zijde van
het altaar zijn twee tronen opgericht, die van den bisschop en die van
de koningin. Het gewelf van de kerk werd versierd met schilderwerk
van Vincent Manno. Het schilderwerk van het inwendige der kerk is
afkomstig van den Calabrees, wiens leerlingen de wanden der kapellen
versierden. Er zijn ook enkele moderne kunstwerken te bewonderen in
de kerk, o.a. de inlegwerken van het koor en twee mozaïekmedaillons,
voorstellend de apostelen Petrus en Paulus.

Niet ver van de oude kathedraal herinnert een onderaardsche galerij,
die nog slechts voor een klein deel onderzocht is, aan de tijden van
vervolging, toen de Christenen zich moesten verbergen. Er zijn nergens
zulke uitgestrekte catacomben, en men weet nog volstrekt niet, hoe
groot ze wel zijn. De gedeelten, waar de mysteriën gehouden werden,
zijn nog aan te wijzen, en men vindt er eveneens een aantal kleine
holen, waar de eerste Christenen hun dooden begroeven.

Het is interessant, de grot van den H. Paulus te bezoeken, in de
rots uitgehouwen, waar de apostel een schuilplaaats vond en waar
hij gevangen werd gehouden gedurende zijn verblijf op het eiland,
dat drie maanden duurde.

Die crypt is in de zachte rots gemaakt. Enorme hoeveelheden van het
gesteente werden er langen tijd uitgehaald en naar alle deelen der
wereld verzonden, waar Christenen woonden. Er werd een koortswerende
kracht aan toegeschreven, en het werd genaamd pietra della grazia,
steen der genade.

Monseigneur Lavigerie had te Carthago een pelgrimstocht in het leven
geroepen, die de in zoo grooten getale in Tunis wonende Maltezers
moest herinneren aan de Madonna van Melleha, welk beeld het hoogst
vereerde heiligdom in hun geboorteland versiert, de Paulusgrot. Het
was een der redenen waarom de kardinaal bij de Maltezers zoo bemind
was. Die Madonna zou door den apostel Lucas zelven op de wanden der
grot geschilderd zijn, toen hij er met den apostel Paulus een toevlucht
had gezocht na hun schipbreuk. De kardinaal had het schilderij te
Carthago laten reproduceeren.

De Paulusgrot is een heilige plaats gebleven. Op een altaar staat
een beeld van den heilige van wit marmer. Het is het werk van den
maltezer beeldhouwer Melchiore Gaffa. Aan den voet van het beeld
brandt altijd een lamp.

Volgens de Handelingen der Apostelen maakte Paulus na zijn schipbreuk
een vuur van takken aan, om zich te verwarmen. Een adder, die zich
in het hout bevond, beet hem in de hand en bleef eraan hangen. De
bewoners, die om hem heen stonden, zeiden onder elkaar: "Stellig
heeft die man een moord begaan, want pas is hij aan de woede der
golven ontkomen, of nog vervolgt hem de goddelijke wraak." Maar
Paulus schudde zijn hand en liet er het reptiel afglijden, dat hij
in het vuur wierp. De omstanders waren overtuigd, dat het venijn
van de adder zijn uitwerking niet zou missen, dat de hand zwellen,
en dat de zwelling zich weldra aan het geheele lichaam zou meedeelen,
zooals gewoonlijk gebeurt.

Maar Paulus scheen in het geheel geen pijn te hebben, en de beet had
geen enkel nadeelig gevolg. Toen waren de Maltezers door het wonder
getroffen en vereerden Paulus voortaan als een god.

Publius, gouverneur van het eiland, die hem bij zich ontving en zijn
goede zorgen aan hem wijdde, bracht hem aan het bed van zijn vader, die
door een hevige koorts was aangetast. Paulus legde hem de handen op,
begon te bidden en genas hem. Dat bericht verspreidde zich snel over
het eiland, en dadelijk stroomden de zieken in massa toe. De apostel
genas ze en bracht drie maanden op Malta door, voor hij naar Rome ging.

Dichtbij de grot, op de plek waar een standbeeld Paulus voorstelt de
menigte toesprekend, is een holte in den grond, waar veel beroemde
personen der Christenheid begraven wilden worden als op gewijden
grond. De dooden zouden er rusten in volkomen vrede onder de hoede van
den apostel, die schipbreuk had geleden op de noordkust van het eiland.

Van de hoogten van Città Vecchia had ik een groot deel van Malta aan
mijn voeten zien liggen in doodsche eentonigheid. Men zag er slechts
kale, boomlooze golvingen van den bodem, zonder groen, en overal
steenen en nog eens weer steenen met enkele dorpen, kloosters en
woonhuizen. Steden en dorpjes waren trouwens op deze plek dichtbij,
en de vrije natuur was eigenlijk ver te zoeken, zoodat het den
indruk maakte, dat een enkele stad de geheele oppervlakte van het
eiland overdekte.

Hoezeer bewonderde ik toen de groote werkzaamheid der Maltezers, die
met geduld en volharding erin geslaagd zijn, hun rots prachtige oogsten
te doen voortbrengen. Want die droge en steenachtige terreinen, waar
bijna overal de rots aan de oppervlakte komt, geven een opbrengst van
veertig ten honderd. En de aarde, waar krijgen ze die vandaan? Er is
mij verteld, dat ze dikwijls de rotsen afgeschraapt hebben, om grond
te maken, en het is zeker, dat zeer vaak aarde op menschenruggen naar
de tuinen wordt gevoerd. Geen duimbreed rotsgrond wordt ongebruikt
gelaten; de bewoners hechten hun groenten vast aan elk uitstekend
punt van de rotsen; zij maken overal terrasjes en profiteeren zelfs
van natuurlijke spleten en holten.

Men ziet geheele gezinnen van Maltezers volijverig boerenwerk
verrichten, wieden en spitten en onvermoeid gieten.... Maar het gaat
vaak lastig, want er is niet zelden gebrek aan water.

Uit het oogpunt van schilderachtigheid zijn er weinig plekken te
roemen; maar al is het natuurschoon schaarsch, toch moet men niet
verzuimen een bezoek te brengen aan de Makluba in het Zuiden van het
eiland, aan de grens van het gebied van Krendi. Het is een zeer diepe
inzinking van den grond, een donkere kuil tusschen steile rotswanden,
waartusschen men in de diepte een tuin ziet liggen.

Op korten afstand van dien afgrond, te Gebel-Kim, vindt men
de reusachtige ruïnen van een phoenicischen tempel, tegenwoordig
aangeduid met den naam Pietra della Venerazione. Opgravingen, die
men vroeger in die ruïnen heeft gedaan, hebben beenderen van dieren
aan het licht gebracht en een menschelijken schedel van ongewonen
vorm. Een geleerde bibliothecaris van La Valette beeft bewezen, dat
de tempel aan den phoenicischen Hercules was gewijd. Niet ver van
dit heiligdom was er een andere tempel, aan Esculapius gewijd. Er
zijn daar steenen van reusachtige afmetingen, die in hun behouwen
toestand uitstekend zijn bewaard gebleven.

Op Malta bestaan nog andere ruïnen van deze soort, vooral in het
oostelijk deel van het eiland. Malta was inderdaad in de Middellandsche
Zee een punt van al te groot belang, dan dat het de aandacht niet
zou hebben getrokken van de Phoeniciërs en de andere zeevaarders
der Oudheid. Vooral de Phoeniciërs waren gewoon, alle kusten met hun
handelskantoren te overdekken.

Het grootste aantal monumenten, dat ze er hebben nagelaten, bevindt
zich op de zuid- en de oostkust. Ik heb ze gezien aan zee te Marsa
Scirocco, te Krendi en op het eiland Gozzo.

Al die resten van bouwwerken hebben in hun reusachtige afmetingen
geheel het karakter van de monumenten, die aan de Cyclopen worden
toegeschreven.

Om kort te gaan, dit eiland Malta, geteisterd door den wind,
verbrand door de zon, treft nu nog de verbeelding van den reiziger,
nadat het een glorieuse rol in de geschiedenis heeft gespeeld. Niet
enkel getuigen de ruïnen van verleden grootheid, maar er zweeft om
het eiland een aureool door de dapperheid en offervaardigheid van de
edele Ridders, die de barre rots, verloren te midden der golven, tot
een wal hebben gemaakt voor de veiligheid van de christelijke volken.

De tegenwoordige heerschers blijven er altijd vreemdelingen; hun
invloed is gering, omdat zij de ziel der Maltezers niet kunnen
winnen, die ziel, die trouw blijft aan het oude geloof en aan
haar vrome herinneringen. Nog onlangs heeft men daar een bewijs
van gekregen. De heer Chamberlain kondigde in een trotsche rede,
die hij tijdens een reis over Malta hield, aan, dat er maatregelen
zouden worden genomen, om het eiland sneller te verengelschen en de
engelsche taal als officiëele taal verplicht te stellen als gelijke
van de landstaal en met uitsluiting van het Italiaansch.

Dat gaf groote ontroering op het eiland, en de hevigste protesten
werden vernomen. Toch werden de maatregelen genomen. De Wetgevende Raad
van de kolonie ging toen tot obstructie over, terwijl de bevolking al
duidelijker hare verontwaardiging toonde. Deze was van dien aard, dat
Engeland de besluiten omtrent de talen gedeeltelijk moest herroepen.





*** End of this LibraryBlog Digital Book "Malta en de Maltezer Orde - De Aarde en haar Volken, 1906" ***

Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home