Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Toen de duisternis dreigde
Author: Redich, Alida van der Vlier (ps. A. van Redich)
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.


*** Start of this LibraryBlog Digital Book "Toen de duisternis dreigde" ***


  Opmerking van de bewerker:

  Gebruikte transcriptie: schuingedrukte tekst wordt weergegeven als
  _tekst_; klein-kapitaal is omgezet naar kapitaal; superscript tekst
  wordt weergegeven als ^{tekst}.

  Meer opmerkingen zijn te vinden aan het einde van deze tekst.

  Voetnoten zijn verplaatst naar het einde van het betreffende
  hoofdstuk.



TOEN DE DUISTERNIS DREIGDE...


[Afbeelding]


Toen de duisternis dreigde...

DOOR

A. VAN DER FLIER.

[Afbeelding]

NIJKERK,

G. F. CALLENBACH.

1903.



HOOFDSTUK I.


Hoog aan den zomerhemel zweefde nog het gouden zonlicht. Als in glans en
gloed gedoopt bewogen zich de toppen der dennen ritselend op den wind.
Maar aan den voet der bruine stammen legerden reeds de schaduwen van den
avond, zij bedekten de rose en lila bloemkelken der erica’s en gaven den
golfjes der kleine beek, die als een verlaten zwerver door de bruine
heide kronkelde, een staalkleurige tint.

De lijster zong zijn avondzang, zacht murmelde het water. Niet lang
bleef dit meer het eenige geluid, dat de stilte verbrak. Uit de groene
schaduw der dennen trad een jong meisje te voorschijn. Voorzichtig hield
zij met de eene hand de plooien van haar wit, met een breeden rooden
rand omzoomd kleed bijeen; de linkerarm boog zich om een hondje, dat den
kop tegen haar schouder vlijde. In de avondzon glansde haar lang
neergolvend haar. Vlug ging zij naar de beek, knielde neer en wiesch
zorgvuldig het bloed af, dat aan den rechtervoorpoot van het dier
kleefde.

„Arme Grijp! Stil maar beestje!” Zacht was haar stem, de witte rozelaar,
die boven haar hoofd wiegelde, niet blanker dan haar gelaat.

Een schaduw viel over het water, donkerder dan werd geworpen door de
purper omzoomde avondwolken; het was die van een man, een jager
blijkbaar. Dat bewees de boog, die over zijn schouder hing, de blinkende
hartsvanger aan zijn linkerzij, het wambuis van hertevel, de reigerveer
op zijn muts. Zijn mond lachte en liet twee rijen schitterend witte
tanden zien, zijn donkere oogen hadden een stoutmoedigen blik. Hun
uitdrukking toonde, dat zij wèl het licht van het leven hadden
aanschouwd, doch nog zelden zijn schaduwen. Een toonbeeld van jeugdige
kracht was hij, met zijn slanke gestalte en kloek gedragen hoofd.

Dacht dit ook het meisje, dat hij nu op zijde trad, door eenvoudig over
de beek te stappen?

„Wat is er aan de hand, Swanwitha? Heeft Grijp weer stoutigheden
verricht?”

„Hij is in een greppel gesprongen en heeft zijn poot bezeerd. ’k Wou,
dat ik iets had om hem te verbinden, maar ik kan dien rooden runenrand
toch niet gebruiken. Wat zou grootvader dan wel zeggen!”

Schertsend waren haar woorden; toch trilde er een weemoedige klank in.
Zij wees op haar kleed. Inderdaad waren in den rand geheimzinnige
karakters geweven, heilaanbrengende runen, gelijk eenmaal de belijders
droegen der woeste godenleer van Wodan en Donar.

Hij fronste de donkere wenkbrauwen:

„Uw heer grootvader is, geloof ik, de laatste heiden van dit land. Hij
moest voorzichtiger wezen; als de keizer het verneemt, zou ’t gauw
gedaan wezen met zijn macht. Hoe durft hij, in dit geheel gekerstende
land, als onder de muren van Utrecht, nog vasthouden aan zijn
duivelenleer?”

Verschrikt hief zij de hand op, een hand als een lelieblad wit en teer:

„Stil, stil! Hij heeft machtige bondgenooten, niet alleen in dit land,
maar ook daarbuiten. Als hij hoorde wat gij daar hebt gezegd....”

„Dan moest Grijp door een ander verbonden worden, nietwaar, Witha?” Hij
staakte voor een oogenblik dat verbinden, bewerkstelligd door breede
riethalmen en vatte haar weerstrevend handje. Met een glimlach, die zich
verborg in een blos, weerde zij hem af.

„Houd mij niet langer op, Unruoch! Ik moet naar huis, of poort en
valbrug zijn opgehaald en gesloten.”

„Een uitstekend voorwendsel om voor goed afscheid te nemen van dat
aangename verblijf.”

„Wat zou er dan van mijn grootvader worden? Ik ben de eenige die”....

„Die zijn wil waagt te weerstreven,” viel eensklaps een gebiedende stem
in. Ongemerkt was een forsche gestalte nader gekomen. Het struikgewas
had haar verborgen. Nu trof Swanwitha een dreigende blik uit twee
scherpe, grijze, door borstelige wenkbrauwen overschaduwde oogen. Dit
was bijna het eenige wat van de gelaatstrekken van den spreker was te
zien: een ijzeren helm bedekte schier geheel zijn gelaat. Van het hoofd
tot de voeten was hij in een geschubden maliënkolder gestoken, om zijn
middel hing, aan een breeden, met gouden doppen versierden gordel, een
breed slagzwaard, een dolk glinsterde er naast, een rond schild haakte
om zijn linkerarm. Het was alsof hun forsch geschouderde eigenaar gereed
stond onmiddellijk ter heirvaart te trekken, want ook zijn paard, dat op
geringen afstand aan een boom was gebonden, droeg een volkomen
maliënbedekking, terwijl aan den zadelboog dreigend een strijdbijl
flikkerde.

„Ga mee, Swanwitha, terstond!” klonk het bevelend tot het jonge meisje.
Toch werd de blik van den spreker een weinig minder stroef, toen die op
haar bevallig gezichtje rustte. Zij stond op, gejaagd, met een angstigen
blos.

„Vaarwel, Unruoch!” Als een ademtocht gleed het over haar lippen.

„Swanwitha!” Dreigend schudde de geharnaste krijger haar bij den arm.
Zijn oogen met hun somberen gloed boorden in de hare.

„Grootvader!”.... smeekend, half verstikt van angst klonk het. Haar
gezichtje was wit geworden, het herinnerde aan de kleur der zwanen,
waarvan zij den naam droeg. Hij sloeg er geen acht op, hard, als met
koperen klank beval haar zijn stem; -- in zijn drift vergat hij wie hem
hoorde: „Ik verbied u, verstaat gij? Ik verbied u ooit weer een woord
te wisselen met dien daar!” Welk een verachting lag in de handbeweging,
waarmee hij op Unruoch wees! -- „Hij behoort tot hen, die ik zal
bestrijden, zoolang Thor mijn arm kracht verleent, tot de dag aanbreekt
waarop de macht van den sterkste zegepraalt op het geloof aan den witten
Christus!”

Op het schild aan zijn arm, het zwaard aan zijn zijde viel een laatste,
roode lichtstraal; het was of beide opvlamden in bloed gedoopt. Bloed
vergoten door de macht van den sterkste.

Het bleef een oogenblik stil in het bosch, waar de adem der menschen
ging, snel en stormachtig. En te midden van dat beklemmend zwijgen
murmelde de kleine beek. Zij drenkte met haar heldere golfjes het dorre
land en wekte tot nieuw leven wat veroordeeld scheen om onder te gaan in
den nacht van den dood.

Liefde en mededoogen, verwinnend ruw geweld, machtiger dan haat en
wraak.... Wie zou hier dè sterkste blijken?

Deed deze gedachte Unruoch uitroepen: „Gij kunt evenmin den loop der
gebeurtenissen stremmen als dit water” -- hij wees op de beek --
„dwingen terug te keeren tot de bron! Rolfr Jarl, het christendom heeft
ook het volk van dit land milder begrippen, zachter zeden gebracht, het
de oogen geopend voor de dwalingen van het geloof der heidenen. En
verwacht gij wat leeft in de zielen, wat de harten liefhebben en de
denkende hoofden erkennen als heilig en waar, te kunnen overwinnen door
ruwe kracht, door het geweld van speer en zwaard?”...

„Ruwe kracht! Onbeschaamde knaap, zij zal tenminste sterk genoeg zijn om
u den mond te snoeren!”

De stem van den Jarl was heesch van woede. Plotseling vloog hij op
Unruoch aan, als razend van toorn, misschien wel het meest omdat hij,
meegesleept door zijn drift, de voorzichtigheid had vergeten, die hem
gebood te zwijgen. De aanval was zoo onstuimig, zoo onverwacht, dat
Unruoch geen tijd had zich in postuur te stellen. Wat zou hij, met zijn
slanke, jonge gestalte, ook hebben vermocht tegen de reuzenkracht van
den breedgeschouderden Rolfr Jarl?

Toch worstelden zij samen, de Noorman aanvallend, Unruoch zich
verwerend. Geen van beiden sloeg acht op het smeeken van Swanwitha.
Heviger werd de tweekamp met ieder oogenblik; niet twijfelachtig scheen
het einde meer. Nu werd Unruoch met een slag ter aarde geworpen.
Swanwitha zag iets flikkeren, zag hoe de Jarl de knie drukte op de
hijgende borst van zijn slachtoffer. Met een gil wierp zij zich over
hem. Het wapen schramde haar wang, zij voelde het niet, in vertwijfeling
omklemde zij den arm van den overwinnaar -- weldra misschien een
moordenaar.

„Grootvader, grootvader! Bedenk wat gij doet! Ook gij staat onder de
wetten van dit land!”

Deed het beroep op zijn eigenbelang wat geen gevoel van plicht en eer
vermochten? Onder een gesmoorde verwensching stiet de Jarl met den voet
naar het weerlooze lichaam van zijn machteloozen tegenstander, toen
keerde hij zich met een ruk om en wenkte zijn kleindochter hem te
volgen.

Zij zag hem aan met oogen wijd geopend van angst, schuwe ontzetting in
hun diepten. Als geslagen trad hij terug, zwijgend; een rilling liep
door zijn leden.

„Die oogen, die oogen, altijd! Hoe vergeet ik ze, hoe!”....

Hij drukte de lippen opeen tot zij slechts een smalle streep vormden in
zijn gelaat. Toen tilde hij Swanwitha zwijgend voor zich op het paard.

Een zacht geluid klonk eensklaps uit de verte; de wind droeg trillende,
zilveren tonen over: het kleppen eener kleine kerkklok, die riep tot het
gebed. Bij dien klank hief de Jarl den gepantserden arm op: het was als
legde hij een gelofte af gedrenkt in haat, te vreeselijker, omdat zij
geen woorden bezat, waarin zij zich uitte.



HOOFDSTUK II.


Omgolfd door het floers van den dalenden avond reden zij beiden heen,
het jonge, teere meisje, de ijzeren gestalte van den reeds grijzenden
man, wiens geheele houding onverzettelijkheid teekende en verzet.
Unruoch neergesmakt op het mos, dat spaarzaam groeide, waar de beek den
bodem vochtigheid gaf, zag hen na, niet in staat zich te bewegen,
nauwelijks uit zijn verdooving ontwaakt. En het was hem, alsof voor hem
heentrok, als in een visioen, het verleden van het land, waarin hij geen
blijvende plaats zou hebben, waar hij slechts enkele weken vertoefde als
gast van zijn voogd, den Utrechtschen kerkvoogd Ansfried, die nu bijna
zes jaar geleden -- anno 994 teekenden toen de clerken -- was gewijd als
opvolger van bisschop Boudewijn den Eerste.

Het waren rampspoedige tijden voor de jonge christenkerk in het lage
land, dat zich uitstrekte van de Lauwers tot het Sincfal. Friezen en
Sassen, die eenmaal manmoedig weerstand hadden geboden aan de
veroveringszucht der Romeinen, die door hen als bondgenooten
waren begroet, wier onverzettelijke begrippen van vrijheid en
onafhankelijkheid zelfs Karel de Groote had geëerbiedigd, al moesten zij
hem huldigen als keizer, kromden zich onder de slagen hun toegebracht
door de mannen der „grimma hjerna.”

De Noormannen! Niet ten onrechte droegen zij dien naam. Woest en stout
waren zij als het trotsche bergland, dat hen zag geboren worden, waar de
zee schuimend krulde tegen de klippen, en donkere pijnbosschen de
hellingen der bergen bedekten, wier toppen, glinsterend van eeuwige
sneeuw en als versteend in hun ontzagwekkende rust, zwijgend neerblikten
op de branding in de diepte, op het woelen der onstuimige zonen van het
Noorden aan hun voet.

„Nooit den beker te hebben geledigd aan den vlammenden haard; nooit te
hebben gerust onder een beschermend dak!” dat was de eerzucht, de trots
van iederen Noorman. Fier doorsneden hun vlugge drakenschepen de golven,
zilverglinsterend in het licht van den rijzenden dag, goudgetint door de
zonnestralen, door het avondrood purper bestraald. En zij volgden dien
„weg der zwanen”, de dappere Vikingen, ook als de stormwind de baren
kokend deed opspatten in lillend schuim of gewassen tot een orkaan hun
vaartuigen neerplofte op de kust, indien hij ze niet reddeloos
meesleurde naar de grondelooze diepte.

Maar steeds verzamelden zij zich opnieuw, „de Denen” -- gelijk zij
gewoonlijk werden genoemd -- wier stoutheid grooter scheen te worden,
wanneer zij de gedunde rijen telden hunner tochtgenooten. Vaster
snoerde zich dan de rij der ijzeren schilden aaneen. Wilden zij hun
gering aantal vergoeden door kracht en moed, die rees tot schier woeste
razernij, zoo menigmaal zij een torenspits zagen oprijzen boven de
toppen der boomen of menschen vonden, die de leer beleden van den
Gekruisigde? Dan gingen kerk en toren in vlammen op, dan lagen verwoest
en verbrand heem en hof, en vluchtte jammerend het landvolk naar een der
weinige steden, om ook die te vinden verkeerd in een puinhoop.

„Wij hebben hun de lansenmis gezongen!” hoonden dan de mannen uit het
noorden; en verder stuurden zij hun vloot, met kerkroof en kostbaarheden
der inwoners zwaar beladen, achter zich latend een uitgemergeld land,
een uitgeschud volk, mannen, die hen nastaarden met een verwensching op
de lippen, bleeke vrouwen met haat in het flikkerend oog.

En de plundertochten der Noormannen namen toe met ieder jaar en radeloos
toonden de Frankische koningen hun eigen machteloosheid aan de vermetele
aanvallers, door hun rooftochten af te koopen met goed en met goud. Het
deed hun overmoed slechts toenemen. In het eerste jaar der tiende eeuw
hielden de Denen zelfs Utrecht met al het omliggende land in bezit, de
christenen doodend en verdrijvend waar zij hen vonden, bisschop Radboud
noodzakend tot de vlucht.

Droomden zij toen de landen der Friezen en Sassen voor goed te zullen
onderwerpen aan hun heerschappij? De verwezenlijking van dien stouten
wensch scheen niet meer geheel onmogelijk, sinds keizer Lodewijk den
Deenschen koning Harold met een uitgestrekt graafschap ten oosten van
Friesland beleende, diens broeder Roruk Dorestad[1], Kennemerland en
Walcheren schonk. Wel luidde ’s keizers eisch: „Treedt toe tot de
christenen,” en de Deensche vorsten gehoorzaamden in schijn. Zij lieten
zich doopen, maar hun hart bleef koud voor de leer, die zij heetten te
belijden, koud als het pantser waartegen het klopte. En terwijl zij in
het geheim Odin vereerden en Thor, den Donderaar, was hun vermeende
afval een schoonschijnend voorwendsel voor nieuwe Noorsche legerdrommen,
om Harold, die zich had laten kerstenen, te bestoken in zijn pas
verworven bezittingen, roovend wat hun begeerlijk scheen, vertredend het
zwakke, neerstootend wie waagde hen te weerstaan. En het land sidderde
onder hun slagen en menige eigenhoorige was gedwongen bij het lijk van
zijn meester een noorschen geweldenaar te huldigen als heer, hem te
begroeten als gebieder in een door ruwe kracht veroverde stad of
versterkt landkasteel.

Ook Rolfr Jarl dankte aan zulk een strooptocht thans zijn bezittingen.
Een zijner voorvaderen, ook Roruk geheeten, behoorde tot de „gezellen”
van hertog Godfried, dien Karel de Dikke beleende met een groot deel van
Kennemerland, op voorwaarde, dat hij dit zou beschermen tegen de
invallen zijner Deensche landgenooten. Wat baatte echter den armen
inwoners dit verdrag? Zij zagen Utrecht en Daventra, hun bolwerken van
christendom en beschaving, opgaan in vlammen, zij werden door Godfried
gedwongen stroppen om den hals te dragen. En velen schreven aan Rolfr
Jarl, den zoon van zijn gunsteling, het bevel toe om hun huisdeuren
tegen het noorden te timmeren en ze zoo laag te maken, „dat zij zich bij
het naar buiten treden steeds voor het vaderland hunner meesters moesten
buigen”....

En thans -- na meer dan een eeuw, -- die wel verademing had geschonken
aan het verdrukte volk, schoon geen geheele bevrijding, heerschte
opnieuw een Rolfr Jarl in het Sticht, toonde deze zich den naam van den
woesten Viking, van wien hij afstamde, volkomen waardig. Want ofschoon
de Denen thans bijna allen gekerstend heetten, en zelfs de
onverzoenlijke Friezen bogen voor het kruis, toch waren er nog velen --
in West-Friesland vooral -- die den ouden godsdienst trouw bleven in het
geheim, die droomden hem te herstellen in het openbaar. En hun hoofd en
leider was Rolfr Jarl en thans drong hem in de ooren het kleppen der
klok van een christenkerk, die luidde, als ten plechtigen welkomstgroet.
Hij wist, wie dat nederige bedehuis had gesticht op den Hohorst, aan de
grens van zijn gebied, haast onder den ringmuur van zijn geduchten
Noormannenburcht. Al het bloed was geweken uit zijn lippen toen hij de
hand ophief, dreigend: „Bisschop Ansfried van Utrecht, ik neem uw
uitdaging aan! Thans zal het zijn tusschen u en mij, tusschen uw bleeken
God en Thor, den Geweldige, die den donderkeil richt! Gij hebt het zelf
gewild, het lot is geworpen!”....

Had hij overluid gedacht? Hij vroeg het zich af, want hij zag een
huivering gaan door Swanwitha’s gestalte. En dit kind mocht niet weten
zijn toekomstdroomen, die zich weefden in de schaduw eener kroon.

Dichter trok hij den donkerblauwen mantel -- de kleur van Odin -- om
zijn schouders en zweeg opnieuw tot zijn hooge burcht in het gezicht
kwam. Een stevige, houten muur van scherp gespitste palen rees aan de
binnenzijde der breede gracht, waarover slechts een enkele ophaalbrug
toegang gaf tot de sterkte, die, als iedere Noormannenburcht, uit twee
gebouwen bestond, „den heuvel” genoemd en „het lage hof.” Op den uit
aarde en vastgetrapte klei vervaardigden heuvel, verhief zich de
rondgebouwde toren, het hoofdgebouw, omringd door een tweede gracht.
Daarin bevonden zich de groote hal, de vertrekken, bestemd voor den
burchtheer en zijn gezin, de wapenkamer en -- de diepe, onderaardsche
kerkers.

Het „lage hof” bevatte de talrijke nevengebouwen, het valkenhuis, de
stallen -- slechts een gebrekkig afdak -- den boomgaard en den diepen
waterput. Een breede, leemen ringmuur omgaf zoowel den heuvel als het
lage hof; ter halve hoogte stak het staketsel waartegen hij was
vastgetrapt, er boven uit. Met de diepe buitenste gracht vormden beide
een geduchte borstwering tegen iederen aanstormenden vijand.

Van plompe, ruwe steenen was de toren gebouwd; het looden dak liep spits
op; de kleine, halfronde vensters waren onregelmatig aangebracht en
zonder eenige versiering. Over een ongelijken weg van leem en klei
bereikte men de met ijzer beslagen ingangspoort. In het midden boven de
beide deuren was een paardekop vastgespijkerd, die, met den esch en den
vlierstruik, ter weerszijden geplant, het huis moest beschermen voor de
even geduchte als gevreesde macht der zwartalven.

Terwijl Rolfr Jarl over de ophaalbrug reed, sprongen, luid blaffend,
groote losloopende doggen tegen hem op en gromde in de verte een beer,
opgesloten in een uit ongeschaafde boomstammen vervaardigd hok.

Wrevelig sloeg de Jarl de honden weg met zijn zweep. Onbeweeglijk, als
uit erts gegoten, stonden in het lage hof, hun zwaardspel vergetend, de
talrijke krijgers, die het onmiddellijk gevolg uitmaakten van den
geduchten Noorman: met geen enkel gebaar werd hun eerbiedige
krijgsmansgroet beantwoord.

„Fala’s paarden[2] zijn niet donkerder dan het gelaat staat van onzen
heer,” mompelde een in den strijd vergrijsde krijger.

„Hij sloeg zelfs geen acht op mijn worp, en toch troffen mijn zwaarden
tegelijk den mast en ving ik ze, in het terugvallen alle drie op met
dezelfde hand,” antwoordde hem, gekrenkt en verbaasd, een makker. Want
uit te blinken in het „zwaardspel”, waarbij een hooge mast het wit
vormde der flikkerende wapens, bleef de trots van de „zonen der zee”,
zooals de Noormannen zich zelven bij voorkeur noemden.

Rolfr Jarl was intusschen, door zijn kleindochter gevolgd, de steenen
trap opgegaan naar het hoofdgebouw.

Het vertrek gelijkvloersch geleek meer een voorraadschuur dan een zaal:
opgetast lagen daar levensmiddelen van elken aard, in zakken en kisten;
wapentuig glinsterde aan de ongekalkte wanden; de bruine balken hingen
vol stukken gedroogd en gerookt vleesch en in het midden glinsterde het
water van een schier bodemloozen put. De Ravenhorst kon in ieder opzicht
een beleg of overval weerstaan: hechte wallen, zware muren, leeftocht in
overvloed.... „Ik ben op alles berekend,” verklaarde meer dan eens vol
zelfbewusten trots zijn eigenaar. Was hij dit inderdaad? Zelfs Achilles
bezat een kwetsbare plek.... Met een ruk schoof de burchtheer thans het
gordijn terug, dat van de ongelijke wenteltrap toegang gaf tot de hal.
Het was een hoog, somber vertrek. Ronde houten pijlers droegen een
gewelfde zoldering; de halfronde vensters lieten slechts een schemerend
licht door. Berenvellen met rood geverfde klauwen, wolfshuiden met
bloedigen muil prijkten langs de wanden, afgewisseld door hertengeweien
en slagtanden van wilde zwijnen. Met glinsterende wapentrofeeën, om
ronde schilden gegroept, waren de pijlers versierd. Hadden die gekruiste
speren en breede slagzwaarden kunnen spreken, een verhaal zou hebben
geklonken van veroverde wapens in woesten strijd, bij een brandenden
burcht of een geënterd schip op verre Vikingertochten.

Een vuur, dat meer rook dan warmte gaf, smeulde in de rondgebouwde
schouw; door een zwaren, aan groote ringen bevestigden voorhang, kon de
hal in tweeën worden gescheiden. Op het verhoogde gedeelte, waarheen
enkele houten treden leidden, bevond zich, naast den bronzen zetel van
den halheer, de schenkdisch, waarop het schitterde van drinkhoorns en
bekers op gouden voet, versierd met edelsteen: geroofde schatten, in
bloedige vuisten gegrepen bij stoute rooftochten in verre, vreemde
hemelstreken. Biezen, in kunstige ruiten gelegd, bedekten hier den
vloer: het was de plaats, bestemd voor den burchtheer en zijn gezin. In
het lager gedeelte der zaal stonden banken en lange houten tafels langs
de wanden. Hier vonden wapenknechten en dienaars hun plaats, wanneer het
horensein van den hofmeester het geheele burchtgezin, zonder
onderscheid, bijeenriep tot den maaltijd.

Toen Rolfr Jarl de hal binnentrad rees een statige vrouw op uit een der
beide zetels van het verhoogde gedeelte. Recht en ongebogen was haar
gestalte, toch had zij bijna zestig zomers zien komen en gaan. Het was
een gelaat waarop wilskracht haar stempel had gedrukt, eerzucht haar
merkteeken, dat zij nu tot den Jarl ophief. De donkergrauwe oogen --
naar het scheen hadden zij nooit op iets, dat hun liefelijk toescheen
gerust -- bezaten een glans, die aan het koude staal deed denken; het
grijzende haar was bijna geheel verborgen door een breeden sluier, die
langs de wangen over de schouders plooide en op het hoofd werd
vastgehouden door een glinsterenden gouden band. Het effen blauwe kleed
hing in ruime plooien neer en werd om het middel vastgehouden door een
met gouddraad en dooreengeweven runen bestikten gordel. Met een
schuchtere beweging trad Swanwitha toe op de fiere vrouwengestalte en
kuste eerbiedig haar hand. Want het was vrouw Sigrid, de trotsche
burchtvrouw van den Ravenhorst zelf, die zich nu tot haar echtgenoot
wendde met de vraag:

„Begeert Rolfr Jarl, dat terstond het sein wordt gegeven voor het
avondmaal? Wij hadden u reeds eerder verwacht en daarom de rust verlaten
van het vrouwenvertrek, dat gij, kind” -- zij wendde zich tot Swanwitha
-- „in ’t geheim heden zijt ontvlucht. Ik heb u voorwaar geen
toestemming gegeven, alleen en onverzeld, door veld en woud te zwerven.
Ik verkies u daarom heden niet meer te zien. Ga!”

Zij hief de hand op, het was alsof zij een slag wilde toebrengen. Een
angstige uitdrukking gleed over Swanwitha’s wit gezichtje: het strenge
gelaat van den Jarl scheen zacht vergeleken bij dat zijner vrouw; snel
verdween zij uit de zaal, zonder een woord te durven spreken. De koele
oogen van vrouw Sigrid rustten een oogenblik op de beide jonge vrouwen,
die in deemoedige houding op geringen afstand van haar zetel stonden.
Zij begrepen wat van hen verlangd werd en verlieten de verhooging.

„Ik moet u noodzakelijk spreken, terstond.” Als een ademtocht gleed het
over haar lippen. De Jarl wierp een blik in de zaal, waar de maaltijd
werd opgedragen; de afstand was ver genoeg om niet te worden
beluisterd:

„Is er tijding gekomen?” vroeg hij gejaagd.

„Voor een uur en alles gelijk gij hebt gewenscht.” Zij trok een der
beide gordijnen dicht en vervolgde gedempt:

„Welslagen wacht u als gij weet te handelen.” Zij zag een bezorgden trek
op zijn gelaat. Dringend hernam zij: „Of waant gij, dat het ras is
uitgestorven, dat eens, in dit land Daventra in vlammen deed opgaan en
in Utrecht zijn wetten voorschreef aan de christenen, zoowel priesters
als leeken? Nog zijn de zonen dezer helden door denzelfden geest
bezield. Zij zijn bereid tot den inval, maar eischen, dat gij u openlijk
aan hun hoofd stelt om hen te voeren tot een krijg, die ter overwinning
leiden moet.” Zij hief de armen op, als in vervoering: „Dan zult gij, al
is het ook in schijn, de knie niet meer behoeven te buigen voor de
afgoden der christenen, dan zult gij steun noch gunst meer behoeven van
den keizer! Ik heb de runen geworpen en de tijd is gunstig voor het
volvoeren van uw plan. Aarzel daarom niet langer. Odin en Thor trekken
met u ten strijd. Handel, en u is de zege.”

Zij hield een perkament, met roode koorden omstrikt, met een waszegel
gesloten, in de hoogte. „Dit werd heden gebracht door den bode van Olaf
Erikson en van Harald Sigvatr.”

Met een ongeduldige beweging schoof hij het perkament van zich: „Laat
Swanwitha roepen, zij moge het ontcijferen. Ik heb voor zulke dingen
geen geduld meer! Ik schrijf mijn tegenstanders mijn wil voor met mijn
zwaard, en laat hun die lezen in hun wonden.”

Zij sloeg nauwelijks acht op zijn laatste woorden. „Gij verwent Witha te
veel. Zij weet meer van uw geheime plannen dan goed is. Het ergert mij
bovenmate. Zij is een kind”....

„Maar kan de letterteekens ontcijferen als de beste clerk en weet te
zwijgen, waar dit haar voegt. Zij gevoelt tot welk volk zij behoort.”
Plotseling hield hij in; een vreemde, strakke blik kwam in zijn oogen.
Tot welk volk zou Swanwitha willen behooren, wanneer die keus besliste
over haar levensgeluk? Tot dat van haar vader of van haar moeder?....

Welk denkbeeld deed hem nu haastig zeggen:

„Draag zorg, dat Witha voortaan niet meer zonder geleide den Ravenhorst
verlaat. Ik vond haar heden in druk gesprek met den jongen Unruoch. Hij
is op den Hohorst te gast.”

Veelbeteekenend klonken zijn laatste woorden. Zij fronste de zware
wenkbrauwen:

„Witha en een christenslaaf! Dat ontbrak er nog aan!”

„Dat niet: Unruoch is vrij geboren”....

„Maar dient hun afgoden.”

„Hij zal beweren, dat wij dit doen.”

Een straffe blik trof hem:

„’t Is of gij heden u zelf niet zijt. In uw plaats had ik hem zoo
onschadelijk gemaakt, dat hij nooit meer kwaad kon stichten.”

„Dat scheelt niet veel: hij ligt waarschijnlijk bewusteloos bij de
beek.”

„En dáár laat gij hem! Uw burchtverlies is een betere plaats.”

Hij begreep en streek zich met de hand over de oogen.

„’t Is te gevaarlijk hem thans als gevangene hier te houden. Van middag
ben ik reeds te ver gegaan, in mijn drift, veel te ver. Alles komt
steeds het eerst hem ter oore, voor wien het verborgen moet blijven. De
graaf van Teisterbant”....

„Bisschop Ansfried, meent gij.” --

„Ge weet, dat ik dien naam niet kan verdragen. Hits er mij dus niet mee
op. Ik haat hem reeds voldoende onder den anderen. Hij dan, zou terstond
zijn beklag bij den keizer indienen en het is vooral thàns wenschelijk
Otto’s krijgsbenden ver van hier te houden.”

Verachtelijk zag zij hem aan:

„Vrees geeft u die woorden in. Gij vrèest hem. In de ooren klinken u nog
zijn woorden, nù nòg. Gij zijt bang!”

Hij stiet een kreet uit veel gelijkend op het brullen van den beer
buiten; zijn vuist beukte den disch.

„Bang! Ik! Vrouw Sigrid, weeg uw woorden!”

„Ik heb ze gewogen; hadt gij het slechts uw daden gedaan.”

Zwaarder leunde haar hand op den disch, strakker werd haar blik.

„Hebt gij niet gezworen bij Odins oog, niet te rusten bij zonlicht noch
maanglans, eer de laatste christen is verdelgd uit dit onzalige land?
Nauwelijks een eeuw geleden heerschte hier hertog Godfried, de Noorman,
oppermachtig. Hij schreef met de spits van zijn zwaard zijn wetten voor
aan Franken en Friezen. Dien tijd zoudt gij doen wederkeeren. Antwoord,
Rolfr Jarl, luidde niet zoo uw gelofte?”

Dreigend zag hij haar aan.

„Zoo luidde zij. Doch, vrouw Sigrid, sinds wanneer brak ik dien eed?”

„Sinds heden. Of hebt gij niet in vrijheid gelaten buiten, in het weeke
gras, hem dien uw hand neersloeg, doch uw vuist niet verpletterde,
Unruoch, den pleegzoon van het hoofd der christenen in dit land? Vloek
over u, dat gij schondt uw plechtigen eed, gezworen bij kletterenden
zwaardslag op het lustig Joelfeest te Upsal, in koning Harolds hal, in
het bijzijn zijner hooge helden. Wanneer hij het verneemt, zal u het
recht worden ontzegd te strijden in de groote aanstaande worsteling,
Odin ter eere. Vergaan zal uw roem, de vloek der goden treffen uw hoofd,
verlammen uw meineedige hand, die het wapen ophief ten heiligen eed.”

Met een kreet strekte de Jarl zijn tot een vuist gebalde hand uit. Het
was alsof hij de vrouw wilde neerslaan, die waagde hem zulke smadelijke
woorden toe te voegen in zijn eigen hal, die hem met verachting in den
klank harer stem herinnerde aan zijn plechtige gelofte. Maar onbewogen
bleef haar strakke blik hem tarten, dof klonk het opnieuw:

„Heb ik recht of hebt gij het, Rolfr Jarl?” Gramstorig zag hij haar aan,
maar vast klonk zijn antwoord:

„Recht hadt gij tot nu toe, maar ook u zal de vergelding treffen. De
vrouw van een Noorman harnast haar tong, gij gebruikt die als
tweesnijdend wapen. Dat zal uw vloek worden.”

Zij lachte schamper.

„Geef geen aanleiding tot mijn woorden, dubbel treft u eenmaal de vloek,
niet mij. Iedere oorzaak sleept haar gevolgen met zich.”

Vastbesloten stond hij eensklaps recht op zijn voeten.

„Dat zal Unruoch ervaren!” Terwijl het wilde zwijnsvleesch werd
opgedragen en het bruine bier schuimde, gaf hij eenigen speerknechten
zijn bevelen. Zij snelden heen om Unruoch te zoeken, levend of dood....

Want hij had vrouw Sigrid de woorden hooren fluisteren van den geduchten
Brynhildr Sigurd: „Vecht liever met uw vijand, dan dat gij laf zoudt
zijn, en dood, wie u smaadde, des daags daarna tot vergelding zijner
beleedigende woorden”....

Maar hij dacht daarbij niet aan Odins spreuk: „Zalig, wie in het leven
zijn eigen raadsman kan zijn, want boozen raad ontvangt men dikwijls uit
het hart eens anderen.”

  [1] Wijk bij Duurstede.

  [2] Zoo werden door de Noren de nachtwolken genoemd.



HOOFDSTUK III.


De laatste, teere lichtstrepen van het avondrood waren geheel
uitgewischt; aan het donkere uitspansel schitterden de sterren.

In haar klein vertrek was Swanwitha alleen. Zij stond op de in den muur
vastgeklonken bank bij het eenige venster -- op deze wijze alleen kon
zij een blik naar buiten werpen -- en zag naar de sterren, zonder ze te
zien. In de diepte lag het lage hof als een zwart vlak, alleen de
fakkels in de hooge hal ontstoken wierpen een rossen schijn over de
verwaarloosde leemen nevengebouwen. Aan hun ketting huilden de honden,
met dof gebrul antwoordde de beer, op de brug klonk hoefgetrappel. Wat
beduidde dat nog zoo laat?

De brug werd reeds opgehaald voor den nacht toen zij met haar grootvader
terugkeerde. Haar lippen beefden. Nu wist zij zonder te zien... Zij wist
wien de bleeke trekken behoorden, wie als gevangene werd gevoerd in het
huis, dat ook haar woning was. De roode fakkelschijn uit de zaal viel
op zijn gelaat, bloed kleefde aan zijn haren, zij zag zijn geknevelde
handen. Zij wist het.

Zij hief de armen omhoog als smeekte zij een teeken uit den hooge:

„Kan dat de wil van Odin zijn? Luidt niet zijn bevel: „Verheug u niet
over het ongeluk van uw vijand; kastijd niet, wie zwakker is dan gij
zelf.”

En toen zacht, héél zacht: „Hebt uwe vijanden lief,” gebiedt de leer der
christenen. O, wat is waarheid, wie zegt het mij, wie, wiè?”

Onbeantwoord bleef haar vraag door menschenlippen, maar aan den donkeren
hemel verhaalden de sterren in vlammend schrift van Hem, Die de werelden
schiep en regeert, van Wien alle volmaakte giften afdalen, omdat Hij
zelf is de Volmaakte liefde.

Swanwitha streek zich over de oogen, haar hand beefde, onrustig klopte
haar hart. Wat was hiervan de oorzaak? Zij vroeg het aarzelend, en
durfde zich zelve haar gedachten bijna niet bekennen. Maar er zijn
oogenblikken in ieder leven, waarin de macht van het verleden, dat in
herinnering leeft, waarin zelfs de kracht der gewoonte moet wijken voor
nieuwe invloeden.

Wanneer had die nieuwe invloed zich laten gelden in haar leven? Wanneer?

Was het op dien schoonen klaren dag, toen de lentezon straalde over de
wijde heide, de harsachtige knoppen der dennen zwollen en witte wolken
zeilden langs het azuur der lucht? Zij dwaalde door woud en veld, gelijk
zij zoo gaarne, zoo vaak deed als het haar vergund werd. Haar klein
gevolg had zij teruggezonden, nu reed zij langzaam langs den oever van
de Eem. Plotseling deed haar paard verschrikt een zijsprong. Had een
adder het gestoken? Bruin en lenig kronkelde er een over het pad en
verdween tusschen de dorre bladeren. Maar het paard luisterde naar stem
noch teugel meer, voort rende het in woeste vaart, zij klemde zich vast
aan zijn manen, spannend, overspannend haar kracht. De oude boomen, die
zoo menigmaal haar helderen lach hadden weerkaatst, hoorden nu haar
hulpgeroep. Tevergeefs. Geen arbeiders waren op het veld, eenzaam was de
woudweg, waar de zonneschijn met gouden gloed trilde op de bemoste
stammen. Rustig stroomde de rivier verder, geen visscher kliefde met
zijn boot den stroom, geen zeil klapperde op den wind. Zou de breede weg
der wateren haar worden ten zwijgend graf? Want verlaten bleef geheel de
omtrek, alleen ging zij het vreeselijk einde tegen, dat niet uit kon
blijven na den wilden ren.

Niet meer. Een vaste hand greep den teugel, dwong het hijgende paard tot
stilstaan. Hield de korte worsteling tusschen dierlijke en zedelijke
kracht, die zij mee doorleefde, niet een angst in, meer dan menig leven
droeg?

Want temde niet het meest zijn blik, de moedige, zelfbewuste blik, die
ook het roofdier der wouden in bedwang houdt, het wilde verzet van het
steigerende ros?

Hij hield het strak aan den teugel, zag het recht in de oogen, dwong
het tot stilstaan met trillende flanken en tusschen de tanden vlokkig
schuim.

„Stijg af,” klonk nu zijn stem tot Swanwitha. „Gij hebt u flink
vastgehouden, een val zou misschien uw dood zijn geweest; kom nu.”

Zij zette gehoorzaam haar in een laag, rood schoentje gestoken voetje op
zijn hand en liet zich door hem dragen, meer dan zij ging, naar een
kleine heidehoogte. Hier liet hij haar geheel tot zich zelve komen --
het paard stond reeds gebonden aan een boom -- zwijgend zat hij naast
haar, maar de lentewind bruiste zijn jubelzang boven beider hoofd. Hij
droeg nieuw leven aan en kuste in de akkers de zaadkiemen wakker, die
gesluimerd hadden lang, heel lang, schijnbaar verstijfd in den ijzigen
greep van den winter. Zou de zonnegloed ze kunnen wekken tot nieuw
leven? Liefde verwint....

„Zoudt gij nu mee kunnen gaan?” vroeg hij eindelijk. „Gij kent mij toch?
Ik ben Unruoch, de pleegzoon van... een der pleegkinderen mag ik wel
zeggen, van bisschop Ansfried.”

Zij zag hem aan met groote, verschrikte oogen. Vriendelijk rustte zijn
heldere blik op haar gelaat, zijn breed voorhoofd was kloek gevormd,
edel van lijn zijn mond... „Ik weet, dat.... dat bisschop Ansfried alle
armen en ongelukkigen, die tot hem komen een tehuis schenkt, bovenal
kinderen, die van hun ouders zijn beroofd door de invallen der
Noormannen,” sprak zij zacht, om er toen haastig op te laten volgen: „En
ik ben de kleindochter van Rolfr Jarl.” Haar blik gleed door de bruine
takken der boomen. Hoog en plomp rees in het verschiet de Ravenhorst;
als een steenen reus teekende zich de grauwe toren af tegen het blauw
der lentelucht, overmachtig, geheel den omtrek beheerschend, kil en
koud.

Het was als onttrok Unruoch zich met geweld aan zijn gedachten. Had ook
hij de fluisterstemmen verstaan der ontwakende natuur, die meer
verhaalden dan van lenteweelde en bloesempracht alleen?

„Ik begrijp wat gij meent, maar bisschop Ansfried zal u daarom even
welwillend bejegenen. Zijn godsdienst leert: „Hebt uwe vijanden lief.”
Doch ook zonder dat zou hij u niets verwijten. Gij kunt immers niet
helpen wat hier geschiedt of reeds is gebeurd.”

„Siva, mijn voedster, zegt, dat hier vroeger allen reeds christenen
waren,” hernam zij beschroomd. „Maar door de invallen der Denen hebben
velen zich weer afgewend van een godsdienst, die hun was opgedrongen
door de overmacht der Frankische keizers.”

„Het is geen zwaar verlies voor de christenkerk, dat zij nu leden mist,
die haar leer aannamen alleen met de lippen; wel dat velen haar
verlieten uit vrees voor uw -- voor de macht der Noormannen. Maar kom
nu. Gij hebt iets noodig na den doorgestanen schrik en bisschop Ansfried
kent menig goed geneesmiddel.”

Zij stond op en volgde hem in groot vertrouwen. Wanneer een verwante
van den bisschop den Ravenhorst was binnengegaan, zou die haar ten
kerker zijn geworden, dat wist zij. Toch volgde zij, zonder aarzelen of
vragen den onbekende, die haar voerde naar het „broederhuis” op den
Hohorst. Daar hield thans bisschop Ansfried verblijf, wiens leven haar
grootvader bedreigde, schier brak, door zijn geheime en openlijke
vijandschap. Had hij dit leven reeds vroeger geknakt? Zij wist het niet,
zij volgde Unruoch en een wonder gevoel doortrilde haar hart. O, als hij
haar hand in de zijne had genomen, had gezegd:

„Ga met mij, voor altijd. Laat alles achter wat gij bezit en, dat toch
uw hart koud laat. Want, kleindochter van den machtigen Rolfr Jarl,
erfgename van zijn bezittingen, gij bezit niets. ’s Levens hoogste goed
werd u onthouden, niemand heeft u lief,” -- dan zou zij hem gevolgd zijn
tot het einde der aarde, in onbegrensd vertrouwen, in vast geloof aan
zijn trouw.

„Nieuw leven,” verkondigde het suizen van den wind, het lachend
lente-zonnegoud, nieuw leven....

En, zonder iets te vragen, had de bisschop haar van zijn krachtige
medicijnen gegeven, haar verzorgd als een vader zijn kind. Schuw had zij
opgezien tot zijn eerwaardig, door zilveren lokken omlijst gelaat.

„Ik ben de kleindochter van Rolfr Jarl”.... Een schuchtere blik had haar
woorden aangevuld. Toen had hij geglimlacht, o, zoo droevig en zacht.

Het was of zijn trekken werden bewogen door herinneringen aan geleden,
nooit geheelde smart, aan vervlogen, nooit vergoed geluk. Tranen
sprongen haar in de oogen. En toen had hij haar verhaald van den
barmhartigen Samaritaan, die niet zwijgend voorbijging, bij leed en
nood, zooals de priester en de Leviet. Het klonk haar even edel en goed
toe als Unruochs woord: „Hebt uwe vijanden lief.”

Hamerslagen braken de stilte af, die volgde op de woorden van den
bisschop. „Als mijn kerk wordt ingewijd op den Hohorst, moet gij ook
komen,” hernam hij toen. „Dan zult gij hooren van den Goeden Herder, Die
ook Zijn afgedwaalde schapen niet vergeet. Ook gij zijt Hem dierbaar,
Swanwitha! Ook u wil Hij een plaats geven in Zijn eeuwig huis.”

Wat klonk dat alles vreemd! De vrouwen gingen immers allen, zonder
onderscheid, naar Hela, Nevelheims bleeke godin. Voor hen stond geen
Walhalla open, gelijk voor de hooggehelmde helden, die sneuvelden in den
slag, en door de schildmaagden werden gevoerd in Odins zaal -- Wodan
werd hij genoemd bij Friezen en Franken -- om daar, gewekt tot nieuw
leven -- te kampen om den overwinningsprijs, om juichend, in den roes
der zegepraal, gerstebier te drinken uit de schedels hunner verslagen
vijanden.... Zoo luidde de leer der Noormannen. En toen dacht zij aan
haar moeder; herinneringen kwamen, en wat zij nu gehoord had was haar
niet meer onbekend, schoon haast vergeten. Maar opnieuw had de stem
geklonken van den bisschop, zulk een ernstige tot het hart doordringende
stem! Het was haar of onzichtbare handen gouden harpen sloegen, toen hij
sprak langzaam en plechtig: „Ik heb lief, die Mij liefhebben en die Mij
vroeg zoeken, zullen Mij vinden.”

„Denk aan die woorden, mijn kind, vergeet ze nooit en als gij ooit in
zorg of lijden verkeert, kom dan hier en zoover menschelijke macht
reikt, zal ik u helpen.”

Lang vergeten beelden kwamen en gingen bij die woorden; weer verrezen de
herinneringen uit haar vroegste jeugd. Woorden vol licht en geloof
wierpen hun glans over het heden vol twijfel en vergetelheid....

Dit was nu reeds verscheidene weken geleden en thans zou hij zelf in
zorg en lijden verkeeren, de grijsaard, dien honderden hoog vereerden en
liefhadden, doch dien haar grootvader vervolgde en haatte.

Nu werd Unruoch, zijn lieveling, gebracht, als gevangene gebracht, naar
de diepe, donkere kerkers van haar huis, die nooit hun slachtoffers
teruggaven, nooit meer.

„Hebt uwe vijanden lief,” gebood de leer der christenen en de aanhangers
van Odin oefenden wraak aan schuldeloozen.

Onrustig, gejaagd, bestormd door gedachten, die zij zich nauwelijks
durfde bekennen, ging Swanwitha op en neer in haar klein vertrek. De
eenzaamheid was om haar, alleen twee angstige oogen zagen haar aan uit
een door leed en zorg vertrokken gezichtje, toen zij bij toeval een blik
wierp in den staanden, blinkend gepolijsten spiegel. Wat was
gevoelloozer, dit staal of de harten der menschen? Snikkend zonk zij
neer bij haar smal bed en drukte het gloeiend voorhoofd in het
hertevel, dat tot dekkleed diende. Krampachtig woelde zij met de handen
door het golvende haar, de gouden voorhoofdband raakte los, die de
lange, glinsterende lokken bijeen hield, over den vloer rolde hij met
zacht gerinkel. Ach, wat baatte haar dat blinkend goud, wat haar
gordelband versierd met purperen robijnen, wat de spangen en armringen,
die zij bewaarde in het kleine, zilveren kistje, dat eens haar moeder
had behoord? Zij kon er Unruoch de vrijheid niet door hergeven.
Lijfdienaars en eigenhoorigen stonden op den Ravenhorst in strenge
tucht; niemand zou wagen den gevangene van hun heer te helpen
ontvluchten. En toch, iets moest gedaan worden, iets. Dieper begroef
Swanwitha het gelaat in de blanke armen. Schier vergeten woorden, eens
opgevangen van de lippen harer moeder, fluisterde haar mond. Het klonk
als een gebed.

Siva kwam. Melk en brood bracht zij voor haar pleegkind, de kleindochter
van den burchtheer, die was weggezonden uit zijn hal, in het bijzijn van
eigenhoorigen.

In het licht der ontstoken kienspaan, door Siva bevestigd in een kram
aan den muur, fonkelden de robijnen van Swanwitha’s gordelband. Groote
bloeddruppelen schenen zij en het was haar of ook haar bloed zou
wegvloeien, warm, rood hartebloed. En weer fluisterde zij het woord,
eens van haar moeder geleerd: „Zalig zijn zij die treuren, want zij
zullen vertroost worden”....

O, wie zou háár kunnen troosten, wie?

Ook dat woord was een van de spreuken der christenen. Haar moeder had
hun geloof gedeeld, ach, waarom was zij zoo vroeg gestorven? Nu was haar
kind in strenge afzondering opgegroeid op den Ravenhorst, onder het oog
eener grootmoeder, die in ’t geheim tot Odin en Frigga haar gebeden
richtte, bewaakt door Rolfr Jarl wiens levensdroom was iederen Viking,
die met zijn gezellen zijn Noorsch vaderland ontvluchtte, omdat ook daar
het christendom ingang begon te vinden, een nieuw erfland te schenken
waar de reizangen zouden klinken Odin ter eer en het beeld van Thor, den
Geweldige, zou prijken in tempels en heilige wouden.



HOOFDSTUK IV.


Een nieuwe morgen lichtte aan. Het grijs van den hemel was weggesmolten
in teer opaal en bleeke rosetinten. Goudgesluierd verrees de zon, de
aarde baadde in glans en in de verte schenen de boomtoppen, zacht
bewogen door den ochtendwind, de golven eener groene zee. Voor het
kleine, diep in den muur aangebrachte halfronde venster van haar vertrek
stond weer Swanwitha en staarde, staarde....

Haar hadden de zonnestralen niet gewekt uit een kalmen sluimer; wakend
was voor haar de nacht voorbijgegaan. Nu rustte opnieuw haar strakke
blik op den hoogen wal en de gesloten poort. Wat kon zij, wat kòn
zij?.... Zonder geleide mocht zij zelfs den Ravenhorst niet meer
verlaten. De wil van vrouw Sigrid was de wet van haar omgeving. De
poortwacht wist dus reeds dit nieuwe bevel. Swanwitha’s hart beefde,
zacht fluisterden haar lippen:

„O, als ik slechts kòn.... zijn vrienden waarschuwen, den bisschop....
Hij heeft stellig veel vrienden, die hem liefhebben en ik heb niets dan
hem alleen en nu sterft hij hier verlaten en ik kan niets voor hem
doen, niets!”....

Het hooge gevoel, dat in haar hart leefde, hief haar niet op, maar boog
haar neer tot de aarde, in radelooze, vernietigende smart. De witte
rozen, die zich langs den vensterboog slingerden, waren niet bleeker dan
haar gelaat, haar handen wrongen zich ineen: zij had verleerd ze te
vouwen. Een horensein klonk. Helder en licht brak het geluid op den
gevel van het hoofdgebouw. Wat kon dat zijn? Hopend op een redding, die
zij niet durfde verwachten, boog Swanwitha uit het venster.

En zoo zag haar de vreemdeling, die nu den slothof binnenreed. Het witte
gezichtje omgeven door den wiegelenden krans van rozeknoppen en blanke
bloesems -- nooit zou hij het meer vergeten, nimmermeer. Evenals zijn
klein gevolg was de nieuw aangekomene gehuld in het glinsterend
maliënkleed, zelfs het vizier van zijn helm hield hij neergeslagen, maar
eerbiedig hielp de oude hofmeester hem afstijgen, toen hij den ring zag,
die hem werd gereikt.

[Afbeelding]

„Dit aan uw Jarl. Leid mij tot hem.” De hofmeester boog; verwonderd
volgde Swanwitha’s blik de ranke gestalte. Het was of de vleugels van
den witten gier, de eenige helmtooi van den onbekende, rezen. Wilden zij
hem meevoeren hoog, héel hoog? Hij stond op de breede treden in zijn
zilverblinkend pantser, om hem ’s hemels blauw en de schittering der
blanke vleugels. Maar hij zag alleen het schoone meisjesgelaat. Evenmin
als de hare streefde zijn blik omhoog. Zijn horensein had geklonken
als een zegezang, een jubel van aardsche glorie en aardsch geluk. Maar
lijfdienaars snelden toe, grepen ook de paarden van zijn gevolg bij den
teugel, wijd geopend werd de poort van het hoofdgebouw. Welgevallig
sloeg menige verweerde krijger den blik naar esch en vlier, naar den
paardekop boven den ingang, heimelijk vormde meer dan een vuist het
hamerteeken. De jonge aanvoerder zag het eene noch het andere, zijn blik
hing aan het rozenomrankte venster, aan het meisjesgezichtje, dat zelf
een witte roos geleek. Maar op den drempel verscheen Rolfr Jarl; met de
hoffelijkheid den Noren eigen, bracht hij zijn onverwachten gast den
welkomstgroet. Naar het verhoogde gedeelte der hal geleidde hij hem,
zelf hief hij den gouden, in den vorm van een paardekop gedreven beker
van het blad, dien de hofmeester zich haastte te brengen. Zijn gejaagde
bewegingen verrieden de spanning, waarin hij verkeerde.

Zij vormden een groote tegenstelling, de man met het vermagerd gelaat en
den diepliggenden blik, waarin het gloeide van een vuur, dat verteerde,
doch niet louterde, wien ’s levens ontgoochelingen scherpe voren hadden
getrokken in het breede voorhoofd, omdat hij alleen van het aardsche
leven alles had gevraagd en verwacht, wiens vastgesloten lippen in hun
sombere lijnen verhaalden van eerzucht, die tot hartstocht werd, tot
onbevredigden hartstocht, en de jongeling wiens oogen straalden van een
toekomstverwachting, wolkeloos als de zomerhemel buiten.

Maar thans verhelderde een flauwe glimlach de sombere trekken van Rolfr
Jarl, terwijl hij, eenige druppels plengend, zijn gast den welkomstdronk
bood:

„Drink heil, Olaf Erikson. De wind, die den wil der goden weet, heeft uw
vloot den weg gewezen, voer nu weldra over den golvenden stroom uw
drakenschepen hierheen, Thor ter eere, den Alvader tot zege en heil.”

Hij hief de hand op met plechtig gebaar en terwijl Olaf vol eerbied het
hamerteeken maakte over den beker, eer hij dien aan zijn lippen bracht,
volgde zijn blik die beweging. Door de tegenover elkander liggende
vensters viel het helle morgenlicht in de hal. Het brak de somberheid
der donkere hoeken en van de bruin berookte zoldering en wierp over het
uitgestrekte landschap zijn wemelenden glans. Aan de eene zijde van den
Ravenhorst strekte zich de heide uit, daar stonden de dennen als
reuzenlansen, hun takken schenen pijlen, gereed te snorren van den boog.
Onder hun forsche kruinen huilde ’s nachts de wolf en woelde het
everzwijn den bodem om met zijn scherpe slagtanden; daar vernam de
behoedzame jager alleen het gedruisch zijner eigen schreden en het
kraken van het struikgewas, wanneer de opgejaagde roofdieren voor hem
vluchtten in razenden ren. Het was of de Eem, die ter anderer zij den
Noormannenburcht bespoelde, en breed, als een zilveren lint, zich
slingerde door het landschap, de grensscheiding vormde tusschen de
woeste heide en het ontgonnen land. Langs zijn groene oevers verhieven
zich verspreide hoeven, de meeste omgeven door slooten en moeras, als
welkom verdedigingsmiddel. Hun middenpunt vormde de Hohorst met zijn
halfvoltooid houten klooster en klein steenen kerkgebouw. In het verre
verschiet rezen de wallen en torenspitsen van Bacheforth,[3] het sterke
slot. De lage houten huizen, die het omgaven, verhaalden in hun
toegenomen aantal van vernieuwde welvaart na jaren van ellende en
strijd.

Rust zweefde over geheel den omtrek, in zomerweelde verzonken lag het
landschap, vredig steeg de blauwgrijze rook omhoog uit de opening in het
rieten of met plaggen beschutte dak van hoeve of heem. Omhoog, als
eenmaal die der gewijde offeranden in Salomo’s tempel, stegen die
rookzuilen, goudgetint door de breede stralenbundels van het licht, dat
neervloot van den hemel om zich te vereenen met den oprijzenden lofzang
der aarde. Of waren zij geen lofzang gelijk de volle, plechtige
metaalklanken, die dreunend van den torentrans op den Hohorst, de ruimte
vulden, de stilte braken, omhoog stegen als een jubelzang van een
toekomstheil nog onbegrepen door wie hen thans hoorden?

De dreigende flikkering in Rolfr Jarls blik schonk nogmaals een antwoord
van haat aan dien juichenden klokkenzang. Had Olaf Erikson andere
stemmen verstaan in die statige galmen? Een ernstige uitdrukking
verscheen in zijn peinzende oogen. Het waren oogen, die een wereld van
gevoel verborgen in hun diepten, blauw als de stralende zomerhemel,
ondoorgrondelijk als de zee van het zuiden, die parelen verbergt onder
haar schitterend golvenvlak en -- onzichtbare klippen. Ook hij hief de
hand op, -- het scheen een waarschuwing:

„Voor rust zal daar weldra onrust heerschen, waar nu het leven lacht,
treurt dan de dood en schreit de wanhoop. Handelen wij goed?”

De borstelige wenkbrauwen van Rolfr Jarl vormden een enkele
saamgetrokken streep, toen hij norsch antwoordde:

„Hebt gij berouw of koestert gij vrees, Olaf Erikson? Wilt gij onder
schoonschijnende voorwendsels uw heiligen eed ontduiken?”

Met de beide eerste vingers zijner gespierde rechterhand vormde Olaf het
hamerteeken op zijn voorhoofd, eer hij sprak:

„Gezworen heb ik bij Odins speer en bij den donderkeil van Thor, en
onverbrekelijk blijft die eed, gelijk hij dit steeds was ook voor de
geslachten, die ons voorgingen, in lang vervlogen eeuwen. Want wat
wisselt of verandert, Alvader blijft, zijn almacht heerscht. Dat zegt
mij de stem van mijn hart. Wat is, was altijd en wat de toekomst zal
brengen ligt besloten in het heden.”

Hij besefte niet welk een eeuwige waarheid hij uitsprak met deze
woorden.

Bijna plechtig ging hij voort:

„Gestand doende den eed, dien ik voor u aflegde, als in Odins
tegenwoordigheid, heb ik opgeroepen al de mannen en jongelingen, die in
mijn Noorsch vaderland, evenals ik, de leer verfoeien van den
Gekruiste, den lafhartigen godsdienst uit het Zuiden, die thans zelfs
Odins leer dreigt te overheerschen in de erflanden der helden. En vele
honderden hebben gehoor gegeven aan de woorden en beloften, die mijn
boden hun brachten in uw naam. Harald Sigvatr, vergrijsd in roem en
wapendaden, bevindt zich bij ons, als aller raadsman. Weldra sneden onze
drakenschepen de golven, hoog spoot het vlokkig schuim op voor den boeg.
Thans kruist de vloot niet ver van het Sincfal. Gereed is zij om de
stroomen op te zeilen, die haar zal brengen in het hart van dit land.
Alleen wacht zij op uw woord, dat de ure daar is om Odin en Thor een
nieuw rijk te scheppen. Met deze vraag kom ik tot u, in naam van Viking
en bemanning. Wat moet ik hun antwoorden? Komen wij ter rechter tijd,
heeft onze inval kans van slagen?”

Diep haalde Rolfr Jarl adem, het was of een last zijn borst ontzonk of
zijn trekken minder stroef werden, toen hij antwoordde:

„De ure is daar. Gunstig de tijd. Zelf zal ik -- als het onbemerkt
mogelijk is -- met u gaan om de vloot naar Utrecht te voeren, de
sterkste stad van dit land.”

Hij streek zich met de hand over het voorhoofd:

„Zoo zal dan de droom van mijn leven verwezenlijkt worden, nu mijn
grijze haren mij toeroepen, dat ik weldra zal worden verheven om het
heil te deelen der helden in Odins hal.

Het zij! Wellicht val ik in den slag en word ik verkozen tot Einheriar
van den Alvader. Dan zal ik de overwinning zien, maar gij, Olaf
Erikson, zult er de voordeelen van genieten.” Kwalijk verborgen
ijverzucht klonk in zijn stem. -- „Dan zult gij nooit die jaren van
onmacht kennen, zooals ik ze heb doorworsteld, nooit, in het hart een
dof gevoel van haat, dat iederen ademtocht tot een marteling maakt,
behoeven te dulden, hoe een ras, dat gij veracht en verafschuwt, om den
godsdienst dien het belijdt, steeds toeneemt in macht. O, hoe menigmaal
heb ik vol nieuwe hoop een Vikinger vloot de rivieren zien opzeilen van
dit land, hoop, die geleden teleurstelling slechts te feller deed
schrijnen. Dan, als weeklagend het landvolk vluchtte en steden en kerken
opgingen in vlammen, riep ik den overwinnaars toe:

„Keert niet terug! Blijft! Sticht u hier een nieuw rijk; een rijk voor
Thor en Odin!”

Maar, zij haalden de schouders op, spottend: alleen zucht naar buit
dreef hen. Zij zeilden verder, zelfs naar de groene eilanden van
Grecaland, ver in de zuidelijke zeeën, waar het water zijn kleur leent
van het hooge gewelf der lucht, de woonplaats der goden. Soms wezen
eenigen mij met bijtenden spot op het voorbeeld van hertog Godfried en
ook op dat van mijn stamvader. Honend klonk het mij dan tegen:

„Ook zij namen bezit van geheele landstreken, maar weldra werden zij
genoodzaakt die op te dragen aan de Karolingische vorsten en ontvingen
ze terug als leen, op voorwaarde, dat zij zich lieten onderdompelen in
het doopwater. Dan héétten zij christenen. Wenscht gij dat voorbeeld
gevolgd te zien door ons? Ook uw vader behoorde tot hen, die een kruis
slaan in stede van een hamerteeken!”

En allen, die zoo spraken, haatte ik, maar grooter nog was mijn
verachting. Vaak ben ik in de eenzaamheid gevlucht om te ontkomen aan
ieder menschelijk wezen, heiden of christen. En eens, toen ik in toorn
en verbittering uitriep, -- weer had ik in de verte aanschouwd hoe een
Viking zich liet doopen door den bisschop van Utrecht, om zich een
erfgoed te verwerven en gezag:

„Odin is dood, ik wil sterven als hij!”.... was het of mijn hand werd
tegengehouden, de hand waarmee ik reeds het zwaard ophief om het te
dompelen in eigen borst. Een nevel kwam voor mijn oogen, in de verte,
daar waar de zon wegzonk aan den gezichteinder, legerde zich een witte
sluier over het veld en het was mij eensklaps of oprees uit dien
zilverglans de statige vrouw met den gouden voorhoofdband en den
glinsterenden barnsteenen halsketen, de Brinsigamen. Geen twijfel,
Frigga, Odins liefelijke gemalinne, stond voor mij:

„Vrees niet,” sprak zij zacht: „Alvader is onsterfelijk. Geen
menschenmacht kan verbreken wat waar is en eeuwig. Sticht gij alzoo den
eeuwige een nieuw rijk. Dit zij de taak u toevertrouwd op deze aarde.”

Geknield beloofde ik haar wat zij wenschte, de machtige godin. De
bindende gelofte legde ik af, de hand opgeheven naar de verheven
woonplaats der goden, waar in hetzelfde oogenblik Odins wagen zichtbaar
werd, het schitterend, zevenvoudig sterrenbeeld. En geen bliksemschicht
geslingerd door Thors hamer, sloeg mij neer. De Alvader nam mijn gelofte
aan”....

„Toch deedt gij wat hij heeft verboden, de hand opheffen naar zijn van
licht stralend Walhalla.”

„Het was het geweldige oogenblik, dat mij dreef. Alvader wist het. Hij
leest in de harten der stervelingen.” Rolfr Jarl begreep de beteekenis
niet zijner woorden: hij vereerde als godheid een schepping van
menschen. Zou ooit de dag nog voor hem aanbreken waarop hij den Schepper
der menschen aanbad?

Hij trad aan het venster en staarde naar buiten, verdiept in
herinneringen, die sneden scherp als het zwaard, dat hij zoo dikwerf had
opgeheven in den bloedigen slag. Klonk daarom zijn stem hard en koud,
nog meer dan gewoonlijk, toen hij eindelijk hernam:

„Het overige weet gij. Ik leefde in een ijzeren tijd en was zelf van
ijzer. Geen middel liet ik onbeproefd om den ouden eeredienst de macht
van weleer te hergeven. Het was te vergeefs. Zelfs aan het hof der
Noorsche vorsten vond ik geestelijken met kruisen en kaarsen,
psalmgezang in christenkerken werd ook daar reeds gehoord, maar verstomd
waren de reizangen bij het plechtig offermaal. Verboden werd het heilige
paardevleesch te eten, niet langer vlamde de brandstapel van den doode.
Bij de koele bronnen werd geen water meer geschept onder stille gebeden,
esch noch vlier waren meer heilig, de wolf was niet langer Odins bode,
maar een roofdier, waarop jacht moest worden gemaakt. Het roodborstje
bleef niet aan Donar gewijd, niemand kweekte meer huislook op het dak,
of vereerde nog de alruinen als huisgoden. Geen rund, de hoornen met
veelkleurige linten omvlochten, werd geslacht den goden ter eere door
priesters, wien de eikenkrans ruischte om de slapen; geen hamerslag
wijdde meer de bruid of het lijk van den held, wiens geest door de
schildmaagden werd gedragen naar het stralend Walhalla....

De oude tijd was voorbij met de oude zeden, met het geloof der vaderen.

Toen reisde ik, -- vermomd als Skald -- van land tot land, van stad tot
stad, van de eene hoeve naar de andere en ik zong, bij de klanken mijner
harp, het oude geloof, de vroegere gebruiken terug in de harten der
menschen. Schouderophalend werd ik aangehoord aan de luidruchtige hoven,
maar volgelingen vond ik in de stille bosschen, waar de vervlogen eeuwen
hun runen schreven in de grijsbemoste stammen. Het volk sloeg geloof aan
mijn woorden. Velen dreef ontevredenheid met bestaande toestanden aan
mijn zijde, hun aantal nam toe met den dag, vooral in Noorwegen waar
eens Harald Haarfager de macht der onderkoningen had geknot, wat vele
Noren opnieuw den weg der zwanen had doen kiezen op het wiegelend
drakenschip, tot zij IJsland en Groenland ontdekten om ook daar Odin een
nieuw rijk te stichten.

Ik behoefde de nakomelingen van die stoute zwervers slechts te
herinneren aan hun fiere vaderen om hun het woord te ontlokken: „Wij
volgen hun voorbeeld.”

Want bruisend joeg de gedachte hun het bloed door de aderen, dat Olaf
Trygväson, Haralds achterkleinzoon, thans tracht het christendom ook in
Noorwegen in te voeren. Velen van zijn tegenstanders bevinden zich
ongetwijfeld op de vloot?”

Olaf knikte. „Zij vormen een groot deel der bemanning. Maar wat
Noorwegens afvallige vorst betreft, het zal hem niet gelukken, zijn
voornemen te volvoeren, naar ik geloof. Ook Haralds zoon, koning Hako,
was een christen en in Engeland opgevoed. Maar zooras hij den troon
beklom van het Noorden werd hij gedwongen in de heilige tempels te
offeren. Had hij volhard bij zijn eerste weigering, dan was hij door
zijn eigen volk omgebracht.”

De blik van Rolfr Jarl gloeide:

„Zou thans inderdaad de tijd daar zijn, de tijd die mijn stoute plannen
vormt tot hooge werkelijkheid? De gansche aarde aan Odin gewijd, en
onderworpen aan zijn helden. Waar nu het psalmgezang der christenen
weerklinkt, zal daar worden aangeheven het strijdlied van Thor?”

„Het is niet onmogelijk. Sven, de machtige Sven van Denemarken, is een
hevig vijand der christenen. Gij weet, dat hij Ethelred van Engeland,
laf als een christenvorst moet zijn door zijn godsdienst, van den troon
heeft gestooten en nu in Engeland onbeperkt gebiedt. De rijksgrooten
dienen liever den Noorschen held dan hun flauwhartigen koning. Sven
heeft gezworen, dat Odins tempels weldra zullen rijzen aan de Theems.
Volgen wij zijn voorbeeld in dit land. Weg met alle aarzeling. In bloed
werd steeds Odins rijk gesticht. Voer gij ons, in leven en dood, naar
Walhalla of naar Hel en steeds zal mijn speer flikkeren waar uw schild
schittert.”

De trekken van den Jarl verzachtten zich. „Heb dank! Gij brengt dit volk
de ware vrijheid; hoog zullen eens allen u houden als hun held en hun
heer.”

In vervoering sprak Rolfr met de stafrijmen van zijn volk, waarvan niet
de eindlettergreep doch de aanvangsletter van een of meer op elkander
volgende woorden dezelfde was.

Olaf hernam ernstig: „Hoe zou ik anders kunnen? Het geldt Odins eer,
zijn eeredienst is de hoogste, omdat zij wortelt in kracht en moed, en
tegenover u drijft mij de plicht der dankbaarheid. Gij hebt mij uit de
macht van heerschzuchtige verwanten gered, door uw toedoen heb ik mijn
erfdeel terug ontvangen. Gij hebt mij de oogen geopend voor de dwaalleer
der christenen, toen ik als jongeling wankelde, bedwelmd door den
wapenroem der ridders aan het hof van keizer Otto, waar men mij als
gijzelaar hield. U dank ik meer dan het leven: mijn onsterfelijke eer.
Onbevlekt bleef mijn schild, dat ik eens hoog zal kunnen houden in Odins
hal: ik werd geen afvallige.”

Rolfr Jarl scheen voldaan. Zooveel eerlijkheid las hij op dat hooge
voorhoofd, in die heldere, dwepende oogen, die nog vol vertrouwen in het
leven blikten, zoekend naar de vervulling hunner droomen.

„Wanneer denkt gij, dat de vloot hier zal kunnen zijn?” hernam de Jarl.

„Over een week gewis. Zij had de laatste dagen met tegenwind te kampen,
die houdt haar af van de kust. Anders had ik u wellicht reeds heden te
gast genood aan boord van mijn drakenschip.”

„Over een week alzoo zal het luiden: strijd en zege!” Diep haalde hij
adem, zijn borst zwol, zijn uitroep dreunde door de holle hal, het was
als antwoordden de muren met een echo van ontzetting.

De beide menschen wier levensbaan elkaar kruiste, duizenden tot ramp en
rouw, wisselden nogmaals een langen blik. Onwillekeurig huiverde Olaf,
de oogen van Rolfr Jarl gloeiden van een vuur, dat, als de bliksem,
doodt wat het aanraakt. En beiden wisten, dat zij niet hetzelfde doel
beoogden, al schenen zij te trachten naar hetzelfde wit.

Olaf begreep, dat heerschzucht zich mengde in de plannen van zijn
gastheer; deze, dat zijn jonge gast zou strijden, sterven, als dit
moest, voor zijn droombeeld, dat hem een hindernis zou zijn, voor de
verwezenlijking van plannen, die een wijd verschiet zagen van macht,
eigen macht. Hernam Rolfr Jarl daarom haastig -- het zwijgen wordt
pijnlijk als men luistert naar onuitgesproken gedachten: --

„Zeshonderd helmen zijn bereid om zich te voegen bij uw strijders.
Eigenhoorigen en vrijen zal ik wapenen op mijn bezittingen, velen der
steeds onderling verdeelde Friezen, meer dan een ontevreden onderdaan
van den jongen graaf Dirc van Kennemerland heeft mij door een geheimen
bode bericht:

„Mijn zwaard heeft geen roestvlek, mijn schild draagt geen smet. Beide
zijn gereed, voor het oogenblik, dat het oorlogsvuur wenkt op de hoogte
van den Ravenhorst: „Hierheen!”....

Doch Olaf, ook het gerucht van uw komst bleef geen geheim voor mijn
getrouwen en door mijn woorden weten zij, dat gij meer zijt dan een
jonge Viking, begeerig naar roem en buit, gelijk zij reeds dikwerf
zagen. Zij zien in u mijn erfgenaam en ik neem mijn gelofte niet terug,
mits nà de zege.”

Een hooge blos vlamde op Olafs voorhoofd. Tot nu toe had hij nooit meer
gedacht aan die belofte van den Jarl.

Het was op een Vikingertocht, den eersten, dien het hem vergund was mee
te maken als volwassen man.

Toen had hij het leven gered van den onbekenden Skald, die in ’t heetst
van den slag allen moed zong in het hart, kracht in de vuist, door zijn
vlammende strijdzangen.

Maar de Skald greep, weer tot zich zelven komend, na den houw, die zijn
helm had gekloofd, de hand van zijn jongen, vermetelen redder.

„Wie zijt gij? Ik zal u loonen wat gij deedt.”

„Behoud wat gij hebt. Mijn goed zwaard zal mij wel geven wat ik behoef.”

Het trotsche antwoord van den jongeling behaagde den man, die steeds
zooveel zelfzucht, zooveel hebzucht had gevonden, bij zijn omzwervingen
te zee en te land. Hij deed onderzoek naar Olafs levenslot, door zijn
tusschenkomst redde hij diens erfdeel -- het was slechts gering -- uit
de macht van hebzuchtige verwanten.

„Gij zult eenmaal mijn erfgenaam zijn,” sprak hij toen met een
plotseling besluit. Want Olafs dankbaarheid was zoo ongeveinsd en Rolfr
Jarl dacht aan anderen, die hij veel gewichtiger diensten had bewezen,
en wier eenige erkentelijkheid had bestaan in het feit, dat zij hem
vergaten.

„Wie erkentelijk kan zijn is een goed mensch, wie dankbaarheid durft
toonen is groot,” dacht de Jarl.

Hij, die zoo woest kon haten, zoo hevig toornen, wanneer hij werd
getroffen in zijn trots, besefte welk een offer die fiere, jonge lippen
hem brachten, toen zij zich plooiden tot een dankwoord. Want hemzelf zou
het hebben beleedigd, wanneer een ander had gezorgd voor zijn belangen.

„Ik ben mijzelven genoeg.” Dat was de levensspreuk waarnaar hij zich
richtte. Maar niet aan anderen gunde hij datzelfde recht. Het was de
gewone fout der blinde heerschzucht. Ditmaal echter dreef ook de
noodzaak hem. Olafs vloot, diens gewapenden behoefde hij, om zijn
plannen te verwezenlijken, en waar de landzaten, een vreemde Vikinger
vloot vijandig, gewapend zouden tegenstormen, zou haar krijgsmacht
vertrouwen wekken, zoodra bekend werd, dat de aanvoerder zijn
toekomstige erfgenaam was en de bruidegom zijner kleindochter. Hij
besloot daarom hem nog heden -- volgens de voor jaren gemaakte
overeenkomst -- plechtig aan Swanwitha te verloven.

  [3] Het tegenwoordige Amersfoort.



HOOFDSTUK V.


Swanwitha werd dien ganschen dag alleen gelaten. Haar wangen brandden en
een woeste angst gloeide in haar oogen. Zij had den geharnasten
vreemdeling zien komen met zijn kleinen stoet van speerruiters en door
Siva’s woorden geheel begrepen wat zij reeds ten deele wist.

Hoelang was het reeds geleden, dàt zij het wist? Vijf jaren? Ja, dat zou
het zijn. Toen was het -- naar haar voedster zei -- de dertiende maal,
dat zij de St. Jans vuren zag vlammen op de heidehoogten om den
Ravenhorst. Zij dacht, dat die glooiende heuvels op altaren geleken,
waar de offers werden ontstoken Jehovah ter eere, gelijk eenmaal in
Jerusalems heiligen tempel. Haar moeder had haar dit verhaald, haar
moeder, die een christin was geweest, wier droeve oogen nu voor goed
waren geloken in den stillen slaap des doods. En toen, weinige weken na
haar scheiden van deze wereld, haar vader even roerloos werd
thuisgebracht -- een ongeluk had hem getroffen op de jacht, de
jachtspriet stak nog in zijn zijde, -- naar werd gefluisterd
afgeschoten door een verraderlijke hand -- toen werd zij uit de verlaten
hallen van het huis harer kindsheid gevoerd naar den Ravenhorst. Hier
heerschte haar grootmoeder. Met gebogen hoofd, als in elkaar gedoken,
stond het burchtgezin, wanneer zij ging door hal en hof in haar
langslepend kleed, met haar statigen tred en bevelenden oogopslag. Op
Swanwitha viel nauwelijks een vluchtige blik, bij de eerste ontmoeting.
Maar aan Siva beval haar strenge stem:

„Doe haar dat kruis af en als zij soms een boek heeft, zooals de
christenen gebruiken bij hun afgoderijen, verbrand dat.”

„Geef mij nu dat kruisje, hartje, de Groote Vrouw heeft het bevolen,”
had Siva ’s avonds gezegd.

Maar hartstochtelijk had zij gesmeekt: „Laat het me houden! Laat het me
houden! Een paar dagen nog maar!”

Zij drukte de handen op het kleine, gouden kruis en ’t was haar als
hoorde zij opnieuw de zachte stem harer moeder: „Denk als ge het ziet,
steeds aan het kruis van den Zaligmaker, mijn kind, en neem uw kruis op,
gelijk Hij dit eenmaal het Zijne deed. Volg Hem!” En terwijl zij die
woorden meende te verstaan, hernam Siva:

„Laat mij nu eerst het kruis maar naar vrouw Sigrid brengen, misschien
mag je het boek dan nog een paar dagen houden.”

Zij wees op eenige perkamentbladen door een rood koord verbonden. Met
regelmatig, fraai schrift waren de bladen beschreven, de purperen en
gouden aanvangsletters geleken schitterende sterren en roode rozen.

Witha schudde de perkamenten uit elkaar en behield er een, waarop een
herder stond afgebeeld, die een klein lam in zijn armen droeg.

„Neem de anderen dan maar mee, dit houd ik. Mijn moeder vond het zoo
mooi en haar kruis geef ik nooit, nòoit!” Haar stem klonk dof en haar
jong lichaam trilde van krampachtige schokken. Daar werd het donkere
gordijn, dat den ingang bedekte, teruggeschoven. Haar grootmoeder stond
voor haar met opgeheven hoofd en vasten mond, den gouden band op de
zilveren haren. De zoom van haar kleed was doorweven met roode runen,
ook op den gordel prijkten die geheimvolle teekens.

Zonder een woord te zeggen greep zij het kruis, maar Swanwitha ontrukte
het haar en slingerde haar arm weg.

De lippen van de trotsche vrouw werden wit, haar gezicht vertrok zich.

„Honger en kerkerlucht zullen je dwingen,” sprak zij ijzig.

Swanwitha haalde diep adem en bewoog zich niet.

„Hoor je dat, kind?” Twee dreigende oogen zagen haar strak aan.

„Misschien wel, maar dan doet gij onrecht. Mijn moeder heeft mij op haar
sterfbed dat kruis en het boek gegeven en wat ik gekregen heb, behoort
mij toe. Neemt gij het mij af, dan begaat gij diefstal.”

Haar stem beefde niet, maar Siva wrong de handen, achter de strenge
gebiedster. Deze echter trad terug. In haar trotsche borst klonk het:

„Dat kind heeft mij een les gegeven: Ik heb nog nooit iets genomen wat
mij niet behoort en doe het ook nu niet, zelfs niet uit haat tegen de
christenen.”

Maar van dien dag koesterde zij meer weerzin tegen Swanwitha dan ooit:
zij had reeds lang te voren de geboorte verwenscht van de kleindochter,
waarmee haar hoog geslacht zou uitsterven.

Toen kwam Rolfr Jarl terug van een zijner veelvuldige zwerftochten.
Onderzoekend zag hij zijn onbekende kleindochter aan, een uitdrukking,
die naar voldoening zweemde, gleed hierbij over zijn harde trekken.

„Gij zult mij eenmaal mijn doel helpen bereiken,” prevelde hij voor zich
heen. Hij scheen het gemis van een kleinzoon niet zoo sterk te gevoelen
als zijn vrouw.

De jaren gingen voorbij. Swanwitha spon in het vrouwenvertrek en leerde
wandtapijten vervaardigen voor de naakte muren der hal, zij wist
artsenij en kruiden te mengen en zong bij haar driehoekige harp. Maar
het waren de heldenliederen der mannen van de „grimma hjerna”, die zij
leerde tot eens de gedachte aan een zang harer kinderjaren in haar
opwelde en zij aanhief:

    „Einen Kuning weiz ich,
    Heisset Herr Hludwig,
    Der gerne Gott dienet,
    Weil er ihms lohnet.

    O das warth al geendist,
    Koron wolda sin Gott iz.
    Ob her herbeidi
    So lang tholon mahti.

    Liess der heidine mann
    Obar sie lidan,
    Thiot Vrancono
    Mannon sin diono.

    Thoh erbarmed es Gott,
    Wiss er alla thia nod
    Hiess Herr Hludwigan
    Tharot sar ritan....[4]

Verschrikt echter snelde Siva toe: „Kind, kind! wat doet gij! Als dat de
Groote Vrouw hoorde!... Weet ge dan niet meer, dat dit het Lodewijkslied
is, de zegezang van dien koning der West-Franken?” Haar stem daalde tot
geheimzinnig gefluister. „Hij leefde voor meer dan een eeuw, die groote
vorst, en de roem van zijn overwinning vervult nog de wereld, maar hij
overwon de Noormannen. Zwijg daarom, als uw vrijheid u lief is.”

Swanwitha zweeg inderdaad, want zij wist reeds toen, wiens levensdroom
het was zijn onstuimig heldenvolk opnieuw te verheffen tot heerschend
ras. Daar kwamen en gingen zooveel geheimzinnige boden op den
Ravenhorst: West-Friezen, die zich evenmin wilden onderwerpen aan het
gezag van den graaf van Kennemerland als buigen voor dat van den
bisschop van Utrecht. Zij offerden onder den Donarseik en lieten een
schoof haver op het veld staan voor Wodans schimmel. Zij gaven elkander,
op den kortsten dag, everzwijnen -- aan Fro gewijd -- van koek en
brandden lichtjes dien god ter eere.

Den Kennemerlandschen graaf tartten zij uit, hen te vervolgen in hun
moerassen en kreeken; de zendelingen van den Stichtschen kerkvorst
hingen zij op. Dan waren er afgezanten en boden van de Friezen tusschen
Flie en Lauwers, zij erkenden keizer noch heer en waren -- in hun
onbedwingbaren drang naar vrijheid -- steeds bereid ieder bij te staan,
die dit evenmin langer verkoos. Zelfs mannen die de „langue d’oui”
spraken kwamen. Zij lagen steeds in veete met hun naburen, die zich
uitten in de „langue d’oc”, mannen waren het met donkere oogen en
hartstochtelijke gelaatstrekken. En die krijgers uit Normandië wisselden
af met blonde Noren en breedgeschouderde Denen. Van hun lippen klonk
een onbezorgde lach, maar grenzenlooze weemoed lag in den blik hunner
oogen.

Swanwitha zag allen komen en gaan. Haar moeder had haar lezen geleerd en
hoewel Rolfr Jarl hierover eerst het hoofd schudde, verhief het haar, in
den loop van den tijd, eenigszins tot zijn vertrouwde. Want soms werden
ook hem perkamenten gebracht; dan werd zij geroepen om die voor te
lezen. Bevolen had hij haar echter te zwijgen over hun inhoud en hij
wist, dat hij staat kon maken op haar belofte.

Zoo leerde zij zijn toekomstdroom begrijpen, wist zij, dat zij bestemd
was de bruid te worden van hem, die Rolfr Jarl zijn invloed en macht zou
leenen, om dien droom te helpen herscheppen in werkelijkheid.

Waarom dacht zij aan dit alles op het gezicht van den onbekenden ridder
en waarom gingen toen opnieuw haar gedachten naar Unruoch in zijn kerker
en drong zich nogmaals de radelooze gewisheid als een wig in haar hart:

„Ik kan niets, nièts.... en hij sterft.”

Kon zij dan werkelijk niets, in het geheel niets?

Weer viel de avond. Het was of de hemel en de aarde ineensmolten. Witte
en grijze nevelen hingen boven de heide en blanke wolken dreven langs de
zilverkleurige lucht. Alleen ver aan den gezichteinder bleef nog een
roode streep zichtbaar en waar die den grond raakte straalde de omtrek
van een glans, die blonk zelfs door de nevelen.

Uit de hal vielen opnieuw de rosse lichtstralen. De burchtheer vereende
zijn gasten -- Olaf was niet de eenige gebleven dien dag -- aan den
maaltijd. Vrouw Sigrid zat in haar hoogen zetel aan zijn zijde, maar de
jonge meisjes -- haar gewoon gevolg -- bleven, evenals Swanwitha, in het
vrouwenverblijf.

Zij zagen uit dit vertrek hoe de lijfdienaars door elkaar joelden op het
voorplein, na het einde van het maal, dat ook hun een rijkelijk deel had
verschaft van paardevleesch en schuimend gerstebier. Ook Swanwitha
aanschouwde dit tooneel en een nieuw denkbeeld overmeesterde haar en
deed haar hart gejaagd kloppen.

Voorzichtig opende zij eindelijk de deur, niets bewoog zich in het
nevenvertrek, geen vlugge schreden repten zich op de steenen trap, die
zij nu onhoorbaar begon af te gaan. De scherpe geur van bier en
gekruiden wijn drong, vermengd met de zoete reuk der mede, tot haar door
uit de hal, drinkliederen en gelach bewezen, dat het feest nog werd
voortgezet. Verlicht haalde zij adem. Wentelde zich bij die zekerheid
een steen van haar hart? Niemand zou haar zoeken of dacht nu aan
haar....

Dieper daalde de kronkelende gang, het was hier volkomen duister, vocht
sijpelde langs den wand. Met de handen voor zich uitgestrekt ging
Swanwitha verder. Na eenige minuten, waarin zij nauwelijks waagde te
ademen, zonken echter haar armen slap neer. Zij had op een deur
gestooten, op een zware, met ijzer beslagen deur. Wat nu, wat nu?

Zij luisterde een oogenblik, maar geen geluid verbrak de beklemmende
stilte, alleen op den vastgestampten bodem tikte het dof met
regelmatige tusschenpoozen. Het waren de vallende druppels. Nooit was
zij hier nog geweest. Wel had Siva haar soms fluisterend verteld van de
diepe, donkere kerkers, waar de vijanden van Rolfr Jarl heenkwijnden
zonder lucht, zonder voedsel; dan was een huivering door haar leden
gegaan, maar zij had ze nooit gezien. Hoe had zij dan al den jammer
kunnen begrijpen welke die sombere diepte verborg? En boven die holen
van ellende welfde zich de burchthal, waar scherts en lach weerklonken
bij het overvloedig maal....

Wanhopig tastte zij met haar handen langs den muur, zij kwam terug bij
haar punt van uitgang. Een rond gewelf scheen het, waarin zij zich
bevond. Langs de plompe deur gleden opnieuw haar vingers, zij raakten
een ijzeren slot aan.... een sleutel....

Uit al haar macht trekkend gelukte het haar eindelijk de deur te openen
en toen, en toen....

„Zij hebben hem al gedood, hij is weggenomen uit het leven, nu reeds,
nu!”....

Want zij zag het bleeke hoofd op het rottend stroo. Met roestige ketenen
was Unruoch geklonken aan vloer en wand, geen kleur was meer op zijn
gelaat en de oogen waren geloken.

Een flauw, walmend licht liet haar dit onderscheiden, een pit drijvend
in een platte schaal met olie. Hoe was die hier gekomen? Zij dacht er
niet over na, maar knielde bij den half bewustelooze en ontsloot zijn
boeien. Rinkelend vielen zij op den vloer, als ijzeren slangen lagen zij
in het stof.

„Unruoch! Unruoch! Word toch wakker! Zeg iets. Of hebben ze je van mij
weggenomen, hebben ze dat durven doen! O, zeg iets, zèg iets! Een woord
maar, een enkel woord!”....

Neergezonken lag zij op den grond, een doffe zucht scheen om te waren
door den hollen kerker. Of kaatsten zijn sombere wanden slechts haar
klacht terug? Wekte dit echter den gevangene tot nieuw leven?

Even bewoog hij zich. Hij scheen niet meer te weten waar hij was, noch
te beseffen wie zich over hem heen boog.

„Lucht, lucht! Ik stik!”....

Nauw verstaanbaar gleed het over zijn lippen.

Witha zag om zich heen. Door de geopende deur stroomde thans lucht
genoeg, doch zij zag de ongekalkte muren zonder kijkgat of eenig
venster. Dit was dus het einde van hen, die werden geworpen in dezen
kerker: de dood door verstikking.

Zij wrong de handen. Hoorngeschal, een schaterende zang drongen flauw
tot haar door. Boven alles uit klonk de dreunende stem van Rolfr Jarl.
In vollen gang scheen nog het feest....

„Unruoch, o, Unruoch!”....

Nu herademde hij, zijn bewustzijn keerde, een flauw rood kleurde zijn
voorhoofd en een gevoel van nameloos geluk rees in zijn hart, toen hij
zijn redster herkende.

„Witha, gij! God is goed, Hij heeft je mij gezonden!”....

Een oogenblik heerschte weer de stilte, nu een stilte,
plechtig en heilig, want de kerkerwanden, die zoo menigen
noodkreet, zoo menige verwensching hadden opgevangen, hadden thans
weerkaatst den naam van Hem, die Eeuwig is, Die blijft, wanneer alles
vergaat.”

Het was Witha als moest zij op de knieën vallen gelijk Unruoch dit deed,
om met hem te danken....

Maar de tijd drong. Zij sprak het eerst: „Unruoch, ga nu mee, voor de
bewaarder terugkeert.”

„Die kwam alleen om te zien of het licht reeds was uitgedoofd, want dan
rest ook den gevangene niet veel levenstijd meer.”

Zij zag hem aan met groote, verschrikte oogen; in hun diepten las hij
nog een ander gevoel dan alleen medelijden. Zijn hart klopte snel, niet
om de gevaren zijner vlucht. Hij wilde spreken, maar zij toonde hem den
weg, de donkere, kronkelende gang, de smalle trap....

„Kom nu, kom! Ik wijs u den weg, hier linksom, anders komt ge in de hal
en daar vieren zij -- feest.”

Het klonk zoo droevig en zoo hartstochtelijk. Maar ongehinderd bereikten
zij de verdieping, gelegen boven de burchtzaal. Nu opende Witha een lage
deur en schoof een donker gordijn terug. Unruoch zag lange trossen vlas
opgehangen aan de bruine balken. Hij onderscheidde weefgetouwen en meer
dan een spinrokken in het zilveren maanlicht.

„Waar brengt ge mij heen?” vroeg hij verwonderd.

„In het vrouwenverblijf. Dit is de weefkamer, hier naast is mijn
vertrek. Daar zijt ge vooreerst veilig.”

Er kwam een uitdrukking van schrik in zijn blik, zijn wenkbrauwen
trokken zich samen.

„Dat is onmogelijk! Welke gevolgtrekkingen zou men maken als ik daar
werd gevonden, in het vrouwenverblijf, in uw vertrek”?

In haar oogen lichtte een zachte weemoed.

„Ik zou de eerste niet zijn, die werd veroordeeld om den schijn. Moet
men daarom vreezen het goede te doen? Gij kunt nu onmogelijk verder
vluchten: de brug is opgehaald, de poort gesloten, vol hoorigen het lage
hof. Wacht daarom eenige uren. Ik zal Siva roepen, zij zal wel een touw
weten te vinden, waar mee ge u kunt laten afglijden van den muur, op een
plaats waar de gracht ondiep is.”

Het werd alles zoo bedaard en wel overlegd gezegd. Begreep zij geheel,
welk offer zij bereid was hem te brengen? Want men zou hem zoeken,
overal. Hij zag haar aan, hij vond haar even aantrekkelijk en mooi als
vroeger, maar anders mooi. In de zorgelooze oogen was nu een ernstige
blik gekomen, stille droefheid verving den zonnigen lach om haar mond.
Het vroolijke, speelsche kind was veranderd in een fiere, vastberaden
jonkvrouw, die onverschrokken den weg volgde haar door den plicht
gewezen.

Plicht alleen?

Een groote liefde vervulde zijn hart voor haar, wier zoet geheim zich
verried in haar zelfverloochenende toewijding.

„Swanwitha,” zei hij eensklaps, haar hand in de zijne klemmend, „ik zeg
niet, dat ik je dit ooit zal vergelden, dat zou onmogelijk zijn. Ik
vraag nog meer, nog oneindig meer, dan je me nu toevertrouwt. Geef mij
je geheele leven, heb mij lief altijd, altijd en ik zal God loven voor
Zijn grootste geschenk.”

Zij schudde het hoofd:

„Het kan niet, Unruoch! Wat zou mijn grootvader zeggen, wat bisschop
Ansfried?”

Zijn blik rustte in den haren:

„Denk je daaraan het eerst? Dan heb je mij niet lief.”

„Niet lief!”.... Het beven harer lippen was haar eenig antwoord, haar
gezichtje straalde, maar zij zweeg. Hij trok haar in zijn krachtige
armen.

„De bisschop moet weten, dat ge mijn bruid zijt. Stemt hij, als mijn
voormalige voogd, toe in onze verloving, dan kan niets ons meer scheiden
volgens de wetten van dit land.

Zeg me, Witha, is dit onze verloving?”

Zij boog haar hoofd aan zijn hart en voelde op haar lippen zijn kus.

Zoo stonden zij zwijgend in overstelpend geluk.

De purperen tinten waren aan den hemel reeds lang uitgewischt door den
ijl-blauwen sluier van den nacht; de eerste sterren glinsterden.

Wit en stil lag het ruime voorhof waar de laatste pekton verglom;
donkere schaduwen wierpen de struiken op het zand. Maar te midden der
plechtige stilte van den lenteavond trilden eensklaps kristalheldere,
lang aangehouden tonen. Eerst zacht en teer, zwollen zij met ieder
oogenblik in kracht, vulden zij meer en meer de ruimte. Zwijgend
luisterden de beide jonge menschen, tot het hun was of al de liefde, al
de toekomsthoop, die zij droegen in het hart, een liefde, diep en
onmetelijk als de zee, een verwachting hoog als de hemel, die zich
welfde boven hun hoofd, uiting vond in den jubelzang van den nachtegaal,
of die kleine vogel hun verhaalde, wat zij elkander niet konden zeggen,
omdat de taal er geen woorden voor bezat.

  [4]

    Eenen koning ken ik,
    Hij heet Heer Lodewijk
    Die gaarne God dient,
    Omdat Hij het hem loont.

    Toen dit alles geschied was,
    Beproeven wilde God hem,
    Of hij ook moeite
    Zoo lang kon verduren.

    Hij liet heidensche mannen
    Over de zee komen,
    Om de Franken
    Te herinneren aan hun zonden.

    Doch God had erbarmen,
    Hij wist al dien nood,
    Hij beval Heer Lodewijk
    Terstond derwaarts te rijden.”



HOOFDSTUK VI.


Seringengeur begroette den nieuwen dag; het was of al de knoppen, die de
heesters droegen op den Hohorst, tegelijk waren opengegaan. Dauwbepareld
glinsterde het buigend gras en de zonnestralen tintten de golven van de
Eem, die den „Hoogen horst” bespoelden met goudkleurigen glans.

Recht en slank stonden de dennen, in groepen vereenigd, op de witte
heidehoogten. De ochtendwind ruischte zijn zang door hun takken, doch
kon het geluid niet dempen, dat klonk van den Hohorst en voortgolfde
over de heide tot het werd weerkaatst door de muren van den Ravenhorst.
Of Rolfr Jarl niet wrevelig de zware wenkbrauwen zou fronsen wanneer hij
die bijlslagen opving? Tergend moesten zij hem immers in de ooren
klinken van dien heuvel, ver in ’t rond zichtbaar, bespoeld door de Eem
ter eener zij, en aan den tegenovergestelden kant begrensd door het
moeras. Een natuurlijke sterkte, door weinig manschappen te verdedigen,
die slechts te dwingen zouden zijn door -- hongersnood.

Bij die gedachte speelde om Rolfr Jarls mond een glimlach, zooals
niemand zou wenschen voor de tweede maal te zien. Het scheen bijna of
het hem nu verheugde, dat het woonhuis naast de kleine kerk weer werd
vergroot door een nieuwen vleugel, met een gevel van rechtopstaande
planken en door een stevig staketsel omringd. Bisschop Ansfried van
Utrecht had immers gezegd, dat hij den Hohorst had uitgekozen tot zijn
rustoord, bij de vele zorgen, die het leven van hem eischte. Hier zocht
hij, van tijd tot tijd, eenige dagen verademing, ook thans bevond hij er
zich en -- de Denenvloot naderde de kust. Rolfr dacht na, steeds met
denzelfden wreeden glimlach om de lippen tot het blaffen der honden, die
den ontsnapten beer najoegen op het lage hof, hem zijn jachtspriet
grijpen deed. Ook dezen gevangene zou hij weten te dwingen tot zijn wil.
--

En op den Hohorst repten zich intusschen de vlugge handen om bisschop
Ansfrieds „zendingshuis”, als hij het noemde, op te trekken volgens zijn
eigen aanwijzingen. Afgepaald waren de grondslagen voor schuur, werkhuis
en spijker. Er moest plaats wezen om den oogst te bergen -- de vrucht
van zwaren arbeid op den nauw ontgonnen grond, -- naast de
levensmiddelen uit Utrecht aangevoerd, om ze te kunnen wegschenken „als
de nood drong en het gebrek neep, Christi ter eere, om Godswil.” -- --

IJverig arbeidden de werklieden voort. Hun zwart oppergewaad met wijde
mouwen hadden zij hierbij afgelegd. Het wees hen aan als broeders,
behoorend tot de orde van Benedictus van Nursia, den Patriarch der
Westersche geestelijkheid, wien zelfs zijn grootste tegenstanders de eer
geven, „dat hij was de weldoener der menschheid en het licht zijner
duistere eeuw” -- de zesde sinds Christus’ geboorte.

Toch vormen zij nog een bijzondere broederschap, die ijverige
bouwlieden. Bijzondere voorrechten en vrijheden zijn hun geschonken --
vandaar heeten zij „vrije metselaars” in den volksmond. Zij hebben
teekenen, waaraan de leden der verschillende vereenigingen elkander
kennen, en reizen van land tot land, van het eene volk naar het andere,
overal waar zij worden geroepen, om kerken en gebouwen, vaak nog van zoo
eenvoudigen vorm, om te scheppen in kunstwerken.

Want de „bouwmeester” van dien tijd mocht eerst na jaren van ernstigen
arbeid dien naam voeren, en toonde door de voortbrengselen zijner kunst,
dat hij daartoe het recht had.

De bouwlieden, die thans op den Hohorst arbeidden, bewezen door hun
taal, dat zij uit York afkomstig waren, de stad van wetenschap en kunst
bij uitnemendheid. Met den naam van Kuldeërs werden zij aangeduid. In
navolging van de bouwmeesters der oudheid, die tijdens Constantijn den
Groote christenpriesters werden, droegen zij dien naam. Hun levensregel
was streng en hun kunst regeerde hen met een ijzeren roede. Toch
arbeidden zij steeds vol kracht en lust. Zij wisten, dat zij mijlpalen
plaatsten in het zand van den tijd, dat zooveel overstuift en onkenbaar
maakt. En welke kunstenaar offert zelfs niet bereidwillig zijn leven
voor het kunstwerk, dat ontstond door zijn scheppend genie, dat blijft,
om te toonen wat arbeid en volharding vermogen, aan de geslachten, die
nog niet waren toen het ontstond.

De geur der bloeiende meidoorns steeg in wolken omhoog in den hof, een
vlucht witte duiven zweefde verschrikt door de hamerslagen met
kleppenden wiekslag weg door de diep blauwe lucht.

Twee bejaarde wandelaars -- zij hadden de vorderingen van den bouw
bezichtigd -- volgden die kleine vredeboden met hun blik. Een zeer
verschillende uitdrukking gleed hierbij over beider gelaat.

„Alles geniet van lentelucht en zonneweelde; wat is de aarde toch
schoon, en groot Hij, die haar schiep. Groot en goed.”

De oudste der beide wandelaars sprak het op een toon, die rust moest
schenken wie hem hoorde en de jongste ving de woorden op en dezelfde
bittere uitdrukking, die zijn lippen plooide bleef haar sombere lijnen
trekken om zijn vastgesloten mond. Bijna verwijtend richtte zich zijn
blik op den spreker. Recht en ongebogen was diens gansche houding, al
kringelden hem zilveren haren langs de bleeke slapen, ofschoon de fijne
voren in zijn hoog voorhoofd meer waren getrokken door den ploeg van het
zieleleed, dan door de hand van den tijd. Het eenvoudige zwarte kleed
der Benedictijners vormde ook zijn gewaad. Toch dacht, wie hem zag, zich
onwillekeurig een mijter op dit waardig gedragen hoofd, wenschte hij
voor deze hooge gestalte een geborduurde dalmatiek over een met
gouddraad omzoomde alba van zuivere witte wol -- het gewaad van de
bisschoppen der christelijke kerk. En wie zijn oogen op zich voelde
rusten, oogen helder en vredig, vol van licht, opende de zijne wijder.
Niet omdat het zulk een schoon gelaat was, dat hij aanschouwde, het
waren de trekken van een bejaard man, maar in wiens blik een glans lag,
die lichtte en straalde, die verhaalde van duur verworven zielevrede,
maar van een edel zieleleven tevens. Het was of er licht van hem zelf
uitging of hij reeds begreep wat men hem zeggen wilde, nog voor hij had
verstaan. Op zijn edel gevormd voorhoofd stond te lezen dat steeds de
liefde hem de meeste was geweest, dat hij nooit met woord of daad zou
zaaien het onkruid van den haat, dat verbittering en tweedracht draagt
als giftige vrucht. Van hem ging uit vrede en zegenende rust, die
voorspelde wat eens de zaligheid wezen zou, waarvan zij de flauwe
afschaduwing waren, hier op aarde.

Een groote tegenstelling vormde hij met den man aan zijn zijde, in de
ijzeren maliënrusting van den ridder, den man wellicht het vierde eener
eeuw jonger dan hij, doch die het hoofd ter aarde boog en wiens magere,
sombere trekken fluisterden van veel leed, waaraan geen berustende
overgave zijn angel had ontnomen.

Warm straalde de zon ook boven zijn hoofd, en liefelijk als harpgesuis
klonk het ruischen der dennen; blauw zag de lucht, de lijster zong, --
hij scheen er geen acht op te slaan. Starend bleef zijn blik, de rimpel
tusschen zijn oogen groefde zich dieper.

Kleine berkeboomen met zilverwitten stam wiegden hun blaadjes op den
morgenwind. Hij trok eenigen af, liet ze dwarrelen, zag hoe zij
eindelijk neerzonken om te sterven of te worden vertreden.

„Zoo gaat het met alles, met allen!” -- Welk een bittere klank was in
zijn stem. „Waarom zou men zich dan verheugen over lenteglans? Menschen,
bladeren vliegt hoog, vliegt den hemel tegemoet en gij valt ter aarde en
wordt vertreden, ongeacht, ongezien.”

De andere schudde het hoofd.

„Neen, Frethibold, neen, gij spreekt tegen uw weten, uw beter weten in.
Wiens ziel ooit hemelvlucht heeft genomen en zijn God vond omhoog, kàn
niet meer vallen of zinken, want God is zijn toevlucht en schild en
beschermt hem voor beide.”

„Dat zegt gij, gij! Maar u lachte ook het leven toe, altijd, altijd!
Toen gij de wereldlijke macht moede werdt, vondt gij die der kerk voor u
gereed. Bisschop van Utrecht, meester niet over de lichamen, zooals de
woeste Jarl van den Ravenhorst over zijn hoorigen, doch over de zielen
der menigte. Wat begeert gij nog meer?”

Bisschop Ansfried zag hem ernstig aan:

„Ik begeer te heerschen door liefde, Frethibold, en, dat wordt mij zwaar
gemaakt, zeer zwaar, want onze tijd is ruw en hard als ijzer.”

„En de menschen worden voortgezweept door het geweld, dat steeds gaat
boven het recht. Dwarrelende bladeren zijn zij allen, allen!”

„Frethibold!” De stem van den bisschop werd ernstig waarschuwend. „Moogt
gij, een christen, zóo spreken?”

„Kan ik anders, als ik het leven zie en de lotgevallen der menschen, van
geslacht tot geslacht; als ik mijn eigen lot zie en dat van deze landen
en gouwen? Voorheen waren zij bloeiend als mijn bestaan. Toen keizer
Karel, dien zij nu den Groote noemen, stierf, waren zijn staten een
rijpen, met weelderigen oogst prijkenden akker gelijk. Maar, de Denen
kwamen, verdrongen elkander in deze rampzalige landen, schier van jaar
tot jaar. Het verderf hield den sikkel, en de velden wit om te oogsten,
gaven geen vrucht.

O, waarom was de keizerlijke adelaar dus afgemat, dat hij de wieken
moest samenplooien in de rust van den dood? De raven krasten reeds bij
zijn lijk, de raven uit het Noorden, tuk op aas.

En de vorsten, die na hem kwamen, die hoopten zich te redden van de
Noorsche speren door het Noorsche schild, en daarom Deensche aanvoerders
het erfdeel van landgenooten schonken.” Dreigend schudde hij zijn vuist.
„Rolfr Jarls geslacht is een van hen, die macht en invloed verwierven op
zulk een wijze. Dat wist de vader van mijn vader, eer hij werd gedood in
den slag door een pijlschot in den nek. En ofschoon haast twee eeuwen
voorbij zijn gegaan na hun eersten inval, de geest der mannen van de
grimma hjerna is dezelfde gebleven, al deze tientallen van jaren door.

Harald Jarl onderwierp Friesland en vestigde in het bloeiende Dorestad
zijn verblijf. Wèl mocht den nijveren inwoners de schrik om ’t hart
slaan:

Raven zoeken aas.... De volkswelvaart was voorbij, de volksellende kwam.
Het kwijnende Wijc kan het getuigen, dat ontstond uit de rijke stad.
Voorbij bleef het met handel en verkeer, met landbouw en veeteelt. De
horden der Denen overstroomden onze gouwen om wraak te nemen op
voormalige aanvoerders, die thans christenkerken stichtten, om daarmee
invloed en gezag te winnen in hun pas verworven bezittingen.

En terwijl Gaungo Rolfr, de reus, dien geen paard dragen kon, Friesland
vernederde tot zijn krimpend wingewest, en het arme Dorestad nogmaals in
vlammen opging, was het wonder, dat toen ook Wiedelkam, dat herleefde
onder mijn bestuur, voor de tweede maal werd gelijk gemaakt met den
grond? De stad aan den Maasstroom, waar die zijn blonde golven vermengt
met de grijze wateren der Germaansche zee.”

Hij zweeg eenige oogenblikken. Kostte het hem moeite de rechte woorden
te vinden? Toen vlogen zij eensklaps uit zijn keel, alsof een pijl van
den kruisboog schoot:

„Ik had trouw gestreden voor keizer en rijk tegen de Denen, tegen de
Denen altijd. Want zij waren overal: in de Friesche gouwen glinsterden
hun speren, op de Kennemer duinen vlamden hun wachtvuren, Masaland en
Toxandria werden door hen uitgemoord, Niumage bezet, Utrecht verwoest.
O, een storm van ontzetting en wanhoop voer door het land: waar geen
speren kletterden tegen speren, wezen verwoeste hoeven, vertrapte velden
en raven die den marsch van het leger volgden, den weg aan, dien de
overwinnaars waren gegaan.

Toen drong op eenmaal de kreet in mijn ooren:

„Wiedelham gaat op in vlammen. Gedood, weggevoerd als slaven zijn de
inwoners, uitgeplunderd, verwoest is de gansche stad!” Het was of ieder
lid van mijn lichaam verstijfde. Wiedelham! Dat was mijn gebied. Daar,
op den hechten burcht had ik achtergelaten, toen veilig, toèn nog
veilig, mijn lieve vrouw, mijn zoon, mijn eenige....

Ik worstelde met mijzelven, de ijzige koude, die als de adem des doods
over mij heenstreek, week, ik voelde mijn hart weer kloppen, keeren mijn
kracht. Toen greep ik mijn zwaard, sprong in den zadel, klemde mijn
heirbijl in de vuist, mijn getrouwen en schildgenooten joegen mij na, in
stormende vaart en wij bereikten Wiedelham.”

Hij haalde diep adem en strekte de handen uit als wilde hij een visioen
afweren, dat hem voorbijtrok, een visioen van bittere, brandende smart.
Toen hernam hij dof:

„Waartoe nog meer? ’t Is zoo gewoon, zoo alledaagsch wat ik heb te
zeggen. Verwoesting en dood zijn overal in dit land, sinds twee eeuwen
bijna, sedert twee eeuwen! Ook in Wiedelham vonden wij slechts
verkoolde lijken en smeulende puinhoopen, maar ook”....

Hij hield de hand voor de oogen, te sterk, te machtig werd de
herinnering.

„Frethibold houd op! Ik weet immers uw groot, gróot leed. Wees stil.
Laat ook uw ziel dit zijn -- stil in God. Denk aan het woord van een,
zwaar beproefd als gij:

„De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij
geloofd.”

„O, kon ik dat zeggen, kón ik dat! Als ik nog slechts de verkoolde
overblijfsels had mogen vinden van mijne vrouw, van mijn kind. Maar
niets, niets dan rookend puin, smeulende balken, wolken van smook,
grauwe sintels. Ik zocht, zocht vele dagen lang, ach, een puinhoop was
mijn huis, evenals voortaan mijn leven, een puinhoop van verwoest
geluk....”

„Frethibold, God weegt niemands last te zwaar. Buig u voor Zijn wil. Gij
zondigt, als gij zoo spreekt. Het leven is geen geluk, het is plicht.
Wee hem die in opstand komt tegen het lot, dat God hem geeft!”

„Plicht! Een ander begrip voor staal en ijzer. Kan dat het gemis, de
ontbering vergoeden? O, waarom, waarom liet God zooveel leed over mij
komen? Waarom?”....

„Gods wegen zijn niet onze wegen. Hoe menigeen werd door leed en
beproeving dichter gebracht tot Hem.”

„Ik vergat Hem niet te midden van mijn geluk.”

„Maar hebt gij toen ooit gevraagd, waarmee gij zooveel zegen hadt
verdiend, waarom gij zoo gelukkig waart? En nu in smart en
zielsverdriet twijfelt gij aan Gods liefde en vraagt gij: „Waarom dit?”

„Ach, vergeef mijn wanhoop! De zielsellende brandt in mijn binnenste als
een schroeiende vlam!”

„Vraag niet mij vergeving, maar aan God. Uw geluk naamt gij aan uit Zijn
hand zonder vragen, aanvaard thans zonder morren uw kruis. „Gij zult het
na dezen verstaan.” Denk aan dat heilige woord, Frethibold. Het zal u
rust geven en berusting: „ná dezen.”

Een flauwe glimlach verhelderde Frethibolds droevige trekken.

„Na dezen! Wie weet hoe spoedig dat is!”

Thans kwam een ernstige uitdrukking in den vriendelijken blik van
bisschop Ansfried, toen hij waarschuwend sprak:

„Frethibold, zwijg tot mij over deze dingen. Ik acht het godslastering.
Gij weet, dat er geschreven staat: „Deze dag en die ure weet niemand.”

„Maar, heer bisschop, door de gansche menschheid gaat thans het gerucht,
dat de wereld zal vergaan, nog dit jaar, in den St. Jansnacht. En
hoeveel geestelijken gelooven het ook en vermanen de leeken tot boete en
bekeering?”

„En met hoeveel bijgeloof is thans reeds bijna overal het Christendom
vermengd. Wie houdt zich nog aan het Evangelie, zooals de Apostelen ons
dat nalieten? Menschenwoord en menschenleer verdringen bij velen, bij de
meesten, het woord van onzen Heer.”

„Deze dag en die ure weet niemand,” herhaalde Frethibold zacht en een
zucht ontsnapte hem. Was hem het leven zwaarder dan de gedachte aan den
dood?

Met bezorgdheid zag de bisschop hem aan.

„Frethibold, gij mijmert te veel, het maakt uw gedachten ziek. Gij hebt
het volle leven noodig, het leven van daden. Gij vergeet dat te veel.
Tot gouwgraaf van het Bovensticht benoemde u voor weinig weken de keizer
en waaraan denkt gij meer? Aan uw eigen zorgen of aan die van uw gewest?
Zijt gij daarvoor uit het klooster te Prüm, waar gij in afzondering
leefdet, hier terug gekeerd?”

„Ach laat mij mijn rust, rust!”

„Dat is voor u de dood. Houd de lampen brandende! Ook u wenkt een ruim
arbeidsveld. Zie om u heen. Er is veel te doen in uw gouw. Leef voor
anderen. Waarom stichtte ik hier een kerkgebouw, hier op den Hohorst,
waar eens de offervuren vlamden voor Wodan en Donar? Waarom bouw ik er
thans een ordehuis naast?” Hij wees met de hand naar het dennenbosch,
dat glansde smaragdgroen in den zonnegloed. -- „Ziet gij tusschen de
boomstammen die hooge tinnen schemeren? Daar ligt de Ravenhorst. Hij
beheerscht deze gansche landstreek en de geest, die van hem uitgaat,
strekt tot ieders verderf.”

„Hoezoo?”

„Zijn eigenaar is trouw aan de goden zijner Noorsche voorvaderen,
gezworen heeft hij zelfs hun eeredienst opnieuw te maken tot de
heerschende en, hebben mijn geheime boden mij wèl onderricht, dan is de
tijd niet ver meer, waarop hij zijn doel hoopt te bereiken, door het
zwaard der Denen.”

„En, dat zegt gij zoo kalm!”

„Wie kan beter maatregelen nemen tegen een dreigend gevaar, hij die zich
opwindt of die het rustig onder de oogen ziet en intijds tracht in te
grijpen?”

Frethibold boog het hoofd, de bisschop vervolgde:

„Deze geheele landstreek wordt geregeerd door overmacht en geweld. ’t
Zijn meest hoorigen van den Ravenhorst, die hier wonen en de weinige
vrijen zijn genoodzaakt het gezag te dulden van zijn eigenaar; meer dan
eens vonden zij bij een inval der Denen een toevlucht op zijn burcht.
Dáár waren zij veilig; waarom begrijpt gij. Doch de christenen werden
gedwongen hun geloof te verzaken of dit tenminste niet meer openlijk te
belijden. Zoo ontstond er in dit geheel gekerstende land een streek waar
onverschilligheid heerscht of bijgeloof, naast den dienst der vroegere
goden. En om dit wangeloof te bestrijden verzocht ik van keizer Otto den
Hohorst met het omliggende land in leen. Het was teruggevallen aan het
rijk door den dood van zijn laatsten eigenaar. Thans echter reken ik op
uw steun. Gij moet mij helpen met uw zwaard en gezag waar ik trachtte
het Evangelie te brengen aan deze door den geweldigen druk van Rolfr
Jarl geheel verwilderde landbewoners.” Tot antwoord slaakte Frethibold
een kreet, die door merg en been ging.

„Rolfr Jarl! Hij was het, die Wiedelham deed opgaan in vlammen! Hij
vermoordde mijn vrouw en mijn zoon, verkeerde mijn huis in een puinhoop,
hij brak mijn leven! O, bind geen strijd aan met hem! Gij kent hem
niet, zooals ik! Uw haar deed hij niet vergrijzen in leed, hij brak niet
u het hart!”

Neen, klaarblijkelijk kende de grijze kerkvorst den woesten Noorman
niet. Alleen zijn gelaat was zeer bleek geworden, toen hij den naam
uitsprak, dien menigeen deed vergezellen van een vervloeking.

Stil vouwde hij de handen, in zijn borst klonk het:

„Leid mij niet in verzoeking, Heer! Hij heeft reeds zooveel te dragen;
laat mij zijn last niet vergrooten, door hem deelgenoot te maken van
mijn leed!”

Beiden stonden zwijgend vele oogenblikken en hun hart was als lood in
hun borst, terwijl zij zagen hoe de zon glansde aan de blauwe lucht en
hun bittere gedachten dwaalden in den nacht van hun weleer.

Op geringen afstand van den rozelaar, die zijn geurige twijgen
strengelde boven hun hoofd, werd intusschen de bouw van bisschop
Ansfrieds „zendingshuis” met kracht voortgezet. Balken werden
opgeheschen, hamerslagen klonken, planken werden gezaagd, Opeens
verstomde het gedruisch. Wat was hiervan de oorzaak? Geen hamerslag op
de tusschen twee palen onder een afdak hangende klok zonder klepel,
kondigde immers nog het rustuur aan?

Maar een bootje dreef over de klare golven van de Eem; twee vrouwelijke,
dichtgesluierde gestalten stapten aan wal en beklommen den heuvel. Was
hun komst de oorzaak der heerschende stilte? Het was zulk een ongewone
gebeurtenis in dezen kring!

„Zou het mij vergund zijn den bisschop zelf te spreken, slechts één
oogenblik?” fluisterde de jongste tot den gezel, die naar voren trad,
in schootsvel en camizool, de bijl nog in de gespierde vuist. Hij
schudde het hoofd:

„’t Zal niet gaan, denk ik! Wie zijt gij? Hoe moet ik u aandienen?”

„Ik -- neen, dat kan niet.... Dan”.... Gejaagd trok zij een kleine
perkamentrol te voorschijn, toen hernam zij -- de sluier kon niet geheel
haar blos verbergen:

„Geef den bisschop dit en dan.... Wij mogen hier toch zoolang wachten
tot gij antwoord brengt?”

Hij knikte zwijgend en ging.

Weinige oogenblikken later voerde bisschop Ansfried beide vrouwen
terzijde. Bevrijd van nieuwsgierige blikken sloeg zij die ’t eerst had
gesproken nu haar sluier op en thans kwam in de oogen van den grijzen
kerkvorst dezelfde uitdrukking van zieleleed, die hem had doen huiveren
voorden blik van Frethibold.

„God, geef mij kracht en help mij!” Zijn lippen beefden, maar hij
ontving de kracht zijn gedachten te bewaren in zijn hart.

„Wat zoekt de kleindochter van Rolfr Jarl hier?” vroeg hij kalm.

In weinig woorden verhaalde Swanwitha van Unruochs gevangenneming,
smeekte zij om zijn tusschenkomst: „De poort blijft gesloten, bewaakt
wordt de hof, want zijn vlucht is ontdekt.... Ieder oogenblik kan hij
worden gevonden.... O, help daarom; gij alleen kunt het!”

Tranen stroomden haar uit de oogen, een snik brak haar woorden. Maar de
bisschop schudde het hoofd:

„De Ravenhorst heeft hooge wallen en een dubbele gracht. Rolfr Jarl laat
geen gevangene vrij en vluchten is onmogelijk. „Wie daar boeien draagt
wordt alleen verlost door den dood,” beweert ieder hier in den omtrek,
eigenhoorige of vrije. Wat zal ik, een ongewapend, bejaard man dan
vermogen?”

„O, heer, heer!”....

„Noem niet mij zoo, geef dien naam den Eenige, die hier kan helpen.”

„Wie is dat? Wie h----?”

„Dat is de Heer, die den menschen het leven schonk en hun lot houdt in
Zijn hand. God alleen kan uitkomst geven in dezen nood.”

Zij hoorde niet meer, zij vouwde de handen. Half verstikt door een
nieuwen tranenvloed, fluisterden haar lippen:

„O, goede God, geef redding! Gij alleen hebt er de macht toe! Ik voel,
dat het zoo is!”

Het was Swanwitha of zich iets ontspande in haar ziel, een groote rust
kwam over haar, de radeloosheid week, het scheen haar een wonder en
opnieuw was het een gebed, dat zij stamelde.

Bisschop Ansfried zag het met aandoening, niet alleen om den zielsangst,
die uit haar woorden klonk.

„Mijn dochter,” sprak hij zacht, „thans in angst en ellende hebt gij God
gezocht, vergeet Hem niet als Hij uw smart verkeert in vreugde.”

„Neen, o, neen! Nooit meer! Dat beloof ik!” Toen hernam zij snel en
aarzelend:

„Het gaf mij zulk een rust. Ik voelde, dat de God van mijn moeder mij
hoorde en mij heel nabij was, al schijnt” -- zij wees omhoog -- „Zijn
hemel ook ver.”

„Houd Hem vast, mijn kind” -- hoe beefde zijn stem bij dat woord! -- „en
alle onrust zal van u wijken en ook in leed en nood zult gij zielevrede
kennen, want „daar blijft een rust over voor het volk van God.”

Gewillig legde zij haar hand in die van den grijzen dienaar van het
Evangelie, wiens trekken opnieuw werden geteekend door een ontroering
voor woorden te groot, toen hij die trillende vingers in de zijne hield.

„Ga nu, Gisela,” hernam hij haastiger dan zijn gewoonte was.

„Gisela! Zoo heette mijn moeder. Ik”....

Hij streek zich met de hand over de oogen als ontwakend uit een droom,
die hem terugvoerde in het verleden, het verre weleer. Met moeite
herstelde hij zich:

„Gij moest nu gaan, mijn”.... Weer zweeg hij een oogenblik. „Ik volg u,
zoo spoedig het mij mogelijk is. Beproeven wil ik wat ik kan doen, met
Gods hulp.”

Toen zij den heuvel afgingen en de kleine boot bestegen, die hen naar
den overkant bracht, vroeg Witha haar gezellin:

„Waarom zou de bisschop mij Gisela hebben genoemd?”

Siva zweeg en zag haar aan met een raadselachtigen blik.



HOOFDSTUK VII.


„O, Siva! Siva!” Swanwitha drukte zich angstig tegen haar voedster aan,
en deze, even verschrikt als zij zelf, trachtte haar te bemoedigen.

„Stil maar kindje! Stil! ’t Zal wel gaan!”

Want zij zagen zoowel den buiten- als den binnenhof van den Ravenhorst
vol gewapenden. Rolfr Jarl bevond zich onder hen en doorpriemde de beide
vrouwen met zijn toornigen blik.

„Volg mij!” beval hij zijn kleindochter, en op Siva wijzend, tot twee
hoorigen: „Haar twintig stokslagen.”

„Ach, heer grootvader! heb medelijden!” smeekte Witha in snikken
losbarstend. Twintig stokslagen! Dat was de dood voor de zwakke,
bejaarde vrouw. „Volg mij!” beval nogmaals de Jarl en zich zelve
vergetend fluisterde Siva weer:

„Stil maar kindje, ’t Zal”....

In een snik smoorden ook haar woorden. Als voortgedreven door het
dreigend wenkbrauwfronsen van den Jarl, volgde Witha hem met slependen
tred.

Plechtige orgeltonen waren tot haar doorgedrongen uit de kleine kerk op
den Hohorst. Vredeademend, rust schenkend ruischten zij haar nog in de
ooren. Thans werden die klanken verdrongen door woorden, vernederend en
hard, het was of de wanden der holle hal die snerpende verwijten
weerkaatsten met wreeden nadruk.

En ijskoud voegde vrouw Sigrid toe aan den woordenvloed van den Jarl:
„De vrouwen uit ons huis waren steeds de eer van ons geslacht, gij
echter zijt zijn schande.”

Verward, verschrikt sloeg Swanwitha de oogen neer. Voor zij een antwoord
vond vervolgde de Jarl: „Gij verdient niet langer den naam te dragen der
fiere schildmaagd, Swanwitha! Bezoedeld zijn uw blanke vleugelen voor
altijd.”

Een gevoel van wanhoop en bitterheid overstelpte haar.

„O, houd op! Zeg dàt niet! Het was alleen”....

„Om mij te honen, te tergen, niet waar? ’t Zal u daarom niet zeer
aangenaam aandoen te vernemen, dat uw fraaie plannen zijn verijdeld. Wat
meer zegt: Unruoch voor wien gij uw naam hebt bevlekt zal boeten met
zijn dood, gij met uw leven.”

Zij wrong de handen:

„O, genade, genade voor -- hem!”

Donker en dreigend werd de stekende blik van vrouw Sigrid; zij gaf haar
man een wenk. Deze knikte toestemmend. „Waanzinnig kind, volg mij,”
beval zij. Zwijgend gehoorzaamde Swanwitha. Alleen haar gejaagde
ademhaling bewees de spanning, waarin zij verkeerde.

Maar het witte kleed met wijde, loshangende mouwen, de gouden gordelband
en de kroon van maagdenpalm, waarvan een fijne sluier afgolfde, die zij
gereed zag liggen in het vertrek harer grootmoeder, deed die ademhaling
bijna geheel ophouden. Zij wist, wie zulk een gewaad droeg, wist wat het
beteekende toen, op een kort bevel der strenge gebiedster, een lijfmaagd
haar dit kleed over de schouders wierp.

„Grootmoeder.... Wat!”....

Vrouw Sigrid hief de hand op, bevelend. „Gij hebt het recht mij met dien
naam te noemen verbeurd. Wacht af of ik u ooit die eer weer waardig
keur.”

Hooghartig, ijskoud klonk het. Zeer stil werd het in het vertrek, maar
buiten dreunden hamerslagen; flauw drong de nagalm door de zware muren.
Er werd een nieuwe galg opgericht, in den zonneschijn van den lachenden,
klaren dag en daarop zou door een enkelen ruk van het roode beulenkoord
worden afgesneden een jong, krachtvol leven. Witha’s gelaat werd even
wit als de sluier, die haar omgolfde. Onderzoekend zagen de koele oogen
van vrouw Sigrid haar aan.

„Dat” -- zij wees naar buiten -- „kondigt het einde aan van den
deelgenoot uwer schuld. Zoudt gij hem echter redden als het in uw macht
stond?”

Swanwitha’s blikken spraken, haar bevende lippen zwegen, zij kònden de
beslissing niet uiten over leven en dood.

„Hij zal vrij heengaan, als gij er in toestemt nog heden de bruid te
worden van Olaf Erikson,” hernam vrouw Sigrid even stroef.

Swanwitha opende de oogen wijd.

„Dat kan ik niet, nooit!”

„Het moet!” Scherp als een ijsvlaag sneed de koude stem. Witha richtte
zich op, hoog; krampachtig trokken haar handen.

„Vraag dat niet! Dàt kan niet!”.... Zielsangst brak haar woorden, bijna
onverstaanbaar stierven de laatste klanken weg. En weer rustte de koude,
stekende blik op haar, die haar denkkracht verwarde, haar wil verlamde.
„Gij hebt geen wil, onmondig kind. Rolfr Jarl heeft bevolen en gij
gehoorzaamt.”

„Liever sterf ik!”

Vrouw Sigrid zweeg eenige oogenblikken, toen hernam zij, en haar toon
duldde geen verzet, -- zij wist, dat zij nu haar laatste middel
aangreep:

„Eer Unruoch zijn vonnis ontvangt aan den Noorderboom, zal hij worden
gegeeseld met taaie roeden. Volgens den uitdrukkelijken last van Rolfr
Jarl, zoo zwaar beleedigd door hem, zoo diep gekrenkt door u, zal het
voor hem gelden „huid en haar.”

Een kreet van ontzetting wrong zich door Swanwitha’s keel. Glasachtig
werd de blik harer oogen. O, dat wreede, wreede vonnis....

Erger was het dan de dood! Zij kromp ineen als hoorde zij reeds de
zwiepende slagen, als troffen zij haar zelve.... Zoo menigeen stierf
onder die strafoefening, een der wreedste van haar wreeden tijd. Rood
wolkte het voor haar oogen. Zag zij Unruochs bloed reeds vloeien, deed
dit haar ineenzinken met een kreunende klacht?

En terwijl zij neerlag als wezenloos, half verdoofd, siste het in haar
ooren:

„Liefhebben kunt gij hem, maar uw eigen wenschen opofferen om zijn leven
te redden -- dát kunt gij niet. Uw liefde is zelfzucht. Een zwak,
verachtelijk wezen zijt gij.”

Swanwitha steunde van angst. Nu werd het doodsoordeel over haar
uitgesproken, over wat in waarheid léven mocht heeten in haar bestaan.
Want hoe zou Unruoch haar beoordeelen als hij haar de bruid wist van een
ander? En het eenige middel om hem te redden was het -- haar vonnis. Zij
aanvaardde het moedig en zelfvergeten. Er wàs geen andere uitweg. „Zeg
hem nooit wat hem de vrijheid hergaf en ik ben bereid mij te voegen naar
uw wil,” sprak zij nauw hoorbaar. Vrouw Sigrid knikte welvoldaan, een
lijfmaagd werd door haar naar den Jarl gezonden, met een kort bericht.
Het meisje haastte zich heen, maar een rilling liep door haar leden,
toen zij haar jonge meesteres zag in het gewaad der bruid.

Vrouw Sigrid was onverschrokken als geen van haar geslacht. Haar hand
drilde de jachtspriet even vaardig als de meest geoefende jager. Zij
kende vrees noch mededoogen, doch eens hadden beide haar getroffen. Het
was op een jacht waar het gold „haar met haar.” Een door haar pijlschot
getroffen ree wilde zij den genadestoot geven. De honden hingen reeds
aan den hals van het gemartelde dier. En toen zag dit haar aan met een
blik in de stervende oogen, die haar deed terugwijken, verschrikt,
ontroerd.

Thans zag zij dien blik ten tweeden male -- in de oogen harer
kleindochter. Zij sprak geen enkel woord, doch ging haar voor naar de
hal, maar afgewend bleef haar gelaat.

En in de hal waren toebereidselen gemaakt voor een feest. Daar was met
versche biezen de vloer bestrooid, -- onfeilbaar middel om de nadering
af te weren van booze geesten -- daar waren de pilaren omvlochten met
frisch eikenloof. Zilver snarenspel ruischte. Naast Harald, den grijzen
Skald van Olaf Erikson, had een rij van jonge knapen in gefriesde
lijfrokken en roode hozen, zich opgesteld. Begeleid door de zachte,
zilveren tonen hunner driehoekige harpen, hieven zij bij de nadering van
Swanwitha het eeuwenoude Noorsche bruidslied aan:

    „Hef thans den hamer
    Ter wijding der bruid
    En leg den Miölnir
    De maagd in den schoot,
    Men volbreng de gebruiken,
    Deze bruid zij de mijne”....

Het klonk Witha in de ooren alsof melodieën aanzwollen uit de wijde
verte, uit een droomenland. Het was alles zoo vreemd. Het kón immers
geen werkelijkheid zijn, geen voelbare, tastbare werkelijkheid. Zij zag
haar grootvader, recht en kloek, ondanks zijn jarental geheel
gepantserd, van zijn glinsterenden helm tot zijn rinkelenden
harnasschoen, in het midden der hal. Zijn dienstmannen omringden hem,
maar naast hem stond de vreemde Viking, rank en fier met een vurigen
blik in de groote oogen, die zich hechtten aan haar bleek gelaat. Hem
zou zij toebehooren en op haar lippen zweefde nog het woord van trouw
gegeven aan een ander!

In een warreling van gedachten legde zij de weinige schreden af, die
haar brachten voor Rolfr Jarl en het was haar of die korte oogenblikken
den duur van jaren bezaten. Toen leerde zij, dat niet de tijd het leven
vormt, maar zijn ervaringen.

Maar de vaste stem van hem, die het recht bezat, te beslissen over haar
leven en lot, sprak luide:

„Swanwitha, mijn kleindochter en erfgename, ik stel u voor een mijner
waardste schildgenooten in menigen harden strijd, Olaf Erikson.

Houd hem hoog: hij zal weldra zijn uw heil en uw heer, op den dag
wanneer zijn ontbloot zwaard u wordt voorgedragen en gij zult worden
begroet als zijn vrouw op den drempel zijner hal. Tot die ure aanbreekt,
verloof ik u thans aan hem als zijn wettige bruid.”

Een smalle gouden ring werd haar, op een wenk van den Jarl, aan den
vinger geschoven, door een hand, krachtig en gespierd, die thans echter
beefde. Met een gevoel van afgrijzen zag zij op tot hem, die nu haar
bruidegom heette -- de onbekende jonge Viking. Zijn maliënpantser
glinsterde als zilver. Geheel zijn wezen ademde eenvoud en goedheid. Het
was een schier bedroefde blik, dien zij van hem afwendde want hij zag
haar aan glanzend van gouden geluk, hopend....

Zij wilde spreken, zij kòn, zij mocht het niet: aan haar zwijgen hing
immers Unruochs leven of dood? O, wat zou hem dit leven zijn, zonder
haar? En toen herinnerde zij zich hoe haar moeder eens had gezegd:

„De christenen leven niet alleen voor deze aarde. Hun leuze luidt:
Excelsior! Worden ook zieleleed en smart hun niet bespaard, zij dragen
geduldig wat God hun bereidt, wetend, dat Hij alleen weet wat zij
behoeven en alle dingen doet medewerken ten goede.”

Op deze wijze veranderde iedere smart in zegen, en háár boog het leed
neer tot verpletterens toe. O, welk een groote kloof bestond er tusschen
Unruochs geloof en denkbeelden en de hare! Misschien was het wel goed
voor hem, ja, voor hèm, dat zij werden gescheiden. Hij zou een rijk
arbeidsveld vinden en haar vergeten, en zij....

Maar luid, met jubelenden koperklank schetterden horens en pauken, hoog
en hooger zwollen zang en lied, terwijl zij rondging door de hal,
getooid met de bruidskroon van maagdenpalm, aan haar vinger den gouden
ring, het bewijs, dat zij was verkocht aan hem, die haar nu voortleidde
aan zijn hand, gelijk hij dit zou doen door ’t leven.

Haar heer.... Onder zijn zwaard zou zij doorgaan en dan zou hij meester
wezen over haar leven of dood, hij zou haar opnieuw kunnen verkoopen....
Met moeite bedwong zij een snik. De leer der christenen gebood liefde en
trouw tusschen echtgenooten; bij de heidenen echter bestond de
verhouding van meester en slavin!.... Bittere, vernederende gedachte --
niet geheel bitterheid meer: Unruoch was gered, wat deed het er dan
verder toe. Te midden van den nacht die haar omgaf, de nacht harer
toekomst, werd het voor hem licht....

En ook om haar heen was het licht, gelijk schijn en wezen menigmaal zijn
vereenigd in het leven. Weer verhieven zich lied en snarenspel; over een
schaar van luidruchtige dischgenooten wierpen de flikkerende toortsen
hun wemelenden gloed. Swanwitha zag zich nu het middenpunt van ieders
aandacht; op het verhoogde gedeelte der zaal, waar de zilveren schotels
werden geplaatst voor den burchtheer, zat zij naast den onbekende, die
zou zijn „haar heil en haar heer”....

De kleine halfronde vensters waren geopend. Donker welfde zich de
avondhemel over het land, slechts enkele sterren flikkerden met gouden
tintelglans. Donker stonden de hooge dennen, hun takken bewogen zich
niet, alleen aan hun voet, daar waar de Eem een stroomlandschap vormde,
was het licht. Een witte, blinkende weg scheen het water, een weg, die
rechtstreeks voerde naar den Hohorst, waar ook het licht heerschte, ’s
levens licht van liefde en medegevoel voor anderer leed. O, waarom kwam
bisschop Ansfried niet, zooals hij had beloofd; nog was Unruoch niet
vrij gelaten....

„Mijn bruid” -- een stem met een lichte trilling in haar toon bracht
haar terug tot de werkelijkheid. „Hoezeer hoop ik, dat gij nooit met
droefheid terug zult denken aan dezen dag. Rolfr Jarl had mij u
toegezegd, maar ik wist niet, hoeveel mij werd geschonken, eer ik u
zag. Het is mij als ken ik u sinds lang, heel lang. Ben ik u een
vreemde?”

Ernstig zag zij hem aan.

„Verspil geen onnoodige woorden. Het was noodzaak: mijn grootvader heeft
u noodig voor plannen die ik niet geheel begrijp, maar wel vrees. Ik
gehoorzaamde zijn wil om”....

Hij zag haar aan verwonderd en verschrikt, zacht hernam hij:

„Ik hoop, dat gij eenmaal anders zult denken over dezen dag, later,
weldra, als ’t kan. Gij hebt gelijk, ik eisch te veel, maar geduldig zal
ik wachten tot gij mij vrijwillig geeft, wat gij mij nu niet kunt
schenken.”

Zij kon niet antwoorden -- het gaf haar een gevoel van verlichting --
want scherts en lach verstomden eensklaps. Met den hoogen, zilveren
drinkhoorn in de vuist was de gastheer opgerezen van zijn zetel.
Dringend tot in de verste hoeken, door de wanden hol weerkaatst, klonk
zijn stem:

„Ik groet u, vrienden en schildgenooten, van ver en nabij! Welkom in
mijn hal! Dappere gezellen van den bruidegom mijner kleindochter, weest
heil! Dank, dat gij hem verzelt op zijn bruidsvaart, die moge worden
besloten door een zegetocht, Thor ter eere, Odin tot onvergankelijk
heil! Gij weet het allen: wij staan op een keerpunt. Laat alzoo niet
onze woorden groot zijn, doch onze daden. Vermolmd liggen de heilige
tempels, vergruisd zijn de beelden der goden, de gewijde bronnen
verdroogd. Laat het niet wezen voor immer. Wijdt den Alvader uw leven,
de macht van uw zwaard, sticht hem een nieuw rijk en heerlijk zal hij u
eenmaal uw daden van kracht en moed vergelden in de eeuwige woonplaats
van goden en helden. Hier pleng ik den hoogen hoorn; hoort mijn gelofte:
Strijd zal het zijn, strijd en zege, Odin ter eere, zijn volk tot heil!
Zege na strijd!”

Oorverdoovende jubel gaf hem het antwoord. Het gelaat van den Jarl
gloeide. Zou hij bereiken eer de avond van zijn leven daalde, waarvoor
hij had gewerkt en gestreefd gedurende heel den tijd zijner mannelijke
kracht?

    „De hooge held,
    Hij waagt en wint
    Of strijdt en sterft.
    Hoog in ’t harnas,
    Heft hij den heirbijl.
    De vijanden vlieden,
    De zege ziet hij:
    Hem wuiven Walküren
    In ’t weeldrig Walhalla
    Het welkom toe
    Aan Alvaders maal”....

De grijze Skald was opgesprongen bij de woorden -- een oproep ten
strijde gelijk -- van zijn heer. Nu stond hij rechtop in ’t midden der
hal, zijn oogen gloeiden, zijn hand greep in de snaren. Vol en krachtig
hief zijn stem den ouden krijgszang aan van zijn woest, onverschrokken
volk. Sneller joegen de polsen, hooger kleurden zich de wangen,
kletterend werden de zwaarden getrokken, vonken schenen zij te
schieten, het was of kleine vlammen dreigend zweefden boven hun
spitsen.

    „Juichend valt hij
    Voor zijn volk.
    De hooge held!....
    ’t Zij strijd of zege!”

Donderend dreunde de fiere strijdkreet van het volk, dat lafhartigheid
schuwde als de grootste schande, sneuvelen in den slag hield voor de
hoogste eer.

Bloed en rouw, verdeeldheid en jammer riep hij op, die wilde krijgszang.
Doch wie dacht aan de ellende van den krijg: zij zagen de zege!...

„Mijn bruid, ik sticht u een koninkrijk!” Bedwelmd door zijn hartstocht,
haar woorden vergetend, bracht Olaf Swanwitha’s hand aan zijn lippen,
zijn oogen zochten opnieuw de hare. Hij ontmoette een blik vol
smeekenden angst.

„Vergeet gij dan geheel, hoe de zegevierende schildmaagden waden door
het bloed hunner slachtoffers? Dit volk heeft reeds zooveel geleden door
het geweld van het uwe. Sinds meer dan anderhalve eeuw is dit land een
woestenij. Thans beginnen de bewoners een weinig tot rust te komen. Er
wordt weer geploegd en gezaaid, herstelde hoeven verrijzen naast de
puinhopen der verbrande woningen, waarom wilt gij nieuwe rampen voegen
bij de oude wonden, die nog bloeden en schrijnen?”

Verwonderd zag hij haar aan. Hij was zelfzuchtig noch ongevoelig, maar
hij was een zoon van zijn volk. Stoute, jonge aanvoerder, gold
zwaardgekletter hem het meest, was een gevecht op leven en dood hem een
opwekkend spel. Doch ditmaal mengde zich een hooger denkbeeld tusschen
zijn plannen voor den komenden strijd. Het zweefde boven de gestrekte
speren, boven de dreigend opgeheven strijdaxten; hij ging de zegepraal
bevechten van een ideaal -- van het zijne. Want hij had hem lief, den
godsdienst uit het Noorden; hij vereerde Odin in zijn diepe wijsheid,
Thor, in zijn ongebreidelde kracht, Balder in zijn liefelijke zangen,
zijn daden edel en goed.

Voor hem waren de sagen en legenden, bijeenverzameld in de Edda,
voelbare, tastbare realiteit. Zij waren hem dierbaar de oude goden van
zijn volk, zijn ziel brandde in hem als hij hoorde en zag hoe ook de
zonen van ’t Noorden zich bogen voor de dienaren van het Evangelie, die
hun een nieuwen godsdienst predikten, het Christendom, dat eischte:
„Vergeeft uw broeder zeventigmaal zeven maal.... Wie het zwaard trekt
zal door het zwaard vergaan”....

Met een gevoel als hem overweldigt wiens ziel jarenlang werd verteerd in
vruchtelooze plannen en droomen, wanneer hij die vage wenschen
plotseling de vormen der werkelijkheid ziet aannemen, was hij deelgenoot
geworden der toekomstverwachtingen van Rolfr Jarl, hoewel soms de
gedachte hem huiveren deed, dat opnieuw bloed zou vloeien, veel bloed.
Een gedachte, die hij steeds even ras weer trachtte te verwerpen als
onwaardig en flauwhartig. En thans, nu de verwezenlijking dezer plannen
niet meer onmogelijk scheen, vroeg hem de eerste vrouw, die hij had
aangezien met de oogen van een man, vroeg hem zijn jonge bruid: „Hebt
gij ooit een stroom zien terugkeeren tot zijn oorsprong, ooit een
frisschen dronk geput uit een verdroogde wel? Wat verwacht gij dan?
Nooit werd op aarde wat is geweest. De harten zijn koud geworden voor
Odins leer, dien het volk in dit land vereerde onder den naam van Wodan.
Bijna allen zijn christenen. Zij hebben zoo zwaar geleden door de Denen,
die hem aanhangen. Eerst verfoeide het de Evangeliepredikers, later,
toen zij vrienden en verwanten zagen vallen door het zwaard van „Odins
zonen”, werd ook hier het martelaarsbloed de regen, die den akker van
het christendom vruchtbaar maakte.”

Het verbaasde Swanwitha zelf, dat zij zoo sprak. Het waren woorden, die
zij vroeger had gehoord, lang, lang geleden, vergeten sinds. Waarom
drongen de herinneringen aan haar kindsheid, met al de kleine voorvallen
uit dien tijd, zich in de laatste dagen opnieuw aan haar op, als met
verdubbelde kracht? Waarom? Zij had toch geknield voor Freya’s beeld,
naast haar grootmoeder, zoolang deze gezag over haar had. Waarom
dan?....

Doch zij voelde Olafs blik nog meer verschrikt dan verrast op haar
gelaat rusten. Zijn stem klonk: „Het doet mij zeer leed, dat gij zoo
denkt, onze wenschen en gevoelens komen weinig overeen. Ik hoop evenwel,
dat gij spoedig de mijne zult deelen. Als gij mijn vrouw zijt is dat uw
plicht, mijn recht het te verwachten. „De wil van den man is de wet der
vrouw,” zoo eischt het de Edda.”

Swanwitha huiverde, wanhoop sloop haar hart binnen. Haar blik rustte op
de breede, gouden armringen, die haar polsen omsloten. Het verbaasde
haar bijna, dat zij niet in boeien veranderden. Dwang naar lichaam en
naar ziel. Zij zweeg, zij moest: het gold Unruochs leven.

Een ruwe stem drong tot haar door, zij behoorde aan Sven Persen, een der
trouwste deelgenooten van Rolfr Jarls zwerftochten en een zijner
wreedste gezellen. Hij haatte iederen christen en had gehoord, wie in
vrijheid zou worden gesteld. Nu trad hij naar het bruidspaar.

„Reeds eer de oorlog ontvlamt is er kans, dat gij een anderen brand
ziet, edele Jarl! Wie beslist hoe spoedig het dak van den Ravenhorst zal
knappen en in vlammen opgaan boven uw hoofd? Men zegt, dat bisschop
Ansfried de opmerkzaamheid niet ongevallig was, die zijn pleegzoon der
edele Swanwitha schonk. En thans.... Wees heil, schoon bruidspaar!”

Hoffelijk hief hij den beker op en zijn oogen glinsterden als de dolk --
die het hart van een vijand zoekt. Hij kende den steeds gereeden argwaan
van Rolfr Jarl, wist hoe dien te wekken. Ook ditmaal bleek zijn
berekening juist.

„Wees gerust, Sven!” lachte hij honend. „Wij hebben hier een goeden
gijzelaar tegen die wraak. Als hij op den Ravenhorst een vuur ontsteekt,
zullen wij hem het gebraad leveren, door het lichaam van zijn geliefden
pleegzoon.”

„Heil onzen dapperen Jarl! Ik drink dezen hoorn op de vervulling van
zijn belofte!” barstte, onder schaterenden bijval Sven los.

Vrouw Sigrid wendde haast onmerkbaar het hoofd naar zijn zijde.

„Ga voort! Een enkel woord ter rechter tijd is meer waard dan een
redevoering.”

Hij bewoog veelbeteekenend de oogleden en weer klonk zijn harde lach:

„’t Is beter den eersten slag toe te brengen dan hem af te wachten, mijn
Jarl. Gij hebt Unruoch in uw macht, waarom stelt gij hem niet ten
voorbeeld aan uw tegenstanders? Dat brengt er den schrik in.”

„En de speerknechten en boogschutters van bisschop Ansfried voor den
Ravenhorst. Hij houdt ze in goede tucht en de sterkten, die hij bouwt om
het Sticht te beveiligen tegen de invallen der Denen, -- ha, ha! --
vermeerderen met ieder jaar.”

„Men beweert zelfs, dat ook op den Hohorst een wachttoren zal worden
opgericht, stellig om den Ravenhorst te beheerschen. De Hohorst ligt
hooger en is onbereikbaar door de drabbige Eem en het moeras aan den
anderen kant.”

Rolfr Jarl stiet een verwensching uit. Zijn oogen flikkerden dreigend.
Angstig kwam Swanwitha naderbij.

„Zeggen is gemakkelijker dan doen,” hitste hem nu de stem op van vrouw
Sigrid.

„Een lafaard brengt het soms verder dan een held. Terg daarom den
bisschop niet. Hij is de heer van den ganschen omtrek hier. Gij niet.
Bloedig zou hij zich wreken, vooral nu keizer Otto hem heeft beleend
met de bezittingen van graaf Walger.”

„Ik zal er hem gelegenheid voor geven!” schreeuwde de Jarl, rood van
drift. Zijn vuist beukte de tafel, kannen en bekers vielen om.

„Ik zal toonen, dat ik evenmin een lafaard ben, als vergelding vrees.
Peer en Lars” -- tot twee speerknechten; zij hielden de wacht bij de
deur -- „brengt den gevangene hier en zorgt, dat er op het lage hof een
vuur wordt aangelegd.”

„Grootvader, heer grootvader! Heb mededoogen, denk aan uw belofte! Wees
rechtvaardig, als gij zelf rechtvaardigheid van Odin verwacht!”

Met saamgeklemde handen en van angst vertrokken mond stond Swanwitha
voor hem, ook Olaf zag hem aan verbaasd, niet begrijpend.

„Ja, hem zal ik laten boeten voor de kuiperijen van dien graaf van
Teisterbant!” Dreigend klonk opnieuw de stem van Rolfr Jarl, toen hij
zich tot Olaf wendde.

„De Hohorst was met de omliggende heide, moeras en het eiland, dat wordt
gevormd door de Eem, opnieuw vervallen aan het rijk, door den dood van
zijn bezitter, die zonder erfgenamen stierf.

Beiden -- Ansfried de christen en ik, de Noorman, verzochten het land in
leen van den keizer en heer Otto schonk het den bisschop. Thans sticht
die er een kerk met een klooster, waaruit hij zijn leer wil laten
verspreiden door zijn zendelingen, hier, in dezen verwilderden uithoek,
gelijk hij mijn bezittingen durft noemen.

Voorwaar hij heeft den eersten slag toegebracht, niet ik. Ik oefen
slechts vergelding als ik mij wreek!”

Een ijskoude glimlach speelde om zijn lippen. „Ik begin een grooten
strijd, maar ik zal zegevieren,” spraken zij overmoedig.

Zou hij dat waarlijk? Hij streed in eigen kracht, voor eigen,
zelfzuchtige plannen.

Maar nu werd een jonge man binnengevoerd, wien boeien de polsen
omsloten, doch die het hoofd hield opgeheven. Kleurloos echter werd zijn
gelaat toen hij Swanwitha zag, getooid met den krans van maagdenpalm,
aan de zijde van een vreemde.

Vrouw Sigrid bemerkte het, zij wenkte haar kleindochter.

„Volg mij naar het vrouwenvertrek. Als de mannen recht spreken behooren
de vrouwen zich te verwijderen.”

„Recht?” Vol afschuw werd dit woord herhaald. Toen klonk het vast:

„Ik blijf.” En met een zonderlingen nadruk: „Het is heden mijn
verlovingsfeest.”

Vrouw Sigrid kende dien toon, zij had hem nog eens gehoord, lang te
voren. Zij drong niet verder aan. Met saamgeperste lippen in het strak
gelaat liet zij haar oogen door de hal glijden. Rolfr Jarl wendde zich
tot den gevangene, op wien hij neerzag onvermurwbaar, hard. Recht noch
plicht zouden invloed op hem bezitten, om het vonnis, dat hij ging
uitspreken, te verzachten.

„Gij zult alles ontkennen waarvan gij wordt beschuldigd, dat verwacht
ik niet anders,” ving hij aan.

Unruoch had zich hersteld. Onverschrokken, zich zijn goed recht bewust,
stond hij voor den geduchten Jarl.

„Wie zonder oorzaak gevangen werd gehouden, kan ook zonder reden worden
veroordeeld.”

Bedaard klonk zijn antwoord, met over de borst gekruiste armen richtte
hij den blik vast op zijn aanklager.

„Gij hebt mij eerst naar ’t leven gestaan en toen gij dit moest boeten
in den kerker, beproefd mijn kleindochter te onttrekken aan mijn gezag.
Ontken, dat gij haar hebt willen overhalen met u te vluchten. Gij zijt
gevonden in het vrouwenvertrek.”

De leugen was hier zoo behendig gekleed in ’t gewaad der waarheid, dat
Unruoch verward een oogenblik zweeg. Een rilling, die niets gemeen had
met de siddering der vrees, ging door zijn gansche gestalte.

„Ik heb gehandeld uit zelfverdediging, toen ik met u streed,” ving hij
aan. „Aanvaller was ik niet.” Toen zweeg hij.

Rolfr Jarl lachtte spottend. „Rein als versch gevallen sneeuw, ik heb
het reeds voorspeld. Blank en argeloos, in ieder opzicht. Welnu, ik
verheug mij met u, dat gij onschuldig wordt beticht. Onschuld is immers
een harnas waarop alle pijlen afstuiten.”

Met geweld bedwong Unruoch zich. Meedeelen wie hem zijn vlucht mogelijk
had gemaakt, zou Swanwitha bloot stellen aan iedere verdenking. Hij
zweeg. Uit de aanklacht van den Jarl begreep hij, dat deze hem wilde
veroordeelen.

„Waarom zal ik mij verzetten tegen een vonnis, dat reeds is geveld? Doe
wat u goeddunkt,” sprak hij kalm. Hij zou haar, die hem haar trouw
beloofde, om die te schenken aan een ander, geen wond toebrengen, dieper
dan het vlijmendste zwaard kon slaan.

Opmerkzaam had Olaf ieder zijner bewegingen gevolgd. Nu trad hij toe op
den Jarl.

„Ik houd hem niet zoo schuldig als hij schijnt. Zou het niet beter zijn
deze ondervraging op te schorten? ’t Is heden feest.”

Geërgerd zag Rolfr hem aan:

„Gij hebt gelijk. Ik zal een betere ondervraging aanwenden.”

Hij wendde zich tot de beide speerknechten, Unruochs wachters.

„Brengt hem naar den beul, laat hem folteren.”

Een driedubbele uitroep weerklonk.

Met een blik, gloeiend van verontwaardiging strekte Unruoch de hand uit:

„Meent gij mij tot een misdadiger te kunnen maken door mij als een
misdadiger te behandelen? Wees voorzichtig: uw vonnis zal op u zelven
terugvallen. Gij kunt mij martelen, dooden zelfs, maar een vonnis door
haat geveld, onteert niet.”

Bevend van toorn en verachting rustte zijn blik op Rolfr Jarl, iedere
ader op zijn voorhoofd was gezwollen, vlammend rood en doodelijk bleek
wisselden af op zijn trekken. Rolfr balde de vuist in stilte.

„De foltering zal uw tong minder los maken,” beet hij hem toe.

„Maar ik zal haar eerder afbijten dan een schuld bekennen, die ik niet
beging. Gij hebt mij naar ’t leven gestaan, mij zonder een schijn van
recht geworpen in uw kerker, gij moest hier staan op mijn plaats als
beschuldigde en indien er dan een veroordeeling werd uitgesproken, zou
het een rechtvaardig vonnis zijn.”

Slechts een enkele kreet van woede uitte Rolfr, een kreet snijdend als
een mes. Toen hief hij de hand op:

„Naar de pijnbank met hem.”

Maar Swanwitha’s gloeiende vingers omklemden zijn bevelend uitgestrekte
hand.

„Heb medelijden, wees rechtvaardig, laat hem vrij of ik beken zelf een
schuld, die ik nooit beging.”

Hij stiet haar van zich, hij schopte haar met den voet.

„Uit mijn oogen of ’k laat u van den omloop van den toren werpen.”

Overredend, ernstig klonk de stem van Olaf aan zijn andere zijde:

„Gij kunt hem breken, buigen niet: hij bezit de kracht van het recht.
Laat hem vrij.”

Rolfr Jarl werd wit van drift.

„In uw eigen belang geef ik u thans den raad: matig u! Nog zijt gij hier
geen heer en meester. Als gij u tegen mijn wil verzet, wordt gij dit
nooit.”

Olaf haalde de schouders op met een gebaar van minachting, dat Rolfr
bijna razend maakte.

„Ik zal nooit op bevel goedkeuren wat slecht is en laag.”

Vrouw Sigrid trad naar voren.

„Wat beduidt al dat geredetwist? Alleen het feit, dat die knaap onze
goden vervolgt, maakt hem reeds des doods schuldig. Behoort hij niet tot
de ridders van den bisschop, was hij niet meer dan eens -- dat weet gij
allen -- de aanvoerder der soudenieren, die werden uitgezonden om „de
overblijfselen van het heidendom uit te roeien”, naar het woord luidt
der christenpredikers, als zij soms, in een verborgen schuilhoek van het
woud, nog enkele landbewoners, die den goden getrouw bleven, geknield
vinden bij een gewijde, in de schaduw van den heiligen esch murmelende
bron?”

Het opzweepend woord viel in goeden grond:

„Hij moge het eerste voorbeeld zijn, voor al de christenen, die hem
zullen volgen in den dood! Weg met de aanbidders van den bleeken
Gekruiste! Zij varen naar Hel!”

In wilden roes herhaalde Olafs gevolg, met de Denen, die in dienst
stonden van Rolfr Jarl, deze wilde wraakgelofte. Sterk gevoelden zij
zich door hun aantal en de Vikingervloot naderde de kust.

„Ter dood met de christenen! Weg met bisschop Ansfried!”

Het wreede woord vond een holle echo in de muren der hal, de zwaarden
kletterden tegen de schilden, de speren werden geschud. Plotseling
verstomde het oorverdoovend geraas, dat Swanwitha ijskoud worden, vrouw
Sigrid welgevallig glimlachen deed. De deur was niet achter Unruoch
gesloten, thans ging zij geheel open, niemand der aanwezigen sloeg er
te midden der wilde opwinding acht op, eer zij den man zagen, die zijn
naam hoorde uitstooten in doodelijken haat, die in den kring trad zijner
vijanden, kalm als de rots te midden der schuimende zee.

Was het geen waan, geen zinsbegoocheling; stond hij daar inderdaad, van
wiens wijsheid en macht over de harten wonderdadige verhalen de rondte
deden, dien enkele tientallen vreesden maar honderden vereerden en
liefhadden? Zilveren lokken golfden hem over de schouders in weligen
overvloed, zijn oogen gleden door de hal en bleven toen rusten op den
heer van den Ravenhorst, die de zijne afwendde bij dien ernstig
waarschuwenden blik.

„Het is goed, dat ik thans hier ben gekomen, niet later. Ik dank mijn
God, die het juiste oogenblik voor mij koos.”

Rustig en waardig klonk de stem van den kerkvorst der christenen, als
een koraal, dat het bruisen overstemt der kokende branding. En ook hier
verstomde het oorverdoovend rumoer, onwillekeurig luisterden allen
zwijgend, toen hij voortging:

„Heden morgen klopte ik aan de poort van uw kasteel, Rolfr Jarl, ik
vroeg u te spreken.

„De Jarl heeft thans geen tijd. Hij jaagt met zijn gasten,” werd mij
geantwoord.

Ik keerde terug toen de middaggloed den zilveren ochtendnevel had
weggevaagd en verzocht om een onderhoud.

„De Jarl heeft heden geen tijd, hij viert het verlovingsfeest zijner
kleindochter,” luidde het wederwoord van den schildwacht. Ik wachtte
tot de avondschaduw zweefde boven de toppen der dennen, toen drong
opnieuw door het poortwinket mijn vraag:

„Leid mij tot uw heer.”

En als een donderslag klonk mij in de ooren:

„Wacht tot morgen, dan ziet gij hem bengelen aan den Noorderboom, over
wien de Jarl thans recht spreekt.”

Toen dacht ik aan Simson en hoe op zijn gebed voormalige reuzenkracht
hem werd hergeven. Ik bad als hij en het was of ook mij werd ingestort
duizendvoudige kracht. Mijn hand greep het winket der kleine zijpoort,
het slot week terug en toen het knarsend opensprong wist ik ook mijn
gebed verhoord.

Thans vraag ik echter u, Rolfr van den Ravenhorst, komt het u toe, een
onschuldige te vonnissen op deze wijze?”

„Redder uw eigen zaken, bisschop van Utrecht, en gun mij dezelfde
vrijheid.”

Schamper klonk het honend woord, waardig de weervraag:

„Wien dacht gij ’t meest te treffen, Unruoch of mij? Ik weet, dat gij
treffen kùnt.”

„Ondervind dat opnieuw.”

Rolfr hief zijn zwaard op tot een slag. Een blik vol verachting, afkeer
en ontsteltenis deed zijn arm weer zinken. Bisschop Ansfried had hem
niet met woorden gewaarschuwd, alleen met een blik, waarin
verontwaardiging beelden en schimmen opriep, ontzettende gebeurtenissen
hem terugvoerend naar het ver weleer.

Naar den tijd toen zij beiden jong waren en bloedsbroederschap dronken
aan het schitterend hof van keizer Otto den Groote....

Het was een dure, onverbrekelijke eed, dien zij aflegden en Rolfr schond
haar.

Dreef die wetenschap hem het bloed naar de slapen of bestond daar nog
een andere oorzaak?

Herinnerde hij zich een donkeren, stormachtigen nacht en las hij in den
blik van den grijzen kerkvoogd, dat hun gedachten elkaar ontmoetten, de
eene vol zieleleed, de andere vervuld van ’s levens grootste misdrijf:
de schuld?

„Mené, Mené Tekel Ufarsin!” De stem van den bisschop ging door merg en
been bij deze woorden en het was Rolfr of alle aanwezigen begrepen,
allen, allen.... Of begrepen zij alleen het zwijgend gebaar, waarmee de
spreker omhoog wees, omhóog en voelden zij de tegenstelling met het
tooneel, dat hen omgaf. Rolfr Jarl, die zijn kleindochter huwde door
dwang aan een onbekende, ter bereiking van eigen plannen, die haar,
getooid met de bruidskroon, dwong tegenwoordig te zijn bij het
doodvonnis, dat hij uitsprak over hem, dien zij lief had....

Neen, nog een ander gevoel sprak uit de bleeke, ernstige trekken van den
man, die voor hen stond, niet in het statig gewaad, dat het hoofd der
christenkerk voegde in zijn land, maar in het eenvoudige, zwarte
ordekleed, dat hem niet onderscheidde van den minste der broeders, die
als hij, in dienende liefde hun liefde wilden toonen voor den Heer.
Niet den kromstaf hield hij opgeheven als wilde hij hen, die iederen
hoogeren band verachtten, dwingen onder zijn gezag, maar zijn hand wees
omhoog, en zijn mond sprak de woorden, die zij eenmaal zouden hooren van
hun Eeuwigen rechter, indien zij niet de boeien braken, die hen
kluisterden aan wat vergankelijk was als hun vluchtig aardsch bestaan.

Zoo machtig was de uitdrukking van bisschop Ansfrieds door veel leed,
door veel gebed gewijde trekken, dat zelfs het minste gerucht zweeg.
Doodelijke stilte bleef heerschen in de hal, waar slechts enkele
oogenblikken vroeger de wanden dreunden van de instemming waarmee het
vonnis, over Unruoch uitgesproken, was herhaald.

Ook Rolfr Jarl stond met starende oogen, die in het verleden zagen,
wanneer zij rustten op den grijzen kerkvoogd, wiens tegenwoordigheid het
vernietigend oordeel was over zijn daden. Hij beproefde te spreken, hij
wilde zijn trots hernemen, en zijn bevelende houding; geen geluid drong
over zijn droge lippen: Want hij hoorde het loeien van den storm in den
donkeren nacht, lang, heel lang geleden. Hij hoorde het knetteren der
vlammen, die lekten naar de krakende balken van een hechten burcht, hij
vernam den gil vol doodsangst eener vrouw....

En te midden der stemmen uit het weleer, hoorde hij die van den bisschop
kalm doch beslist:

„Unruoch, volg mij. Niemand hier heeft het recht u te kerkeren of te
vonnissen.”

Een gebiedende wenk beval den speerknechten hem vrij te laten en zij
gehoorzaamden, bedwongen door zijn zedelijk overwicht. Een rauwe kreet
sneed door de ruimte als een mes.

„Vrij? Ik gelast u: grijpt beiden! Werpt ze in het verlies onder den
toren, den graaf van Teisterbant en zijn gunsteling!”

Wel dwaalde nog Rolfr’s geest in het verleden, terwijl hij voor het
heden zijn bevelen gaf. Een slag van zijn zwaard, dat hij nooit
ontgespte dreef de speerknechten voort.

„Grijpt ze!”

Een flauwe gil ontsnapte Swanwitha’s lippen, met oogen donker van angst
zag zij hoe het bevel werd gehoorzaamd.

„Doode honden bijten niet,” mompelde vrouw Sigrid. Zij wist hoe
verstikkend de lucht was in het onder de waterlijn gegraven verlies. Een
nieuwe opschudding ontstond, een kloeke gestalte wierp zich voor de
beide gevangenen, als wilde hij ze beschermen met eigen lijf. Met
bronzen klank dreunde de stem van Olaf:

„Ik eisch de vrijheid dezer beide mannen. Gebiedt niet Odin zelf:
„Eerbiedig den vreemdeling, die uw hal betreedt”? Is wat gij thans
oefent Noormannenrecht?”

„Olaf Erikson, gij oordeelt, waar gij niet begrijpt.”

„Ik begrijp, dat Odin zich zal wreken op u, die de wetten der vaderen,
het recht van den vreemdeling met dat der gastvrijheid schendt.”

Rolfr wilde een heftig antwoord geven, hij bedacht zich in tijds. Hij
kòn zich niet verzetten tegen Olaf, want zonder zijn bijstand vermocht
hij niets. Indien de vloot den steven wendde, waren al de kuiperijen van
zijn leven te niet gedaan. Het antwoord werd hem echter bespaard.

Plotseling verscheen opnieuw een onbekende in de hal. Wijd stiet hij de
breede deur open, zijn hand wees naar den donkeren hemel, waaraan alleen
de sterren een weinig licht gaven. „Wat spreekt gij van Odin, dat
wangedrocht uwer krankzinnige verbeelding? De overste der duivelen is
hij! Ziet hoe de Eeuwige u zal tuchtigen over uw verhardheid en
wangeloof! Aanschouwt Zijn vurige roede, hoog boven wolken en wind!
Knielt, buigt u voor Hem in het stof eer de ure der genade voorbij is!”

Allen herkenden broeder Johannes, een der jongste geestelijken van den
Hohorst. Zijn bleek, vermagerd gelaat gloeide van vervoering, zijn
ingezonken oogen staarden dwepend omhoog. Onwillekeurig volgde ieder
dien blik en de doodsverf der ontzetting gleed over het brons van menig
ruw gelaat, en veler hart hield bijna op te kloppen. In de looden
stilte, die thans rondsloop door de hal, ging de ademhaling zwaar der
feestgenooten, streed spanning met ontroering om den voorrang in hun
borst. Nameloos beangst voelden zich die licht ontvlambare, voor alles
wat onbegrijpelijk was ontvankelijke gemoederen.

„Heer, erbarm u onzer!” Broeder Johannes hief de armen op, als pleitend
om genade, en doffe, sidderende stemmen herhaalden zijn woorden met
radeloos, hijgend fluisteren. Het hoofd van menigen verharden krijger
boog zich in ootmoedig gebed; eer zij het zelf wisten knielden
boogschutter en speerknecht neer op de biezen, gestrooid tot afwering
der booze geesten. En zij herinnerden zich den tijd -- hoe ver af scheen
hij nu -- toen zij christenen waren, eer zij zich opnieuw wendden tot de
oude goden, op bevel van hun heer. Zou thans het oordeel over hen komen
van den God, Dien zij hadden verloochend en veracht? Strak werd hun blik
in het staren omhoog -- omhóog -- waar boven de donkere wolken fonkelde
het ontzettend teeken van den toorn der godheid, dat christen noch
heiden ooit aanschouwde zonder beklemmende vrees, zonder een angst, die
bij velen schier steeg tot waanzin. Zij zagen de dreigende ster met de
roede van vlammend licht, brandend, gloeiend als Gods heilige toorn. Het
was of allen zich de keel voelden toenijpen. Vage geruchten hadden reeds
lang de rondte gedaan, waren gegaan van mond tot mond, hier sidderend
aangehoord, dáar begroet met een ongeloovig schouderophalen. Geruchten
van verdelging en dood, van den ondergang der wereld, van het oordeel,
dat zou komen over het wilde, ruwe, elkander hatende, in elkanders bloed
plassende menschengeslacht.

Welk oordeel mocht dit met recht verwachten? Ging macht niet bijna bij
ieder boven recht? De aarde had éen groot slagveld geleken, zoover het
geheugen der levenden, de overleveringen uit vroegere eeuwen reikten,
zoover de schaarsche perkamentrollen of nog zeldzamer kronieken meldden,
geschreven door enkele stille denkers, die het tumult waren ontvlucht
der geweldige kampplaats, waarin de wereld scheen herschapen, voor de
stilte hunner eenzame denkerscel. Vorsten uit hetzelfde huis, zonen van
éen vader betwistten elkander de heerschappij; gedwongen of vrijwillig
streden de volken voor hun ware of vermeende rechten, geheele
landstreken vervullend met strijdgerucht en wapengekletter. Schonk een
weinig duurzame vrede verademing voor een korten tijd, dan traden
onderlinge veeten en geschillen in de plaats der groote veldslagen, dan
kwamen de Noormannen. Hun handen, hun stoutmoedige, dappere handen
dropen van het vergoten bloed, „goud en buit”, luidde hun eisch, waaraan
klem gaven de dreigend opgeheven zwaarden, de heirbijlen roodgekleurd --
door roestvlekken nooit.

Jammer en ellende, geweld en haat vervulden de wereld, zoolang reeds,
zoolang.... En thans zou zij worden verdelgd, zou de aarde weerkeeren
tot het niet, waaruit zij eenmaal werd geschapen. En de menschen -- hun
wachtte het oordeel over hun daden. Het oordeel!....

De nacht was donker, alleen de dreigende komeet fonkelde als het
vlammend lemmet des Heeren aan het hooge koepelgewelf der lucht, en
iedere andere ster verbleekte voor haar gloed.

Hol stak de nachtwind op, schril floot hij om den toren -- het klonk als
een noodkreet. Bij elke huilende vlaag ging een nieuwe schok door de
leden der aanwezigen; een vreemde ontroering overmeesterde zelfs Rolfr
Jarl.

Hij had nooit gehecht aan de bange toekomstvoorspellingen:

Het waren immers slechts christenpriesters uit verre, zuidelijke landen,
die boete en berouw predikten in de open lucht, die de straten vulden
met weegeroep en klaagzangen. Verachtelijk had hij meer dan eens
uitgeroepen: „Laat de christenen mijnentwege vergaan! Als Midzomer daar
is, zullen mijn dienstmannen, hun ros bij den teugel, den drinkhoorn
zwaaiend, springen over vuur en vlam. En de Skalden zullen in gloeienden
wedstrijd zangen aanheffen en liederen dichten ter eere van het
zonnevuurfeest van goden en helden”....

En thans vreesde hij, niet voor den dood, maar voor een plotseling
einde.

„Ik wil vallen als een held in het heetst van den slag, mijn goed zwaard
in de vuist. Dan voeren Walküren mij in Alvaders zaal; doch sterf ik den
stroodood zoo zink ik in Hel!”

Hij schudde zijn zwaard.

„Olaf, ga zelf, als snelle bode, de vloot tegemoet. Wijs haar den weg!
Het is tijd! Als wij moeten omkomen, laat het dan zijn naar heldenaard
en -wijs.”

Vergetend wie hem hooren kon had hij gesproken. Plotseling verstomde
hij.

Door het huilen van den wind drong een plechtige treurzang. Ontstoken
kaarsen wierpen een flauw schemerlicht. Op vertrokken aangezichten en
krampachtig gevouwen handen viel die ongewisse schijn. Hij gleed over
een lange rij van doodsbleeke menschen, mannen en vrouwen. Hun naakte
voeten sleepten zich met moeite voort; vele vrouwen hadden asch
gestrooid op haar ontwonden haren. Wankelend trok de stoet verder, de
sombere boetpsalm stierf weg in de donkere verte, maar door merg en been
drong nog eenmaal, door alle boetelingen eenstemmig aangeheven, de
sidderende klacht:

„Heer, erbarm u onzer! Neem weg uw gloeiend lemmet, getrokken tot
kastijding der wereld! Doe weg het teeken van Uw naderend oordeel: het
vurige zwaard. Heer, ontferm u! Zie onzen zielsangst en onzen nood!”

De stormwind joeg het grauwe wolkendak uiteen en door de ontstane
scheuren fonkelde opnieuw met onheilspellenden gloed het sterrenbeeld
buitengewoon stralend en helder als nooit te voren -- de vlammende
roede....

De menschen, die het zagen met oogen glasachtig in hun staren, klemden
zich met zenuwen gespannen tot het uiterste, versuft, rillend vast aan
elkaar. Waarde reeds de dood om hen heen? Vreesden zij reeds nu het
einde en -- het oordeel?

Het was bijna de geheele bevolking uit den omtrek, vrijen en hoorigen,
dooreengemengd zonder onderscheid, zich éen voelend in stijgenden angst
voor de vreeselijke ontknooping, die naderde, onverbiddelijk en snel.
Sommigen van hen waren christenen, Wodan vereerden anderen, de meesten
waren volkomen verwilderd door de ellende van den tijd. Zij hadden
alleen gedacht aan het heden, doch nu dit heden dreigde onder te gaan,
met de aarde waarvoor zij hadden geleefd, zochten zij naar een staf, die
hen ten steun was, waar alles om hen wankelde en zij klemden zich vast
aan het geloof, dat zij hadden veracht of vergeten.

Gevoerd door de evangeliepredikers uit het nederige kloostergebouw op
den Hohorst, trokken zij thans naar de kleine kerk, gesticht op de
plaats waar Rolfr Jarl nog slechts weinige maanden vroeger had geofferd
aan de voorvaderlijke goden. Nu was die plek het eigendom van den
bisschop der christenen -- tot zijn bedehuis vluchtten zij, met
wankelenden tred, met knieën knikkend van angst.

Het heftige bloed schoot Rolfr in het verweerde gelaat. Zou hij naast
zijn andere groote zwarigheden nog moeten kampen met een vijandige,
afvallige bevolking, waar hij had gerekend op haar hulp en steun? Ba!
het waren meest zijn hoorigen en de vrijen -- ook hen zou hij weten te
dwingen tot zijn wil.

Hij had nooit gehecht -- zonderling voor zijn tijd -- aan de
toevalligheden van het leven, thans echter begon hij die te duchten. Hij
zelf vreesde niet, maar het volk knielde en zong boetpsalmen....

De wind steeg tot een razenden storm. Wat klonk in zijn huilen? Wat?

„Laat de gevangenen vrij! Den bisschop en den jongen ridder voor wien
hij zijn leven waagde.... Om hem kwam hij hier. Hij vertrouwde het
heilige gastrecht!”....

Van verschillende zijden drong die bede, een eisch schier, tot hem
door. Klonk het in de dreigende stem van den loeienden storm? De
toortsen flikkerden, bijna uitgedoofd door den wind; zwiepend sloegen en
rammelden de luiken; het was of onzichtbare handen er aan rukten;
gordijnen waaiden fladderend breed uit; met angstigen schreeuw krasten
katuilen en uit de verte klonk flauw, nauw hoorbaar nog het klagend
„Miserere, Domine!”....

„Geef de gevangenen vrij! Laat hen gaan!”....

Nogmaals werd het gefluisterd, dringend, smeekend, doch nu wist hij, dat
het menschenstemmen waren, geen bevel werd hem gegeven op den adem van
den storm. Hij barstte uit in een snijdenden lach, alle beklemming van
zich schuddend.

„Lafaards zijt gij allen. Bang als kinderen voor een rukwind en een
staartster. Ik zal toonen, dat ik niet vrees. Sven en Jorgen, brengt de
gevangenen naar de folterkamer.”

„Geboren beul! Als gij niemand anders hadt, zoudt gij u zelven
folteren.”

Wie durfde dat mompelen? Wit van drift keerde hij zich om.

Maar, eer hij een bevel kon geven, dat een bevestiging zou zijn van het
verwijt, hem vol haat tegengeslingerd, hief Olaf de hand op,
waarschuwend.

„Rolfr Jarl! Thans geen geeseling met taaie roeden of een gloeiend
brandmerk op beide kaken! Het vonnis zou op u zelven terugvallen met het
brandmerk der schande, Rolfr Jarl! Ik vraag u nog eenmaal die mannen
vrij te laten heengaan uit uw hal. Is het Odin, die tot ons spreekt,
waarschuwend tot ons spreekt, door de vlammende roede hoog boven wolken
en wind; is het, als de christenen beweren, een teeken van hun God --
wie zal het beslissen? Wij dwalen in nevelen, donkerder dan die welke
bij nacht de aarde bedekken, zoekend, vragend weten wij, dat wij niets
weten. Wat is zien wij; maar wij weten niet wat geweest is, noch wat
komen zal”....

„Het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt en een bewijs
der zaken, die men niet ziet.”

Wat bracht Swanwitha die woorden terug in het hart, in dit oogenblik?
Had zij die eens gehoord met de zachte stem harer moeder? Wat bezaten de
christenen veel, dat haar ontbrak!

Olaf streek zich met de hand over de oogen. Het was of ook hij helder
wilde zien. Op zijn eigenaardige, bedaarde wijze vervolgde hij:

„Voor mij is die vurige ster een teeken van Alvaders macht en
heerlijkheid, niet van zijn toorn. Ik hoor zijn stem in het razen van
den storm, zie zijn kracht in den wil, die den eik ontworteld neerwerpt.
Indien hij daarom deze menschen” -- hij wees met een handbeweging de
gevangenen aan -- „wil tuchtigen voor hun afval, bezit hij daartoe niet
de macht? Zie het teeken van die macht, in gloeiend schrift boven de
wolken. Laat daarom de gevangenen vrij. Meng u niet in zijn raad: Odin
wreekt zich zelven!”

„Odin wreekt zich zelven!” Schuwe stemmen herhaalden het, dringend,
smeekend, vol nameloozen angst. Rolfr Jarl begreep, dat hij tot toegeven
zou worden gedwongen, indien hij dit niet vrijwillig deed -- in schijn.

Wrevelig haalde hij de schouders op.

„Laat ze dan gaan! Làat ze dan gaan! Lafaards, zotten! Het zal je allen
te laat berouwen, warhoofden, gekken!”....

De sierlijke redevoering was nog niet ten einde, toen Olaf zich reeds
tot de gevangenen wendde.

„Men zal u paarden geven, ik zal er zorg voor dragen. Volgt mij naar
buiten!”

Maar hoog richtte bisschop Ansfried zich op, een bevel in zijn
doordringende oogen.

„Gij zijt niet de eigenaar van dit huis. Deze zelf behoort en zal mij
uitgeleide doen uit zijn hal. Zoo eischt het de zede der vaderen.”

Rolfr opende den mond, een heftig woord op de lippen. Zijn blik boorde
in dien van den bisschop en hij zweeg en ging hem voor. Want hij dacht
opnieuw aan het uur, waarin hij óók dien blik had gezien en weer legde
het verleden de hand op hem. Een huivering ging door zijn leden. Het was
een ongewone gewaarwording, die hij echter kon bedwingen, noch meester
worden. De wind bedaarde een weinig, grijze wolken bedekten den
sterrenschijn, ook de vurige schittering der vlammende roede. De laatste
tonen van den klaagzang waren langzaam weggestorven in het donkere
verschiet.

Onstuimig wendde de Jarl zich eensklaps tot den bisschop:

„Gij verdiendet te worden gegeeseld, wie schuld heeft, boet. Waarom
hebt gij het leen geëischt voor het bisdom?”

Weer bracht een blik hem tot zwijgen:

„Afweren van onrecht is een aan ieder door God verleend recht. Het is de
eenige wijze om zich en anderen te beschermen tegen daden, ingegeven
door zelfzucht en heerschzucht. Ik heb van dit recht gebruik gemaakt,
naar ik hoop tot zegen van velen.”

Rolfr sprak niet meer, het was hem of de duisternis en de wind den klank
der woorden voor hem herhaalden....



HOOFDSTUK VIII.


De nacht met zijn verschrikkingen was voorbij. De hemel straalde van
licht, de vogels kweelden hun morgenlied, de aarde bloeide, als een
belofte van rijken oogst. Weggevaagd was de vurige roede aan de nu weer
heldere lucht. Het landvolk was aan den arbeid -- het zong als ontheven
van een verpletterenden last:

„U, onzen Schepper, loven wij!”....

Een lofpsalm der christenen! Rolfr Jarl kende ook de woorden, lang te
voren had hij ze nog eens gehoord, lang te voren.

Hoe haatte hij dien lofzang, gelijk hem die.... Zijn hand omknelde de
greep van zijn zwaard. De herinnering aan het tooneel van den vorigen
avond verliet hem geen oogenblik. Steeds zag hij hoe hij gedwongen was
geweest den man uitgeleide te doen, dien hij begeerde te worgen met
eigen hand. Vrij was hij nu, vrij!....

In zijn volle lengte verhief zich eensklaps de Jarl:

„Nog ben ik hier heer en meester, niet alleen op den Ravenhorst, ook in
den ganschen omtrek. Het zijn allen mijn dienstmannen, mijn hoorigen. Ik
zal mij wreken, zij het dan op andere wijze dan ik wilde.”

Hij liet zijn paard zadelen en reed heen in woesten ren.

Niet ver van het dennenbosch, dat de Ravenhorst aan de eene zijde
insloot, stond een vervallen hut van plaggen en leem, met een half
vergaan dak van mos en graszoden. Wind en weer waren er ongehinderd
jaren lang in en uit getrokken. De ingang werd afgesloten door een
wolfsvel, dat genoeg koude en tocht doorliet aan alle zijden. De rook
trok weg door een gat in het dak en de eenige bewoonster was een oude in
half vergane lompen gekleede vrouw. Zij had in die hut haar leven
voortgesleept sinds de Denen haar hoeve verbrandden en haar man en zonen
door hen werden gedood. Oude Lisa zat dien morgen zich te koesteren in
de zon op den aarden drempel, die een weinig was opgehoogd boven den
uitgegraven bodem van haar hut.

Zij zag naar de lijsterbes bij den bouwvalligen gevel, naar de
kamperfoelie, die geurige bloemen vlocht door zijn takken. Het water van
een kleine beek murmelde half verborgen tusschen berken en elzen zijn
droomerig lied. Deed die golvenzang ook haar neuriën:

    „Hi was minnera,
    And hi was betera”....

Haar stem was zwak en beverig, maar terwijl zij zong scheen die toe te
nemen in kracht. En opnieuw klonk het:

    „Kerl, hi was minnera,
    And hi was betera
    Hi stifte and sterde
    Triwa ande werde
    Ande hi sette thera Kenega jeft,
    Ande allere liude leest
    And Londriucht
    Ande allera londe eccum sin riucht.[5]

Een breede schaduwplek viel op den zonneschijn aan haar voet. Hoog te
paard zag zij den landheer.

„Lisa, oude heks, wat durft gij daar zingen?”

„Wat ieder zong toen de Denen het land verwoestten, voor de eerste maal,
heer, voor het eerst. Toen begrepen de menschen pas wat keizer Karel was
geweest, toen begrepen zij het.”

Recht zag Lisa voor zich uit met onverschillig, strak gezicht en toch
wist zij hoe de trekken van Rolfr Jarl vreeselijk waren om aan te zien,
nog eer zij hem hoorde bulderen:

„Oude tooverkol! Ik moest je levend laten verbranden. En, als ik niet
wist, dat je gek waart, gebeurde dat vandaag nog.”

„Ga uw gang, heer! Nooit zal ik meer kunnen lijden dan ik reeds geleden
heb. Mijn leven is zoo lang geweest en even lang mijn verdriet. Dus, als
’t nu gedaan kon raken, dan was het goed.”

Besluiteloos zag hij haar een oogenblik aan. Hoe hier te treffen?

Toen viel hem iets in.

„Lisa, gij hebt vlijtig gewerkt op het veld dit jaar. Ik weet, dat gij
een vollen zak gerst bezit, om van uw wikken en rapen niet eens te
spreken. Ge kunt dus ruim brood bakken, maar waar maalt gij die gerst
tot meel?”

Verschrikt zag zij op. ’t Was of haar kleur verschoot onder het tanige
vel.

„Heer, heer, laat me niet van honger sterven! Dan maar verbranden! Ik
kneusde mijn gerst tusschen twee steenen, heer! Ik heb geen gereede
penningen, geen enkele! Hoe zou ik dan het maalgeld kunnen betalen! Hoe
zou ik!”

Zij zag, dat hier geen genade was te wachten. Een snik schoot uit haar
keel, zij wrong de handen, radeloos.

„Uw gerst is verbeurd, verstaat gij? Gij hebt den wind bestolen van uw
heer. Wees dankbaar, dat ik je niet den hongerdood laat sterven in een
kerker van den Ravenhorst, maar je overlaat aan de hongertering in je
eigen krot.”

„Heer, o, heer! Dan maar verbranden, dan is het uit! Dan is het uit! Ik
wist niet”....

„Gij wist wèl, dat de molen van den Ravenhorst een dwangmolen is.
Niemand van mijn onderzaten, vrijen of hoorigen heeft het recht elders
te doen malen.”[7]

Lisa barstte uit in een schellen lach: „En nu zeggen ze, dat ik zooveel
voorrechten heb, omdat ik vrij ben en de hoorigen benijden me!”

Hij werd bang voor het woeste flikkeren van haar oogen. Menigeen noemde
haar gek. Als ze hem eens aanvloog! Gekken hebben immers dubbele
kracht.... Vaak spraken door hen de goden.

„Luister Lisa,” hernam hij wat zachter. „Ik zal u geen kwaad doen. Gij
kunt uw gerst malen waar gij wilt. ’k Zal u zelfs nog een kruik olie
laten brengen uit mijn spijker, om koeken te bakken.”

„Heer, o, heer! Wat zijt gij goed!”

Zij boog zich voor hem neer en kuste zijn handen.

„Maar onder een voorwaarde Lisa, onder een voorwaarde.”

Vragend wachtte zij.

„Gij zult niet meer naar de kerk op den Hohorst mogen gaan, nooit meer,
verstaat gij mij goed? Nooit meer. En overal moet je vertellen, dat ge
daar niet meer komt, omdat gij er den duivel gezien hebt.”

Lisa richtte haar kleine gestalte op met groote waardigheid.

„Bisschop Ansfried en de zendelingen hebben mij gezegd, dat ik een ziel
had. Vroeger wist ik dat niet en het is zulk een voorrecht om te kunnen
denken, dat daar” -- zij wees met de magere hand omhoog -- „alle tranen
zullen worden afgewischt, die hier op aarde zijn gestort. Dat te weten
maakt het leven tot een lust in plaats van een last.

Uit het verdriet en de ellende van dit leven zweef ik dan, hoog boven de
wolken, de gouden stad binnen en ieder, die daar mag komen, heeft de
onsterfelijkheid ontvangen en is gelukkig voor altijd, in het eeuwig
licht. Daar zie ik dan de engelen; schitterend wit glanzen hun vleugels,
zij zingen met gouden stem, de klank hunner harpen vervult het Paradijs
en de zweep van den meier en de kerkers van den Ravenhorst zijn er niet
meer.

Dat heb ik geleerd in de kerk op den Hohorst, daarom zeg ik nooit wat
gij mij beveelt, heer, noòit. Want iets zeggen, dat de waarheid niet is,
staat gelijk met groote zonde, zegt de bisschop. En ik wil geen zonde
doen. Ik heb liever een onsterfelijke ziel dan olie voor koeken.”

Rolfr Jarl glimlachte niet om het verhevene en alledaagsche, dat hier
werd dooreengemengd. Hij fronste opnieuw de wenkbrauwen:

„Goed Lisa, goed, gij hebt gekozen, wacht dan nu de gevolgen maar af.”

Zij zag hem na met donkeren blik.

„De Ravenhorst is hoog, maar hij kan tòch vallen. Niets is tegen het
vuur bestand.”

Nog uit de verte hoorde hij haar schamperen lach.

„Oude tooverkol, ’k zal je wel vinden!” De sprake ging immers, dat zij
kon sluipen door het kleinste sleutelgat -- alzoo was zij een heks. --
Hij zòu haar vinden.

„Niets is bestand tegen het vuur,” had zij geroepen. Dat was een
bedreiging tegen den Ravenhorst.

„Niets bestand tegen het vuur!”

Zij zou het ervaren aan hut en lijf.

Vaster omklemde zijn vuist de greep van zijn zwaard. Met geheimvolle
runen was het ingelegd, wondere kracht bezat het breede lemmet. Want was
het niet gesmeed op den dag aan Wodan gewijd, den vierden van iedere
week, en bevond zich tusschen de runen geen houtsplinter, gezegend door
Donars hamerslag: uit een door den bliksem getroffen boom was die
splinter gesneden.

Rolfr wist hoe hij werd gevreesd om dat zwaard: de mare ging, dat het
ieder wapen, waarmee het zich kruiste, in stukken deed springen.

Een welgevallige glimlach speelde om zijn mond: geen menschelijk wezen
was in staat hem een wond toe te brengen: onder zijn rinkelend
maliënkleed droeg hij een slangenhuid aan Loki, den helgod gewijd....

Dien morgen wierp Henno, de visscher, zijn lijn in een plas tusschen den
Ravenhorst en den Hohorst. Half verborgen tusschen riet en lisch lag hij
en wachtte af wat de dag verder hem schenken zou. Hij was een groote,
sterke boer met vlasblond haar, dat hij, naar oud vaderlijk gebruik nog
meer bleekte door het te besprenkelen met kalkwater. Zijn wambuis en
hozen waren van hertevel -- zelf had hij het wild geschoten -- onbedekt
was zijn hoofd. Vergenoegd floot hij tusschen de tanden -- hij had reeds
een voordeelige vangst gehad -- toen de Jarl verscheen, geharnast van
zijn schedel tot den voetzool.

Henno zong -- latere eeuwen zouden op deze wijze overzetten het oude
volkslied --

    „Hi woonde na dien tide
    op sinen ouden casteele
    gheen langde dagen meer:
    den kerker bleefer gesloten,
    de linden standen te groene,
    den eenen steene vieler
    oppe den anderen neer”....

Rolfr Jarl hechtte sinds den vorigen avond aan voorteekens, al wilde hij
dit zich zelven niet bekennen. Oude Lisa had hem bijna hetzelfde
nageroepen wat Henno zong. Vroeger zou hij er de schouders over hebben
opgehaald, nu verschrikte het hem.

Hij vergat, dat het niet de dingen zelf zijn, die vrees aanjagen, doch
de wijze waarop zij worden opgevat.

„Je bent vroolijk, Henno!” Norsch riep hij het hem toe.

Zoodra de visscher hem zag stond hij rechtop. Wel was hij een vrije,
maar zijn hoeve had alleen -- naar vaderlijke zede -- den haag en den
sluitbalk als verweermiddel en de tijden waren onrustig, steeds dreigde
gevaar. Meer dan eens was hij genoodzaakt geweest met zijn tilbare have
een schuilplaats te zoeken op den Ravenhorst.

„Wat stemt u zoo blij? Er is anders niet veel reden toe, dunkt me.”

Henno verschrok van den dreigenden blik, die de woorden onderstreepte.
Het was of een mes hem stak. Wat had de Jarl in ’t zin?

„Wees gegroet, heer.” Schier beschroomd klonk zijn stem.

„Heer! Ben ik dat nog? Ik heb u allen beschermd en gevoed als
overstrooming dreigde of de krijg ontbrandde. Als de graaf van
Kennemerland een inval deed of de keizer kwam met heircracht, als de
graaf van Hamelant of Megingos van Gelre stroopte, dan hadt gij mij
noodig, dan was ik uw heer. Maar nu ik beleedigd word en bestolen, nu is
er niemand, die het voor mij opneemt. Schimpwoorden, spotzangen, dat is
mijn dank.”

„Wat is er dan gebeurd, heer?” vroeg Henno verbaasd.

„Moet jij dat nog vragen, lompe dorper! Heb je soms gisteren avond niet
mee loopen galmen met een kaars in je knuisten!”

„Hebt gij alleen, heer, dan de vurige roede niet gezien?”

„Even goed als ieder ander, maar mij jaagt men geen schrik aan of er een
paar sterren meer of minder aan de lucht staan.”

„Mij ook niet: bisschop Ansfried zegt”....

„Spreek nog eens dien naam uit voor mijn ooren en gij hangt aan den
Noorderboom.”

„Ik ben een vrijgeboren man, heer.”

„Ja, dat weet ik wel. Halfr, waar gij van afstamt, kwam met mijn
voorvader Roruk in het land. Hij was zijn schilddrager en bleef zijn
Jarl trouw.”

Henno wendde den blik af, de herinnering knaagde. Rolfr ging voort:

„Ik geloof niet, dat iemand mij kan veroordeelen, omdat ik het volk
tracht terug te brengen tot het oude geloof.”

„Gij doet het op een zachtzinnige wijze. Wie zich tegen u verzet,
ondervindt wat dit beteekent,” waagde de visscher te mompelen.

„Je zoudt zeker willen, dat ik niets te zeggen had op mijn eigen
goederen?”

Henno had nu zijn mond vol touw; hij knoopte aan een vischnet; hij moest
daarom wel zwijgen.

„’t Is een fraaie leer, die zoo’n bisschop verkondigt. „Hebt elkander
lief!” Wel aardig om aan te hooren voor een jong paar in de Winnemonath!
Maar werd de macht der Noormannen en die van keizer Karel groot door
liefde of door geweld en kracht?”

Henno zuchtte: „Dat heb ik niet beleefd, heer! Daar weet ik niet van.”

„En met al dat liefdegepreek is er twist in iedere woning.”

Henno keek in zijn vischkorf.

„’t Is jelui schuld niet, dat je gevangen werdt beestjes. De koorden van
het net trokken je en toen was je bij elkaar. Zoo doet bisschop Ansfried
ook, Jarl, hij weet het volk bij elkaar te houden, als schapen den
herder loopt het hem na. Hoe komt hij aan die macht, heer? Hoe komt hij
er aan?

Hij hitst nooit de honden op iemand aan, hij scheldt noch noemt ons
„slechte dieven.” Menschen, die vroeger elkander stug voorbij gingen
maakt hij tot vrienden en de welgestelden onder ons leert hij de armen
te helpen en de vrijen niet laag neer te zien op de hoorigen, omdat God
ons allen heeft geschapen.”

„Hm, hm! Dus gij kiest ook de zijde van dien christen? Gij eert het
geloof van uw voorgeslacht, noch vreest meer zijn vloek, als gij eens
zult verschijnen in Walhalla? Het is ver met u gekomen, Henno. De man
die zijn vaderen vergeet heeft geen recht meer iets te verwachten voor
zijn zonen.”

De oude Noorsche spreuk, als heilig overgeleverd van geslacht tot
geslacht, was hier zoo behendig aangewend, dat de eenvoudige visscher
van kleur verschoot. Hij verwachtte zooveel van het leven voor zijn
eenig kind! Alles wat dit leven hem zelf had onthouden, hoopte hij voor
zijn zoon.

Berouwvol zag hij voor zich:

„Wat wilt gij, dat ik zal doen, Rolfr Jarl?” Deemoedig klonk zijn vraag.
Rolfr beproefde een welwillenden klank te leggen in zijn norsche stem:

„Henno, luister eens. Gij zijt verkeerd ingelicht en een man van invloed
en gezag in deze streek. Gij behoort tot de oudsten. De raad, dien gij
geeft, wordt gevolgd.” -- Henno glimlachte gevleid -- „En nu weet ge
evengoed als ik, wat er tegenwoordig op den Hohorst gebeurt; ge weet
hoe dat stuk land met den heuvel mij onwettig wordt onthouden.”

Henno wist niets, maar hij vond het aangenaam gewichtig te schijnen en
knikte daarom veelbeteekenend.

„Ongelukkig de man, die wordt vervolgd door den haat van een machtige,”
hernam Rolfr bijna vertrouwelijk. „Uit eigenbelang bewerkt de bisschop u
allen met mooie woorden; uit hebzucht, om van zijn heerschzucht te
zwijgen, heeft hij mij bij den keizer belasterd. Hij wil hier heer zijn,
bevelen wil hij op mijn gebied. Daarom vroeg en verkreeg hij den
Hohorst.” Weer knikte Henno. Toch antwoordde hij aarzelend:

„De bisschop is een goed man, dat blijft waar. Hij helpt ieder, die het
noodig heeft, gevraagd of ongevraagd. De armen uit den omtrek mogen hun
middagmaal komen halen op den Hohorst, iederen dag heer, iederen dag!
En, om hun te kunnen geven onthoudt de bisschop zich zelven het
noodigste. Wie heeft dat voor hem ooit gedaan, wie?”

Rolfr beet zich op de lippen. Hij zeker niet; als slaven, aan lastdieren
gelijk, hield hij zijn hoorigen. Dikwerf hadden zij geen middagmaal, dat
wist hij, maar als er iets verdween uit spijker of schuur van den
Ravenhorst, dan hield hij een drijfjacht op zijn „menschelijk vee”,
waarbij vaak schuldeloozen met hun leven voor de schuldigen moesten
boeten. Hij drong zijn gedachten terug, en vervolgde streng:

„Niemand heeft ooit durven doen wat de bisschop waagt, dat is waar.
Niemand heeft ooit getracht op den aan Wodan gewijden Hohorst een
christenkerk te bouwen. Henno, toen Halfr, uw voorvader oud en grijs was
geworden en alle hoop hem begaf, dat de schildmaagden hem zouden voeren
naar Alvaders hal, uit het heetst van den slag, toen liet hij zich
dragen naar den Hohorst. Hij zag de offervlammen opstijgen, hij hoorde
den reizang der priesters, toen kleurde zich zijn speerspits met den
gloed van de vlam: zij zocht en vond zijn hart. Doorstoken had hij zich
met zijn laatste kracht, niet den stroodood wilde hij sterven. Maar toen
zijn zonen zich over hem bogen, treurend om zijn einde, op zijn
heldendaad fier, toen vingen zij zijn laatste woord op:

„Blijft trouw den goden, trouw onzen Jarl!”

Met zijn zwaard wees Rolfr naar den Ravenhorst, die forsch en machtig
oprees tusschen de donkere sparren. Het dichte scherm hunner takken
belette zelfs de morgenzon haar gouden lichtsprankels te werpen op het
mos. Het was daar donker.

„Henno, ik ben het geloof mijner voorvaderen trouw gebleven, maar gij
Henno, gij?” De machtige stem van den Jarl maakte indruk op den
visscher. Hij liet het hoofd op de borst zinken.

„Jarl, het hamerteeken of het kruis, ’t is haast hetzelfde. En verleden
winter was mijn vrouw ziek en de bisschop gaf haar medicijnen en heeft
voor haar gebeden en toen genas zij. Mijn vader en grootvader waren toch
ook christenen.”

Als verontschuldigend voegde hij dit er bij.

„Dan rust op u, Henno, een dubbele plicht. Gij moet de goden verzoenen,
boete doen ook voor de schuld uwer vaderen. Ik handhaaf op den
Ravenhorst het oude geloof en gij, de nakomeling van Halfr, den
schilddrager van Roruk, bidt in een christenkerk.”

Henno zag voor zich, berouwvol.

„Dat doen zij tegenwoordig allen. Zij zeggen, dat het oude geloof
voorbij is en dan” -- tot geheimzinnig gefluister daalde zijn stem --
„als het waar is, dat de wereld moet vergaan”....

„Dan is dit het oordeel van Wodan, den oppergod en van Donar, den
Donderaar. Geen wonder is het, dat het koren en vlas drijft op het land
en de schepen vergaan op de kust. ’t Is de straf van Donar voor de
afvalligen. ’t Is de aanvang van de straffen waarmee hij de wereld zal
kastijden. De aanvang.”

Het gezicht van den visscher werd wit van angst.

„Zoudt gij dat denken, Jarl! Gelooft gij waarlijk, dat”....

„Dat de wereld zal vergaan door den toorn der goden, ja, dat wéet ik. ’t
Is alles leugen wat de christenen zeggen. Donar, de machtige met den
vlammenrooden baard, is mij verschenen. Daarom: doe boete, gij redt niet
uw eigen leven alleen.”

„Mijn zwakke vrouw en Yglo, mijn zoon! Hij is mijn eenige nu.”

„Doe boete, als in het bijzijn der goden en Yglo zal eens mijn
schilddrager wezen.”

„Hij kan zijn ouden vader niet verlaten; scheid ons niet heer, doe ons
dat niet aan!”

„Dan zal ik hem breede roeden uitmeten, naast zijn vaders land en
Trutha zal vrij zijn om de vrouw te kunnen worden van een vrij man.”

„Heer! O, Jarl! Wat zijt gij goed!” -- Het was de tweede maal, dat hij
dit hoorde dien morgen. -- „Hoe zal ik dit ooit vergelden”....

„Dat zult gij hooren.”

Toen ontwikkelde de Jarl zijn plan en Henno luisterde en boog het hoofd.
Waarom liep een rilling door zijn leden?....

Een gillend gezang klonk Rolfr tegen toen hij het erf opreed van een
welvarende hoeve, kort nadat hij Henno verlaten en diens belofte had
ontvangen. Een stapel honigkoeken lag op den disch van ongeschaafd hout;
groote, ruw bewerkte drinkhoorns schuimden gevuld met bruin gerstebier;
visch roosterde op een walmend kolenvuur. Het gaf een ondraaglijke lucht
in het lage vertrek, waar toch de smook reeds dicht opklom tegen de
bruine balken. Niemand sloeg hier acht op of dacht er aan de tafel naar
buiten te dragen in de schaduw van olm en esch, naast de frissche bron.
Ongeschoeide voeten trappelden dansend op den bodem van vastgestampte
klei; ruwe stemmen zongen krijschend....

„Wat is hier te doen?” vroeg de Jarl verwonderd.

„Vrouw, den grooten hoorn, schenk den hoorn van mijn oudvader vol! Wij
zullen den Jarl toedrinken, voor ’t laatst. Heil Rolfr Jarl! Het verga
hem goed bij Wodan als de Ravenhorst brandt!”

Weer hetzelfde! Voor de derde maal! Bezwerend maakte Rolfr Jarl het
hamerteeken.

„Wat voert gij allen uit?” vroeg hij nog eens.

„Pleizier maken, zoolang de wereld nog staat, waar zij stond. Die barst
nu toch gauw uit mekaar, zeggen ze!”

Rolfr zag doodsangst flikkeren in de oogen, die hem aanstaarden door het
masker der brooddronkenheid. En weer zong en joelde de dolle bende en
allen dronken en klonken op het vergaan der wereld.

„Walger, dat geraas moet ophouden, dadelijk! Ik kan mijn eigen woorden
niet verstaan,” beval hij den boer.

„Vrouw, jongens, scheid uit! Heidaar, jullie meiden!” -- dit tot zijn
dochters en vrouwelijke verwanten -- ransel je met mijn zweep het erf af
als je niet zwijgt! De Jarl heeft wat te zeggen!”

„Wat geven wij daarom! Laat hij zijn mond houden! ’t Is toch met ons
gedaan!” Onverschillig klonk het terug.

De diepliggende oogen van Rolfr kregen weer den stekenden blik, dien
ieder in den omtrek kende en vreesde.

„’t Zal zeker gauw gedaan zijn, maar eer de wereld vergaat, heeft mijn
beul nog wel den tijd u allen te roosteren als nu die visch daar!”

De vrouw van Walger verschoot van kleur.

„Jarl, o, Jarl! Doe ons toch geen kwaad! Uit angst zijn wij vroolijk.
Denk toch aan die vreeselijke ster met de roede van vuur! Iederen dag
groeit die aan zeggen ze, en eindelijk steekt zij de wereld in brand. O,
o!”....

„Jarl, ik heb een gouden spang. Gevonden heb ik die in....”

„Gestolen, meent ge!” Grimmig sneed Rolfr aan Imma, de dochter van
Walger, het woord af.

„Neen, Jarl, waarlijk.... bij de rivier”....

„Dan behoort ze mij. Alles wat wordt gevonden op het land of in het
vischwater van den landheer komt hem alleen toe. Branden zult ge
dievegge en hangen er bij!”

„O, heer, heer! Erbarming, genade!”....

De nieuwe schrik maakte den geheelen troep nuchter. Zij kropen voor hem
in het stof. Rolfr zag het met welgevallen. Om ze nu te kunnen
vertrappen, allemaal die ellendige boeren! Maar hij had ze noodig,
vooralsnog.

„Luistert, gij allen. Of de wereld zal vergaan of behouden blijven, dat
ligt in uw eigen macht.”

„Wij, wij! Wat zouden wij arme stakkerds daaraan kunnen doen!”

„Ja, dat kunt gij wèl, als gij doet wat ik zeg. Keert weer tot de oude
goden, dan is alle gevaar voorbij. Om den afval van hun geloof dreigen
zij de wereld met ondergang, de menschen met den dood.

Komt alzoo hedenavond bij den grafheuvel van Roruk en gij zult allen
hooren wat u te doen staat om eigen leven te redden en de wereld er bij.
Wees niet bang” -- dit tot Imma, die nog altijd voor hem knielde -- „die
spang moogt ge houden, ik vraag niet meer naar de herkomst. Daar hebt ge
nog een ring van roodgoud er bij.” Hij wierp haar een ring toe en
ontving van de gedachtelooze bende de belofte, die hij begeerde.

Het opnieuw brullend uitgeschreeuwde lied van Wodans wilde jacht dreef
zelfs hem op de vlucht....

       *       *       *       *       *

Yglo, Henno’s zoon, kwam dien middag thuis van de jacht. Een reebok hing
dwars over zijn schouder. Hij was een kloeke, jonge man, twee heldere
oogen lichtten als sterren in zijn schrander gelaat. Hij vond zijn vader
bezig het oude, roestige zwaard op te poetsen van Halfr, den
schilddrager.

„Wat zijt gij van plan, vader? Is er een inval van de Denen te vreezen?”

Henno schudde zuchtend het hoofd:

„Dat was nog het ergste niet. Maar Yglo, dat andere, je weet wel.
Gisteren zijn wij allen als boetelingen naar de kerk gegaan van den
bisschop en nu zegt Rolfr Jarl, dat het de goden zijn die toornen, en
dat daarom de wereld.... O, Yglo, ik ben oud en afgeleefd en als ik
vergaan moet dan zal ik vergaan, Alvader moge mij richten, maar dat jij,
zoo jong, in den bloei van je leven.... En ik had zoo gehoopt jou
althans gelukkig te zien.

Je bent de eenige van mijn kinderen, die ik mocht behouden. En, dat is
nu alles om den afval onzer vaderen van het oude geloof.”

De eerlijke stem van Henno stierf weg, gesmoord in snikken. De
droefheid, die zijn welmeenend, braaf gezicht teekende, was
deerniswaardig.

Yglo had zwijgend geluisterd, eerst niet recht begrijpend, nu sloeg hij
zijn door verdriet neergebogen vader den arm om den schouder.

„Vader, bedaar, kom tot u zelven. Wat over ons is besloten kan wanhoop
noch vrees van ons afwenden. Houd echter moed. Heeft bisschop Ansfried
ons niet geleerd, hoe de Heer zelf heeft gezegd: „Van dezen dag en deze
ure weet niemand.” Hoe kunnen dan menschen een gebeurtenis bepalen, die
zelfs verborgen bleef voor Gods eigen Zoon?”

„Maar omdat ons voorgeslacht, ten tijde van keizer Karel, van de goden
is afgevallen, komt thans het oordeel over ons. Het christendom is het
rechte geloof niet, zegt Rolfr Jarl. En die weet zooveel, hij is overal
geweest in de wereld.”

„Wat aan koren gelijk is, zou Rolfr van den Ravenhorst gaarne tot
onkruid maken. Vader, kunt gij nog hechten aan de heidensche dwalingen?”

„Wat zou Rolfr Jarl er dan mee voor hebben om ons te waarschuwen?”

„Kunnen wij beoordeelen wat hem drijft? Medelijden met ons lot zeker
niet. Daar heeft hij nooit blijk van gegeven.”

Yglo had met diepen wrok gesproken, zijn vader wist de reden. De blonde
Trutha was hofhoorige op den Ravenhorst. Tevergeefs had de visscher
aangeboden het vereischte losgeld voor haar te betalen: twee koeien en
een weldoorvoed schaap. De eisch van Rolfr Jarl luidde, dat Yglo zich
zou voegen tot dezelfde hoorigheid als Trutha, dan alleen wilde hij
zijn toestemming geven tot het huwelijk[8]. De tranen van Trutha hadden
wellicht bewerkt, dat Yglo zich driemaal boog onder den galg op den
Ravenhorst, dat hij, de vrij geborene, zich daar het hoofd liet scheren,
wat hem voor altijd tot den gelijke zou maken der eigenhoorigen -- de
wanhoop van zijn vader hield hem terug.

„De gelijke van een lagen knecht, een strik van hennep om den hals, gij!
Wel zijn wij, door den nood der tijden, gedaald, doch onze stamvader
droeg een Viking het schild, hij was hem het naast in den slag. Yglo,
heb geduld tot gij mij ter ruste legt aan den rand van het vrijthof. Het
zal niet lang meer duren.” -- --

En Yglo boog het hoofd, met de gelofte zijn vader een smart te besparen,
die zijn leven zou breken, maar somber werd zijn blik, vastopelkaar
geklemd bleven zijn lippen, die tot wit verschoten toen de meier van den
Ravenhorst hem meedeelde, dat Rolfr Jarl op het Midzomerfeest Trutha zou
toewijzen aan een zijner keurmedigen. Wat kon, bij verzet, voor haar
volgen dan de dood? Rolfr Jarl bezat de macht en het recht, zijn
hoorigen te dwingen tot slaafsche gehoorzaamheid. Trutha’s blos
verbleekte, geen lied klonk meer uit haar mond, wellicht was zij dichter
bij het vrijthof dan Yglo’s oude vader.... Hoeveel levensgeluk Rolfr
Jarl verwoestte door éen norsch bevel, hoeveel levensleed hij
veroorzaakte -- wie vroeg daarnaar? Hij bezat de macht....

En thans was hij gekomen en Trutha zou vrij zijn, vrij als de vogel in
de struiken, als, als.... Fluisterend, aarzelend schier, deelde Henno
zijn zoon mee wat van hem werd verlangd en, gebroken door den
tweestrijd, die woelde in zijn borst, nam hij eindelijk het zwaard, dat
zijn vader hem reikte en deze zegende hem, maar zijn kranke moeder --
zwijgend had zij alles aangehoord -- schreide....

Van hoeve tot hoeve ging Yglo, bij al de vrijen in den omtrek tot zelfs
naar Bacheforth om hen te nooden, het zwaard in de hand, naar oud
vaderlijke zede, bij den grafheuvel van Roruk, dien avond als de maan
zou zijn gerezen boven de toppen der boomen.

Hij kwam voorbij den grafheuvel. Hoog lagen de zware steenblokken
opgestapeld. Reuzen hadden hem eenmaal gebouwd, naar het volk geloofde.
De sporen hunner vingers, waar zij de steenen hadden aangevat, waren nog
zichtbaar.

Streng was door de geestelijken der christelijke kerk daar het offeren
verboden. „Een werk des duivels,” noemden zij die oude grafheuvels.

En thans ging Yglo de hoevelingen oproepen om zich te verzamelen op die
verboden plaats....

Onrustig sloeg zijn hart; een misdadiger voelde hij zich -- hij, een
christen, zou.... Met geweld verdreef hij die gedachte. Het gold immers
zijn levensgeluk, het gold Trutha te redden van een lot wreeder dan de
dood.

„Wat baat het een mensch of hij de gansche wereld wint en schade lijdt
aan zijn ziel?”....

Waarom kon hij dat heilige woord niet vergeten? Stond het te lezen op
het glinsterend watervlak van de Eem, schreef de zon het met gouden
lichtvonken op de bladeren der boomen, las hij het op de steenen aan
zijn voet?

„Wat baat het een mensch”.... Ook Trutha was een christin, niet slechts
met de lippen, dat wist hij. „Wat baat het een mensch”....

Sneller ging hij voort, het zwaard brandde in zijn vuist, heftiger
sloegen zijn polsen, maar verder ging hij, volgens Rolfr Jarls wil en
bevel, verder....

  [5]

    Karel, hij was de geliefdste
    En hij was de beste.
    Hij stichtte en stierde
    Trouwe en waarheid,
    En hij zette der koningen giften,[6]
    En aller lieden keuren
    En Landrecht
    En alle landen elk zijn recht.

  [6] „Hij stelde koninklijke vergunningen vast, gaf ons belangrijke
  rechten en vrijheden.”

  In het oude Hunsingoërlandrecht van 1252 vindt men in de voorrede dit
  fragment van een oud Friesch volkslied, dat blijkbaar veel ouder is
  dan de kronieken en boeken, waarin het voor het eerst werd
  opgeteekend.

  [7] Noordewier. Nederl. Rechtsoudheden.

  [8] Noordewier: Ned. Rechtsoudh. 126.



HOOFDSTUK IX.


Blonde Trutha dwaalde in haar wit geplooid lijfje en zelfgeweven rok van
grof wadmer langs de smalle paden van moeras en bosch. Haar kleine
voeten waren bloot; kortgeknipt -- wat haar als onvrije kenmerkte -- de
kroezende haren. Om kruiden te zoeken was zij uitgezonden door vrouw
Sigrid -- niemand in de gansche streek kon beter artsenijen mengen dan
zij. Het deed de bijgeloovige vrees, die het landvolk voor haar
koesterde, nog toenemen.

Een zwaren bundel had Trutha reeds bijeengegaard. Een vroolijk lentelied
klonk van haar lippen, het eerste sinds vele maanden. Zij wist reeds van
den omkeer in haar lot: Yglo had haar het groote, gelukkige nieuws
verteld, haperend, vol vreugd en -- vol geheimen angst.

Trutha zong: de hemel zag zoo lachend blauw en de velden bloeiden. O,
die schoone aarde, zij kòn immers niet vergaan! God was zoo goed, Hij
maakte haar zoo gelukkig. Waarom zou Hij dat niet Zijn heele wereld
doen?

Een schaduw viel over den rozelaar, waarvan zij de bleekroode bloemen
plukte; met porceleine en honig gekookt zouden zij een veel begeerd
middel schenken voor de gevreesde koorts, waartegen zoo menigmaal
bezweringen noch aderlaten hielpen.

Zij zag op, een uitroep van eerbied waarin genegenheid zich mengde,
ontsnapte haar:

„De bisschop!....”

Bisschop Ansfried glimlachte. Hij droeg weer het eenvoudige, zwarte
ordekleed. Zijn forsche gestalte scheen meer die van een krijgsman dan
van een geestelijke, maar slechts goedheid was in den glimlach, waarmee
hij zich tot het meisje wendde.

„Uw lied lokte mij hierheen. Ik verheugde mij er over, want een
opgewekte christenzin is God aangenaam. Wat stemt u zoo blij, mijn
kind?”

Het stralend gezichtje werd tot hem opgeheven, de roode lippen
fluisterden: „Heer bisschop, ik ben zoo gelukkig.”

„Gelukkig is ieder, die Gods wegen gaat, niet zijn eigen weg. Doet ge
dat ook, mijn dochter?”

Trutha bloosde, zij dacht aan Yglo’s woorden en aan Rolfr Jarls eisch.
Wist de bisschop?.... Of kon hij lezen in de harten der menschen, zooals
soms werd gefluisterd, en was wat anderen dachten hem bekend?

Zij geloofde het nu. Antwoordde zij daarom zonder te weten, dat zij dit
deed op haar eigen gedachten: „Niets kan het gemis vergoeden van iemand
dien men zoo echt lief heeft. Ik ben zoo bedroefd geweest, zoo lang, en
nu....”

„Nu zult ge misschien nog meer tranen storten, arm kind! Als gij God
verlaat om aardsch geluk, dan zal dat geluk u verlaten.”

Het was waar: bisschop Ansfried wist alles! Dan wist hij ook, dat Yglo
bij den ouden grafheuvel....

Het was of er iets schreide in haar hart; zij behoorde tot de
christengemeente evenals Yglo, evenals hij!... Hoe menigmaal had hun bij
het verdriet, dat hen overstelpte, de gedachte kracht ingestort en
nieuwen moed, dat God hun levenslot bestuurde. En thans.... Mochten zij
om aardsch geluk vergeten wat onvergankelijk was en eeuwig? Het
natuurkind kon niet onder woorden brengen, wat zij diep gevoelde, maar
zij wist, dat thans berekening haar daden bestuurde -- brak er iets in
haar binnenste?

Zacht raakte de hand van den bisschop haar schouder aan.

„Mijn kind, het leven is maar kort. Het gaat voorbij als een nevel en al
zijn moeiten en teleurstellingen zullen zoo nietig schijnen, als zij
worden gemeten met de maat der eeuwigheid. Thans ligt dat leven nog zoo
lang voor u, maar als gij er eens op terugziet in uw grijsheid zult ge
zeggen: „Het was een schaduw op den wand der oneindigheid.” En al uw
wenschen en uw plannen, gevormd in de jaren, die dan lang, lang voorbij
zijn, zullen zoo onbeduidend lijken bij de groote eeuwigheid, die ons
wacht en allen, die Gods wil deden op aarde, het geluk schenkt, dat geen
einde meer nemen zal. Wie God vasthoudt heeft niets verloren, al
begeeft de geheele wereld hem, doch wie Hem verlaat, verliest alles.”

Trutha liet het hoofdje hangen, de overgang was zoo groot, zoo
plotseling. Maar, wat haar te doen stond zag zij duidelijk -- al was het
bitter en zwaar -- omdat zij in haar schuldeloos hart voelde wat recht
was en plicht. Eenvoudig en dapper nam zij haar besluit, maar het scheen
ineens donker voor haar oogen en de tranen schoten haar in de keel.

„O, heer bisschop, ik zal mijn best doen, dat zal ik waarlijk om niet
meer het meest te denken aan Yglo en aan ons geluk. Maar het was zoo
heerlijk en de zon scheen en nu lijkt alles zwart en ’t is of ik loop op
brandnetels of die steken in mijn hart. Het doet zoo’n pijn. Overal is
onkruid waar vroeger bloemen bloeiden. ’t Is zoo erg alles te moeten
opgeven, nu ik dacht, dat het geluk was gekomen. Dan blijf ik een
hoorige en dan is alles verdriet, mijn heele leven!...

O, maar ik zal doen wat ik kan, om geduldig te wezen; God weet alleen
wat goed voor mij is, als Hij mij dan maar wil helpen.” -- --

Snikken braken haar woorden. Meer bewogen dan hij wilde schijnen legde
de bisschop haar de hand op het voorhoofd en het was Trutha of een wolk
van zegen op haar neerdaalde:

„Mijn kleine heldin, houd moed en wees goed. Gods wegen zijn niet onze
wegen, maar wat ons nu een last lijkt, zal eenmaal wellicht blijken een
licht te zijn geweest, dat ons den weg wees naar huis.

God geeft niemand te veel om te dragen en als wij ons eenzaam voelen en
zielsbedroefd zijn, is het om ons te brengen tot Hem. Doe wat Hij wil,
niet wat gij wilt, dan is het goed, hier op aarde en in het eeuwige
land.”

Het werd reeds minder donker voor Trutha’s oogen: ook de nacht bezit
zijn sterren. Zij dacht aan de dwalende lichten, die zij soms had zien
zweven boven het moeras: was zóó het geluk geweest, dat zij had
verwacht? Vluchtig, tijdelijk, verschenen en verdwenen....

Haar zachte oogen zochten den hemel waaraan het groote licht straalde,
de flauwe afschaduwing der Onsterfelijke Liefde. Neen, het was niet
alleen duisternis meer.

„God zal mij helpen, ik wil sterk zijn en goed”....

Zij boog het jonge hoofd, evenals de zwakke korenaar, die den storm
voelt naderen.

Maar de orkaan spaart, als hij den forschen eik ontwortelt, de gouden
garven, die lijdzaam buigen voor zijn macht.



HOOFDSTUK X.


Alleen in het midden van den zomer, als de zon het hoogst aan den hemel
stond, verhelderden haar stralen de geheimzinnige schaduwen, die
zweefden boven den grafheuvel van Roruk. Hier vlochten donkere
beukentakken en dicht eikenloof een verward net, terwijl, schier
verborgen door die groene bladerenzee, een half verdroogde bron murmelde
met gedempt ruischen. Het klonk als geheimzinnige stemmen uit het ver
weleer.

Een man stond op die plek, door ieder voor wien de overleveringen uit
den heidenschen tijd nog waarde bezaten, gevreesd als een verzamelplaats
der geduchte zwartalven, door de christenen vermeden als een
vereenigingsoord van booze geesten.

Want donker en vol bijgeloof was de tijd en de geestelijken, waarvan
velen in verlichting en ontwikkeling den leeken slechts weinig vooruit
waren, geloofden zelf aan het bestaan van booze geesten en beschouwden
de voormalige heidensche vrijthoven en offerplaatsen, -- waarheen het
iederen leek streng was verboden zich te begeven, om de herinnering aan
den vroegeren eeredienst te eerder uit te roeien, als hun natuurlijke
verzamelplaats. En thans stond op de plek, waarboven sage en
overlevering hun dichten sluier weefden, die de eenvoudige landbewoners
zelfs vermeden bij lichten dag, de eenzame gestalte van een man in het
geheimzinnig uur, dat de maan haar zilverschijn goot over de toppen der
boomen. Het was Rolfr Jarl. Zijn linker hand leunde op een der
reusachtige steenen, ieder op zich zelf een rotsblok gelijk, de andere
omklemde het zwaard. Over de vlakte zwierven zijn oogen. In een wijden
cirkel had zich, aan den boschrand, zijn lijfwacht opgesteld, tot de
tanden gewapend met schild en speer, met zwaard en heirbijl; dicht
genoeg bij den grafheuvel om elken onbescheiden indringer te weren, op
een voldoenden afstand om geen woord te kunnen opvangen der
beraadslagingen. Zij bleven niet de eenige menschelijke wezens op die
stille plaats bij het weifelend maanlicht:

Wemelende stralen gloeiden op tusschen de dennen of wierpen vonken over
de slingerende, slechts den ingewijde bekende paden van het moeras.
Omstraald door den glans der toortsen, die zij droegen, naderden de
vrije hoevelingen van den ganschen omtrek. Yglo had zijn taak goed
volbracht. Opontboden in naam van Rolfr Jarl kwamen allen. Uit vrees de
meesten, uit nieuwsgierigheid velen, enkelen uit belangstelling. Hij zag
het. Hooger scheen zijn gestalte te rijzen, terwijl zijn hand zich
vaster legde op den kouden, eens door reuzen gehouwen en opgestapelden
steen. Gevoelde hij, dat ook hij reuzenkracht zou behoeven bij het
waagstuk, dat hij ging volvoeren? Zijn lippen prevelden:

„Zal ik slagen? De christelijke godsdienst heerscht, dat is een
onloochenbaar feit. De domme menigte ziet met een eerbied, die grenst
aan ontzag, op tot de christenpredikers, als tot lieden van een hoogere
orde. Zij gelooft, dat die God nader staan dan de overige menschheid en
vrees volbrengt vaak wat zachtheid te vergeefs vroeg.”

Hij balde de vuist:

„O, kon ik hen evenzoo voor mij doen vreezen, doen kruipen voor mijn
wil. Maar allen zijn verdeeld, weifelachtig de meesten.”

„Zijt gij een man, die woorden van aarzeling spreekt, in dit uur? Wie
twijfelt aan zich zelven, aan zijn zaak, lijdt de nederlaag.” Een doffe
stem sprak langzaam, doordringend die woorden. Zij gingen hem door merg
en been; verschrikt wendde hij zich om. Een vrouw stond voor hem,
dichtgesluierd, lange, grijze haren zwierden haar ordeloos over den rug,
in de hand hield zij een knoestigen staf door een slangenhuid omwonden,
een eikenkrans ritselde om haar slapen.

Rolfr Jarl was stoutmoedig gelijk zijn gansche volk, thans echter
beklemde hem het bovennatuurlijke.

„Wie zijt gij?” vroeg hij ontzet.

„Een der ziensters van het volk, dat eenmaal gehuld in zijn stierenhuid,
de rosse lokken ongeschoren, trad door de wouden van dit land als
meester en heer.”

„Een Druïde alzoo!”

Reeds boog zich de trotsche Jarl aan den voet der witte vrouw.

Zij ontrukte hem verachtelijk den zoom van haar kleed.

„Raak mij niet aan, nietige sterveling! Uw weifelen, uw aarzelende
woorden, hier, op deze plaats den voorvaderen heilig, wekten mij uit een
rust van eeuwen her.

Lafaard! Waad door bloed als het moet, maar bereik uw doel. Zijt gij een
man, die zich zwak voelt op het beslissende oogenblik? Waant gij, dat de
goden zulk een erbarmelijk wezen als gij zijt, zullen steunen?”

Het gezicht van Rolfr Jarl vertrok van woede bij dien smaad, het scheen
een oogenblik alsof hij zich op de vrouw zou werpen, die waagde hem te
beschimpen, gelijk het roofdier zich werpt op zijn prooi. Slechts éen
oogenblik: het ontzag voor de zienster, dat hij met alle Germaansche
volken deelde, bedwong ook hem. Hij, wiens zwaard uit de scheede vloog
bij het minste verzet van bloedmaag of strijdgenoot, deed, wat hij tot
nu toe voor onmogelijk zou hebben gehouden: opnieuw boog hij zich voor
de onbekende, die hem haar verachting tegenslingerde.

„Machtige zienster! Wat eischen de goden?”

Hoe deemoedig klonk die trotsche stem!

„Dat gij uw jammerklachten staakt en gelooft aan uw roeping. Dit is de
eerste eisch tot welslagen. Spreek tot het volk in naam der goden en
zij, de geduchten, zullen u de kracht leeren kennen van het gevleugeld
woord. Bij u berust de macht om de vereering, die zoo velen koesteren
voor dien christenbisschop op den Hohorst, te doen verkeeren in afschuw
en haat. En kiest gij het rechte woord, zoo verschijn ik ter rechter
tijd, wanneer, onverhoopt, de zege u nog dreigt te ontgaan.”

Met de hand wees zij naar het struikgewas. Een jong rund zag hij, de
hoornen omwonden met veelkleurige linten, met kransen omstrikt, door
roode koorden gebonden aan een boomstam. „Het offer aan de goden! Breng
het trouw, naar recht en rede, gebruik en zede der vroede vaderen, opdat
de goden geven goede gaven, zegenen in huis en have, wie verwachten
vreugd en voorspoed van hun wil en macht!”

Haar woorden behelsden alleen een belofte van aardschen voorspoed en
geluk. Maar dat begreep de spreekster evenmin als Rolfr Jarl, die,
terwijl zij met een vluchtig handgebaar verdween tusschen de struiken,
zich voelde aangegord met dubbele kracht. Rechtop stond hij als een
overwinnaar en -- de strijd lag nog voor hem. Door een gebroken wolk
viel het maanlicht op zijn forsche trekken. De landbewoners, die nu in
den kring der eiken traden, zagen tot hem op met schuwe vrees. Zij
gevoelden, dat hij geloofde aan zich zelven en zijn kracht, maar ook,
dat hij zou vertreden en omverwerpen zonder genade of recht wat hem in
den weg stond.

Als machthebbende hief hij de hand op, zijn woorden dreunden, het was of
de geheimzinnige stemmen van het woud ze terugkaatsten met
onheilspellenden klank:

„Ik heb u allen hier geroepen, omdat een geweldige beslissing ons wacht.
Voelt gij hem niet op deze heilige plek: Wodans ademtocht; is het u niet
of een bedreiging klinkt in het geluid van den nachtwind? Kan het
anders? Welk licht lokt en vleit, dwalend over de vlakte, heenschemerend
door de boomen als wilde het u allen wenken tot uw verderf?”

Zijn zwaardspits wees de richting aan, zij zagen allen het licht, dat
blonk op de hoogte, dat straalde in den nacht als een eenzame ster.

„Daar ligt de Hohorst, de heuvel van Wodan! De eeuwen door werd hij daar
vereerd, de machtige, te midden der plechtige stilte van het ruischende
woud. Daarheen riepen de priesters het volk, om het te brengen, als voor
het aangezicht der goden, wanneer de vlammen rezen bij het plechtig
offer hun gewijd.

En thans?

Vergruisd ligt Wodans heilig beeld en wanneer iemand nog hierheen zijn
schreden richt, dan rijst minachting in zijn blik of krult de spot zijn
lippen voor den „heidenschen” afgod! Waar zijn de geloovigen, die in
vroegere eeuwen opgingen met juichend hoorngeschal en plechtige
reizangen Alvader ter eere? Waar zijn zij?

Is het wonder, dat de goden u willen verdelgen, nu gij hen vergeet en de
wereld hen met u? Door wiens schuld? Wie hebben de beelden der goden
verbrand, de menschen, die hun offerden verdelgd van den aardbodem, te
vuur en te zwaard? De Franken! De belijders van den Gekruisigde, de
Evangeliedienaars, gesteund door het zwaard en de speer der machtige
Frankische vorsten. De dooden uit de geslachten, die u voorgingen,
mochten niet meer worden neergevlijd op den houtmijt, als het leven was
gebluscht in hun blik; begraven werden zij op last van den Frank en
ieder lichaam, dat zij de zuiverende vlammen weigerden, droeg de
bloedige litteekens van de felle worsteling, eens door den levende
gestreden, voor de vrijheid der vaderen, voor hun geloof in de eeuwige
goden. De Franken versloegen de vrije mannen, allen. Op last der
dienaars eener leer, welke zij het Evangelie der liefde en der
barmhartigheid noemen, deden zij dat. Een geheel geslacht roept tot u om
wraak en gij aarzelt nog, gij aarzelt?”

Als in razenden hartstocht, gedreven door vlammenden toorn, hief hij de
handen op naar den maanlichten avondhemel:

„Wodan, hoor mij, gij machtige, alwetende! Fosite, rechter der goden en
der menschen richt ook mij! Werp mij Höller, den helgod, voor als aas,
richt uw donderkeil en tref mijn schuldig hoofd, o, Donar, wanneer ik
ooit mijn eed breek! Hoort hem: „Niet rusten zal ik bij dag of bij
nacht, de slaap zal mijn sponde vlieden, spijs noch drank aanraken mijn
lippen, eer ik u heb gewroken aan hen, die zich verbonden tegen u! Weg
met de christenen! Uitgeroeid zullen zij worden als giftig
addergebroed, als het woud, dat opgaat in vuur, wanneer Donar zijn
bliksem slingert in de dichte stammen. Hoort mij, geweldige goden, hoort
mij! Wanneer de vereering voor u is gebluscht in de harten der menschen,
zoo zal ik alleen den strijd wagen, en gij zult mijn arm sterken, opdat
allen erkennen dat gij zijt de machtigste, de hoogste!” Plechtig,
doordringend had zijn stem geklonken, thans zweeg hij uitgeput, maar een
storm van bijval verhief zich onder de ademloos luisterenden, een
loeiende storm.

Wakker geschud hadden zijn woorden de herinnering aan verdrukking en
onnoemelijk lijden, waarvan het verhaal die eenvoudigen was overgeleverd
van geslacht tot geslacht. Hun voorvaderen hadden den godsdienst der
christenen gehaat, omdat die hun was opgedrongen door vreemdelingen,
welke zij vereenzelvigden met de Franken, hun vreemde overheerschers. In
de tijden van verdrukking en vervolging, die aanvingen met den eersten
inval der Denen in de pas gekerstende, nauwelijks tot rust gekomen
landstreken, hadden zeer velen den nieuwen godsdienst vergeten: slechts
met de lippen waren zij belijders geweest -- uit vrees. Het
geheimzinnige waas, dat den naam Wodan omgeven had, bleef zijn invloed
behouden. Nog altijd luisterden velen, zeer velen vol eerbied naar de
overleveringen, die verhaalden van zijn grootheid en wondermacht. Hij
was de Alvader, de wilde jager, die de aarde zegende als hij
voorbijjoeg, gehuld in zijn wolkenmantel, aan het hoofd van zijn
godenstoet, in den bruisenden storm van den lentenacht. Anderen
vereerden de oude goden onder nieuwe namen. Niet Freya’s beeld werd meer
in de Meimaand met bloemen omvlochten; op het altaar van Maria werden de
geurige bloesemkransen gelegd. Alvader heette voortaan God, Höller, de
helgod, werd vereenzelvigd met den duivel der christelijke leer. Slechts
in weinige harten viel het zaad van het zuivere Evangelie, om opwassend
dikwerf te worden verstikt door het onkruid van het bijgeloof. Somber
was de tijd en duisternis heerschte in de harten der menschen.

En thans zou de wereld vergaan om hun afval en redden konden zij hun
bedreigd bestaan, en de wereld bewaren voor ondergang als, als....

O, verwarring van gedachten, o, aarzeling van plannen en wenschen,
gewekt door radeloozen twijfel en doodsangst voor het dreigend, met
iederen dag meer naderkomend gevaar!....

Walger was de eerste die sprak. Met zijn ruwen lach barstte hij los:

„Wat kunnen wij nog verwachten van Wodan? Hij is dood. Als hij leefde
zou hij reeds lang zijn macht hebben getoond. Sinds twee eeuwen is hij
gezwicht voor de christenen. Wat vermogen de dooden? Hij is dood!”....

„Dood!”.... Holle stemmen herhaalden beteekenisvol het ontzagwekkende
woord en het was alsof zij een echo opriepen in de wijde verte, in het
donkere woud.

Rolfr Jarl hief de hand op. Was het een waarschuwing of een bedreiging?

„Dood, zegt gij, Wodan dood? Ja, voor u ongeloovige lafaard, maar
herleven zal hij om u te straffen voor dien hoon!”

„Hoe weet gij dat, edele Jarl?”

„Voor mij, Wodans gunstgenoot, is niets verborgen.”

Zegevierend zag de Jarl in het rond, maar Walgers grove stem antwoordde
spottend:

„Waarom raadpleegt gij dan het offer nog? Ik zie het offerdier reeds
gereed staan.”

„Om zinneloozen, als gij zijt, te overtuigen, om hen te redden van
Wodans vergelding en van Donars wraak.”

Maar weer haalde Walger hardnekkig de schouders op:

„Als gij alles weet, is het u ook bekend of ik nog voor overtuiging
vatbaar ben. Mijn vrouw zegt -- en die wou niet, dat ik hierheen ging --
als de wereld verbrandt, dan doet ze dat, en als ze blijft bestaan, dan
doet ze dat niet. ’t Is alles zooals ’t is.”

„Gij spot met Wodans macht. Hij zal zich wreken!” hernam Rolfr Jarl
gestreng. „Ik zie uw noodlot naderen! Wee u! Wee!”....

Zijn oogen staarden in de verte, afwerend strekten zich zijn handen uit.

Opnieuw opende Walger den mond voor een onverschillig antwoord, maar
verschrikte handen trokken hem terug, het verder spreken werd hem belet
door een stem schor van angst, dof van ontzetting. Een der wachten, die
aan den boschrand op post stond, kwam; bijna kermend riep hij:

„De vlammende roede! Daar is zij weer, dáár!”....

Strakke oogen, met levenloozen blik, zochten den nachthemel, waaraan
opnieuw de gevreesde komeet fonkelde. Ter aarde bogen zich de hoofden,
de handen woelden krampachtig in het stof van den bodem en dezelfde
lippen die, een etmaal te voren, hadden gebeden in de kerk der
christenen, riepen thans tot Wodan om bijstand en redding, met stemmen
onverstaanbaar van vrees en wanhoop.

Een zegevierende glimlach speelde om de dunne lippen van Rolfr Jarl. De
doodsangst van het volk bevorderde zijn plannen....

„Vreest niet! Wodan redt wie op hem vertrouwt! Zijn vlammende speer --
gij ziet haar tusschen Muspelheims vuurvonken -- treft alleen de
ongeloovigen.”

Zijn luide stem klonk boven het kermen en de radelooze kreten der van
ontzetting schier verstijfde menigte. Maar de uitroep van jubel en
verlossing, die hij verwachtte, bleef uit. Kwam het, doordat Henno,
alles vergetend wat de Jarl had beloofd, plotseling, vastbesloten --
legde het vlammende zwaard in de wolken hem zijn woorden op de lippen?
-- stond te midden van het knielende volk.

„Gij kunt beweren wat gij wilt, maar ik geloof in Gods almacht, waaraan
iedere macht der wereld is onderworpen, ook Wodans macht, zooals die
vroeger bestond.”

„Gij zùlt overtuigd worden, willooze twijfelaar. Te laat zult gij uw
aarzeling beklagen! Geen oogenblik blijft gij uzelf gelijk!”

Als het weerlicht, verzengend wat het aanraakt, was de stem van den
Jarl.

„Henno! Henno! nog dezen middag kwam Yglo, uw zoon, tot ons met uw
goedkeuring!”

Bevende stemmen riepen het verbijsterd; allen zagen het vreeselijke
teeken aan de lucht. En weer klonk de stem van Rolfr Jarl met dreunende
klem:

„Vreest niet, gij allen! Ik weet wat Henno denkt. Voor de twijfelenden
met oprecht hart is vergeving bij den Alvader.”

„Alvader moest wel blind zijn, als hij niet zag hoe ieder twijfelt of
slechts uit doodsangst zich tot gelooven dwingt,” mompelde Henno.

Weer scheen een vuurstraal uit de oogen te schieten van den Jarl.

„Uw ongeloof ontvangt weldra haar loon. Het zal Wodan niet zwaar vallen
u te vernietigen!”

Zijn stem overheerschte opnieuw elk geluid, en te midden eener nu
invallende doodsche stilte, trad hij toe op het uit graszoden opgehoogde
altaar. Het waren zeer bleeke gelaatstrekken, die tot hem werden
opgeheven en ieder zijner bewegingen volgden.

„Heer, smeek Alvader voor ons! Wij twijfelen niet langer aan zijn
bestaan!” mompelde een grijsaard, bevend.

Hij begreep niet welk een waarheid hij uitte in gebrekkigen vorm. Rolfr
antwoordde niet. Hoog zwaaide zijn hand het offermes, het lemmet
weerspiegelde den vuurgloed. Als een bliksemstraal schoot het lemmet
door de keel van het met linten en bloemen versierde rund, dof brullend
stortte het stuiptrekkend neer. Onder het uitstooten van
onsamenhangende, op vreemden, half zingenden toon geuite kreten, wroette
de Jarl met het staal in de lillende ingewanden. Langzaam legde hij ze
bloot, een stroom drabbig bloed vloeide neer, zorgvuldig ving hij dit op
in een glinsterend bekken. Onder ademlooze stilte zag het volk hoe hij
de ingewanden nauwkeurig onderzocht. Het was of zijn oogen hierbij
grooter werden, of zij strak werden in hun staren.... Toen boog hij zich
plotseling neer, de handen in vervoering opgeheven, dwependen gloed in
zijn blik:

„Heil u allen, heil! Wodan neemt uw offer aan; de teekenen zijn gunstig!
Buigt u voor hem in het stof, herbouwt zijn tempels, Alvader ter eere!

Wodan, machtige, steun ons, red ons!”

„Welke redding smeekt Rolfr Jarl af van Wodan?”

Hoog klonk de onverwachte stem, die dit vroeg, als kwam zij uit de
hoogte. Zware rookwolken dwarrelden op boven het vuur, en hingen boven
de hoofden der knielenden als een donkere nevel, maar daartusschen blonk
de blanke schittering van een wit vrouwenkleed, breed uitwaaiend, en de
glans van een golvenden, zilverkleurigen sluier. Eensklaps verdeelden
zich de rookwolken, het vuur rees, daalde weer, nu opflikkerend, dan
verdoovend. Het was of uit zijn gloed de vrouw verscheen, die thans
stond in den kring der onthutste mannen. Sneller joegen de polsen,
beklemd werd ieders ademhaling, niemand bewoog zich. Alleen het vuur
knetterde, het offervleesch siste, donker dwarrelde de rook. In een
stilte, aan waanzinnigen eerbied grenzend, zagen allen naar de
onbekende, de gevreesde verschijning.

Was het een der Druïden, der ziensters van weleer, van wie zij bij
overlevering wisten.... Op de vlakte, onder de boomen heerschte doodsche
stilte, zelfs de nachtwind hield zijn adem in, alleen de woorden der
zienster schenen te worden weerkaatst door de echo’s van het woud. De
speren en heirbijlen der opgestelde wachten flikkerden geheimzinnig, en
over de sidderend bijeengedrongen menschen wierp het vuur zijn hellen
gloed.

Al het opgehoopte sprokkelhout had nu vlam gevat, begeerig lekten de
roode vuurtongen naar buit.

„Zonen van Wodan!” -- plechtig klonk de stem der als uit den grond
opgerezen zienster -- „kinderen van den Alvader, hoort wat hij u heeft
te zeggen door mij!”

Een siddering liep door de leden der landbewoners. Vrees voor de
toekomst, de streng door Rolfr van den Ravenhorst gehandhaafde
overlevering, verbonden aan den grafheuvel van Roruk, als plaats van
godsdienstige vereering weleer, het nachtelijk uur en de angst voor het
onbekende, alles werkte mee om den indruk te weeg te brengen, dien de
Druïde verlangde en verwachtte.

„Wodan, gij eeuwige! schenk mijn tong de taal, die haar voegt, om te
verheffen uw eer en uw lof!

Alwijze, gij dreigt met ondergang de aarde en de menschen die afvielen
van u. Dan, als de maat is volgemeten stormen razende reuzen op tegen
den regenboogbrug, den toegang tot Alvaders gouden zaal. Goede geesten
hadden hen gesloten in boeien, zij verbraken die ketenen met hun alles
kneuzende kracht. Dan ontbrandt de felle strijd tusschen goden en
reuzen, een worsteling, waarbij ook de wereld moet opgaan in vlammen en
gloed.

Maar Alvader zal aan zijn zijde voeren, door zijn macht, de goeden en
getrouwen onder de kinderen der menschen. Met zijn hooggehelmde helden
zullen zij kampen tegen de reuzen in de woeste worsteling. En de goden,
de hoogen, de heerlijken, zullen bijstaan de getrouwen, die hen bleven
eeren bij den afval en het verraad eener halve wereld.

Donar, de oorlogsgod, zal nederstormen uit zijn ijsbergen, met dreunend
gedruisch. Miölner, zijn geduchten hamer, dien boozen noch reuzen kunnen
weerstaan, zwaait hij vuurschietend boven zijn hel flikkerenden helm.
Hoort gij niet het rollen der raderen van zijn wagen in het dreunen van
den donder, ziet gij niet den vuurgloed van zijn golvenden baard in het
flikkeren van het weerlicht? Luistert naar zijn stem, machtig,
meesleepend:

„Kracht beheerscht het aardrijk, kracht en geweld. Medelijden, liefde is
zwakheid, onverzettelijkheid zegepraalt in den geweldigen wereldstrijd.

Daarom, laat af van de leer van den bleeken God der christenen, Hij moet
ondergaan, want liefde luidt zijn eisch en slechts kracht kan bestaan!”

Gordt u aan, gij allen, die mij hoort, om te kampen met de goede, de
heerlijke goden, die spreken uit mijn mond. Dan zal, na strijd en
wereldbrand, verrijzen de nieuwe, goudglanzende aarde en daarop zult gij
leven voor altijd, in voorspoed en heil met de goden, wien gij trouw
bleeft, die hoog zullen loonen uw heldenmoed.

Maar de slechten en afvalligen, zij vergaan met de oude aarde en
nimmermeer wordt hun naam genoemd, bij de levenden noch bij de dooden.
Ondergang werd hun vloek, vergetelheid hun deel!”

De onbekende sprak als in geestvervoering, het volmaakte den indruk, die
haar verschijning te weeg bracht. Met verbazing zagen allen hoe de
machtige heer van den Ravenhorst knielend den zoom aanraakte van haar
gewaad, zij zagen de vlammen van het offervuur recht omhoog stijgen, aan
een eerezuil gelijk. Wodan nam het offer aan!

Opgeheven werden de handen, als gedreven door hetzelfde gevoel riepen
vele stemmen:

„Wodan, Wodan! Alvader, u zij de eere, u alleen! Wij aanbidden voortaan
slechts u en vervolgen wie u afvalt en veracht!”

De boomen wierpen trillende schaduwen, omhoog, naar Walhalla wees de
gloeiende vlammenzuil; de stem der onbekende zienster vulde de ruimte:

„Hoort! Hoort! Muspelheims vonken, de sterren, zingen, de goden zeggen
het! U, Alvader, behoort de macht! Gij redt van ondergang en wereldbrand
wie op u vertrouwt! Wie u weerstaat treedt gij onder den voet, de aarde
is u onderworpen, uw kracht zegeviert over uw vijanden! Alles buigt
zich voor u neer en heerschen zal met u tot het einde der dagen, wie
volbrengt uw wil en houdt uw wet! Wee, wee den afvalligen! Heil den
getrouwen, heil duizendvoud!”

Zij had als bezwerend de armen opgeheven bij haar laatste woorden.
„Wodan, kom mij te hulp!” smeekte zij nu zacht, toch drong haar stem
door tot aller hart. Nu strooide haar hand de runen, roode en zwarte, in
smalle stukjes eikenhout gesneden op een wit kleed, reeds te voren door
Rolfr gespreid aan haar voet.

„Urd, Vernandi en Skuld, alwijze Nornen, weefsters van der menschen lot,
wijst mij den weg!”

Zacht gleed haar hand over de runen: „Goed zijn de goden gezind wie het
goede wenscht, het goede volbrengt volgens Alvaders wil! Wodan, Wodan,
heil!”

„Wodan heil!” herhaalden schier al de aanwezigen, de speren werden
geschud, vonken schoten de heirbijlen in den gloed van het vuur,
ontroerd drukten vrienden en vreemden elkander de hand.

Maar toen eindelijk ieders oog opnieuw de zienster zocht, ontdekte
niemand haar meer.

Verdwenen was de witte gedaante plotseling gelijk zij verscheen, als in
den grond gezonken.

       *       *       *       *       *

Vrouw Sigrid zag Rolfr Jarl keeren in den witten maannacht, die de
toppen der boomen verzilverde.

Haar langslepend Druïdekleed, de glinsterende sluier met den ruischenden
eikenkrans lagen nog in een hoek. Verachtelijk schopte zij ze weg, toen
vertrad zij met haar voet den groenen krans en het witte gewaad.

„Zal ik slagen?” prevelden haar dunne lippen. „Zal ik mij kunnen wreken
eindelijk, eindelijk -- op hém?”

Vele jaren doorvlogen haar gedachten, jaren, die voorbij waren gekropen,
gedrenkt in haat en bitter leed. Zij was weer jong, zij zag zich de
speelnoote van Hereswit van Strijen, zij droomde een droom van geluk en
hij, wien die droom gold, reikte Hereswit de hand voor het leven. Toen
huwde zij Rolfr, den Deen. Onverschillig was hij haar, maar hij zou haar
kunnen wreken, hij alleen.

Jaren bij jaren had zij haar dag afgewacht. Zou die thans rijzen?....



HOOFDSTUK XI.


De man, die moedig droeg den last der jaren en de lasten van zijn ambt,
naast een wicht van wijsheid, van meer waarde dan menige van edelsteenen
flonkerende kroon, bisschop Ansfried van Utrecht, was alleen in zijn
eenvoudig vertrek, in zijn nauwelijks voltooid „zendingshuis” op den
Hohorst. Het scheen weinig geschikt als verblijf voor iemand wien het
oppergezag der christelijke kerk was toevertrouwd in de lage landen,
ombruist door de wilde Noordzee. Voor hem, die eenmaal de eerste was
geweest naast den troon van den keizer, wiens gevleugeld woord menigmaal
den doorslag gaf in den rijksdag, evenals zijn machtig zwaard dikwerf
het gevecht besliste, toen hij als graaf van Teisterbant onafhankelijker
was dan de opperste landheer, eer en roem zijn wapens kroonden, de faam
haar lauwerkrans vlocht om zijn schedel.

Thans sierde musiefarbeid de wanden noch beeldhouwwerk de vensternis van
zijn kamer; de vloer prijkte niet met in sterren en ruiten gelegde
tegels; geen gebeeldhouwde zetel stond naast den bronzen disch. Slechts
een enkele plank aan den wand verhaalde van weelde. Daar lagen
latijnsche handschriften opgestapeld, het persoonlijk eigendom van den
bisschop, een zeldzame en kostbare schat.

De vier Evangeliën en een drieledig psalter behoorden er toe, de
Homiliën van Johannes Chrysostomus werden er niet te vergeefs gezocht.
Het Leven van Karel den Groote, door Eginhard beschreven, stond tusschen
de werken van Seneca en Boëthius’ Troost der Wijsbegeerte, daarnaast
lagen de Aphorismen van Hippocrates -- een werk van onschatbare waarde
voor de geneeskunde van den tijd.

Maar de bisschop had geen van die zeldzame kwartijnen van hun plaats
genomen, zelfs de Walthariuslegende noch het epos van Béowulf trokken
zijn aandacht; „De Thebaansche oorlog” van Statius werd niet aangeraakt,
maar op de perkamenten en brieven, waarmee de tafel als bedekt was, lag
„Het boek der voorspellingen,” van Julianus, den Pelagiaanschen bisschop
uit de vijfde eeuw. De echtheid van dit werk werd toen nog geenszins
betwijfeld, maar het schonk geen licht voor de brandende vragen van den
dag....

Met het hoofd in de hand geleund zat bisschop Ansfried neer, vele
oogenblikken. Diepe stilte lag over woud en water, het morgenkoeltje
streek door het geopend venster, de zon deed gouden lichtvonken zweven
over de golven van de Eem. Hij sloeg acht op het eene noch op het
andere. Het was alsof hij het heden vergat, alsof zijn ernstige oogen
niet wat om hem was aanschouwden, maar alsof zij staarden ver in het
verschiet. In het verleden, in dat van zijn eigen leven, wellicht? Hoog
in de kroon der linde floot de merel haar welluidend lied; een flauwe
glimlach speelde om de peinzend geplooide lippen van den eenzamen man,
zijn voorhoofd, dat van den denker en den edeldenkenden mensch,
ontplooide zich.

Zoo liefelijk, even welluidend had ook de merel gefloten op dien
lachenden Meimorgen, -- meer dan veertig malen was de lente sinds
gekomen en gegaan. Met bloesemgeur was de lucht beladen, seringen en
meidoorns vlochten kransen tusschen het struikgewas, de woudduif gaf
kirrend het antwoord aan den jubelzang der lijsters. Wijdgeopend stonden
de donkere poorten van Keulen, de grijze rijksstad, naar buiten
stroomden edelvrouwen en ridders, poorters en nijvere handwerksgezellen.

Naar buiten gingen zij in den lachenden zonneschijn van den wolkenloozen
lentedag, om het blijde Meifeest te vieren met zang en rondedans, onder
den bloeienden meidoorn, nu, na harden wintertijd de aarde was gewekt
tot nieuw leven, de menschen als begiftigd met nieuwen levensmoed. Ook
de leerlingen der vermaarde Schola Palatina mengden zich onder de blijde
menigte. Kenbaar waren zij aan hun gewaad, met eerbied werden zij
begroet, terwijl zij verder gingen in lange, vroolijke rij.

„’t Is een geluk, dat onze aartsbisschop de Kathedraalschool weer heeft
geopend. Die cnapen brengen nog eens wat vertier in de brouwerij,”
merkte een stevige poorter welgevallig aan.

„Gij slijt er tenminste menig tonneke bier door,” antwoordde zijn
metgezel met lichten spot. De dikke brouwer knikte.

„Gelukkig, ja. ’t Is ook wel noodig, dat ons de tasch wordt gestijfd bij
al de troebelen en veeten, waarin wij leven. Wanneer zal er toch eens
een eind komen aan al die oorlogen en plundertochten? Alle handel en
welvaart wordt er door vernietigd.”

„Wanneer alle menschen de goede en wijze dingen doen, die in de
perkamenten staan, zooals de cnapen en clerken, ze nu in de Schola
Palatina leeren, als dat leeren hen brengt tot nadenken en dit hun
handelingen bestuurt. Alleen wanneer de menschen werkelijk beseffen, dat
oorlogvoeren moorden is op groote schaal, zullen zij de schuld gevoelen,
die zij op zich laden, hun krijgsroem verachten en den krijg bannen van
de aarde. En, dat leeren zij uit de perkamenten, waarin de groote
denkers en dichters der oudheid hun edelste gedachten neerlegden.”

De brouwer zag den ernstigen geestelijke, die zich plotseling mengde in
het gesprek, niet zonder schroom aan.

„Ik kan niet goed volgen wat gij daar zegt. Gij zijt zelf ook zoo
geleerd, dat is waar. Zeker nog wel meer dan die beide cnapen daar. Zie,
zij groeten u. Wie zijn dat?”

„Twee van de beste leerlingen der school. Die met de donkere oogen en
het blonde haar zal het ver brengen.”

„Wie is dat?”

„Hij heet Ansfried en is de zoon van graaf Lambert van Leuven en
Teisterbant. Zijn moeder, vrouw Gerberga, is een dochter van hertog
Karel van Lotharingen.”

„Dus behoort hij van moederszijde tot het Fransche koningshuis?”

Vol ontzag staarde de brouwer naar de bevallige, jonge gestalte.

Een heldere straal schoot uit de ernstige oogen van den geestelijke.

„De hoogheid der aarde is hem geen struikelblok, dat hem verhindert den
berg te bestijgen der heiligmaking. Hij draagt het Evangeliewoord in het
hart:

„Wie de meeste onder u wil zijn, zij aller dienaar. Geen wonder, dat hij
de lieveling is van den aartsbisschop.”

„Die is ook erg geleerd niet waar?”

„Aartsbisschop Bruno heet met recht het wonder van onzen tijd. Hij weet
alles wat den mensch gegeven is te weten. Hij is de rechterhand van zijn
broeder, keizer Otto den Groote.

„Gelukkig voor ons, dat die hooge heeren zoo eensgezind zijn,” zei de
brouwer droog.

„De keizer volgt bijna altijd zijn raad. Nu heeft de aartsbisschop heer
Otto den jongen graaf Ansfried aanbevolen. Men zegt, dat de keizer hem
zal meenemen op zijn krijgstocht naar Italië. Het doet mij leed. Niet om
den keizer, die zal zelden trouwer volgeling vinden, maar om de school.
Ansfried van Teisterbant belooft haar roem en glorie te worden. Had de
aartsbisschop dien andere maar aangewezen, maar misschien is het ook
beter niet -- voor heer Otto.”

„Wien meent ge?”

„De jonge Rolfr, die naast hem loopt.”

„Wie is dat?”

„Dat weet ik zelf niet goed. Het is een Deen”....

De brouwer deed ontsteld een stap achterwaarts. „Heer, bewaar ons in
onzen bitteren nood, voor de mannen der grimma hjerna!” als mijn
Friesche moeder altijd zei,” prevelde hij zacht.

De andere glimlachte.

„Wees gerust. Hij is hier maar alleen: niet aan het hoofd eener
Vikingervloot is hij Keulen binnen gezeild. Ook is hij gedoopt.”

„Mijn moeder bad dat altijd als zij iets hoorde van de Denen,” hernam de
brouwer verontschuldigend. „Maar hoe komt een Deen hier?”

„Hij is ouderloos en een verre verwant, ergens in Friesland of in
Kennemerland, laat hem hier opvoeden. Hij moet den Ravenhorst van hem
erven, een groot goed, dat ligt”....

„Op den weg naar Utrecht, daar ben ik eens in de verte voorbij gevaren
met een lading bier,” viel de andere in. „Toen huisden daar in de
bosschen ook al weer die vervloekte Denen. Mijn bier zwolgen zij in, mij
sloegen zij bont en blauw, toen lieten zij mij voor dood liggen. O, dat
gespuis! Dat adderengebroedsel!....” Toornig, vol wrok, balde hij
dreigend de vuist.

„Stil, stil!” hernam de geestelijke vermanend. „Ook wat door de
menschen tot ons komt, komt van God. Kan Hij die beproeving niet over u
hebben gebracht, omdat gij te veel uw vertrouwen steldet op vergankelijk
goed?”

„Teem niet als een oud wijf, eerwaarde!” gromde de brouwer. „Ik zal de
Denen vervloeken, zoolang ik leef!”

Velen deden dit als hij en niet zonder reden. Vermanend fluisterde
echter de geestelijke: „Het is lichter, dat een kemel ga door het oog
eener naald”.... en de brouwer beet zich op de lippen. Hij voelde zich
doorzien. Niet den verdelgers van zijn volk en land gold zijn haat, maar
den roovers van zijn goud en goed.

Met zijn stok sloeg hij naar de meidoorns, met zijn oogen volgde hij de
beide jongelieden, die als aanleiding hadden gegolden tot het gesprek.

Zij hadden hun tred verhaast en waren nu bijna de eersten, die de
landkapel bereikten waar de plechtige „Mei”-dienst zou worden gehouden.

De hagerozen bloeiden, hun bleekroode bloesems waren overal, hun groene
doorntwijgen slingerden door het struikgewas, zij omvlochten ook de
kleine kapel als met een net van bloesempracht en lenteglans. Langs de
bogen klommen zij op, zij tikten met hun groene vingers tegen de
kunstelooze glasrosetten, rood en blauw, blauw en rood, gelegd in
eenvoudige sterren. Purperen en azuurkleurige lichtjes wierpen zij op
den ongelijken bodem. Maar ook over het omhoog geheven gelaat van het
jonge meisje, dat knielde op de blauwe zerken van het kleine bedehuis,
viel hun wemelende gloed. Rein als klokgelui klonk zacht haar stem:

„Heer, leid mij in Uwe waarheid!”....

Zij zag de naderkomenden niet, stil vouwde zij de handen, den blik
omhoog gericht, omhóog.

Als aan den grond gekluisterd stond Ansfried van Teisterbant. Hij zag
niet het blank, zuiver ovaal gelaat, niet de groote donkerblauwe oogen
met hun stralenden blik, hij zag alleen de reine ziel, die blonk uit dat
schoone omhulsel.

Waarheid! Vol listen en lagen was zijn tijd, vervuld met wreedheid en
ruw geweld, de vorsten waadden door bloed om hun heerschzuchtige plannen
te verwezenlijken, de volken trachtten elkander te verdelgen.
Waarheid.... Zij scheen gebannen van de aarde, wie bad haar nog af van
zijn Schepper, wie smeekte om het licht Zijner waarheid? Met vroegrijp
denken begreep de schranderste leerling van de Schola Palatina hoe
anders de wereld zou zijn, indien de menschen de waarheid zochten, haar
liefhadden als een der hoogste gaven hun van God geschonken.

Had hij zelf niet dikwerf gewenscht, vurig begeerd om te bezitten de
macht van het woord, gelijk hij de kracht van het geloof in zich voelde,
om de menschen te kunnen wijzen op het eene noodige: waar te zijn en
goed, God lief te hebben boven alles en hun naasten als zich zelven? Zou
dan de wereld niet als een nieuwe gedaante ontvangen? En de menschheid
zelf?.... Maar, wanneer hij soms schuchter zijn denkbeelden onder
woorden bracht, te midden van den woeligen kring zijner medescholieren,
allen jong als hij, in wier hand eens de macht der aarde zou worden
gelegd, vorstenzonen, hertogskinderen als zij door geboorte waren, dan
ontmoette hij hier glimlachend schouderophalen, daar bijtenden spot. Zij
wezen hem op de kerkvaders, op de geschiedenis van vroeger en later
tijd. Wat was geworden van dwepers en wereldverbeteraars?

„Heerschen door de macht van staal en ijzer, dat is het eenige wat ons
overblijft, Ansfried! Woorden zijn klanken; bespiegelingen slechts
droomen. Wij leven in een ijzeren tijd!”

Meer dan eens was hem dit spottend geantwoord en dan had hij gedacht,
dat wanneer ieder in zijn eigen kring Gods geboden volgde, deed wat zijn
hand vond om te doen, hoe dan de aarde toch anders zijn zou, de menschen
beter.

En thans vond hij hier de zusterziel, die smachtte naar waarheid, die
bad zooals hij gebeden had, sinds zijn vroegste jeugd....

Hij wenkte zijn vriend met hem terug te gaan, hier mocht geen stoornis
zijn.

„Kent gij die jonkvrouw, Rolfr?” vroeg hij, toen zij weer buiten
stonden. Met een vreemden, loerenden blik in zijn diepliggende oogen zag
deze hem aan.

„Het is Hereswit, de dochter van den graaf van Strijen. Haar erfgoed en
het uwe liggen naast elkaar. Dat treft goed.”

Verwonderd zag Ansfried op. Wat meende hij? Wat -- toen hij hem hoorde
mompelen:

„Het geluk bestaat, gelijk uw schaduw bestaat. Grijpen kunt gij haar
noch vatten.” Hij zag Ansfrieds vragenden blik, toen klonk het wrevelig:

„Ik sprak niet van u, erfgraaf van Hoei en Teisterbant. Voor u bestaan
geen schaduwen”....

Hoe vele, vele jaren lagen tusschen dien zonnigen Meimorgen en het
heden! Een weemoedige glimlach speelde om de lippen van den grijsaard,
toch was in zijn oogen een herinneringsblik van geluk. De belofte van
die lente was werkelijkheid geworden: weinige jaren later had hij de
schoone Hereswit van Strijen gevoerd naar zijn hechten burcht te
Casallum, als zijn lieve vrouw.

Maar daartusschen lagen jaren vol onrust en moeite, van zware plichten
en grooter verantwoordelijkheid.

Een ander tafereel doemde voor hem op:

Avondwolken met gouden randen omzoomd dreven langs de lucht, het
flikkerlicht der lange flambouwen verdrong den laatsten schijn van het
daglicht in de gewelfde Romaansche zaal van het aartsbisschoppelijk
paleis te Keulen. Aartsbisschop Bruno zat in zijn hoogen zetel,
geplaatst naast den keizerstroon van zijn broeder, Otto den Eerste.

Banderollen en vlaggen wapperden van de torentin, vroolijk
klaroengeschal klonk op het voorplein, speerknechten waakten in voorhal
en poortgewelf.... Waartoe? Zij behoefden immers geen wachters, de fiere
keizer, de groote kerkvorst, te midden der getrouwen, die hen omgaven.
Ridders hoog van moed, edel van wapen waren het, saamgestroomd uit al de
gouwen van het uitgestrekte Duitsche rijk. Gevolgd door hun stoet van
dienstmannen, stonden zij gereed moedig in ’t harnas te sterven voor de
eer van koning en rijk.

Want een nieuwe krijgstocht werd door heer Otto voorbereid. Over eenige
weken reeds zou hij zijn leger over schier onbegaanbare bergpassen
voeren naar Italië, het steeds oproerige land. Zou zijn tot nu toe
steeds zegepralende krijgsmacht nieuwe overwinningen tegengaan of
wachtte haar wellicht nederlaag, verraad en dood? Bijna geheel het
verscheurde, verdeelde Italië kantte zich thans, zeldzaam eensgezind,
tegen zijn gezag. Hij zou Lombardije eerst moeten onderwerpen, voor hij
tot koning der Longobarden kon worden gekroond en zijn vijanden zouden
dolk noch gif sparen om hem te beletten zich te Rome de keizerskroon te
verwerven, die eens Karel de Groote bezat. Uit den Italiaanschen hemel,
zoo wolkenloos blauw, schoot menigwerf een doodelijke bliksemschicht, en
de bodem met bloemen bedekt, welfde zich boven meer dan een laaienden
vulkaan....

Deed die gedachte menig oog vol zorg staren op de toekomst, die weldra
het heden zou zijn? Legde zij die ernstige wolk over het hooge voorhoofd
van den aartsbisschop?

Zij hadden elkander lief, de beide groote zonen van Hendrik den
Vogelaar, lief van hun vroegste jeugd, toen reeds het jonge, vurige
bloed hen gloeiend naar het hoofd vloeide met droomen van eer en macht,
tot een teere moederhand dien onstuimigen gedachtenstroom leidde in
kalmer bedding, tot niet langer hun hoofd brandde, doch hun hart gloeide
van verlangen om liefde te vinden, om die te winnen van hun volk door
voorbeeld en daad. En thans lag alle aardsche macht in hun hand en zij
besteedden die tot heil van hun land, tot zegen der kerk, tot
ontwikkeling van hun volk en -- veel tegenkanting, veel miskenning werd
dikwerf hun loon.

En nu wenkte de tocht naar Italië met de duisternis van onbekende
gevaren en de bliksemschichten van den haat!...

Ieder feestgedruisch was verstomd in de hooge hallen van het paleis.
Geen harnassen blonken meer half verborgen door met goudborduursel
omzoomde riddermantels. Verstomd waren de tonen van harp en luit. De
bloemfestoenen, liefelijken feesttooi slingerend om pilaren en
vensterboog, hingen verflenst neer; vertreden lagen het dennengroen en
de biezen van den vloer. Stilte heerschte, de nacht gebood.

Maar in de vermaarde librye van den aartsbisschop -- diens liefste
vertrek -- stond een jongeling met gloeiend gelaat voor heer Otto, wiens
heerschersblik een zachtere uitdrukking ontving, terwijl hij rustte op
het van blijde verrassing stralend gelaat.

Want, klonk niet de ernstige stem van aartsbisschop Bruno:

„Mijn broeder, dat is de zanger, wiens schoone stem u trof te midden
van het koor. Ik sta u hem af, mijn meest geliefden leerling, omdat ik
weet, dat gij een zwaarddrager behoeft als hij zich toonen zal. Het is
mij bekend, dat vruchtelooze eerzucht wraakplannen smeedt, die u gelden,
dat list en verraad u omringen. Hij zal trouw zijn bij anderer ontrouw,
waakzaam als ieder sluimert. Spreek, mijn Ansfried, heb ik te veel
gezegd?”

Een blos brandde op het voorhoofd van den jongeling. Daar was een stem
in zijn hart, die pleitte om te blijven, een andere, die hem wees op
zijn plicht, hem dwong tot gaan. De laatste verwon, zijn lippen spraken:

„Mijn heer is zeer genadig. Ik zal doen wat ik kan, zoo waarlijk moge
God mij helpen.”

Welgevallig volgde beider blik hem enkele oogenblikken later, toen hij
het vertrek verliet.

„Verwacht van hem geen groote woorden; zijn daden zullen spreken, hoe
jong hij ook nog is. Hij zal groot en aanzienlijk worden, omdat hij de
macht slechts begeert om het goede te kunnen doen,” sprak de
aartsbisschop eindelijk.

Zijn broeder drukte hem de hand:

„Ik dank u voor wat gij mij afstaat. Gij geeft mij véél.”

Zijn menschenkennis -- van menige bittere ervaring de vrucht -- zou heer
Otto ook ditmaal niet bedriegen, maar in de welgevulde leerzaal der
Schola Palatina verwekte het nieuws, dat Ansfried was gekozen om den
koning als zwaarddrager te vergezellen op een reis, die dezen de
keizerskroon schenken moest, geen geringe opschudding. Zoowel
toekomstige legeraanvoerders en vorsten, als aanstaande hooge
geestelijken onder de scholieren, verdrongen zich om het nieuws te
hooren. Want de kathedraalschool vormde beiden: Ovidius en Cicero werden
er gelezen, maar ook de Kerkvaders.

Het was of dezelfde toekomst allen wachtte als zij in koor hun stemmen
vereenden tot een statig psalmgezang. Toch hield de aanstaande ridder,
die zich eenmaal geharnast zou werpen in het dichtste slaggewoel, de
hand aan het gezangboek tegelijk met een vriend, wien het kerkelijk
leven wachtte. Maakte die tweeledige opleiding de laatsten evenzeer
geschikt voor een gewichtige staatsbetrekking? Want mannen van de daad,
die hun tijd noodig had en die hun tijd begrepen, vormde de Schola
Palatina. Zij verlieten het altaar voor het slagveld, die wakkere
kerkvorsten, of verwisselden de ernstige kapittelvergaderingen met een
luidruchtigen rijksdag. Zij verklaarden hun leeken het Evangelie en
drongen hen de hand aan den ploeg te slaan -- in werkelijken zin. De
handel werd door hen beschermd en aangemoedigd, zoover als het mogelijk
was in die onrustige eeuw; burchten en sterkten werden opgericht ter
beveiliging van hun gebied. Aartsbisschop Bruno gaf hierin het
voorbeeld. Zijn practische blik -- een gave door slechts weinige geniaal
aangelegde naturen met hem gedeeld -- had hem ook ditmaal gevoerd tot de
keus met zooveel verbazing of ijverzucht door alle scholieren vernomen.

Terwijl de vragen en antwoorden elkander kruisten, hier werd gefluisterd
van vorstengunst, en van krijgseer of hofglans elders, was er een enkele
stem, die zich niet mengde in het luidruchtig koor. Zijn eigenaar bleef
gebogen over een perkamentrol. Het scheen, dat ingespannen, geestelijke
arbeid hem geheel in beslag nam. Het was een gelaat, dat zich niet
gemakkelijk doorgronden liet. De wenkbrauwen vormden bijna een enkele
streep op het breede voorhoofd. Van ingehouden hartstocht beefde het om
de hoeken van den mond. Een beschroomde, jonge geleerde scheen hij, in
zich zelf verzonken, in zijn werk verdiept. Doch toen een vroolijke,
jonge Rijnlander hem een slag op den schouder gaf, met een half lachend,
half spottend: „Rolfr, wat zeg jij van de zaak? Ben je de eenige, die
Ansfried niet benijdt? Verdiept ge je daarom zoo vol ijver in de
Homiliën van Chrysostomus? Als het Ovidius nog was, maar die grommige
strafredenaar!”.... Toen werd eensklaps het gebogen hoofd opgeheven, de
oogen met hun ondoorgrondelijken blik zochten den veel benijden jongen
zwaarddrager en in hun diepten gloeide het van wrok.

De Rijnlander barstte uit in een schaterenden lach:

„Dat lijkt weinig op vriendschap! En Ansfried is nog wel je kamergenoot
en je waart altijd samen te vinden!”

„Ik wensch hem gaarne al het geluk, dat hij verdient. Wie de lieveling
der vrouwen is, moet ook wel die der goden zijn,” klonk het bitter terug
en om den mond van den spreker beefde het opnieuw van hevigen, nauw
onderdrukten hartstocht. Verwonderd trad Ansfried op hem toe:

„Rolfr, heer Otto heeft meer getrouwen noodig, zal ik je ook aanbevelen
in zijn gunst?”

Norsch stiet Rolfr de hand terug, die de zijne zocht.

„Mijn daden zullen mijn aanbeveling zijn, de uwe heb ik niet noodig!”

Toornig stormde hij heen. Plagend riep de jonge Rijnlander hem na:

„Lees de invectieven van Gregorius er nog eens op na. Je zult er
schimpwoorden genoeg in vinden, als je daar Ansfried liever mee
verblijdt dan met een gelukwensch!”

Er volgde geen antwoord, maar de kloof dien dag ontstaan tusschen
Ansfried van Teisterbant en Rolfr „den Deen”, zou nimmermeer worden
overwelfd, verbreed wèl....

       *       *       *       *       *

Een ander beeld uit het ver weleer:

Weer waren vele maanden voorbijgegaan. De zware tocht over den Brenner
was door Otto den Groote volbracht. Gevaren hadden hem omringd; hij had
ze overwonnen. Iedere strijd had hem nieuwe zegepraal geschonken. Thans
rustte de ijzeren kroon der Longobarden op zijn hoofd, thans wenkte hem
de keizersdiadeem van Karel den Groote. Morgen, over weinige uren reeds,
zou zij neerdalen op zijn golvende lokken, dit symbool der hoogste,
aardsche macht. In de stilte van den nacht bad de jonge heerscher in het
kerkgebouw, dat het stof van den Apostel Petrus bewaarde, om kracht
voor de hooge plichten, onafscheidbaar van de uitgebreide rechten, die
hem zouden worden toevertrouwd.

Donker was het in het, door marmeren zuilen geschraagde bedehuis, de
eenige, altijd brandende lamp gaf slechts een flauwen schijn. Haar licht
deed de duisternis nog meer uitkomen, die heerschte in de hoeken en als
scheen op te klimmen naar de gewelven, schitterend van zilveren
arabesken en kostbaren mozaïekarbeid. Door een gebroken wolk gleden de
stralen der maan naar binnen. Aan den nachtelijken hemel waakten de
gouden sterrenoogen over het sluimerende Rome. Zagen zij wat gistte en
woelde in de groote stad? Het verraad, dat den dolk ophief in het
duister, de trouweloosheid, die haar offer zocht, de blinde eerzucht,
bereid anderer leven af te snijden ter bereiking van eigen doel? De
gouden sterrenoogen waakten.... Zij niet alleen. In gebed verzonken
knielde koning Otto, God, Die hem had gesteld op zijn hooge plaats,
smeekend hem een heerscher te doen zijn naar Zijn wil, hem in staat te
stellen de rechten zijner volken te handhaven, hun vrijheden te bewaren
voor iedere aanranding. Omhoog geheven was zijn blik, omhoog. Nooit zou
de keizerskroon schitteren boven edeler voorhoofd, noch het purper van
den Cesar zich hebben geplooid om vorstelijker gestalte. Nooit had het
volk van Rome fierder heerscher begroet....

Met een warm gevoel, waarin liefde zich aan eerbied paarde, dacht dit
de jongeling, die kloek, rechtop stond achter den knielenden vorst. Een
ontbloot slagzwaard blonk in zijn hand, onbeweeglijk hield hij het
uitgestrekt boven het hoofd van den in het gebed verzonken heerscher.
Want nog schuifelde de adder onder de bloemen van het weelderige Italië,
nog dreigde een bliksemschicht uit de effen blauwe lucht. De adder van
het verraad, de bliksems van den haat, zij zochten hem, die was geroepen
om den keizersschepter te voeren. Daar werd gemompeld van een
samenzwering, die het verijdelen der kroning beoogde, daar werd
gefluisterd, dat „de koning der Duitschers” het gebed niet ten einde zou
brengen aan Petrus’ graf. In navolging van Karel den Groote was hij
verplicht, dat te verrichten in de kerk der Apostelen, wilde hij zich
als diens opvolger zien erkend.

De groote Karolinger gold nog steeds als de heros van de roemrijkste
historie zijner volken. Iedere belofte van geluk, die het leven voor de
toekomst schenken kon, vlocht zich bij de toenmalige menschheid ineen
met deze herinnering aan het groot verleden. Daar waren er nog zeer
velen, die geloofden aan de wederkomst van „keizer Karel”, dien sage en
legende reeds omvlochten met hun nimbus. Een nieuw rijk zou hij
stichten, waarin vrede en gerechtigheid zouden heerschen, eer de ure
aanbrak, welke het einde zou zien van al wat behoorde tot de aarde. Want
het gerucht deed de rondte, reeds toen, hier aangehoord met heftigen
angst, daar ontvangen met ongeloovig schouderophalen, dat de groote
wereldbrand, de ondergang van al wat ademde zou plaats hebben in het
eerste jaar der komende eeuw.

Maakte die gedachte het gebed van heer Otto zoo ernstig, zoo langdurig?

Gevoelde hij geheel den omvang der zware plichten die hem wachtten: tot
het keizerlijk purper geroepen in zijn tijd?

In schemerschijn gehuld lagen de diepe gewelven; al het licht scheen
zich samen te trekken boven het gebogen hoofd van den knielenden vorst,
boven de zwaardspits van den jongeling, die stond en voor hem waakte.
Deed Ansfried dit inderdaad? Of dwaalden een oogenblik zijn gedachten
ver weg naar den groenen Rijnzoom, naar de woudbeschaduwde landkapel
dicht bij het grijze Keulen? Hij had haar teruggezien, de slanke
Hereswit van Strijen, meermalen, tot hij eindelijk, weinige dagen voor
hij optrok met het leger, zich wendde tot haar vader: „Uw dochter is
mijn levensgeluk, weiger haar mij niet!”

In spanning wachtte hij, de beslissing vreezend. Maar een welgevallige
glimlach krulde de trotsche lippen van den graaf Van Strijen:

„Toon u het vertrouwen waardig, dat heer Otto in u stelt, en, na het
einde van zijn tocht naar Italië, wacht u mijn dochter als bruid!”

Dacht hij aan die belofte, aan de zon van het leven, die zou opgaan voor
hem, waarvan hij reeds de stralen zag rijzen? Vergat hij daarom het
heden met zijn strengen plicht?

Niemand scheen aanwezig in het eenzaam gewelf, nog waren de deuren niet
geopend, nog was het uur niet daar voor den plechtigen dienst, die
geheel de bevolking van Rome zou zien toestroomen.

Niemand bewoog zich. Heer Otto bad, zijn zwaarddrager droomde....

Toch: er ritselde iets tusschen de pijlers, een voetstap sloop nader met
langzamen, schuifelenden tred, in blauwen staalgloed glinsterde een
hooggeheven dolk....

„Sterf!” Het snijdend uitgesproken woord was gericht tot den koning, de
dolk werd gezwaaid boven zijn hoofd, twee oogen waarin het gloeide van
een verterend vuur zochten de plek, bestemd voor den doodelijken stoot.
Met een rauwen kreet ontwaakte Ansfried uit zijn droom.

Zijn eene hand greep den uitgestrekten arm van den sluipmoordenaar, zijn
zwaard wondde hem in het gelaat....

„Vervloekt!” Schor klonk het; maar ondanks den sluier, die de trekken
van den aanvaller onzichtbaar maakte, het geluid dempte, meende Ansfried
de stem te herkennen....

„Rolfr!” stiet hij uit. Twee gloeiende oogen boorden in de zijne door de
openingen in het sluierdoek. Een worsteling volgde, slechts enkele
oogenblikken, toen ontrukte zich de aanvaller met de kracht der
vertwijfeling aan zijn greep, toen werden de deuren geopend en begonnen
de klokken te luiden. De bevolking van Rome stroomde binnen voor den
plechtigen dienst en in de verwarring liet men den moordenaar
ontsnappen. Waren tijd en uur van aanval te voren bepaald? Daar liep zoo
menig gerucht....

Maar nu juichte het volk den redder toe van den nieuwen keizer en deze
dankte hem met blik en woord....

Het eerste morgenlicht deed den glans der sterren verbleeken, de
rijzende zon bescheen een stad, badend in luister en glans; de
kroningsstoet werd opgesteld in feestelijke praal.

Maar in de tent van heer Otto knielde een jongeling, wien de bitterste
tranen in de oogen gloeiden, tranen van smart, van schaamte over zich
zelven.

„Heer, gij hebt mij lof gebracht, maar uw vonnis verdien ik. Ver af
dwaalden mijn gedachten, terwijl gij uw leven hadt toevertrouwd aan mijn
waakzaamheid. Niet de daad alleen maakt schuldig. Leg mij de boete op,
die ik verdien en dan.... dat God mij genadig zij!”....

In een gesmoorden snik eindigden zijn woorden. Hij zag in den geheelen
omvang de gevolgen, die zijn verzuim na zich had kunnen sleepen voor het
leven van den vorst, voor het bestaan zijner volken.

De groote schuld en het vluchtig verzuim, de gevolgen afgewend door
Hooger hand, doch de schuld gebleven....

Maar heer Otto hief de in het stof gebogen gestalte op, een milde glans
lichtte over zijn heerscherstrekken:

„Deze schuldbekentenis delgt uw schuld. Wie zijn vergrijp durft
bekennen is een held, wie geen vrees voor de gevolgen doet afwijken van
de waarheid, werd door God begenadigd. Sta op! Voortaan zal uw tent
tegenover de mijne worden geplaatst in het legerkamp, want zelfs wanneer
allen mij mochten begeven zult gij trouw blijven, omdat gij waar
zijt.”....

       *       *       *       *       *

Weer een ander beeld:

Reusachtig rees, niet ver van Roermond, boven het laag golvende
heideland de burcht Casallum. Hecht en hoog verhieven zich zijn
torentransen. Ver zagen zijn vensters, als trouwe wachters, over het
omliggende land. Een landstreek, waarin rust en veiligheid heerschten,
bij al het krijgstumult en de verdeeldheid van rijken en staten
onderling, die de wereld in vlam dreigden te zetten.

Graaf Ansfried van Teisterbant gebood hier als heer, doch geen symbool
van heerschzucht was zijn slot met den versterkten toren en de breede,
dubbele gracht. Wijd werd de voorpoort geopend voor ieder, die hulp
behoefde; de harnasschoen der speerknechten dreunde slechts op de brug,
wanneer de grenzen werden bedreigd van het uitgestrekte graafschap.

Hier gold het woord, dat de reiziger, die zijn goud verloor, het een
jaar daarna op dezelfde plaats onaangeroerd kon terugvinden; dat geen
koopman het geweld der roofridders had te duchten: onbezorgd kon hij
zijn handelswaren verzenden langs heirweg of stroom. Graaf Ansfried
heerschte door recht; zijn schoone vrouw, gravin Hereswit, deed het
door liefde. Voor haar waren de menschen niet verdeeld in heeren en
slaven, zij beschouwde hen als pelgrims reizend naar één Vaderhuis. Het
beeld der eerste christengemeente, waarvan de leden kwamen en wat zij
bezaten legden aan de voeten der Apostelen, werd haar ideaal. In haar
huis waar geloof en liefde de richtsnoeren waren van gedachten en daden,
heerschte de vrede, welken de wereld niet kent, doch dien zij te midden
van haar zorg en onrust voor wat vergankelijk is, benijdt en --
vruchteloos zoekt.

„Kon zooveel geluk, steeds beschenen door de voorspoedszon, van langen
duur zijn?” Soms vroeg „de heer van vijftien graafschappen” -- gelijk
graaf Ansfried werd genoemd, -- zich dit af, wanneer hij zijn levenslot
vergeleek met dat van veel, zéér veel anderen. Vooral bij vroegere
studiegenooten wijlden vaak zijn gedachten, bij dien eenen niet het
minst, dien hij voor het laatst had gezien in de schemering van een
kerkgebouw, den opgeheven moorddolk in de vuist. Met een huivering
herinnerde hij zich steeds dat vreeselijk oogenblik, tot de
onbeantwoorde vraag rees: Wat werd van Rolfr, „den Deen”? Behelsde het
gerucht waarheid, dat hij was gezien op een Vikingervloot, dat hij
opnieuw Thor den beker plengde en zwoer bij Odins speer, in vlammen deed
opgaan de kerken, waarin hij vroeger had gebeden?

Het werd verhaald op een rijksdag, waar de keizer, gekroond met roem en
eer, omstraald door geheel zijn vorstelijken luister, door de
keurvorsten omstuwd, zat op zijn troon; waar de vrije ridders kwamen,
evenals de rijksgraven, aan het hoofd van hun stoet, waar harnassen
schitterden en de hooge geestelijkheid verscheen in statig plechtgewaad.
En daar was het, dat allen luisterden naar het woord, van den heer der
„vijftien graafschappen”, naar zijn raadgevingen, hoe het best een
nieuwen inval der Noormannen, in de Rijnstreek, te weerstaan, beraamd --
naar werd gemompeld -- door den geduchten Viking, Rolfr, wiens naam
slechts werd geuit met een rilling van afschuw of een verwensching. En
toen, na het zegevierend einde van den geduchten krijgstocht tegen de
vermetele zeeschuimers, graaf Ansfried oorlof vroeg van den keizer, meer
zijn vriend dan zijn heer, en terugkeerde naar zijn bezittingen, die hij
terugvond aangevallen, verarmd, doch geheel uitgeplunderd, uitgemoord
niet, en hij zijn vrouw zag, bloeiend als hij haar verliet, terwijl zijn
dochtertje hem tegentrippelde met rozige wangen en zonnige oogen, vond
hij zich toen niet opnieuw gezegend boven duizenden? Niet over een pas
gedolven graf, het stof bevattend, van een hem dierbaarder dan eigen
leven, voerde zijn weg naar huis.

Stoffelijke verliezen had hij geleden door den inval der Denen, zijn
vrienden wendden zich tot hem met deelnemend woord.... Waarom? Het
kostbaarste was hem immers gebleven. Daar was geen leege plaats in zijn
hart....

Met purperen rozen was zijn pad bestrooid, zijn levensbeker schuimde van
kristalheldere druppels; maar onder bloemen schuifelt de adder en in
den doorzichtig klaren drank schuilt vaak gif -- niet onder den stralend
blauwen Italiaanschen hemel alleen.

Eenige weken waren voorbijgegaan. De avondwind klaagde om de hoektorens
van het kasteel; alleen, in zijn bijzonder vertrek, bevond zich de
burchtheer.

Een perkament met roode koorden omstrikt, voorzien van het groote,
afhangende keizerlijk zegel, lag ontrold voor hem op den eikenhouten
disch. Een woord van hulde, hem gebracht door heer Otto, met den dank
van het rijk voor zijn krijgsbeleid, zijn moed in de zware dagen, nog
zoo nabij voor ieders ontstelde herinnering,... een nieuwe schenking van
land en goed....

„Waartoe zooveel zegen? Mijn God, wie ben ik, dat ik dit verdien? Deden
niet allen hun plicht van den geringste tot den hoogste? Wat verrichtte
ik meer?”

Deemoed overmeesterde hem terwijl de menschen hem verhieven, de
levensrozen voor hem geurden.... Toen schuifelde de slang....

„Edele heer, vergunt gij ook uw nederigen dienaar een gelukwensch?”

Een vleiende stem lispelde het woord. Met den avonddronk kwam Diederik,
sinds enkele jaren zijn hofmeester. Het gezicht van dien man stond hem
tegen, maar Hereswit had hem aanbevolen. Arm, uitgeschud, gebroken door
het leven, had hij eens haar bescherming ingeroepen en bekwaam bleek hij
voor de taak, die hem werd toevertrouwd. Ook ditmaal stond hij in
nederige, bescheiden houding -- afwachtend. Zijn heer nam den beker, met
welwillend woord, om er terstond op te laten volgen:

„Waar is de gravin?”

Hereswit was altijd de eerste, die hem tegemoet trad bij vreugde of
rouw. Zij was, zij bleef de eerste voor hem; thans miste hij haar
gelukwensch.

Een geheimzinnige uitdrukking gleed over Diederiks trekken:

„Mevrouwe bidt in de kapel bij de rivier, zij bidt daar dikwijls heer,
in den laatsten tijd. Zeer dikwijls.”

Een sluwe blik begeleidde zijn woorden, een ernstige het antwoord:

„Voegt het u zoo te spreken van de gravin, die uw redster is geweest?”

„Ik ben mevrouwe dankbaar, maar, mag ik daarom der waarheid te kort
doen?”

Twee oogen zagen hem aan, waarschuwend, doordringend:

„Wat wilt gij zeggen? Er ligt een bedoeling in uw woorden? Spreek!”

In zijn hart klonk het:

„Wat kan Hereswit bewegen zoo laat en in ’t geheim haar huis te
verlaten? Heeft zij verdriet, dat zij verbergt?”

Hij dacht er aan, dat geen zoon hun was geboren, zij leden er door, maar
zij leden samen.

Maar de oogen van zijn dienaar kregen weer dien zonderlingen blik. En
plotseling kwam een vreemde gewaarwording over hem, gelijk hij eens had
gevoeld in Italië, toen de bodem onder hem wankelde. Het was of een
nevel voor zijn oogen kwam of iets hem werd ontrukt, dat hem dierbaarder
was geweest dan eigen leven. Donker werd die nevel -- nacht. En te
midden der duisternis, verstikkend, beklemmend, drongen woorden tot hem
door zonder samenhang, vol ontzettende beteekenis toch. Woorden, die
behoorden tot den nacht.

Maar hij beheerschte zich, wees den dienaar terug met een gebiedend:
„Zwijg! Ga!”

Zoo straf had tot dusver nooit een woord geklonken van zijn lippen. En
Diederik ging onderdanig, sluipend, maar hij glimlachte toen zich de
gesloten deur bevond tusschen zijn heer en hem.

Deze was alleen achtergebleven, alleen. Verbijsterd zag hij om zich, als
wezenloos. Een rilling liep door zijn leden, het was of hij van zich
schudde wat hij had gehoord, wat hij niet gelooven wilde, nu niet,
nòoit. Hereswit zoo open, zoo waar....

Gaan mocht zij waar zij wilde, hij zou haar laten bespieden noch volgen.
De kleine zijpoort zou nu evenmin worden afgesloten als te voren, --
evenmin. De ridder met gesloten vizier, gezien door de landlieden, door
het burchtgezin, toen hij streed ver van huis, hij zou vragen naar zijn
naam noch blazoen, eer deze dit zelf bekend maakte. Ongehinderd zou hij
de kapel kunnen binnentreden als te voren, ook wanneer zijn vrouw daar
bad -- alleen, in den nacht.

De duisternis was om hem, de wind loeide. Het scheen hem of zijn keel
werd dichtgeknepen. Bleef hij daarom zwijgen, zwijgen ook toen hij meer
dan een uur later de witte gestalte zag, zoo rank, zoo schoon, die ging
door de kleine zijpoort en stil den voorhof betrad....

Hij verried met geen enkelen klank wat schrijnde in zijn borst met
knagende, ondraaglijke pijn, maar het gif van het wantrouwen werkte. Hij
begon Hereswit te bespieden, aan ieder woord, elk gebaar schonk hij
beteekenis. Hij vond haar anders dan te voren. ’s Nachts stond hij aan
het venster, wakend, met bonzende slapen en dan zag hij haar gaan door
de kleine zijpoort en dan zag hij haar terugkeeren bij den eersten,
bleekrooden schijn van den rijzenden dag. De schroeiende pijn, als van
een brandwond, verliet hem geen enkel oogenblik, bij dag noch bij nacht
-- maar hij zweeg.

Toen klonk de lispelende stem opnieuw:

„Heer, kort recht, goed recht! Is het ditmaal geen plicht uw eigen
rechter te zijn? Behoort gij niet te waken voor de eer van uw naam, als
anderen die vergeten?”

Een handbeweging wees den hofmeester terug, maar opnieuw alleen gebleven
streek hij zich de klamme druppels van het voorhoofd. Ja, het was zijn
plicht, zijn ijzeren tijd wrong hem het wapen in de vuist; zou hij
echter ooit kunnen vergelden wat hij zelf had doorgeleden? Feller dan
een dolkstoot wondt trouweloosheid.

Hij zag Hereswit gaan, opnieuw gaan en hij volgde haar langzaam, zonder
omzien of aarzelen. Langs het eenzame veldpad begaf hij zich naar den
boschrand, die zwart scheen in de schaduwen van den nacht.

In de verte schemerden de golven der rivier. Daar waren de schaduwen
minder dicht, daar verrees met muren, wit glinsterend in de duisternis,
het nederige kerkje, half verborgen onder het breede kroongewelf van een
eik, in wiens ruwe schors vervlogen eeuwen hun stempel drukten.

De nachtelijke nevel werd uiteengevaagd; dooreen drijvende wolk viel de
zilverschijn der maan. Zij goot haar licht door de geopende kerkdeur,
over de witte gestalte, die nu zacht over den drempel trad. De man, die
roerloos stond, tusschen het struikgewas, smoorde een kreet, waarin
woede, wanhoop en hartstocht samensmolten. Met een ruk trok hij zijn
zwaard, zijn oogen zagen in de leegte, toen hij het boschpad afstormde,
dat hem scheidde van zijn wraak.

Wild sloeg de deur open, het zwaard zocht zijn doel: het hart van een
mensch en -- werd teruggetrokken, de vlijmende spits omlaag.

Voor het altaar knielde een vrouw. Haar gelaat was omhoog geheven. In
zacht gebed bewogen zich de lippen. De blanke luister van het maanlicht,
dat door het kleine venster viel, scheen terug te stralen van haar
voorhoofd.

Zoo als zij had gewis ook eenmaal Hanna gebeden in Jeruzalems tempel...

[Afbeelding]

De man, die kwam met dood en vergelding in het hart, stond bewegingloos,
minutenlang. De wolk van bloed, die zoo vele weken had geschemerd voor
zijn oogen, werd uitgewischt door het licht, dat neergleed uit den
hooge. Het was of zijn eigen ik hem ontzonk. Hij zag alleen de bleeke
vrouw, die aan den vluchtenden tijd, aan zich zelve ontvoerd, bad, als
aanschouwde zij reeds de zaligheid van het eeuwige land harer
onsterfelijke toekomst.

Hij durfde haar bijna niet aanzien; hij waagde niet zich te bewegen. De
haat, het wantrouwen, de ijverzucht, zoo lang door hem gekoesterd, hoe
verdwenen zij nu voor de werkelijkheid, als de nachtelijke nevelen voor
het licht, dat thans blonk door de donkere wolken, ze omzoomde met
zilveren glans. Geen onrustige flikkerschijn van purper en blauw, van
flonkervolle regenboogstralen: alles sereen en puur -- als de in het
witte kleed gehulde, in het gebed verzonken vrouw, wier woorden en daden
steeds voor hem waren geweest doorzichtig als glas, en die hij had
verdacht in zijn ijverzucht van een laaienden hartstocht, donker als de
nacht, waarop geen hemellichten hun helderen glans laten vallen.

Zijn geweldige, harde tijd had hem het wapen gewrongen in de vuist; het
was zijn goed recht, het was hooge plicht zijn gehoonde eer te wreken,
snel, onherroepelijk te wreken.

En thans -- het ontbloote zwaard -- schrille tegenstelling met den
gewijden vrede, dien het verbrak, ontzonk de saamgenepen vuist, die het
voerde; kletterend rinkelde het neer op de groote steenen van den bodem.
Op dezen wanklank der aarde wendde de knielende vrouw langzaam het hoofd
om. De blik harer oogen scheen hem een azuren wonder. Als een zachte
ademtocht klonk haar verwonderde stem:

„O, wat is dat! Waarom een wapen hier?”

Hij boog het hoofd op de borst, boog zich voor zijn jonge vrouw met haar
kalme onschuld-oogen, voor haar, die stond in het volle licht.

„Dood mij! Gij hebt er het recht toe! Ik”....

Onsamenhangend beefden hem de woorden van de lippen, die haar
verhaalden, hoe diep gezonken hij haar had geloofd.

Zij luisterde zwijgend, met, o, zulk een droevigen trek om den kleinen
mond!

„En dat hebt gij kùnnen gelooven! Gij kent mij toch, zooveel jaren
reeds!”

Het gif van argwaan en ijverzucht werkt snel, hij wist het thans. Het
was of het nu licht werd voor zijn blik. Ook hij trad uit de duisternis
-- nog niet volkomen.

„Ik zal u wreken met bloedig, snel recht. Diederik boet met zijn leven
zijn schuld, nog vóór de dag aanbreekt!”

Welke oogen zagen hem aan, oogen vol hemelglans!

„Indien hij waarheid had gesproken, was het uw recht geweest mij te doen
boeten met den dood; nu is het mijn recht hier te beslissen. Er staat
geschreven: „Wreekt uzelven niet!”

Stil boog zij het hoofd, in haar oogen lag een gebed. Hij wist, dat zij
genade afsmeekte voor den man, die haar meer had pogen te ontnemen, dan
het leven alleen.

„Mijn lelie, het is te veel!”

Zijn stem beefde, hij zag tot haar op als tot een hooger wezen, ver
verheven boven alles wat behoorde tot de aarde.... Maar haar glimlach
welsprekender dan een woordenstroom, herhaalde: „Genade!”....

En het geschiedde naar haar wil. Maar toen hij Diederik ontsloeg zonder
een woord van verwijt, hem alleen zeggend aan wier voorspraak hij zijn
verachtelijk leven dankte; hem alleen de waarheid afeischend, wat hem
had gedreven tot zijn daad, toen klonk het hem tegen in een angst, te
wanhopig om naar nieuwe uitvluchten te kunnen zoeken:

„De Deensche aanvoerder, die hier plunderend het land afliep, toen gij,
heer, streedt aan den Rijn, gaf mij goud, veel goud op voorwaarde”....

Het heete bloed steeg graaf Ansfried opnieuw naar de bonzende slapen.
Rolfr, altijd Rolfr! Hij had ook eenmaal gedongen naar de gunst der
schoone Hereswit van Strijen -- vruchteloos. Sinds zocht hij zijn wraak.
Zou die thans voldaan zijn of....

       *       *       *       *       *

Opnieuw waren vele jaren opgeteekend in de geschiedrollen van het
verleden. Aan een stormenden springvloed gelijk bleef het onrustige
jaarhonderd. Veel krachtsinspanning vorderde het van denkende hoofden en
moedige handen, van graaf Ansfried bovenal. Raadsheer van den keizer,
veldheer in den slag, beslechter van meer dan één twist tusschen
naijverige prelaten... het leven stelde hem zware eischen. Doch hij
telde geen moeite, geen dagen van onrust, geen weken van strijd of
overwinning, van bezwaren of nederlaag. Als hooge plicht lag het leven
voor hem. Hij wist wie hem den weg gewezen had.

Maar eens, toen hij opnieuw terugkeerde, na maandenlang afzijn hijgend
naar rust, naar huis, toen vlamde de avondlucht donkerrood, als laaiend
van wreede zegepraal, daar waar de torenspitsen van zijn slot zich
ophieven aan den horizon. Hoog rezen en daalden de vlammen met den gloed
van een smeltoven. Tot wilder ren spoorde hij zijn paard. Zijn ridders
en speerknechten volgden hem als in wedloop met den wind en toen zij
eindelijk Casallum bereikten, eindelijk! -- in slechts weinig minuten
was het laatste gedeelte van den weg afgelegd, maar dat korte
tijdsverloop besloot het leed van jaren -- toen vond hij zijn vrouw met
Benedicta, zijn oudste dochter, handenwringend om het verlies der
jongste. Gisela was in de vlammen omgekomen, maar vruchteloos werd haar
lijk gezocht....

Wie droeg schuld aan de nieuwe misdaad? Een puinhoop was Casallum nu. Of
was alleen een ongeluk oorzaak van de ramp?

Weer vlogen zijn gedachten naar Rolfr, den Deen. Rolfr Jarl, luidde
thans zijn naam. Hij was de zwaardgenoot geweest van een der Noorsche
koningen, vele jaren, bij menigen woesten krijgstocht. Dat schonk hem
dien titel. Doch sinds eenigen tijd bezat hij de goederen van zijn
bloedverwant. Toen had hij zich laten doopen en de nieuwe keizer, wien
de kracht en onverschrokkenheid van Otto den Groote vreemd waren,
begeerig om een geduchten Viking te herscheppen in een gehoorzamen
onderdaan, had vergeten en zijn hulde en manschap aangenomen.

Thans leefde Rolfr Jarl op zijn bezittingen eenige uren van Utrecht,
maar er werd gemompeld, dat het beeld van Odin met de opgeheven speer
achter een gordijn was verborgen in zijn vertrek, naast dat van Thor met
den geduchten hamer....

Er waren evenwel aanduidingen noch bewijzen omtrent den brand....

Casallum was zoo afgelegen, niemand kon beslissen over de oorzaak van
het onheil. Maar de beroofde moeder, in het hart getroffen, treurde
gelijk eenmaal Rachel deed. Welke uitdrukking lag in de diepte van haar
oogen, wat was in elk harer bewegingen, dat wien haar zag de keel als
toesnoerde?

En eens, toen buiten de zomernacht glansde en de maan een breed tapijt
van zilver ontrolde over weide en woud, stond zij voor hem, een blank
perkament in haar gevouwen witte handen. Haar stille oogen vestigden
zich op hem met ernstigen blik, haar stem klonk schier klankloos, als
van een die heeft geleden en gestreden, maandenlang.

„Wilt gij dit lezen?”

Zij gaf hem het perkament. Hij voelde een schok door zijn leden gaan.

Hij las. Het scheen hem of het maanwitte veld donker werd of de sterren
hun glans verloren.

„Gij wilt van mij gaan! En Benedicta nam den sluier, en Gisela”....
Zijn krachtige stem beefde, het scheen hem zoo zwaar, een leven geheel
verlaten, zonder liefde, zonder geluk.... Zij vouwde haar handen om zijn
arm en begroef haar gelaat tegen zijn schouder met smeekend, droevig
gebaar. Maar de vaste overtuiging van haar hart was in haar stem, toen
zij antwoordde:

„God geeft ons zooveel en wij doen zoo weinig om Hem onze dankbaarheid
te toonen. Soms vraag ik mij af:

„Leefden wij ook te veel voor ons zelven, voor ons geluk en werd
daarom”....

Haar stem brak, zij kòn den naam niet uiten van het kind, dat haar was
ontroofd.

„God alleen geeft mij kracht om het vreeselijke te dragen. Hij heeft
gegeven, Hij heeft genomen, geloofd zij Zijn naam. Maar o, laat mij de
levensjaren, die mij nog geschonken zullen worden, geheel wijden aan
Zijn dienst, evenals ik eens Hem de uren offerde van mijn nachtelijke
rust. Laat mij mogen bidden voor mijn arm kind. Waar moet ik het zoeken,
bij de levenden, bij de dooden?.... Ik weet het niet. Hem alleen is het
bekend, Die beslist over der menschen leven en lot.”

Haar denkbeelden waren geheel volgens den geest van den tijd, die het
geestelijke leven stelde ver boven het wereldsche. Zijn hart, zijn
moedig krijgsmanshart, brak van deernis bij haar klacht, brak in
medeleed. Opnieuw zag hij het perkament in. Het behelsde de
schenkingsoorkonde aan het klooster van Thorn, waar Benedicta de
gelofte had afgelegd, der uitgestrekte bezittingen van Hereswit van
Strijen.

       *       *       *       *       *

Rondom was stilte, ook in het vertrek, vele, vele oogenblikken. Ten
laatste hernam hij:

„Over uw bezittingen kunt gij niet beter beschikken dan ter uitbreiding
van Gods kerk op aarde. Maar gij zelve wilt u afscheiden van de wereld,
mij verlaten voor de dood ons scheidt? Dat pijnt.”

Haar stem klonk dof van overstelpend leed:

„Christus gaf Zijn leven voor ons, mogen wij Hem dan niet offeren ons
levensgeluk? Volg mijn voorbeeld, scheid van de wereld, wijd uw verder
leven aan den dienst van God. Wie beslist of de ure niet spoedig zal
daar zijn, waarin Hij ons roept voor Zijn gericht? Nadert niet het jaar
duizend?”

Hij begreep haar zinspeling. Reeds nu stroomde het volk naar de kerken
en namen met den dag de schenkingen toe, die aanvingen: „Voor de rust
mijner ziel, bij het aanstaande vergaan der wereld....” En velen zagen
in de verwoestende invallen der Denen een teeken der nadering van den
Antichrist....

Maar langzaam vloeiden de tranen door de half geloken oogleden der
beroofde moeder, toen zij stil hernam:

„Geloof niet, dat ik mij wil wijden aan den dienst van God uit angst
voor Zijn naderend oordeel. Het is ook niet, omdat mijn hart ziek is van
leed of omdat ik u niet meer liefheb als uw vrouw. Dat is het niet,
maar de aarde en de hemel hebben met elkander gestreden in mijn hart en
de hemel heeft overwonnen.”

Hij zweeg een wijle:

„Geef mij tijd om na te denken, ik zeg u dan later mijn besluit.”

Toen legde zij haar handen in de zijne, vertrouwend, vol overgave, maar
uit den kus dien zij elkander gaven, eer zij hem verliet, was iedere
hartstocht geweken, alleen de liefde was er in over gebleven, die niet
zich zelve zoekt, die, diep en onpeilbaar als de zee, geen woorden bezit
om zich te uiten.

Doch, toen na vele dagen van strijd en zelfonderzoek, haar zijn besluit
tegenklonk:

„Wij zullen elkander niet terugzien in deze wereld. Mogen wij elkander
eens hervinden in hooger bestaan;” toen zweefde de doodsengel over zijn
drempel en diens aanraking was hier de heelende balsem voor een gebroken
moederhart.

En toen, kort na dien dag, die hem het liefste ontnam wat hij bezat, de
graaf van Teisterbant zich gereed maakte zelf afstand te doen van de
wereld, van aardsche macht en aanzien, toen stonden daar de
afgevaardigden van den keizer en riepen hem tot het hoogste kerkelijk
ambt in zijn vaderland, tot plichten zwaarder dan eenig wereldlijk gezag
kon insluiten. Geroepen werd hij om den ledigstaanden zetel te bekleeden
van den bisschop van Utrecht.

Niet in stille afzondering, bij bespiegeling en gebed, tusschen
zwijgende kloostermuren; te midden van het volle leven eischte God zijn
toewijding, zijn kracht.

Hij aanvaardde de gewichtige taak hem toevertrouwd door Hooger hand.

En thans voerde in zijn nieuwen werkkring het leven hem nogmaals
tegenover zijn ouden tegenstander: Rolfr, den Deen....



HOOFDSTUK XII.


Dien avond, toen Rolfr Jarl de landbewoners uit den omtrek had bevolen
bij den grafheuvel van Roruk, bleef Yglo’s moeder alleen achter in het
woonvertrek harer hoeve.

Zij rilde, de koorts steeg met den nacht; een benauwde hoest deed haar
kreunen van pijn. Haar man, haar zoon had zij zien heengaan op bevel van
den gevreesden Jarl. Nu was de eenzaamheid om haar heen. Zij kroop naar
het vuur, klappertandend.

„Och Heer, help! Geef uitkomst! Doe het nu!”

Haar stem smoorde in een rauwen hoest, zij zweeg en wachtte, -- wachtte.

Maar de tijd ging voort, hij duurde zoo lang. Klamme druppels parelden
de kranke op het koude voorhoofd:

„Als ik nu eens stierf, alleen... en zij bij het offervuur van een
heidenschen afgod! Och, lieve Heer, help!”

Een voetstap kraakte op het zand. In de deur stond een gebogen gedaante.
Een doffe stem vroeg:

„Hoe gaat het, moeder Anna? ’k Had een gevoel of ik hier noodig was. Ik
wist er al van. Rolfr Jarl... vloek over hem en de Denen. Sinds zij in
’t land kwamen is mijn woning gelijk aan het hol van een beer of vos,
wordt het voedsel, dat ik zelf verdiende of opgaarde, mij nog betwist.”

„Lisa, o, Lisa, denk toch niet het meest om de tijdelijke dingen! Dezen
nacht wordt er geofferd aan Wodan! Henno is er bij en Yglo en de
bisschop zegt, dat de Heer gebiedt: „Gij zult geen andere goden voor
mijn aangezicht hebben. O, Lisa!”

Met bevende hand streek de bleeke vrouw zich het grijze haar uit het
koude gelaat. De hoest verscheurde opnieuw haar borst. Tusschen hijgend
ademhalen klonk het:

„Ik sterf en zij zijn dààr... bij het vuur”....

O, de wanhoop van die uitgemergelde trekken! Oude Lisa’s hart, zoolang
versteend in eigen leed, brak van medelijden.

Zij zag naar buiten: de nevel hing als een zilveren wade over het veld.
Hoog door de lucht trok een vogelzwerm met vreemde klaagklanken.

Vogels aan den linkerkant! Angstig sloeg zij een kruis... Toen zag zij
nog eens naar het veld en de kronkelende paden.

De weg zou lang zijn en zwaar voor iemand als zij met zulk een
strompelenden gang, maar die radelooze vrouw voor haar met het gelaat
van een stervende... „Ik zal gaan en hen halen! Houd je goed, buurvrouw,
houd moed!”

Zij greep haar stok, maar de kranke trachtte zich op te richten met haar
laatste kracht:

„Laat me niet alleen sterven, geheel alleen!... Bid; God zal helpen!”...

En beiden fluisterden, de eene het schier verleerde, de andere het nooit
vergeten gebed:

„Onze vader, die in de hemelen zijt”... Maar toen Yglo’s moeder sprak
met bezwijkende kracht: „Uw wil geschiede!” toen haperde haar stem en
boog zij het hoofd op de borst en wachtte af wat die wil zijn zou.

Een zacht gedruisch. In de deuropening stond Trutha, omgolfd door het
zilveren licht der maan, dat den nevel had doen wijken. Aan haar oogen
was het te zien, dat zij had geschreid, maar groote zielevrede rustte op
haar jong gezichtje. Nog voor zij een woord kon zeggen, omknelde oude
Lisa haar hand:

„Trutha! Trutha! goed dat je komt! Roep Henno en Yglo! Zij zijn bij den
grafheuvel op bevel van den Jarl!” Haar hand wees naar de half bezwijmde
vrouw. Trutha begreep en snelde heen.

„Zij zal er eerder komen dan ik, rap als een hinde gaat zij over den
weg,” prevelde Lisa. Toen zonk zij op de knieën:

„Ik zal nooit meer twijfelen aan uw goedheid, Heer! Gij zelf hebt haar
gezonden!”

Bewusteloos lag Yglo’s moeder, het vredige, witte licht omzweefde haar.

       *       *       *       *       *

Door de velden snelde Trutha. Tusschen de dichte bladerengewelven der
boomen hing de lucht donker en zwaar. Groote schaduwplekken wierpen de
eikenkruinen tot ver over den woudzoom. Behoedzaam verliet zij het
veldpad, dat zich slingerde in het licht als een zilveren lint;
voorzichtig zocht zij de schaduw der boomen. Indien de Jarl eens wachten
had uitgezet en die haar zagen of als zij trapte op een der kringen door
de gevreesde zwartalven achtergelaten op het grazige pad!.... Zij wist
immers, dat men elvenblad mocht afsnijden, noch vee in de weide laten,
na zonsondergang. Want het nachtkruid behoorde aan de alven en wie het
plukte moest sterven.[9] Evenmin als een der overige landbewoners zou
zij daarom ooit hebben gewaagd in een weide te slapen. Wanne Thekla, de
alvenkoningin zou uit haar luchtschip -- de drijvende wolken -- een
onzichtbaren pijl hebben afgeschoten op den vermetele, die den alven
belette hun rijen te dansen bij helderen nacht. Lokken zouden zij hem in
het moeras met hun dwalende lichten.

Bevreesd voor de geheimzinnige wezens, die haar ook nu gewis omgaven,
ging Trutha verder. De eene angstige gedachte verdrong de andere, tot
zij eensklaps werden vervangen door een herinnering, die met zich voerde
een wonder gevoel van vrede en rust; het was of het suizen van een
zachte koelte haar omgaf na het branden van den gloeienden middaggloed.
Klonk inderdaad de stem van bisschop Ansfried of rees een vervlogen,
nooit vergeten uur op voor haar geest: „De Heer is mijn herder”....

Zoo had hij eens gezegd.

De Heer! De Schepper van het eindeloos heelal, Die zonnen en sterren hun
banen voorschreef, die werelden te voorschijn riep uit het niet, Hij was
haar herder, Hij vergat ook haar, Zijn arm kind niet, dat dwaalde door
nacht en nevel, alleen. Hij was haar nabij. Mocht zij dan nog vreezen
voor nachtgeesten en zwartalven?

Diep ademhalend, herademend verhaastte zij haar tred. In de schaduw door
de forsche stammen geworpen slingerde nu de weg, dien zij gaan moest,
dien zij ging zonder vrees of aarzeling. En toch hoe donker was het nu
weer. Zij kon op kringen trappen.... Nu glimlachte zij er bijna om: als
de alven die hadden achtergelaten, waren zij toch niet dè machtigsten.
Eén”....

Plotseling stond zij stil, met een uitroep van schrik. Wat lag daar voor
haar, dwars op den weg? Een mensch, een boomstam.... beiden? Zij boog
zich voorover om te zien en haar ademhaling ging gejaagd en krampachtig
klemde zij de handen ineen. In de nabijheid ruischt een beekje met zacht
geklater, de trillers van den nachtegaal klinken wonderzoet, het licht
rijst hooger, dat de duisternis verdrijft en in haar hart is het nacht.
Want daar ligt hij voor haar, Yglo, bloedend, bewusteloos, dood
misschien, klaarblijkelijk gestruikeld over den boomstam, dien de storm
had geworpen op het pad, slechts weinige dagen te voren.

Trutha weende noch wrong de handen. Zij deed wat haar hand vond om te
doen. En het verband, dat zij legde om het voorhoofd van den gewonde,
dat zij verkreeg door een stuk af te scheuren van haar eigen kleed; het
water, dat zij voor hem schepte uit de beek, koel, reddend water,
brachten hem bij, na vele oogenblikken, waarin de levende meer leed dan
hij die schijnbaar neerlag als een doode.

Langzaam opende Yglo de oogen. Voor de spanning van Trutha’s zielsangst
scheen het, dat uren voorbij waren gegaan, sinds zij hem vond.

Nog altijd drong geen geluid over zijn lippen, weer verdubbelde zij haar
pogingen, ook toen hij opnieuw neerlag, strak en roerloos. En de
frissche waterdruppels brachten ook hier redding aan, nog een korte
poos, toen zag hij met bewustzijn om zich heen, zocht zijn blik zijn
redster, met klaar begrip.

Trutha’s oogen lichtten, haar stem had den diepen klank van een
dankbaarheid, die moeite heeft om woorden te vinden, toen zij snikte:

„O, God hoe zal ik U danken, hoe kan ik het ooit!”

Zij stond rechtop, de handen gevouwen, haar blik zag omhoog. Toen
doortrilde haar een schok; in de wazige verte begon het te kleuren van
rosachtig licht en lichtend rood, de blanke nevel vlamde. Nu hief Rolfr
Jarl gewis de van bloed druipende handen op bij het onheilig offervuur.
De roode schijn in de verte wees Yglo den weg en herinnerde haar waarom
zij hier was gekomen. Zij hielp hem zich oprichten in haar krachtige,
jonge armen.

„Yglo, kom mee, je moeder roept je! Zij is erg ziek.”

Hij schudde het hoofd, zijn hand hief zich op naar den weerschijn van
den vuurgloed in de verte.

„Ik moet dáárheen. Je weet het, Trutha. Anders blijven wij gescheiden,
ons gansche leven.”

Zij zag hem aan, ernstig, droevig, met de rust van een groot besluit in
haar schuchtere oogen. Toen verhaalde zij hem alles wat de bisschop had
gezegd. Diep bedroefd had hij geluisterd:

„Rolfr Jarl vergeeft nooit iets. Vader is daar en Walger en al de vrijen
uit den omtrek. Als ik ontbreek dan”....

Zij vouwde de handen om zijn arm met hartstochtelijk smeekgebaar:

„Laat alles komen zoo als het moet. Doe wat God wil, denk niet langer om
wat wij zelf wenschen. Dan zal alles goed wezen, misschien niet hier,
maar zeker toch in het andere leven. God alleen weet wat best is. Doe
nooit -- al denkt gij er ook alles bij te verliezen -- wat gij weet, dat
Hij afkeurt. Dat heeft de bisschop mij gezegd.”

Het was hem of een engel tot hem sprak door haar mond:

„Denk je, dat het toeval was, die boomstam op den weg, waardoor je bent
gestruikeld?

Kom mee naar huis, uw moeder is erg ziek, heel erg. Zij roept om je”....

Met een schok leunde Yglo op haar arm. Zijn oogen brandden van angst. Nu
begreep hij -- een vaste trek kwam op zijn jong gezicht. Zij vingen den
terugweg aan. Rondom was stilte en het suizen van het woud. De roode
schijn van het offervuur verglom in de verte....

       *       *       *       *       *

Een nieuwe morgen lichtte. Rozeroode wolkjes dreven langs de lucht. De
velden ontvingen glans en kleur. Maar uit de hoeve van Henno klonken
droeve klaagzangen. In den donkersten hoek van het woonvertrek lichtte
iets, schemerwit: een laken gespreid over een strooleger, over een
roerlooze gestalte. Twee kaarsen ontstoken aan het hoofdeinde, dienden
om de booze geesten te verjagen. Aan het voeteneinde zaten de
klaagvrouwen. Met oogen overwolkt van droefheid knielden Trutha en Yglo
naast de doode. Zij had beiden gezegend met haar laatste kracht en tot
haar zoon gefluisterd:

„Zoo iemand achter Mij wil komen, die neme zijn kruis op”.... om te
vervolgen met schier onhoorbare stem:

„Mijne kinderen, gij behoeft uw kruisweg niet alleen te gaan. Een
Machtige leidt u en gaat u voor. Volgt den Heer, dan komt gij waarheen
ik nu ga, in Zijn eeuwig huis.”

Tranen hadden beider stem verstikt, maar een glimlach, verhalend van een
vrede, die niet behoorde tot dèze wereld, speelde over het gelaat der
doode. Kende zij de stille gelofte, afgelegd in twee diep bewogen jonge
harten? Snelle voetstappen knarsten op het zand, een vaalbleek gelaat
verscheen in de deuropening. Radeloos wrong Henno de handen op het
gezicht der doode, op dat der levenden.

„O, vrouw! o, kinderen! o, vrouw!”.... Hopeloos herhaalde hij aldoor
hetzelfde, toen sprong hij toe op de deur om den grendel er voor te
schuiven, om den schutbalk in de opening van de haag te leggen, als
wilde hij een dreigend gevaar buiten sluiten. Maar met een schreeuw
deinsde hij terug:

„Daar is het al! Daar komt het! Genade, o, genade!”

Verbaasd zag Swanwitha, die nu binnentrad, naar den man, die zich in ’t
stof wrong aan haar voet. Waarom deed haar komst hem zoo ontstellen?

„Henno, bedaar toch! Ik kwam nog eens naar moeder Anna zien, ik wist
niet dat zij reeds”....

Haar zachte blik, rustend op het witte leger in den donkeren hoek, vulde
haar woorden aan, haar gelaat scheen bijna even kleurloos als dat der
ontslapene. Henno kermde:

„Komt gij dan niet op last van den Jarl? Yglo was niet bij het offer,
dezen nacht. Toen heeft de Jarl gezworen hem levend te zullen spietsen.
O, Yglo, mijn zoon, mijn zoon! Eerst mijn vrouw, mijn kind nu.... mijn
eenige.... o, Yglo, Yglo!”

Die hartbrekende jammer op dat van smart verteerde gezicht! Tranen
druppelden door Swanwitha’s oogleden.

„Henno, zeg mij alles; misschien weet ik nog een middel,” sprak zij
zacht. In korte, afgebroken woorden werd haar alles meegedeeld. Eentonig
zongen daar tusschen de klaagvrouwen haar refrein, zacht flikkerden de
kaarsen, wit was het gelaat der doode. Maar toen Henno zweeg, sloeg
Swanwitha de oogen naar hem op en haar blik glansde door haar tranen
heen. Beslist sprak zij:

„Yglo en Trutha, gij moet terstond vluchten. Mijn heer grootvader heeft
mij vier eigenhoorige maagden afgestaan om mij te volgen, na mijn
huwelijk” -- hoe aarzelend klonk dit laatste woord -- „waar ik ga. Gij,
Trutha behoort er toe. Ik schenk u de vrijheid. Ga waar de weg en de zon
u voeren, als vrije vrouw.

Laat lang groeien uw lokken, ten teeken, dat niemand het recht heeft de
hand op u te leggen, om u te verklaren voor belmundig of eigenhoorig.”

Maar terwijl Yglo zijn verbaasden dank stamelde, en Trutha zich
neerwierp om den zoom te kussen van het gewaad der jonkvrouw, ging
Henno’s ademhaling hijgend. Zijn oogen waren op zijn zoon gericht, vol
angst:

„Jonkvrouw, wij weten het allen hier in den omtrek, hoe velen gij hebt
bijgestaan in dagen van ziekte en tegenspoed. Zij leven op aarde om u te
zegenen of zullen u eens welkom heeten in -- het andere land.” --
Aarzelend werden de laatste woorden geuit. Dien nacht had hij
verloochend, waarin hij eens had geloofd. -- Maar weer waren zijn oogen
op zijn zoon, en hij hernam:

„Thans doet gij meer dan een van ons zou kunnen hopen of wenschen.
Trutha geeft gij de vrijheid, hooger gift dan het leven, maar o,
bloedbloemen vlecht gij haar als bruidskrans door het haar!”

„Bloedbloemen?” -- De jongelieden herhaalden het verschrikt, schuw
fluisterden de klaagvrouwen, die nog steeds de wacht hielden bij het
lijk.

„Zal Rolfr Jarl hen verschoonen, haar en hem? Nooit zal hij uw besluit
goedkeuren, beweren zal hij, dat Yglo zijn bruid heeft ontvoerd en
dan”.... Zijn doffe blik week niet van zijns zoons gezicht, al de
verschrikkingen, die de folterkelder van den Ravenhorst verborg in zijn
donkere diepte, zag hij voor zich. Koude druppels gleden langs zijn
grijze haren af langs zijn slapen.

„Vader, kom tot u zelven! De Jarl zal ons niets doen, als gij hem tot
erfgenaam maakt uwer vrije, vererfbare hoeve.” Liefkoozend streek Yglo
hem het vochtige haar van het voorhoofd, ook zijn krachtige hand beefde.

„Ons huis, onze eigen vrije woning! Mijn moeder stierf er in, zooals nu
de uwe en gij werdt hier geboren.”

O, die wanhoop op dat dierbare, oude gelaat! Het was meer dan Yglo kon
dragen! Toch was het de eenige uitweg. Vastbesloten nam hij een
stroohalm van den vloer en wierp dien ver van zich.

„Hier doe ik afstand van mijns vaders huis en goed, volgens de zede der
vaderen,” sprak hij overluid. Zijn oogen volgden den kring, dien de
stroohalm beschreef, ver van hem verwijderd viel hij neer. Hij had zich
losgemaakt van zijn erfdeel. Henno zag het, nu was het beslist. Hij hief
de hand op:

„Zoo zijt gij vrij van huis en hof, van vliet en veld. Ga waar de wind u
voert en de weg u leidt.”

„Houdt u schuil te Utrecht een jaar en een dag. Dan kan geen enkele
rechtsvordering meer tegen u gelden. Stadrecht breekt landrecht.[10] De
bisschop zal u beschermen.”

In de stilte, die volgde op Swanwitha’s woorden, die vooraf gingen aan
het bitter vaarwel, mengde zich het gedruisch van vele paardenhoeven,
het zwol aan, kwam nader...

„De speerruiters van den Ravenhorst rijden! Yglo, zij zoeken u! De Jarl
heeft het gedreigd, dezen nacht: Hij zag te vergeefs naar u uit!”

Bijna zinneloos van schrik, kwamen Henno hortend en stootend de woorden
over de lippen.

Luid jammerend wierp hij zich op den grond.

„Vlucht naar den Hohorst, door kreupelbosch en moeras. Daar kunnen zij u
niet volgen. Het altaar is een vrijplaats. Haast u! Verlaat de hoeve aan
de achterzijde, daar staan de boomen dicht!”

De beide vluchtelingen konden slechts snikken tot Swanwitha:

„O, onze redster, onze redster! Wees gezegend met den zegen dien gij
verspreidt!”... Toen omarmden zij krampachtig den levende en de doode en
gingen het onbekende tegen.

Slechts weinige uren later brandde het dak boven Henno’s hoofd. En, toen
hij zich naar buiten sleepte, in de armen het levenloos overschot zijner
vrouw, toen stonden daar de speerruiters als een ijzeren haag en wierpen
haar terug in de vlammen en voerden hem mee naar den Ravenhorst.
Gesnoerd met koorden, die scherp sneden in zijn lichaam, werd hij aan
„de kaeck” gesteld op den blauwen steen. Hoelang zou deze eerste
foltering duren? „Tot regen en zon uw gebeente verbleeken,” had Rolfr
Jarl gezegd, met zijn wreeden lach en verschrikkelijk was zijn gelaat
geweest om aan te zien bij dat woord. Hij was niet de eenige, die werd
getuchtigd. De vrouw van Walger werd, tot straf, dat zij zich had verzet
tegen den gang van haar man naar het offervuur, achterwaarts op een ezel
gebonden, geleid van hoeve tot hoeve. De smadelijkste tocht, die bestond
voor een vrijgeboren vrouw. Eigenhoorigen van den Ravenhorst braken de
helft van het dak af harer woning; de straf voor een tweedrachtig
echtpaar.

Walger zelf hing onderwijl in een mand boven de gracht van den
Ravenhorst. Hij zou de touwen van die mand zelf moeten afsnijden en, na
zijn val in het water -- als hij nog levend den oever bereikte --
vernemen welke straf hem verder wachtte.

Op Yglo’s hoofd was een bloedprijs gesteld, veroordeeld tot de put werd
Trutha...

Rolfrs lippen krulden zich zegevierend, terwijl hij op en neer ging in
zijn hooge hal. Hij zag zijn slachtoffers en was voldaan.

„Kort recht, goed recht! Ik heb er nu den schrik in, allen doen wat ik
wil! De geheele streek is als was in mijn hand.”

Hij dacht aan de berichten hem door den aanvoerder zijner ruiters
gebracht, hoe vrijen en onvrijen sidderend bogen voor zijn bevelen,
indien slechts hun ellendig leven, en hun schamel eigendom bleven
gespaard.

Rolfr kneep zijn oogen half toe, als een op de loer liggend roofdier.

„Als Yglo en die deern naar den Hohorst zijn gevlucht, komt het mij goed
te stade. Dan heb ik het recht haar op te eischen en de bisschop zal
haar willen beschermen. Uitstekend!”

Swanwitha kwam. Zij was zeer bleek, van droefheid vertrokken waren haar
lippen.

„Grootvader, wees barmhartig voor”.... Zij zag in een aschgrauw,
verwrongen gezicht. Een zweepslag striemde haar.

„Ga weg! Ik wil niets meer met je te doen hebben!” Zijn razende drift
overmeesterde hem, rood wolkte het voor zijn oogen, het benam hem schier
de bezinning, zijn geregeld denken stond stil.

„Weg! Weg!”

De zweep zwiepte opnieuw door de lucht, voort dreef hij zijn
kleindochter door hal en hof, de poort sloeg achter haar toe....

In haar torenvertrek wierp vrouw Sigrid de runen. Wat las zij? Haar
trekken werden vaal.

Op den heirweg reed Olaf met zijn gewapenden stoet. Hij ging de vloot
zoeken -- zij moest nu reeds zijn geankerd -- om de bemanning te voeren
in het hart van het land.

Bewusteloos lag Swanwitha op den drempel van haar huis. Zij wist niet,
dat oude Lisa haar hoofd ophief, dat de klaagvrouwen, die met haar
Henno’s brandende woning waren ontvlucht, haar behoedzaam voortdroegen.

De avondwind huiverde over het land, rood ging de zon onder.

  [9] Wolf: Niederländische Sagen.

  [10] Noordewier Ned. rechtsoudheden.



HOOFDSTUK XIII.


    „Gelukkig Utrecht, uitverkoren moeder der steden,
    gij bezit nu een heer, die aller lofspraak verdient,
    Ansfried is door zijn verdienste uw sieraad, uw bisschop,
    hij is de aan deugden rijke belijder des Heeren.

    Voorheen beschermde hij met zijn zwaard het land en zijne bewoners
    nu is hij de wachter der kerk, de heilige priester --
    De drager des zwaards bestuurt nu de harten des volks;
    de fiere soldaat is verkeerd in een man des gebeds.

    Zoo is het gewoel des krijgs in beter veranderd,
    Van geduchten krijger werd hij minnaar des vredes,
    van aanvoerder der strijdmacht, leider der zielen.”

Twee jonge leekebroeders zongen met heldere stem de Leonische strofen,
een beeld der vreugde waarmee eenmaal de benoeming door den keizer van
graaf Ansfried van Teisterbant tot bisschop van Utrecht was begroet. Met
moeite -- zij kwamen terug van de vischvangst -- stuurden de zangers hun
bootje door belemmerende rietbosschen en lischstruiken, naar de
landingsplaats van den Hohorst.

Roerloos als gesmolten metaal lag het water, schitterend in den
zonnegloed, waar het riet geen donkere schaduwplekken wierp op zijn
effen vlak. Bisschop Ansfried, weer alleen in zijn werkkamer, zag de
moeitevolle pogingen der visschers en hoorde hun zang. Een flauwe
glimlach speelde om zijn ernstigen mond.

„Nog vóór de dam gemaakt is, die mijn Hohorst verbindt met het land, zal
ik toonen, dat ik nog niet geheel den tijd ben vergeten, toen ik mij het
zwaard aangordde. Ditmaal echter zal het een heiligen strijd gelden, een
zwaren tevens.”

Zijn doordringende blik zocht nogmaals het ontrolde perkament, dat voor
hem lag. Hij las:

„In den naam der Heilige en onverdeelbare drie-eenigheid, Otto III door
Gods verzoenende goedertierenheid Koning. Dat het kennelijk zij aan al
onze getrouwen zoo tegenwoordige als toekomende, dat wij alle
grondgebied, dat Poppo, zoon van Walger voorheen bezat, ook dat in het
graafschap Teisterbant en de heerlijkheid Arclo in eeuwig eigendom
afstaan aan het bisdom Utrecht”....[11]

De bisschop las niet verder: tol en muntrecht te Arclo, het jachtrecht
in geheel Drenthe werden hem tevens verleend. Zij liet hem niet
onverschillig, die nieuwe, onverwachte keizerlijke gunst, maar geen
bevordering van eigen belangen zocht hij.

In het vertrekje naast het zijne bevond Unruoch zich. Hij riep hem. Hij
zag hem binnenkomen werktuiglijk, het gelaat strak, recht voor zich
uitstarend de oogen:

„Unruoch, weet ge wat er heden nacht is gebeurd?”

„Ik heb niets gehoord.” Gedempt klonk zijn steeds zoo klankvolle stem,
lusteloos bleef zijn houding.

„Rolfr van den Ravenhorst, heeft, gebruik makend van den angst voor den
ondergang der wereld, die in ieder hart bijna stijgt met den dag, het
landvolk van den geheelen omtrek bijeen geroepen bij den grafheuvel van
Roruk. Daar heeft hij geofferd aan de oude goden en allen gedrongen
terug te keeren tot het heidensche wangeloof.

Unruoch, die grafheuvel moet met den grond worden gelijk gemaakt.

Die taak draag ik u op. Laat uw paard zadelen en rijd zoo snel mogelijk
naar den Stuthenborch, mijn sterkte bij de Hoeve Lake. Doe de helft der
speerruiters, die haar bewaken, opzitten en draag zorg, dat het werk
volbracht wordt eer de dag is gedaald.

De grafheuvel behoort nu tot mijn gebied. Alzoo bezit ik het recht hier
handelend op te treden om de verdere verspreiding van bijgeloof te
beletten. Draag echter zorg de urnen mee te voeren, wij zullen ze in
stilte teruggeven aan het stof der aarde.”

Een verbaasde blik trof hem. Bezorgd klonk Unruochs stem:

„Ik vrees, dat geen enkele speerknecht te bewegen zal zijn naar een
hunnebed te gaan. Liever zullen zij zich in ketenen laten klinken. Het
algemeene geloof is immers, dat in die grafheuvels de duivel huist.

Met welke strenge straffen bedreigde voorheen bisschop Radboud niet
ieder, die waagde er te offeren. Thans durft zelfs bijna niemand er
voorbijgaan.”[12]

Bisschop Ansfried glimlachte met zijn fijnen, weemoedigen glimlach:

„Zoo gaat het, mijn zoon! Toen ik mijn kerkelijk ambt ontving, hoopte ik
in mijn geliefd Utrecht een kerkgebouw te stichten, waarin plaats zou
zijn voor allen, die in mijn bisdom den Heer zochten met een geloovig
hart. Thans bezit ik niet eens genoeg macht om een zandhoop te doen
verdwijnen, die toch terecht een rots der ergernis en een steen des
aanstoots mag heeten.”

„En die geslecht zal worden, heden nog. Wanneer bevel noch overreding
baten, zal ik het alleen doen.”

„Ik zal u een bevelschrift meegeven. Ik wil gehoorzaamd worden. Het is
een zaak van gering belang, maar die in deze dagen beteekenis heeft.”

„Gij bedoelt nu Rolfr Jarl”....

„Rolfr Jarl is slechts een schakel in den keten, die ons dreigt te
omspannen: er is weer een Deensche vloot gezien bij Lammersvliet.”

Het bleek der ontzetting streek over Unruochs trekken. Maar bedaard ging
de bisschop voort:

„Daarom moet ik handelen. Wie vrees toont is reeds half verloren. Zwijg
er echter tegen ieder over. Morgen vertrekken wij allen van hier naar
Utrecht. De stad moet in staat van tegenweer worden gesteld.

Neem dezen brief mede aan den kastelein van den Stuthenborch. Nog heden
moet gij hier terug zijn. Wij zullen werken zoolang het dag is en niet
steunen op eigen kracht alleen. Moge God ons volk behoeden voor een
herhaling der jammertooneelen, waarvan bisschop Balderic in den aanvang
dezer eeuw getuige was.”

Beiden kenden de deerniswaardige schets, gegeven door Balderic van Cleve
in het jaar negen honderd zeventien. Naar Daventre had hij de wijk
moeten nemen voor het geweld der Denen, en toen zij eindelijk waren
weggezeild, beladen met roof onder hun buit gekromd, toen schreef
bisschop Balderic, bij zijn terugkeer uit zijn ballingschap in zijn
geliefd Utrecht:

„Toen ik die stad voor het eerst binnentrad, en haar door de Denen
vernield en geheel verwoest aanschouwde; de kerken van St. Martinus en
St. Salvator vernield en verbrand, heb ik, door den diepsten weemoed des
harten geroerd, mijn tranen op geenerlei wijze kunnen weerhouden; en, de
hulp des Hemels afgesmeekt hebbende, heb ik onder een vloed van tranen
gebeden, dat Hij, die Zijn heilige kerk op een hechten rotssteen, welke
Christus is, gebouwd heeft, tot den wederopbouw en het herstel der kerk,
mij aanbevolen, zich mocht verwaardigen mede te werken.

Met Zijn hulp heb ik dan ook de brug over de gracht, de stad met haar
poorten, den muur met zijn bolwerken, tegen vijandelijke aanvallen
gebouwd en opgericht; en de Gode gewijde plaats van vrede, de kerken
namelijk, door de heidenen verwoest en verbrand, heb ik -- niet zooals
ik het behoorde te doen, maar zoo goed ik het kon -- eenigszins
hersteld”....[13]

Beider onuitgesproken gedachten hadden elkander gevonden, toen bisschop
Ansfried voortging:

„Balderic van Cleve liet het niet bij woorden en klachten. Nehemia was
zijn voorbeeld, als deze riep hij uit: „Hoe zoude mijn aangezicht niet
treurig zijn, daar de stad, de plaats der grafstede mijner vaderen,
woest is, en hare poorten met vuur verteerd zijn?” Maar evenals de
profeet greep hij naar hamer en houweel om het puin weg te ruimen,
gebruikte hij passer en troffel, hout en metselsteen om te vernieuwen
wat nog herstelbaar, om te herstellen wat verwoest was. Het was als
Nehemia schrijft: „De eene hand was bezig aan het werk, de andere hield
de spies,” want weer liepen geruchten eener nieuwe landing door de Denen
beraamd, maar ondanks den nood der tijden werd de stad herbouwd. De
stevige muren, die thans Utrecht omringen, bewijzen evenals de
Baldericstoren[14] dat de arbeid met evenveel kracht werd voortgezet als
aangevangen. De kerken verrezen uit hun asch, hersteld werd de Rijnbrug.
Wij zullen dit voorbeeld volgen: als de Denen ook ònze brug mochten
afbreken, dan heffen wij op de slappe handen en bouwen een nieuwe.”

Veelbeteekenend zag hij den jongen man aan. „Verstaat gij mij, mijn
zoon? Menigeen bouwt zich een brug en waant, dat zij voor hem de
afgronden van leed en tegenspoed zal overwelven en hem regelrecht voeren
in het geluksland. Maar dan komen er houtwormen, die het paalwerk
doorknagen, een orkaan werpt de bogen neer, of de geheele bouw gaat op
in vlammen en rook -- in rook Unruoch -- door de hand van een vijand. En
dan buigt de mensch, die reeds de overwinning voor zich zag en het
geluksland waande binnen te treden, het hoofd. De hoop ontvlucht zijn
hart en daarin is het zoo vol van knagend, radeloos leed. Dan wijkt de
glimlach van zijn gelaat, hij noemt zijn leven mislukt, gebroken.
Waarom? Omdat de heldere vlammen zijner verwachtingen opgingen in rook,
omdat hij leefde voor zijn eigen geluk, vertrouwde op eigen kracht, op
den weg die leidde naar zijn doel. Hij dacht zijn leven vol heil en hij
wist niet hoe leeg het was, omdat hij bij al zijn plannen God vergeten
had, Die ieders levensbeker mengt, ieders levenslot bestuurt. Indien de
menschen in Hem geloofden, zou hun nederlaag in zegepraal verkeeren,
want dan zouden zij zich een nieuwe brug bouwen en haar schragen met de
onwankelbare pijlers van plicht en geloof. Menschelijk geweld noch
eenige aardsche macht zouden in staat blijken haar te vergruizen, en die
brug zou haar bouwer voeren in het eeuwige land van zalig aanschouwen,
bereid voor ieder, die hier moedig zijn kruis heeft getorst en de
lessen van ervaring en zelfkennis hem door zijn levensleed geleerd,
gebruikte om de wereld beter te maken en om het levensgeluk van anderen
te vermeerderen.

Vaarwel, Unruoch, hier is mijn schrijven. Ik hoop, dat uw levensbrug u
zal voeren in het land, waaruit eenmaal uw ziel haar oorsprong nam!”

Unruoch ging zwijgend, getroffen. Hij had zijn brug gebouwd, en -- aan
zijn geluksdroomen dacht hij nu en aan hun uitkomst. Swanwitha voor hem
verloren, een vreemde noemde haar zijn bruid. Met zijn groote liefde had
hij haar willen omringen, de weg naar hun geluksland leidde immers over
een met bloemen bedekt pad en thans... Ruw en met steenen bezaaid was
het veld van zijn werken en strijden, dat hij voor zich zag en zijn moed
en hoop waren van hem geweken, zijn voetstap voorheen zoo vast, sleepte,
wankelde....

Niet meer. De woorden van den grijzen bisschop, wien zijn
levenservaringen wijsheid hadden geleerd en gevormd tot denker, wien ’s
levens rouw en ontgoochelingen dichter hadden gebracht bij God, toonden
hem zijn beeld in onmiskenbaar scherpe lijnen.

„Wie zijn leven zal willen behouden, zal het verliezen.” Wie fluisterde
hem dit toe, nu, juist nu? Had hij niet het eerst, het meest zijn eigen
leven gezocht -- zijn geluk? En daar was een wereld om hem die leed en
streed, fel en zwaar, aldoor, aldoor. Had hij ooit gepoogd den last van
anderen te verlichten? Jonge vriendschap, jonge liefde, waren gevolgd
op zijn leerjaren in de kapittelschool, samengevloeid met de jacht van
hair met hair en veer met veer. Soms had de gedachte hem bedroefd, dat
hij niet wist wie zijn ouders waren: uit de rookende puinhoopen van het
ten tweeden male door de Denen verwoeste Wiedelham was hij gered, door
arme lieden wier eenige woning, sinds dien inval der gevreesde
zeeschuimers, bestond in hun krakenden ossenwagen. In die armelijke
omgeving had hij zijn eerste levensjaren gesleten, met zijn pleegouders
zwervend door het verwoeste land. Toen -- zeven jaren na den brand van
Wiedelham -- klopte een bijna stervende vrouw aan het klooster te Thorn,
waar Benedicta, graaf Ansfried van Teisterbant’s dochter, de wijding had
ontvangen tot abdis.

„Mevrouwe, ach, zorg voor dit kind. Ik sterf van gebrek en in een
gevecht met de Denen is mijn man gevallen. Dit kind, het is van edelen
stam.... het is”....

In onverstaanbaar fluisteren stierf haar stem weg, heen ging zij naar
het eeuwige land voor zij den naam had geuit van het kind, dat zich
schreiend aan haar vast klemde, als gevoelde het welk een schat van
liefde het verloor met die verlaten, nooddruftige vrouw.

Maar vol medelijden had de jeugdige abdis zich het lot aangetrokken van
den kleinen wees. Zij beval hem haar vader aan en deze -- voor zoo
menigen ouderloozen knaap zorgde hij -- kreeg zijn schranderen pupil
lief; aan het schuldelooze kind, met zijn warmvoelend hartje hechtte
zich de sterke, eenzame man. Thans was hij zijn verklaarde lieveling,
thans wees de hand van den vergrijsden bisschop hem den weg, dien hij
gaan moest, hem, die een steun behoefde in zijn volle, jeugdige kracht.

Een gevoel van beschaming sloop het hart binnen van den jongeling:

„Ik zal mijn best doen, met Gods hulp,” prevelde hij voor zich heen.
„Niet meer zal ik het eerst mijn eigen geluk zoeken, maar beproeven
anderen tot heil te zijn.”

Er kwam weer glans in zijn oogen. Hij voelde nu, dat de steenen geworpen
op zijn weg, als zooveel hindernissen, hem zouden helpen om hooger te
stijgen, om zich te zien met ruimer blik op het heden, naar de toekomst
het meest.

Toen hij uit de boot stapte, die hem wegvoerde van den Hohorst en hij
zijn paard besteeg, dat hem reeds tegenhinnikte uit den, op den anderen
oever gebouwden stal, volgde de bisschop ieder zijner bewegingen en nog
stond hij hem voor het venster na te staren, terwijl reeds een stofwolk
hem onttrok aan zijn blik.

„De weg zal moeilijk voor hem zijn. Het is hard levensheil en levenshoop
reeds in zijn jeugd te moeten opgeven. Toch wanhoop ik niet voor hem.
Ieder vindt den weg, die zich zelven leert vergeten voor de menschheid
en haar weedom, voor haar lijden en strijden, haar inspanning en denken,
die in zich voelt gloren een sprank van het Hoogere door God in ieder
hart gelegd, dat lichtend opvoert tot Hem. Zelfvergetelheid, dat is
geluk. Alleen door te arbeiden voor anderen rusteloos, ingespannen, vol
liefde, wordt deze levensles geleerd.”

Hij verliet zijn vertrek: nog een anderen, moeden zwerveling had hij den
weg te wijzen.

  [11] Diploma bij Heda.

  [12] Picardt: Vergetene en verborgene antiquiteiten van ’t oude
  Vrieslant.

  [13] Het geheele schrijven is te vinden bij Heda: „Balderico.”

  [14] De latere Bollaerts-toren tusschen de Waard en Catharynepoort.



HOOFDSTUK XIV.


Troostend en verkwikkend ruischte de linde voor het geopende venster,
waaraan graaf Frethibold stond. Hij zelf staarde roerloos in de verte,
zonder iets te zien. De bisschop had hem een onderhoud verzocht, nu
wachtte hij -- droomend. De zomerwind speelde ritselend met de
perkamentbladen, die op de tafel lagen. Het was een afschrift van Cesars
Gallische oorlogen. Hij had er in gelezen, nu maakte hij een beweging,
als wilde hij een lans grijpen, als wenkte hem een zwaard.

Hij bemerkte het binnenkomen van den bisschop niet, zwijgend bleef deze
hem eenige oogenblikken aanstaren.

„Frethibold!” sprak hij ten laatste met zijn klankvolle stem.

„Heer bisschop!” Met een hoofdbuiging begroette hij opstaande zijn
bezoeker.

„Wat deert je? Je ziet zoo bedrukt.”

„Wat mij altijd vervolgt: mijn verdriet.”

Hij wees op de perkamenten. „Ik zat straks te lezen en vond opnieuw
nood en ellende, jammer en gebrek de grondslag van het menschelijk
bestaan, zoowel nu als in Cesars tijd. Hongersnood en pest, slagvelden,
gevangenschap, dooden en verminkten, verdrukte volken, macht boven
recht, ontevredenheid, verdeeldheid, afgunst, zoo was het toen, zoo is
het nu, en zal het wel blijven, zoolang de wereld bestaat. Ik moest mij
eigenlijk gelukkig prijzen, dat ik nu gouwgraaf ben van het Bovensticht.
’t Is als een klein, groen eiland te midden eener bulderende zee. Hier
tenminste heerscht vrede. Maar wat baat zelfs dit, als men steeds in de
leegte ziet, in den nacht!”...

Hij zweeg, maar een bittere glimlach vulde zijn woorden aan.

Zijn bezoeker schudde het hoofd. Welk een tegenstelling vormde beider
gelaat: Het eene aangeraakt door den engel van den vrede, het andere
donker als sprak de demon der vertwijfeling uit iedere lijn. Frethibold
ging voort:

„Er lag een blad met vertaalde aanhalingen tusschen de perkamenten. Een
was er bij met een klein vers van Sophokles. Zie, hier is het. Ik heb
nooit een meer waar woord gelezen.”

De bisschop nam het blad, overluid las hij: „Niet geboren te zijn is
voor alles het beste, ten tweede is verreweg het beste, terstond als men
geboren is, zoo spoedig mogelijk terug te keeren, van waar men kwam.”

Langzaam legde bisschop Ansfried het blad neer, het had gebeefd in zijn
hand. Toen stond hij vele oogenblikken zwijgend, den blik gericht op
het hopelooze gelaat voor hem:

„Frethibold!” sprak hij eindelijk ernstig, „weet gij wel, dat gij met
zoo te spreken uw Schepper hoont, Die u in het leven riep om dit te
besteden tot Zijn eer?”

De andere haalde de schouders op en ging voort, als had hij niet
verstaan, als dacht hij overluid:

„Ik vraag mij zelven af: wat is mannelijker, waardiger, steeds te
dulden, te dragen al de giftige pijlen, die het lot ons toezendt of ze
te doen eindigen door een beslissenden dolkstoot, in eigen hart!”

Ontzet legde de bisschop hem de hand op den arm, het was als wilde hij
hem wakker schudden: „Frethibold! kom tot u zelven! Gij zijt ziek, uw
hoofd en uw hart zijn het beide!”

„Neen, neen! Alleen ellendig, rampzalig ben ik!”

„En gij noemt u een volgeling van den Heer, Die heeft gezegd:

„In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, Ik heb
de wereld overwonnen.” Gij klaagt over den last, die Zijn wijsheid u
oplegt. Hij woog niemands kruis ooit te zwaar, buig uw wil voor den
Zijne en gij zult in staat zijn ùw kruis te dragen.”

„Geheel alleen! Verlaten door alles wat ik liefhad, alles weg,
dood!”....

„Die gij liefhadt zijn u alleen voorgegaan naar het eeuwige land, uw
wegbereiders zijn zij, uw goede gidsen. Aan de aarde kluisterde u het
aardsche geluk en God wil, dat wij menschen ons hier voelen als
vreemdelingen, op weg naar Zijn vaderhuis. Ik geloof, dat God velen de
eenzaamheid zendt, die Hem misschien zouden vergeten te midden van het
geluk, doch nu door hun leed tot Hem worden gebracht.

„Die is Mijns niet waardig.” Herinnert gij u welk tekstwoord hiermee
eindigt, Frethibold?”

„Wie anderen lief heeft boven Mij”....

In een zucht klonk het:

„En dat deedt gij!”

„Ja, dat deed ik! Mijn lieve vrouw met de zachte oogen en het gouden
haar, mijn lachend kind!.... Ik had ze lief, boven alles en ieder en nu
zijn zij dood, verbrand.... Zelfs hun verkoold overschot mocht ik niet
begraven!”

Welk een droefheid beefde in die woorden, een leed, diep en onmetelijk
als de zee! Het hart van den grijzen bisschop brak van medelijden. Rezen
ook in zijn borst herinneringen aan het weleer?

„De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij
geloofd! Frethibold, zeg dat den zwaar beproefde na van het Oude
Verbond, zeg het met uw hart, niet met uw lippen, beproef het biddend,
mèt uw hart!”

„O, als ik kon, als ik kòn! Maar onmogelijk is het mij, onmogelijk!”....

„Niets is onmogelijk voor wie bidt met een oprecht hart. God beproeft
niet zonder reden of noodzaak. God is liefde en met Zijn liefde vormen
Zijn grootheid en almacht éen geheel. Kunt gij inderdaad gelooven, dat
Hij klein kan zijn in straf en toorn, Hij de Schepper van het heelal?
Hier zien wij in een duisteren spiegel, eenmaal zullen wij helder zien
in het eeuwig licht, indien wij slechts op Hem vertrouwen, niet vragen,
niet vertwijfelen, maar volgen, volgen Hèm na.”

„O, kon ik dat! kon ik!”

„Ik denk aan een ander woord van een denker der grijze oudheid, Plato
heette hij. Hij vergeleek de menschheid met gevangenen, vastgeketend in
een rotsholte. Zij zagen de voetgangers niet, die achter hen voorbij
gingen, zij zagen evenmin de zon. Zij aanschouwden alleen de schaduwen
op den muur geworpen door beiden en hun ketenen, die hen dwongen
onbeweeglijk te blijven.

Is het zoo niet met velen, met zéér velen? Hun levenslast ketent hen aan
de aarde, zij zien slechts schaduwen en verborgen blijft voor hen het
licht, omdat zij niet omhoog zien, omhóóg!”

„Ach, dat ik mijn ketenen van mij kon werpen, die mij neerbuigen met hun
looden wicht!”

„Gij kunt het, zoodra Gods wil de uwe wordt. Dan zal uw last u licht
toeschijnen, berusting uw wanhoop vervangen en overgave u brengen tot
den vasten grond der dingen, die men niet ziet -- het geloof.”

„Als dat nog mogelijk kon zijn! God moge mij er toe helpen!”

„Maar gij moet zelf meehelpen. Niet alleen uit bidden en zuchten bestaat
het leven, ook uit arbeiden zoolang het dag is. Het mijmeren en peinzen
in de eenzaamheid is niet goed voor u. Het verlamt u, het volle leven
hebt gij noodig, het leven van inspanning en van de daad.

Verhef u met uw vroegere kracht, Frethibold!

Ik heb een dringende taak voor u en een dringender verzoek. Vertrek nog
heden naar den keizer, naar Aken.”

Frethibold wankelde terug.

„Een gebroken man als ik! Pas ik aan het hof van heer Otto!”

„Uw plicht roept u daarheen en, die is te allen tijde de veiligste gids.
Ik vertrouw er op, dat gij spoed maakt en zal in uw afzijn uw taak op
mij nemen; zelf moet gij heer Otto spreken, op brieven slaat hij geen
acht. Haast u, de Denen kruisen aan de kust!”

Een brandende gloed steeg in Frethibolds gelaat, zijn oogen vlamden --
hoog richtte hij zich op, zijn hand balde zich tot een vuist....

„De Denen!”

Donkere golven van haat verrezen bij den klank van dit woord uit een zee
van ellende en leed.

„Frethibold! Hoe ver zijt gij nog van Gods koninkrijk. Niet ù komt de
wraak toe, gij moet vergeven. Als gij dat niet kunt, niet tracht te
doen, zijt gij niet waardig te gaan.

Bericht heer Otto den nood, die opnieuw dit arme volk dreigt, smeek hem
in te grijpen met de macht zijner speren, de kracht zijner lansen. Leer
ùw levensles, ook op dezen tocht. Zij heet: zelfvergetelheid.”

„Ik zal het beproeven! Ik zal het beproeven. Dat zal ik waarlijk!”....

„En hij zal slagen,” fluisterde de bisschop, toen hij eenige uren later
ook dezen afgezant naoogde. „Wie heeft het recht hem te veroordeelen?
Zijn wij niet allen zwak?”

„Homo sum!”....

Aan zijn eigen verleden dacht hij, aan de dagen toen ook de levensreis
voor hem bergopwaarts ging, schrede voor schrede, en de weg hem zwaar
viel en hij dien zag met steenen bezaaid.

Hij zag bij die gedachte om zich als zocht, als miste hij iets. Een
zucht ontsnapte hem; hij wist, dat hij niet zou vinden wat hij zocht.
Hij voelde zich als een reiziger, die afgemat van het klimmen op een
woesten rotsweg, verlangend opwaarts blikt naar den bergtop, het eind
van zijn reis, die vol heimwee uitziet naar een trouwe hand, welke de
zijne zal vatten om door haar druk den laatsten, zwaren gang te
verzachten.

Ook zijn leven was bergopwaarts gegaan en aan het einde stond hij
alleen.

„Het uitnemendste is moeite en verdriet” -- hij wist het bij ervaring.
En nu die nieuwe, zware moeilijkheid, terwijl hij zich oud voelde en
zwak, terwijl zijn kracht hem ontzonk en hij wist welk een
verantwoording op hem rustte bij den inval, die dreigde van het
vermetelste volk der wereld, het dapperste en het wreedste.

„Voorwaar, ik heb het recht Frethibold te vermanen! Zelf gevoel ik mij
even verlaten als hij,” klonk het in zijn borst. Hij zonk op de knieën;
hoelang hij geknield lag wist hij niet, maar toen hij weer oprees
fluisterden opnieuw zijn lippen: „Homo Sum,” maar voegde zijn hart er
bij: „Fiat voluntas!”

Zijn gelaat glansde. Het ruischen van den luwen wind door de linde voor
het venster verkwikte hem met zijn zachte koelte. Hij begaf zich naar
buiten. Weldra kliefde het bootje, dat hem overvoerde, den klaren
waterspiegel. Aan de overzijde wachtte zijn muildier; slechts door een
enkelen leekebroeder vergezeld ving hij zijn dagelijkschen tocht aan
naar de kranken in den wijden omtrek, die hulp behoefden en zelf niet
tot hem konden komen.

Maar dezen dag klopte hij tevergeefs aan menige deur -- zij waren alle
gegrendeld en het landvolk scheen huis en hof te hebben verlaten. Was
het uit angst voor Rolfr Jarl of uit vrees voor zijn Denen?

Hij zou het spoedig weten. De vrouw van Walger zag hij op haar
smadelijken tocht. Met een vloed van woorden -- niet te weerhouden door
de bedreigingen der speerdragers, die haar omringden, riep zij gillend
alles wat was geschied, van de straf, die haar man moest ondergaan, van
Henno, aan de kaeck gesteld, van Yglo en Trutha....

„Laat die vrouw vrij. Uw heer heeft geen recht haar te straffen. Zij en
haar huis staan onder mijn rechtsgebied,” beval de bisschop den
speerknechten. Hun aanvoerder haalde de schouders op:

„Edele Ansfried, wij volgen onzen last, het kost ons anders zelf onze
huid. Doe uw beklag bij Rolfr Jarl!” Voort dreven zij het grauwtje,
krijschend gilde en schold Walgers vrouw....

De bisschop reed zwijgend verder. Hij ging over een grond, hem
onvervreemdbaar in leen gegeven. Het welzijn der bewoners hing van hem
af, het was hem toevertrouwd en wat vermocht hij tegen de
onbeschaamdheid van het ruw geweld, dat gezag verachtte, het recht
hoonde?

De middagzon wierp haar gouden glorie over het veld. De beek kabbelde
rustig verder. Hoog bloeiden de bloemen op aan den groenen oeverkant.
Rust en liefelijken vrede ademde de aarde, overal waar de menschen niet
kwamen met hun jammer en tweedracht.

Een vrouw richtte zich op tusschen het lisch, een ellendig, erbarmelijk
wezen, met een schootsvel en sandalen van boombast, nauwelijks voldoende
gekleed met een hemd en rok van grof hennipgaren. Met haar doffen blik
zocht zij den bisschop, eenige eendeneieren hield zij in de magere hand.

„Die breng ik aan Lisa, zij heeft mij van haar boonen gegeven en
jonkvrouw Swanwitha ligt ziek in haar hut, zoo bleek als een geest. --
Geen wonder: haar eigen grootvader, die helhond, heeft haar uit zijn
huis gejaagd.”

Zoo snel hij kon ging de bisschop naar oude Lisa’s vervallen hut. Hij
zag het bleeke hoofdje rustend op den vloer tegen een kussen van
boomschors en dorre bladeren. Ingezonken waren de oogen. Tooverspreuken
prevelend wreef Lisa met de palm harer hand Swanwitha de gekneusde
leden.

„Is het geen gruwel, heer bisschop?

Op den drempel van den Ravenhorst lag zij als een bloedend lam. O, ’k
wou, dat ik hem zelf daar zoo zag liggen, dien duivel”....

„Stil, Lisa! Gij moet uw vijand vergeven, zeventig maal zeven maal, de
Heer wil het!”

„Dat kan ik later in den hemel misschien doen, maar hier niet.”

„Gij zult den hemel niet binnengaan, als ge het hier niet leert.”

Zij zweeg en boog zich over Swanwitha.

De flauwe ademhaling werd een weinig dieper. Geduldig wachtte ook de
bisschop. Eindelijk sloeg de half bewustelooze de oogen op, die hun
glans hadden verloren, evenals haar gelaat zijn blos. Vol nameloozen
angst, iederen polsslag trillend van vrees, hief zij het hoofd op. Haar
gloeiende vingers grepen de hand van bisschop Ansfried:

„O, help mij! Breng mij ver weg van hier, ver weg! Ik wil nooit meer
naar huis, nóóit meer!”....

Onder snikken en tranen vertelde zij alles, om toen, met dubbelen nadruk
te herhalen: „Nooit meer!”

Hij had haar zwijgend aangehoord en nu, terwijl haar oogen vol angst,
smeekend de zijne zochten, kwam weer die zonderlinge ontroering over
hem: geleken twee sterren, twee witte leliën zoo op elkander als dit
kind op zijn verloren dochter? En weer dacht hij aan al het leed, dat
Rolfr over zijn leven had gebracht.

„Hoe heette uw moeder, mijn kind?” vroeg hij plotseling, zonder eenigen
overgang.

„Gisela.” Verwonderd klonk het. Swanwitha had een ander antwoord
verwacht op haar droeve klacht, maar het hart van den bisschop hield
bijna op te kloppen.

„Zij was gehuwd met den eenigen zoon van.... van”....

Zij knikte. „Ja, en nu heeft hij mij geslagen, zooals vroeger haar. O,
toen zij leefde was alles anders. Een boek van den goeden Herder had zij
ook. Grootmoeder wou het mij afnemen, maar ik”....

„Waar is het nu?”

Vol belangstelling werd het gevraagd.

Toch verwierp de bisschop als een hersenschim -- wat hij hoopte. Zijn
kind de vrouw van Rolfr Jarl’s zoon.... Te ongerijmd was die gedachte.
Hij hoorde Swanwitha vervolgen:

„Het boek is th -- daar waar ik niet meer heen wil.”

Zij richtte zich op. Een flauw rood kleurde haar wangen. Het was of haar
kracht keerde met haar vast besluit. En dringender klonk haar zachte
stem:

„O, neem mij mee! Verberg mij! Ik kán niet meer naar h -- daarheen!”

O, hoe gaarne, hoe gaarne had hij haar beschermd voor de gansche wereld,
tegen de ruwheid van dien enkele! Met zijn leven had hij haar geluk
willen koopen. Maar beslist klonk zijn stem:

„Neen, mijn kind, dat kan niet!”

Zij liet het hoofdje hangen en barstte uit in tranen, die gloeiden op
zijn hart.

„O, waarom niet, waarom niet! ’t Is daar zoo vreeselijk!”

„Omdat Rolfr Jarl uw grootvader is en uw ouders u toevertrouwden aan
hem. Volgens de wet en van rechtswege is hij uw voogd en momboir. Alleen
als gij andere verwanten bezat u even na bestaande”....

Weer trilde zijn stem en weer zweeg hij; neen, het was onmogelijk. Had
hij niet overal gevraagd en gezocht, na het groote onheil zijns
levens?....

De zoon van Rolfr was toen zelfs niet gezien in het land en verscheidene
jaren daarna nog niet. Hij mocht dit kind niet afbrengen van haar
plicht, hoe ook zijn hart hem drong haar te helpen.

„Als het leven u zwaar valt, waarom zoekt gij dan geen steun bij hem,
wien gij u hebt toevertrouwd voor het leven?”

Toen zocht zij tevergeefs naar woorden, vele oogenblikken. Eindelijk
klonk het nauw verstaanbaar:

„Dat is het ergste! Ik wil zijn vrouw niet worden en ik moet!”

Opnieuw verstikten tranen haar stem. Maar de bisschop legde de hand op
haar schouder met ernstig gebaar.

„Als gij hem niet liefhebt, dan moogt gij zijn vrouw niet worden, nooit,
wie het u ook gebiedt, wat zich tegen u kant. Gij mòogt niet. Het is
doodzonde. Wie om hoogheid en eer bij de menschen, om goud of goed, door
dwang of bevel zich laat verbinden voor het leven, zonder diep te dragen
in het hart de liefde, „die alles gelooft, hoopt en verdraagt,” de
liefde „die nooit wordt verbitterd en nooit zich zelve zoekt,” -- die is
een zelfmoordenaar gelijk. Want hij doodt zijn eigen eer met alles wat
hoog en edel, en voor de eeuwigheid is geschapen in zijn hart.

Swanwitha, gij moet openlijk spreken en zonder vrees met hem, die u als
bruidegom werd opgedrongen, met hen, die u dwongen tot die verloving.
Het is uw hoogste plicht. Ik zal met u naar Rolfr Jarl gaan en
trachten”....

„Haar nog verder van den rechten weg te brengen. Naar buiten, zeg ik u!”

Een scherpe vrouwenstem sprak het woord, een harde hand schudde
Swanwitha bij den schouder.

„Grootmoeder!”

Welk een wanhoop lag in dat eene woord! Streng zag vrouw Sigrid haar
aan:

„In het kot van een oude tooverkol vind ik je dus, in gezelschap van een
christenpriester, eervergeten wezen! Er uit, zeg ik je, weg! En wat jou
betreft” dit tot de bevende Lisa -- „je zult gauw genoeg gerookt worden
uit je hol en -- heksen moeten branden, ha, ha!”

Zij dreef Swanwitha naar buiten, zij versperde den bisschop den uitgang.
Hij trad haar in den weg, hoog, bevelend.

„Vrouw, zie toe wat gij doet! Gij brengt het oordeel over u zelve!”

Een uitdagende blik trof hem, zij hief haar hand op tot een slag. Lisa
kroop naderbij op de knieën.

„Vrouw Sigrid, o, vrouw Si”....

De slag trof haar, het oude, stramme lichaam kromp ineen. Swanwitha
schreide.

„Vrouw Sigrid, ik daag u voor mijn gericht. Gij kent de straf door wet
en recht voor ieder bepaald, die een vrijgeborene tuchtigt.”

„Ik lach om uw wetten en rechten; bij mij geldt alleen het recht van den
sterkste. Wat laat gij u in met de zaken van mijn kleindochter? Zij is
niet meerderjarig, ik heb hier te bevelen, niet gij.”

„Gij zult zien, wat ik vermag. Ik zal niet rusten....”

Zij liet hem niet uitspreken, met een zwaai had zij Swanwitha voor zich
op het paard geworpen. Nu reed zij met haar weg, zoo snel de ongelijke
weg het toeliet.

Machteloos moest de bisschop het aanzien. Zijn hart bloedde. Een flauw
kreunen klonk in zijn nabijheid. De slag, die oude Lisa had getroffen,
was aangekomen.

Toen zag hij den plicht, die het dichtste bij was. Hij richtte haar op:

„Lisa, ga naar den Hohorst, eer de speerruiters komen. Ge hebt de
bedreiging gehoord. Ge zult het daar beter hebben dan hier en ik zal je
beschermen.”

Zij kuste zijn hand, een traan rolde over haar gebruinde wang. Sinds
vele jaren had niemand zich om haar bekommerd of naar haar omgezien, bij
verdriet en rouw. Beschermd, zij.... Een weldadig gevoel sloop haar in
leed verstijfd hart binnen.



HOOFDSTUK XV.


Trutha en Yglo vluchtten door het woud. De dienstmannen van den
Ravenhorst zochten hen. Zij droegen den leeren kap over een ijzeren
kruis gespannen en den ongelooiden kolder. Sommigen hielden hun ijfel
vast en hadden gepunte en gevederde bouten aan den gordelriem --
boogschutters alzoo. Anderen waren gewapend met kolf en speer, een
drietal slingeraars met wollen kap en overkleed, voerd den stokslinger
mee -- het zou een felle jacht worden.

Yglo hield het meisje bij de hand; zoo snel zij konden, liepen zij
voort, maar de meesten der jagers op dit menschelijk wild waren te
paard, en de overigen drongen tusschen het struikgewas -- de kans van
ontkomen was gering. Toch troostte Yglo haar zoo goed mogelijk:

„Houd je maar goed, Trutha! ’t Wordt al gauw avond en dan zullen wij wel
uit het bosch weten te raken. Wij moeten ons op den Hohorst maar niet
ophouden; recht door naar Utrecht. „Stadrecht breekt landrecht,” zooals
de jonkvrouw zei. Als de weg je maar niet te lang valt! Wij zijn geheel
zonder teerkost.” Zij trachtte hem op haar beurt te bemoedigen.

„Daarvoor is geen zorg! Iedere reiziger mag immers visschen in het water
langs zijn weg, als hij maar terstond zijn vangst braadt aan den oever.
Drie rapen is ’t elk vergund in ’t voorbijgaan te roden van den akker,
drie vruchten te plukken van elken dragenden boom.[15] Als wij de
speerruiters slechts kunnen ontkomen!”

Als!.... Het geluid van snelle schreden kwam dichter bij; vloeken en
verwenschingen klonken, wanneer een laag hangende tak een der vervolgers
in het gelaat zwiepte. Tusschen het groene scherm der boomen glinsterden
wapens....

„Zij komen! Zij zien ons! Gauw! Voort!”

Met haastige, ongelijke schreden trok Yglo zijn gezellin mee. Zijn voet
bleef steken in den drassigen grond, aan een doornstruik haakte Trutha’s
rok. Yglo liet zijn plompen, houten schoen in den steek, zij een breeden
rand van haar kleedje.... Voort snelden zij, voort!....

Niet lang meer:

Na enkele minuten zagen zij, op nauwelijks een boogschot afstands, de
speerknechten. Met gestrekte wapens trokken zij om de vluchtelingen een
kring; opgewonden hitste een der voorsten met stem en gebaren een
bulhond op hen aan:

„Daar, daar! Pak ze, Snel! Daar!” Huilend en blaffend sprong de hond
voorwaarts, zijn scherpe tanden blikkerden. „Pak ze, Snel! Pak ze!”....

Radeloos zag Yglo om zich heen. Aan de eene zij waren de vervolgers, aan
den anderen kant stuwde de stroom zijn breede golven door het verlaten
landschap. Hij bedacht zich geen oogenblik. Met een ruk trok hij Trutha
in zijn sterke armen. Met wilde sprongen bereikte hij den oeverkant.
Vlak achter hem huilde de hond. Pijlen snorden van den boog boven zijn
hoofd. Een sprong, een plons -- hij lag in het water. Krampachtig hield
hij Trutha vast met de eene hand, met de andere trachtte hij zwemmende
den tegenovergestelden oever te bereiken.

„Pak ze, Snel! Hij wil overzwemmen! Pak ze!”

Jankend en keffend sprong de hond de vluchtelingen achterna. Weer snorde
een pijl van den kruisboog. Trutha, half wezenloos van angst, slaakte
een gil. Rood werden de zilveren golfjes, die zich om haar sloten als
wilden zij haar met hun blanke kracht beschermen tegen het geweld der
menschen.

„Vooruit! Snel, na! In het water!” schreeuwde een boogschutter aan den
kant. Weer gonsde een pees van den boog. Yglo voelde een stekende pijn
in zijn schouder, als verlamd viel de arm neer, die Trutha omknelde. Zij
zonk in den stroom, de glanzende sluier van zilveren waterdruppels sloot
zich boven haar. Zouden de wateralven haar dragen naar hun zuilenhal van
doorzichtig kristal?

Die gedachte deed Yglo een zucht van verlichting slaken; geen
menschelijk wezen kon haar dan meer bereiken of leed doen: de wateralven
beschermden haar, voerden haar veilig.... Bloeiende struiken, lisch en
rozelaren bogen ver over den oeverrand en vlochten hun taaie en doornige
twijgen tot een ondoordringbaar net. Yglo had nog even tijd dit te zien,
toen grepen ruwe vuisten hem bij de schouders, toen voelde hij den
scherpen beet van een hond in zijn ongewonden arm.

„Trutha! Vaarwel!” In een snik klonk het. Een slag op zijn mond smoorde
zijn stem. Aan land voelde hij zich gesleurd door vier gespierde
vuisten.

„Laat het vrouwspersoon maar liggen! Zij behoort aan de wateralven. Zij
zouden hun pijlen op ons afschieten, als wij haar meenamen. ’t Is
genoeg, dat wij hem hebben!”

Het waren de laatste woorden, die Yglo verstond; als hij weer bij kwam
zou hij met ketenen zijn gekluisterd aan den wand in den kerker van den
Ravenhorst....

De golven schuimden over Trutha heen, zacht hieven zij haar roerlooze
gestalte op en droegen haar verder in hun witte waterarmen tot zij tegen
een met mos bedekten boomstam stieten, die aan de eene zijde den stroom
stremde in zijn loop. De golfjes bekommerden zich niet om het beletsel,
dat die boomstam gaf aan hun reis naar de zee; klaterend sprongen zij
verder een man te gemoet, die de rivier oproeide in zijn plompe boot.
Trutha bleef alleen achter, de avondhemel was met een smalle streep nog
even zichtbaar boven haar hoofd. De rozelaar bewaakte haar met zijn
groene doorntwijgen en het slanke lisch bloeide als een wacht van speren
om haar heen. De azuren luchtstreep wierp zijn glans in de groene
duisternis en de witte schuimdruppels geleken een snoer van parelen op
een koningsmantel van blauw sameet.

  [15] Noordewier: Ned. Rechtsoudh.



HOOFDSTUK XVI.


Bisschop Ansfried was teruggekeerd van zijn dagelijkschen tocht. Het
geheele verhaal van Rolfr Jarls strafoefeningen en bedreigingen was hem
door het ontstelde landvolk meer dan eens gedaan. Allen die den Noorman
vreesden, wellicht meer nog dan de macht die hij bezat, had de bisschop
een schuilplaats aangeboden op den Hohorst. Gelast had hij hun vrienden
en verwanten te zoeken, die nu voor hem vluchtten of den balk legden in
de haag. Vol aandrang waren allen door hem vermaand om te blijven bij
het geloof, waarin zij waren opgegroeid en, dat zij eens hadden beleden,
zich niet uit vrees te laten meesleepen door voorstellingen van
heidensche dwalingen.

De zon ging onder, het water vlamde op in purperschijn, alleen tusschen
de dennenstammen glinsterde nog het scheidend licht als vloeibaar goud.

De bisschop maakte zijn laatste beschikkingen. Broeder Johannes was bij
hem, de eerste, die hem bericht had gegeven van het tooneel bij den
grafheuvel. Hij had dien nacht gebeden bij een stervende en werd zoo de
onwillekeurige getuige van de komst der Druïde: ondanks het streng
verbod had geen der wachten hem den weg versperd. Zoo had hij gestaan
achter de haag van eikenhakhout en elzenstruiken, zoo had hij gezien en
gehoord. Het zaad, door de bewoners van den Hohorst uitgestrooid met
milde hand, was liefde geweest, het was ontloken in de harten. De
doornen van machtsvertoon noch bevel konden het verstikken: geen der
wachters had hem gegrepen of teruggewezen.

„Broeder Johannes, zorg dat de pakpaarden beladen worden en de
muildieren gezadeld. Zoodra jonker Unruoch terugkeert, vertrekken wij,
onder bedekking zijner ruiters, allen naar Utrecht. Melden zich nog
landbewoners aan, die vluchten voor Rolfr van den Ravenhorst, neem ze op
in den trein. ’t Is hier niet veilig meer.”

„Uw Hoogeerwaarde weet dus stellig, dat de Denen”....

Broeder Johannes bleef steken; een rilling liep door zijn tengere leden;
doodsangst sprak uit ieder gebaar.

„Helaas, ja! Gisteren zond de kustwachter van Witlam mij een bode.
Negentig zeilen waren door hem geteld, maar tegenwind had de vloot het
ankeren of het land in te zeilen belet tot nu toe. Tot nu toè. Wie weet
hoe het thans reeds is. Het zal een zware strijd worden. En nog is bijna
geen enkele sterkte, die ik liet bouwen om de grenzen te verdedigen van
het bisdom, gereed, slecht bemand zijn zij alle. Indien de landzaten
slechts kodde en dorschvlegel grijpen, zoodra de nood daar is, maar
Rolfr Jarl verlamt hun kracht.

Moge de onze echter door het gevaar worden verdubbeld. Voor geloof en
geboorteland hoop ik te waken, als droeg ik nog pantser en zwaard. Houd
ook gij u kloek en manhaftig, broeder. En als gij geen kracht in u voelt
een speer te grijpen, doe dan uw plicht bij de gewonden en stervenden,
ook dan wanneer de gevallenen Denen zijn.”

„Bij de Denen! Die duivels, die man, vrouw, noch kind ontzien?”

„Wilt gij een christen heeten en door geen daden toonen, dat gij het
zijt?

Zelfverloochening en barmhartige liefde tot vijanden eischt de Heer.”

„En wie beslist hoe spoedig wij allen staan voor Zijn aangezicht! St.
Jan is nabij!”

Broeder Johannes verborg het bleek gelaat in de magere handen, zijn
tanden klapperden op elkaar:

„Heer, heer, gij wilt niet, dat wij er over spreken of er geloof aan
slaan, maar ieder zegt het, iedereen, de geheele wereld, heer! Gij
herinnert u toch ook de beide broeders uit Parijs, die te Utrecht in ons
klooster kwamen, nog geen maand geleden? Zij keerden terug van een
pelgrimstocht naar het graf van den apostel Petrus te Rome, zij
verhaalden hoe ieder in Frankrijk en Italië geloofde, dat het einde van
alle dingen aanstaande is. Alle bedrijven en zaken staan daar stil,
alle schenkingen aan de kerk beginnen met: Appropinquante mundi termine.

Schrik en rouw vervullen ieder gemoed en de godsvrucht neemt toe met de
vrees.”

„Is dàt godsvrucht ontweld uit reine bron, broeder Johannes? De liefde
sluit de vrees buiten.”

Broeder Johannes zweeg enkele oogenblikken, toen klonk het opnieuw
gedempt:

„Ach, heer bisschop, wij zijn allen zondige menschen, tastend en dwalend
zoo lang wij leven. Maar is het duizendjarig rijk niet weldra ten einde,
en staat er niet uitdrukkelijk in de Openbaring:

„En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de Satanas uit
zijne gevangenis ontbonden worden”....

„En zijn bij God niet duizend jaren als éen dag, en éen dag als duizend
jaren? Waant gij, dat de Eeuwige rekent met aardsche tijden en uren?
Jezus zeide: Die dag en die ure kent niemand, en zich grondend op Zijn
woord heeft geen der kerkvaders het ooit gewaagd den dag te bepalen van
het jongste gericht. Wat God verborgen houdt in Zijn ondoorgrondelijke
wijsheid, mogen menschen daarvan den sluier trachten op te lichten?”

„Gewis niet, maar het geloof aan den aanstaanden ondergang bestaat nu
eenmaal bij klein en groot, bij vorsten en dienstmannen, bij vrijen en
hoorigen. In de kerken te Parijs wordt openlijk gepredikt, dat de
wereldbrand aanstaande is, dat eerst de Antichrist zal verschijnen en,
dat daarna het oordeel komt. „Als Maria boodschap en Goede Vrijdag op
een dag samentreffen, is het einde daar!”...

Gij kent toch ook die voorspelling heer bisschop, gij toch ook! En is
die dit jaar niet in vervulling gekomen?

O, er is geen hoop meer, geen hoop, geen enkele lichtsprank in den
nacht!”

Met een gevoel van innig medelijden zag de bisschop neer op den jongen
man, wien folterende angst klamme druppels op het gelaat deed parelen.
Hij wist, dat duizenden en tienduizenden dachten, geloofden als hij, dat
vijanden zich verzoenden en koningen zich verootmoedigden... Ried
broeder Johannes zijn gedachten toen hij voortging:

„Koning Robert van Frankrijk is door paus Gregorius, nu juist twee jaar
geleden, in den ban gedaan, omdat hij zich niet wilde laten scheiden van
zijn vrouw, koningin Bertha, die hem te na in den bloede bestaat. En
thans is de koning tot die scheiding besloten, „omdat nu toch de wereld
zal vergaan, nù!”

„Maar paus Gregorius heeft den koning in 998 -- wegens zijn weigering --
veroordeeld tot een _zevenjarige boetedoening_. Wijst dit op den
ondergang der wereld in dit jaar?”

„Ik weet het niet, ik kàn niet meer! Mijn hoofd, mijn hoofd!”...

Meewarig schudde de bisschop het hoofd. Van hoeveel zielsangst,
nachtwaken en vasten verhaalde dat ontvleesde gelaat!

„Broeder Johannes, gij zoekt het op een verkeerden weg. Dien uw God door
liefde tot uw naasten, door te vertrouwen op Hem en op de reddende
genade van den Zaligmaker, Die ook voor u heeft geleden en is
gestorven.”

Hij nam een klein, in francyn gebonden boekdeeltje van het rek aan den
wand.

„Lees opmerkzaam, zoodra wij te Utrecht zijn aangekomen, dezen „Libellus
de Antichristo.” Het is reeds bijna een halve eeuw oud en geschreven
door Adson, den geleerden abt van Mons-Dervense, in Champagne.”

Begeerig strekte broeder Johannes de hand uit.

De bisschop hernam: „Koningin Gerberga was destijds even bekommerd als
gij nu. Op haar verzoek -- zij wenschte zoo vurig te weten wat de Bijbel
zegt omtrent den Antichrist en zijn gevreesde macht -- werd het boekje
geschreven. De laatste regels luiden: „Ik geloof, dat niemand weet,
hoeveel tijd er zal voorbijgaan tusschen de komst van den Antichrist en
het Laatste Oordeel, maar dit blijft ter beschikking Gods, Die de
menschheid zal oordeelen in het uur, dat Hij daartoe voor eeuwen heeft
bepaald.” --

„Moge de lezing ook u tot kalmte brengen, broeder, gelijk zij dit eens
koningin Gerberga deed en dit geschrift u tevens leeren berusten in Gods
wil door te gelooven in Zijn heilig woord. Ga echter nu de plichten
volbrengen, die thans op u wachten. Ook het aardsche leven stelt den
mensch zijn eischen.”

Zegenend legde de bisschop hem de hand op het hoofd; een groot gevoel
van rust kwam in het gefolterde hart van den jongen broeder, toen hij
in het opgeheven gelaat zag voor hem, door leed veredeld, door geloof
gewijd, rust bezittend en rust gevend.

„Ach, dat allen waren als hij! De wereld zou anders zijn, beter!”
fluisterde het in zijn hart, toen hij heenging om een der kleine
plichten te volbrengen van het leven, allen schakels van een groot
geheel. En hij dacht nogmaals, hoe verklaarbaar het was, dat door zijn
volgelingen de grijze kerkvorst zoo hoog werd vereerd. Zijn christendom
bestond niet alleen uit bidden, zijn daden toonden zijn geloof.

Bisschop Ansfried zag den jongen broeder zich naar het boothuis begeven
langs de kerk.

Onwillekeurig ontsnapte ook hem een zucht. De muren van tufsteen van het
kleine kerkgebouw waren nauwelijks opgetrokken. In den eenvoudigen
vierkanten toren met een spits tusschen twee brandgevels, hing nog geen
maand de klok, die met zilveren klank de omwonenden riep tot het gebed.
Hoe had hij gehoopt hier dikwerf eenige dagen van verademende rust te
vinden, wanneer de zorgen voor zijn uitgestrekt Bisdom geheel zijn
kracht hadden gevraagd en overspannen. Hoe had hij gewenscht zijn verder
leven te wijden aan den dienst van God en de uitbreiding van Zijn rijk.
En thans -- de klanken der aarde stegen tot hem op met stemmen van bloed
en haat.

De Denen aan de kust! Rolfr Jarl hun bondgenoot, het volk opwekkend tot
afval van zijn geloof....

Ook hij wist hoe diep de overleveringen van het heidendom nog, vaak
onbewust, leefden in menig eenvoudig hart. Want een algemeen verbreid
geloof was het onder het volk, toen dit het Christendom aannam,
gedwongen meestal, dat de goden waren gevlucht voor den God der
christenen, doch dat zij daarom niet waren gestorven: Zij hielden zich
slechts schuil in eenzame wouden of in woeste landstreken, om terug te
keeren als de nood op het hoogst was geklommen voor het volk, welks
voorgeslacht hen had vereerd. Wodan wachtte met zijn Einheriar den
laatsten strijd af, diep verborgen in een berg der Duitsche gouwen. Maar
als die strijd ontbrandde, zou hij te voorschijn treden, zijn
godenmantel van schitterend blauw om de trotsche schouders. Slingeren
zou hij zijn geduchte speer naar de afvalligen, maar zijn getrouwen zou
hij, de „zegenschenker”, veilig voeren in zijn vernieuwd rijk, dat was
verrezen uit den wereldbrand, bloeiend, wonderschoon.

Eens -- hoe goed herinnerde de bisschop het zich! -- had hij op een reis
door Duitschland zijn gids gevraagd, op een bergtop wijzend, die statig
oprees boven het omliggende land:

„Dat is de Kyffhäuser, nietwaar?”

Maar tersluiks had de gids op zijn voorhoofd een teeken gevormd, dat
geen kruis was, terwijl hij schuw mompelde, met een zijblik op het
berggevaarte, waarboven de grijze wolken laag dreven en de raven
geheimvol krasten:

„Het is de Wodansberg, heer. Zie, zijn raven vliegen om den top,
gehoorzaam lettend op zijn bevelen en de wolken wachten of hij, door
hen omsluierd ongezien wil rijden over de aarde.

Hij slaapt nu in den berg met zijn getrouwen, heer! In den marmeren
disch voor hem groeit zijn baard, maar als de nood dreigt en het einde
komt, zal hij ontwaken en dan, en dan”....

Met verbazing zag de spreker zich het zwijgen opgelegd door den
onbekende. Waarom? Ieder wist immers, dat het zoo was en eenmaal zoo
zijn zou? Zijn grootvader had het hem verhaald, die had het van zijn
voorganger gehoord en die....

Graaf Ansfried leerde dien dag opnieuw, hoe zwaar het valt,
volksoverleveringen uit te roeien, die eenmaal wortelden in volksgeloof.
Voorwaar, Rolfr Jarl had ditmaal geen zware taak! Hoe dikwijls was hij
-- gedurende de korte jaren zijner kerkelijke waardigheid -- niet
genoodzaakt geweest krachtig op te treden tegen heidensche gebruiken,
ingeslopen in den christelijken eeredienst, of gehandhaafd ondanks
verbod en bevel. Het land was gekerstend sinds meer dan twee eeuwen,
maar velen zijner bewoners waren daarom nog geen christenen.

Gespannen zag de bisschop naar den landweg. Het was hoog tijd om te
vertrekken. Er zou te Utrecht veel te doen zijn. De stad moest versterkt
en in staat van tegenweer worden gebracht, de heirban worden opgeroepen,
boden gezonden door het land om het volk aan te manen zich te wapenen.
Scherp wacht moest worden gehouden op den toren van ieder landkasteel,
zoowel als op de heidehoogten, terwijl op de duinen roodgloeiende
wachtvuren hoog opvlammend, elkander het teeken moesten geven van de
landing der gevreesde vijanden.

Of de gravin-weduwe van Kennemerland reeds was gewaarschuwd of op haar
hoede? De graven van die landstreek waren door den keizer belast met de
kustwacht en de kustverdediging tegen de invallen der Noormannen. Maar
de krachtige graaf Aernout was enkele jaren geleden gesneuveld op de
made van Winckel in een zijner veelvuldige veeten met de woeste
West-Friezen; zijn zoon Dirc nog een kind. En het berokkende zijner
weduwe, de schoone Luitgarde, reeds zooveel zorgen, om het van alle
zijden aangevochten erfdeel van haar zoon te beschermen, dat reeds nu
diepe lijnen zich hadden gegroefd in haar blank voorhoofd, dat zich
welfde onder den sluierkroon en den weelderigen diadeem harer golvende
haren.

Neen, van die zijde was niet op hulp te rekenen. Had de bedrukte
regentes nog niet kort geleden de tusschenkomst verzocht zijner
gewapenden om het burggraafschap van Gent terug te verwerven, dat voor
goed verloren dreigde te gaan van haar zoon, evenals dit reeds zijn
vader was ontroofd?

Bisschop Ansfried wist zich aangewezen op eigen krachtsontwikkeling. Hij
moest handelen, terstond naar Utrecht vertrekken en -- nog kwam Unruoch
niet.

De avond viel snel en bij dit schemerlicht volbracht de bisschop zijn
plicht van het oogenblik. Hij zocht eerst naar een kussen voor oude
Lisa om haar den tocht wat gemakkelijker te maken in den zadel van een
muildier op den weg vol kuilen en gaten en borg toen de kwartijnen, die
de werken van Augustinus, de Topica van Aristoteles, de Aphorismen van
Hippocrates en de godgeleerde beschouwingen van Athanasius bevatten in
een leeren tasch.

Dichter werd de schemering, vale schaduwen wierpen de boomen, tot
loodkleur verdofte het watervlak. Plotseling klonk het gedruisch van
vele paardenhoeven door de suizende stilte. Zij kwamen! De bisschop
greep zijn mantel. De eerste sterren glinsterden, avondrust was rondom.
Nu kon de tocht aanvangen. Zij kwamen.... Maar, als overwinnaars niet.

Snel als de wind renden de bisschoppelijke ruiters over de bruine heide,
Unruoch aan het hoofd, maar als een huilende Novemberstorm volgde hen
Rolfr Jarl met zijn Denen. Pijlen snorden van den boog -- met lossen
teugel reden de Denen -- wonden bijtende speren zochten hun wit. Reeds
meer dan een angstig hinnikend paard zonder ruiter toonde, dat zij doel
hadden getroffen. Nu bereikten de bisschoppelijke ruiters den waterkant.
Slechts op een tiental schreden afstands waren de vervolgers. Hoog
richtte Unruoch zich op in den zadel. Ver in ’t rond klonk zijn stem tot
de ruiters:

„Redt u! Hier is het water ons behoud. Werpt u in den stroom, op den
Hohorst zijt gij veilig!”

Ver in de meerderheid waren de Noorsche ruiters. Langer verzet was de
dood. De mannen van St. Maarten begrepen het. Een sprong, een plons, de
paarden voelden het water opspatten boven hun manen. Zwemmend poogden
zij den tegenovergestelden oever te bereiken. Maar ondiep was de stroom.
De modder van den bodem kleefde en trok omlaag. Het was een hachelijk
oogenblik. Met stem en teugel vuurden de ruiters hun paarden aan.
Vruchteloos arbeidden de vermoeide dieren, en de bende door Rolfr Jarl
zelf aangevoerd, had hen bereikt. Thans trof iedere pijl zijn doel. Op
den heuvel stonden de kloosterbroeders met den bisschop, hun eigen leven
niet vreezend voor de snorrende pijlen, toch tot helpen machteloos.

Unruoch zag het. Hij stond nog alleen aan den oever, met zijn zwaard den
overtocht der zijnen dekkend. De pijlen kletterden tegen zijn schild;
als ijzeren veeren bleven zij er trillend in steken. Met smeekend gebaar
wendde hij zich tot den bisschop:

„Blijf daar niet! Het bestaan van dit volk hangt af van uw leven. Met u
staat en valt zijn vrijheid! De Denen!”.... Hij kon niet verder. Een
pijl drong door de voegen van zijn helmkap. Bloed druppelde op zijn
pantser. Het zwaard ontglipte zijn vuist.

„Grijpt hem! Grijpt hem levend!” dreunde de stem van Rolfr Jarl.
„Dan”....

De belooning door hem toegezegd ging verloren in rumoer en geschreeuw,
-- het antwoord op zijn bevel. Als honden op een gewond hert wierpen
zich de Denen op Unruoch. Zij trachtten hem van het paard te rukken,
hij verweerde zich als een wanhopige, de heirbijl in de ongewonde hand.
Maar zijn krachten begaven hem, hij voelde het. Nog éen oogenblik en zij
zouden hem op den grond werpen, hem sleuren over heide en boomstronken
naar hun heer, die hem ten tweeden male niet zou vrijgeven -- door
overmacht gedwongen. Krampachtig omknelden hem de gespierde armen in de
harde lederen kolders, nog éen oogenblik.... Toen gaf hij zijn paard een
slag met de heirbijl, die doordrong diep in de flank van het moedige
dier. Een scherp, snijdend geluid, hoog steigerde het paard op zijn
achterbeenen, in den wind fladderden de lange manen, met een ruk van
getergde kracht, uit felle pijn ontstaan, wierp hij het verwarde
menschelijke kluwen van zich, trappend, bijtend in schier razende
woestheid. Toen nogmaals een sprong en neer ploften ruiter en ros in den
stroom. Geen eigen gevaar meer achtend, waadden de enkele nog ongewond
gebleven ruiters -- het was hun eindelijk gelukt den wal te bereiken --
terug. Na eenige oogenblikken zag Rolfr Jarl, met trekken donker van
woede en drift zijn prooi ontsnapt. Tevergeefs dreigde hij met gebalde
hand de ruiters; vruchteloos vergat hij den afstand, die hem van hen
scheidde, door zijn teleurstelling te uiten in een woordenvloed, die hem
tot gelijke stempelde zijner ruwste eigenhoorigen. Ten laatste zweeg hij
met droge keel, naar adem snakkend. Met een ruk wendde hij zijn paard.
Een pijl suisde hem voorbij, een tweede trof zijn hand, toen keerde hij
zich opnieuw naar den Hohorst met een plotselingen inval:

„Des te beter! Ik rook den beer uit zijn hol!”

Norsch wendde hij zich tot zijn ruiters. Zij verwachtten zijn bevelen,
sidderend, deemoedig. Hij wees naar de loodsen, den stal en het
boothuis:

„Steekt die kotten in brand, maar bewaar de boot en houdt scherp wacht.
Ieder die tracht over te steken zingt gij de lansenmis. Wij zullen ze
uithongeren of van de aardsche jammeren verlossen, die verheven
christenen! Vlammende pekkransen op het dak en geen teerkost
binnenshuis! Past op, dat gij niemand doorlaat! Gij boet het met uw
leven!”

Rolfr Jarl reed heen, de ruiters bleven. Van voldoening hamerde zijn
hart met versnelden slag. Bisschop Ansfried zijn gevangene op den
Hohorst en de Denen tot den inval gereed!

       *       *       *       *       *

Oude Lisa strompelde dien avond door de velden. De sterren verlichtten
haar pad, ook de ster met de gevreesde vurige roede. Zij klopte aan de
huisdeuren -- van binnen versperd door een balk als waren er vijanden in
’t gezicht; op een kier werden zij geopend om haar in te laten. En dan
zag zij:

In het eene gezin alle huisgenooten knielen voor de alruinen.

„Boer, boer! sta op! De bisschop is gevangen als een muis in de val!”
klonk haar bevende stem. En zij verstond het antwoord:

„Is dat mijn schuld? Hij heeft ons die willen afnemen” -- met een
gebaar naar de alruinen -- „en gij weet, wie een alruin uit den grond
trekt moet sterven.[16] Zij waren de machtigsten, lang voordat keizer
Karel leefde of nu de bisschop. Had hij de alruinen maar met rust
gelaten, maar hij ging rond door het land om alle overblijfselen uit te
roeien van het heidendom. Nu hebben zij hun wraak!”

De deur sloeg toe, de wachthond blafte, oude Lisa stond weer alleen
buiten, onder den sterrenhemel. Zij ging met moeite het erf af, het
vonder over, als een groet uit het Paradijs drong de lindengeur tot haar
door. Doch geen paradijsvrede heerschte in de volgende woning waar zij
aanklopte. Geknield lagen ook hier allen, maar doodsangst sprak uit den
starren blik der oogen, radelooze wanhoop uit de saamgewrongen, omhoog
geheven handen:

„Bergen valt op ons, heuvelen bedekt ons! Het is aanstaande, het oordeel
komt! Heer, erbarm u onzer!”

„Menschen, komt tot je zelven! Let op het heden: onze bisschop!”....

„Vrouw, wat hebben wij met je noodig? Houd ons niet op: Het einde is
nabij. Op Midzomer -- ik meen met St.-Jan is de groote, geweldige dag
daar. En wij verbranden mee! Heer, erbarm u! Erbarm u!”....

Zwijgend ging Lisa. Allen dachten alleen aan eigen behoud, niemand
scheen zich meer te herinneren, wat de grijze kerkvorst was geweest
voor hen; hij, die zoo hoog in aanzien en macht, hier rondging als de
minste der broeders om te raden, te helpen, te redden bij iederen nood.
Wie zijn leven zal willen behouden zal het verliezen....

Lisa’s voetstappen stierven weg.

Henno kruiste haar pad. Hij zag haar niet voor zij hem staande hield.
Toen trof haar een blik vol doodsangst uit oogen, door droefheid
verduisterd:

„Weet ge ’t al, Lisa? Mijn Yglo ligt in den slangenkelder van den
Ravenhorst en verdronken is Trutha! Mijn vrouw dood, gevangen om te
sterven mijn zoon! O, dat het einde ook voor mij kwam! nu, nù! Ik ben
weggegeeseld van den Ravenhorst. Hadden zij mij maar dood geslagen!
Waarom duurt het nog zoo lang, dat de wereld vergaat! Zoolang!”

Het was of de gebogen gestalte voor hem, rees. Beschikte inderdaad die
oude, doffe stem over zooveel kracht?

„Omdat er nog veel te doen is in die wereld, ook voor jou visscher, ook
voor jou!”

„Wat meen je, moeder Lisa? Wat meen je?” Zij verhaalde hem wat er op den
Hohorst was gebeurd:

„Ik stond en zag het uit de verte. Een onderkomen was mij daar beloofd
door onzen bisschop. Nu moet ik zwerven door ’t land, naar mijn hutje
durf ik niet meer. Henno, hij was goed voor ieder van ons; niemand, die
hulp behoefde, werd ooit door hem afgewezen en nu laten allen hem
alleen. Allen, Henno!” De visscher verborg het hoofd in de handen.

„Ik deed het ook. God vergeve mij en rekene het mij niet toe! Ook ik
vergat hem en nu is de straf gekomen! Ik was bij het offervuur, in
vlammen ging mijn hoeve op. Den bisschop werd door Rolfr Jarl de dood
gezworen en nu.... mijn vrouw, mijn kind!”....

„Maak het goed, Henno, maak het goed!”

„Hoe zou ik, arme man, dat kunnen?”

Toen ontwikkelde Lisa haar plan. Wat maakte die oude, onwetende vrouw
zoo vindingrijk?

Een blik in het verleden:

Door de velden rende Rolfr Jarl met zijn stoet. De middagzon brandde;
naar verademing hijgde geheel de natuur. Onvoordeelig was de jacht
geweest; een zijner beste brakken had een jachtspriet in ’t lijf
gekregen door de schuld van een drijver -- hij was op last van zijn heer
dadelijk opgehangen. Nu reed Rolfr huiswaarts; wie de uitdrukking van
zijn gezicht zag, sidderde.

Dietmer, den koeherder, zag hij van verre. Het vel eener koe met kop en
horens er nog aan, slingerde hem over den rug. Rolfr spande den boog,
terwijl de herder naderkwam. Grauwend klonk het:

„Wat waag je nu weer, aartsdief! Een van mijn koeien heb je dood
gestoken om”....

Drift belette hem verder te spreken. Het gaf Dietmer gelegenheid
smeekend uit te roepen:

„Heer, spaar mij! Het dier is zijn natuurlijken dood gestorven! Huid en
kop lever ik u immers onbeschadigd, dan is de herder vrij van
schuld.[17] Met zijn boog sloeg Rolfr den herder in het gezicht. Dat
was zijn antwoord. Toen wees hij de Denen van zijn gevolg op een groepje
hoorigen, dat het noenmaal verorberde: boonen, een stuk grof, zwart
brood, na de zware morgentaak.

„Wij hebben heden een slechte jacht gehad. Jaagt op dat vee! Ik zal ze
leeren, te luieren en te stelen!”

Met wilde bijvalskreten volgden de woeste Denen het bevel. Jacht werd
gemaakt op de hoorigen als op de hazen en konijnen der heide. Gewond
lagen zij weldra. De herder stierf door een boogschot van den Jarl. Lisa
kwam van den molen. Ook haar trof een pijl in den arm.

„En ik ben vrijgeboren! Niet mijns heeren eigendom, met lijf en huid,
als de hoorigen!”

Als de stervenskreet van het gehoonde recht klonk haar uitroep den
geestelijke in de ooren, die de ongelukkigen vond in het veld,
gekwetsten en dooden, nadat de jachtstoet onder hoorngeschal en lustig
hondgebas verder was gerend.

Zij kenden hem geen van allen, dien man met het ernstig, denkend gelaat
en het zilveren haar, de arme hoorigen. Hij droeg het eenvoudige, zwarte
kleed der Benedictijner kloosterbroeders. Maar hij had de dooden
begraven en gebeden bij hun lijk. Hij had de gewonden verpleegd met
eigen hand, ze gebracht naar den Hohorst en gelijk eerst voor de dooden
bad hij nu met de levenden. En terwijl hij hen tot lijdzaamheid
aanspoorde in hun lot en hen wees op den Gekruisigden Heer, Wiens last
den hunnen had overtroffen tien- en honderdvoud, daalde berusting in
menig tot weerwraak getergde borst en werden klachten en verwenschingen
omgeschapen in gebeden tot God, Die eenmaal alle tranen zou afwisschen
van de vermoeide oogen.

„Niet Hooge Horst, Heilige berg, moest deze plek heeten!”....

Het was het laatste woord van een stervende, die het eeuwige leven had
gevonden op de plaats waar hij het aardsche liet, maar het ging van mond
tot mond en het werd nooit meer vergeten in geheel den omtrek --
nimmermeer. Ook door oude Lisa niet. En daarom wist zij heden een
uitweg, nu allen versaagden....

Mistroostig zaten Walger en zijn vrouw op den grond voor hun half
verwoeste woning. Nu was er vuur noch visch, gejoel noch bruin bier. In
wanhoop had hij eindelijk zich zelven verlost uit den schandkorf, met
het touw door te snijden. Met veel moeite, doornat aan wal gekropen, na
zijn plons in het water, was hij terstond gegrepen en op den „blauwen
steen” voor het gehate heerenhuis te pronk gesteld, tot de avond viel.
Toen werd hij den Ravenhorst afgejaagd en thuiskomend had hij zijn vrouw
gevonden als een waanzinnige gillend in zijn bijna geheel omgetrokken
woning. De kinderen waren weggeloopen, waarheen wist niemand. Nu zaten
zij en staarden in den nacht.

„Vloek over Rolfr Jarl!”....

„Voltrek dien! Hij houdt onzen bisschop opgesloten op den Hohorst. Dàt
doet hij nu!”

Lisa’s stem drong aan, maar Walger kroop weg van angst onder een
wilgenstruik.

„Ik een geringe, arme man? Hoe zou ik de hand durven opheffen tegen den
Jarl, die machtig is en groot?”

„Zijt gij niet evenzeer vrij geboren als hij?”

Uit den wilgenstruik klonk geen antwoord, maar de vrouw mompelde -- op
welk een anderen toon dan de vorige maal! -- „De dagen zijn geteld,
waarin de wereld nog bestaat. Wat zullen menschen elkander richten? Het
oordeel komt!”....

Zij zweeg en Lisa met haar. Hier was geen hulp te wachten. Angst en
moedeloosheid voerden deze menschen tot radeloos afwachten. Zij hieven
hen niet op tot zelfvergetelheid door mede-lijden met anderen, even
zwaar of meer nog getroffen dan zij zelven.

  [16] Van den Bergh: Ned. volksoverleveringen.

  [17] Noordewier: Ned. rechtsoudh.



HOOFDSTUK XVII.


Olaf Erikson had zijn zending niet behoeven te volbrengen. Het zwerven
door het land en langs de kust, gevaarvolle taak, waarbij zijn leven op
het spel stond, indien iemand den Noorman in hem herkende, was hem
bespaard. Nog had hij het Goye niet verlaten toen hem, bij het
oversteken der Vecht, zijn oude schilddrager Holger, dien hij op de
vloot had achtergelaten, begroette met handslag en vreugdewoord. Want,
goede tijding bracht hij:

Een kleine bende was, begunstigd door den nacht, met eenige booten
geland niet ver van Noortic. De weinige kustwachters waren door hen
overrompeld en de seinvuren gedoofd. Holger zelf had deel genomen aan
dit eerste heldenfeit.

„Gestoken in de plunje der kustwachters nemen nu de onzen hun plaats in.
Geen seinvuren zullen dus vlammen op de toppen der duinen. Ongehinderd
kan de vloot bij Leithen landen om zoo door te dringen in het hart van
het land. In Kennemerland en in Masaland heerscht evenwel reeds de
grootste verdeeldheid, naar mij werd verhaald. De heeren strijden tegen
elkander, de gravin voor het erfland van haar zoon en het volk loopt de
slagen op van beide zijden. Dáár zullen wij geen tegenstand ontmoeten;
ieder is vervuld met zijn eigen belangen en verschanst zich in burcht of
toren of kiest het hazenpad.”

„Maar het algemeen gevaar kon de bijzondere veeten doen vergeten. Dat
zou niet voor de eerste maal zijn. Keer daarom terug, zoo snel gij kunt
en vraag Harald Sigvatr uit mijn naam de vloot bijeen te houden en er
voor te waken, dat het volk zich niet verspreidt en in de kustplaatsen
aan het plunderen raakt om onze macht te verbrokkelen. Spoedt u allen
naar Utrecht. Daar ontvangen wij versterking en vinden een bondgenoot in
Rolfr Jarl.”

De schilddrager knikte:

„Ik volbreng uw last, Olaf Erikson.”

„Het is nu niet meer noodig, dat ik verder ga. Twee dienstmannen van
Rolfr Jarl zullen de vloot ten gids strekken.”

Zoo betrad Olaf opnieuw den Ravenhorst. Het onstuimig verlangen naar
zijn jonge bruid dreef hem voort. Rolfr Jarl was afwezig. Vrouw Sigrid
verscheen niet. Onaangediend ging hij de nauwe, kronkelende steenen trap
naar de hal. Door de halfronde vensters -- alle in dubbelvorm -- vielen
de zonnestralen met gouden tintelgloed. Uit den hof klonk de stem van
den Skald; met strofen in eindrijm gedicht:

    „Waar Walhalla’s hooge halle,
    Glinstert in den glans van goud,
    Daar kiest Wodan iedren morgen
    Helden zich, ’t zij jong of oud.
    Wie hier viel zijn naam ter eer
    Groet bij hem den morgen weer”....

Onwillekeurig zocht Olafs hand het kleine, zilveren godenbeeld, dat aan
een gouden snoer op zijn borst hing, onder den met franje omzetten
rooden mantel. Hij wenschte vurig te leven; met versnelde slagen joeg
zijn hart. Wat kon hem het schitterende Glansheim en Alvaders godenzaal
baten als hij geluk en liefde moest achterlaten op aarde?

Uit het afgescheiden gedeelte der zaal trad door het breed neerplooiend
gordijn Swanwitha. Zij kwam uit den huistempel, waar zij het
dagelijksche offer van brood en vleesch had neergelegd voor Wodans
beeld. Ernstig en droevig was haar schoon gelaat. Zij scheen het
tegendeel van gelukkig. Hij snelde naar haar toe en omvatte haar in zijn
armen. Met een gebaar vol wanhoop weerde zij hem af:

„Laat mij gaan. ’t Is ’t eenige wat ik u vraag.”

„Ge zijt mijn bruid, Swanwitha. Gij draagt mijn ring.”

Zij zag neer op den smallen, gouden band met een blik vol afkeer.

„Door dwang. Zóó zou ik geen bruid begeeren. Wij kenden elkander niet
eens. Hoe kunnen wij dan”....

Zij sloeg de handen voor het gelaat en zweeg in een snik.

Getroffen zag hij haar aan. „Ik had je lief in ’t zelfde oogenblik, dat
ik je zag,” sprak hij gesmoord. Verstikt in hartstocht beefde zijn stem.

„Maar ik niet! Olaf, geef mij mijn vrijheid weer! Wees barmhartig voor
mij! Liever sterf ik dan.... Liefde, dat groote, machtige gevoel kan
niet worden gedwongen, dan wordt wat verheffen moest verpletterd door
laagheid. Olaf, neem dien ring terug, geef mij vrij!”

Zij sloeg de oogen tot hem op, dringend, radeloos. Spanning en angst
joegen haar een blos op het gelaat. Nooit had zij hem zoo schoon
toegeschenen als in dit oogenblik. Welke reden had zij? Gesmade liefde
deed ijverzucht ontbranden, gloeiend in schrijnende pijn.

„Ge hebt een ander lief!” barstte hij uit. Verward wendde zij zich af,
schier vluchtend uit de hal. Toen wist hij zijn vermoeden juist. Een
heete gloed steeg hem in ’t gelaat bij de vraag: „Wie, wie!”....

Was zij misschien betooverd? De nagelbloemen bloeiden. Had een vijand
die misschien in ’t geheim gebakken in het brood, dat zij at? Dan was de
betoovering ongeneeslijk. Maar zij droeg immers een gedroogden
brandneteltak tusschen de voering van haar mantel. Vrouw Sigrid had hem
dit zelf gezegd. Dit bewaarde haar tegen alle tooverij. Hij verwierp
daarom zijn eerste denkbeeld. Er was dus iets anders. „Wie -- wat?” Het
martelde hem. Hij was gewoon, dat maagdenblikken schuchter zijn gelaat
zochten, om zich dan snel weer te verbergen achter de lange wimpers en
thans was de schaduw der onverschilligheid tusschen hem en de vrouw, die
hij liefhad vol hartstocht en zelfzucht. Wie, wat scheidde hen? Als een
warrelende duizeling, éen met den maalstroom der gedachten, die hamerden
in zijn hoofd, zwermde een breede vlucht van raven om den toren. Het was
hem of zij een zwarte schaduw wierpen over het in licht badend
landschap, of hun krijschende schreeuw de echo vormde van zijn wanhoop.
Hij knarsetandde en beet zich de lippen tot bloed. Zijn hartstocht
begeerde haar, hij wilde haar bezitten, gelukkig zijn.... Gelukkig --
zij ontvluchtte hem, smeekte om haar vrijheid.... Nooit zou hij haar die
hergeven, nooit!.... Een zware tred dreunde op de steenen treden, een
harnasschoen ratelde. Rolfr Jarl kwam. Hij was uitgereden om den
Stuthenborch plat te branden. In weinig woorden deelde Olaf hem mee, dat
de vloot in aantocht was. Rolfr lachte, hard en snerpend -- volgens zijn
gewoonte. Een zegevierende trek speelde om zijn vastgesloten lippen.

„Als de laatste lansenmis gezongen is voor het christengebroed zal
Miölners bruidszang voor u weerklinken, Olaf!”

Hij trok de schouders op, neerslachtig: „Misschien. Swanwitha wil niet.”

„Wat? Dat kind? Zij heeft geen wil, ik wil voor haar.”

„Wanneer een vrouw iets niet wil, wie dwingt haar dan? Swanwitha is in
staat zich van den toren te werpen, eerder dan onder mijn zwaard door
te treden als mijn bruid. Ik verliet een kind, een vrouw vind ik terug.
Wat is er gebeurd?”

Rolfr smoorde een verwensching tusschen de tanden.

„Heeft zij niet gezegd wat zij wil?”

„Neen, alleen wat zij niet wil.”

„Echt vrouwelijk. Gij behoeft u er niet aan te storen. Hij zit als een
rat in de val en de klep is dicht.”

„Ik begrijp u evenmin als straks Swanwitha.”

„Zij is de speelbal van Unruoch, maar heb geen zorg: met den bisschop en
zijn aanhang zit hij in de klem op den Hohorst.”

Rolfr verhaalde wat gebeurd was gedurende zijn afwezigheid en Olaf
luisterde zonder te verstaan. De raven krasten boven zijn hoofd en het
scherm hunner zwarte vlerken scheen hem als een rouwsluier, die zich
verstikkend zou leggen over al zijn hoop en geluk -- eigen geluk. Hij
begreep niet volkomen wat in hem omging, maar hij voelde, hoe woede en
jaloerschheid bezit van hem namen, geheel. Zijn wenkbrauwen trokken
samen, diep groeven zich zijn tanden in de onderlip; in stilte deed hij
zich zelf een gelofte...

Het was waar wat Rolfr Jarl zei, volkomen! Waarom had hij het niet
eerder verstaan? Had hij niet meer dan eens een snellen blos zien komen
en gaan, wanneer de naam van Unruoch werd uitgesproken in haar bijzijn?
En als hij zelf onverwacht binnentrad bleef zij stil, neerslachtig voor
zich uitstaren. Hij vond haar dan met de naald in de hand naast haar
grootmoeder, die haar bestrafte omdat zij niet werkte. Schuw wendde zij
de oogen af als hij haar naderde... Zijn ijverzucht steeg tot brandende
physieke pijn. Vergelding zou hij zoeken en ook weten te vinden. Met een
slag zette hij den beker, hem door den hofmeester geboden, neer op den
bronzen disch. Zijn vingers hadden het fijn bewerkte metaal gedeukt. Van
hartstocht trilden zijn lippen toen hij mompelde: „Ik zal mij wreken.”

Hij vroeg zich niet af met welk recht hij was gedrongen in haar leven,
hij, de onbekende, wien zij gedwongen was geweest haar hand te reiken op
bevel. Hij wilde alleen bezitten zijn eigen, zelfzuchtig geluk, evenals
hij nu zocht zijn eigen zelfzuchtige wraak...

De heldere dag met den blauwen hemel, waaraan witte wolken dreven, waar
leeuweriken opstegen zingend, jubelend, was voorbij. Nieuwen moed,
dubbele kracht had de frissche wind getracht te wekken in de harten; het
was alsof hij de menschen wilde opnemen, ze voort dragen, ver weg op
vleugelen van zonnegoud en bloesemgeur.

Nu viel de avond en eentonig, grijs lagen de velden en lusteloos
stroomde het water.

Ach, frissche wind noch leeuwerikenzang hadden een echo kunnen wekken in
de borst van dienstman of hoorige, die scherp wacht hielden en waakten
om den Hohorst, nu vele dagen reeds. Alle uitgangen en wegen, in heide
en woud, waren afgezet op bevel van Rolfr Jarl; door schuiten was de
rivier versperd. Elke reiziger of koopman, die onbewust van wat plaats
greep zich vertoonde in den omtrek, werd als gevangene naar den
Ravenhorst gebracht.

Hoe menige bittere klacht, hoe veler gloeiende wraakgelofte vingen de
kille muren op van het trotsche landkasteel!

Zijn eigenaar glimlachte. Geen boogschot mocht worden gedaan, geen pijl
geslingerd naar een der ingeslotenen op den Hohorst. Door honger
uitgeput wilde hij den voormaligen graaf van Teisterbant, nu bisschop
van Utrecht, zien voor zich buigen als vernederde, machtelooze
gevangene. En dan zou de Deensche vloot daar zijn om zijn zegepraal
volkomen te maken, ook op het weerlooze Utrecht, dat geheel onbewust
bleef van den naderenden ramp; waar hij zou ontbreken als de Denen storm
liepen, die door zijn bezielend woord steeds de harten nieuwen moed wist
te schenken, de handen aanvuurde tot daden van zelfopoffering en kracht.

De duisternis nam toe met ieder oogenblik. Met hellen schijn gloeiden de
wachtvuren om den Hohorst.

Twee hofhoorigen van den Ravenhorst spraken fluisterend met elkander.
Hun blik zocht de kleine kerk en het half voltooide houten woonhuis. Een
flauw licht gleed door een der smalle vensters, over den zilveren
avonddauw.

„Het is een vreeselijk middel,” mompelde de eene. „Hoe durft onze heer
het wagen! En wij -- „gehoorzamen of de dood” -- luidde zijn woord, maar
zullen wij den toorn niet uitlokken van God? En wat dan? Het einde is
nabij. Dat zegt iedereen.”

Dof klonk de stem van den andere:

„Bisschop Ansfried heeft nooit gezegd, dat hoorigen geen ziel bezitten
en gedoemd zijn na hun dood tot het eeuwig niet. „Komt tot Mij allen die
vermoeid en beladen zijt en Ik zal u ruste geven,” dat was de troost,
dien hij mij eens gaf toen ik neerlag, bloedend en krimpend, nadat
honderd geeselslagen waren neergestriemd op mijn rug. Te rotten lag het
koren op het veld in den regenachtigen zomer. Den geheelen dag had ik
gewerkt om den oogst binnen te halen voor onzen heer. „Dat moest het
eerst geschieden,” beval de meier. Maar ’s nachts dacht ik hoe mijn
vrouw en kinderen in den naderenden winter misschien zouden omkomen van
gebrek. Ik stond op en sloeg den sikkel in het graan op mijn eigen
hoekje grond. Dat hoorde de Jarl. Als ik voor mij zelf werkte had ik
geen kracht om voor hem te arbeiden, zei hij. En toen.... o, de woorden
van den bisschop waren als balsem voor mijn ziel, meer dan de
geneeskruiden waarmee hij mijn wonden zalfde. En nu vergelden wij hem
dit zóó.”

Beiden zwegen en zagen naar het licht, dat blonk in de duisternis.

„Is er nog een boot hier?”

Een bevelende stem vroeg het. Bij den glans van het wachtvuur -- een
licht van verwoesting en dood -- zagen zij den jongen vreemdeling die
eens hun heer zou zijn door zijn huwelijk met de kleindochter van hun
meester. Menigeen had toen hij dit vernam gedacht met een gevoel van
verlichting, dat zijn kinderen betere tijden tegemoet gingen dan hij
zelf had doorleefd. Swanwitha was geliefd en haar bruidegom boezemde
geen angst in, maar thans --

Was hij dat werkelijk? Wat beteekende die sombere gloed in zijn oog, die
dreigende uitdrukking op zijn trekken?

„De boot is nog gaaf, edele Olaf. De Jarl beval haar niet te verbranden;
zij moest bewaard blijven om er de gevangenen mee af te halen, na de
overgave.”

„Zet mij dan over, terstond.”

„Alleen? Edele Olaf, de jonge Unruoch is daar en nog enkele speerruiters
van den Stuthenborch. Zij hebben allen wapens.”

„Zet mij over!” Zijn stem knarste bij dat woord! Nauw verkropte haat
gloeide er in.

Hij werd gehoorzaamd, onhoorbaar stiet het bootje af -- -- --

Wapentrofeeën glinsterden noch heirbijlen blonken in den eenvoudigen
refter van den Hohorst, waarin hij nu den blik wierp. Geen wachter had
hem tegengehouden met lans of zwaard. Slechts een klein aantal mannen
was daar bijeen, sommigen reeds bejaard, in de kracht van het leven de
meesten; de eenige, die een pantser droeg, was Unruoch. Met groote
schreden mat hij het vertrek. Zijn gelaat zag nog bleek, maar strijdlust
fonkelde uit zijn oogen toen hij bitter uitriep:

„De aarde moest zich openen om Rolfr van den Ravenhorst te verslinden
met het duivelsgebroed, dat hem dient. Hier zijn wij machteloos tot
eenig verzet, aangewezen op den hongerdood en intusschen gaat het
heiligste wat wij bezitten verloren: vrijheid en geloof!”

Hij rukte zijn zwaard uit de scheede: „O, laat mij gaan en u allen een
doortocht banen! Nog blijft ons een zestal ruiters, hun wonden zullen
niet beletten, dat zij overzwemmen en u den weg vrij maken met hun
wapens om”....

„Te vallen zooals bij den grafheuvel hun strijdmakkers, die Rolfr
neerstiet met drievoudige overmacht. Unruoch, deze menschenlevens wegen
zwaar op mijn ziel. Waarom verliet gij met zulk een klein aantal den
Stuthenborch? Gij weet, wat ik u had gezegd.”

„Er waren geen ruiters meer te vinden. De angst voor den wereldbrand
breekt alle tucht. Zonder verlof waren de meesten naar Utrecht. Daar
stroomt alles naar de kerken. Verlaten zijn woningen en werkplaatsen.
Zelfs bij de poorten houdt niemand de wacht meer, naar men zei.”

De trek van overgevende berusting, die steeds het gelaat van bisschop
Ansfried stempelde, week bij dit antwoord. Zielsverdriet wierp donkere
schaduwen over zijn voorhoofd; een zucht ontsnapte hem:

„O, mijn arm, aan uw doodvijanden overgeleverd volk, kon ik u slechts
redden met mijn leven! Wie moedeloos neerzinkt is reeds half verloren.
„Volhardt ten einde toe!”.... Waarom begrijpt schier niemand, dat dit
een eisch is ook aan het leven gesteld met al zijn moeite en leed? Kon
ik slechts iets doen, maar deze machteloosheid!”....

Hij zweeg, op de borst, die hijgde naar daden, zonk het hoofd, dat
steeds dacht voor anderen, dat altijd een uitweg vond waar ieder
versaagde. Niet lang.

„God zal helpen en uitkomst geven als Zijn tijd daar is. Hij wijst den
weg, dien wij gaan moeten. Dat daarom ramp noch tegenspoed ons het
vertrouwen op Hem ontneme, Die alle dingen doet medewerken ten goede!”

Als een belofte uit beter, heiliger oord klonken zijn woorden allen
tegen. Zij stortten nieuwe kracht in harten, gebogen door een ramp, even
onverwacht als onoverkomelijk, zooals altijd waar geweld optreedt als
heerscher. Maar nu werd de deur met een ruk opengeslagen. Een vaste stem
sprak:

„Ik bied u een uitweg, hoort mij.” Op den drempel stond Olaf, het
getrokken zwaard glinsterde in zijn vuist, in zijn oogen blonk een
vreemde glans. Met een hoofdbuiging groette hij de aanwezigen, maar aan
Unruoch hechtte zich zijn blik, tot hem waren zijn woorden gericht:

„Unruoch van Teisterbant, ik daag u uit tot een kampstrijd op leven en
dood. Overwint gij, dan ben ik in uw handen en door mij kunt gij van
Rolfr Jarl uw aller vrijheid eischen. Dit zal de prijs zijn van mijn
nederlaag. Zegevier ik, dan zult ook gij allen” -- nu wierp hij een
vluchtigen blik in het rond -- „moeten toestemmen, dat de goden hebben
geoordeeld.”

„Dat het een godsoordeel was,” sprak de bisschop vermanend.

Olaf haalde de schouders op:

„Ik kan mij geen God denken, die zich, als een weerloos slachtoffer,
laat nagelen aan het kruis, terwijl de macht der aarde en van den hemel
Hem behoorden, volgens de leer der christenen. Indien iemand waagde Thor
aan te randen, zou hij zijn vijand verpletteren met één slag van zijn
donderkeil. Dat is godenwraak!”

„Zoo denkt gij. En toch zal de godsdienst van den Gekruisigde eenmaal de
wereld overwinnen en heerschen als uw goden reeds eeuwenlang zijn
vergeten, omdat Zijn leer liefde en zelfverloochening tot grondvesten
heeft en uw godendienst zich verheft op den hoeksteen van zelfzucht en
geweld.”

Olaf was niet in staat den grijzen dienaar van het Evangelie te
antwoorden. In zijn oogen flikkerde het opnieuw met verterenden gloed.
-- In zijn glinsterend ringpantser, met zijn hooge gestalte en fraai
gevormd gelaat, de rosblonde lokken vrij vallend over het voorhoofd,
geleek hij inderdaad een der fiere godengestalten van zijn volk,
hartstochtelijk, onverschrokken, tot ieder middel bereid waar het gold
zijn doel te bereiken, dat hem zou schenken -- vergelding.

„Ik neem uw uitdaging aan.”

De stem van Unruoch klonk hard en vast, ook in zijn blik gloeide het.

„Unruoch, uw wond is nog niet geheeld!” Bisschop Ansfried riep het
bezorgd.

„Dat zal mij niet beletten, mijn zwaard te kruisen met het zijne. Mag ik
als een eerlooze handelen? Eisch geen woordbreuk. Ik heb de uitdaging
aangenomen. Moge het hier gelden:

„Wee den overwonnene!”

Hoog richtte hij zich op, nu ook zijn tegenstander groetend:

„Tref goed, edele Olaf, bepaal het uur van den strijd en buig u voor het
godsoordeel!”

Met instemming werden zijn woorden aangehoord. Overwinnaar noch
verwonnene zou ooit wagen zich te kanten tegen de uitspraak van het
godsoordeel, dat zoo menigwerf besliste, waar de meening der rechters
verschilde of de beschuldigde zijn onschuld betuigen bleef. Mocht hij --
de bisschop vroeg het zich in stilte af, -- hier tegenwerpingen maken,
waar een uitweg werd geboden aan allen, die met hem waren? Want
verlossing zou het hun schenken uit een toestand, die met ieder uur
noodlottig dreigde te worden voor het gansche volk.

Het godsoordeel zou ook hier richten; zonder vrees konden zij het
afwachten.

Toch kon bisschop Ansfried een beklemmend gevoel niet onderdrukken, maar
alle aanwezigen slaakten een zucht van verlichting, toen zij hem zijn
toestemming hoorden geven tot het tweegevecht. Rechtvaardig was hun
zaak....

Olaf wendde zich tot Unruoch: „Keurt gij goed, dat morgen, bij het
rijzen der zon, de kampstrijd zal worden gestreden volgens recht en rede
en oude zede? Tot dat uur geef ik mij over aan uw beschikking.
Ongevraagd ben ik gekomen, zonder oorlof zal ik niet heengaan. Ben ik uw
gevangene?”

De bisschop strekte de hand uit: „Vrij zijt gij gekomen, ga als een vrij
man. Als de ochtend aanlicht boven de toppen der boomen, keer dan en gij
zult het perk vinden afgepaald, vijf ellen in het vierkant, op de vier
hoeken de palen. Geen der toeschouwers mag beweren dat den beiden
kampioenen geen paal werd gezet, wanneer een van hen het perk
overschrijdt. Ga alzoo en zorg ook van uw zijde voor bijzitters en
kamprechters.”

Olaf dacht aan de wijze, waarop Unruoch eenmaal werd verlost uit Rolfr
Jarls geweld en den kerker van den Ravenhorst. Een gevoel van
vernedering kwam over hem: hij kon vrij komen en gaan -- zoo handelden
de verachte christenen!

Toch had hij geen deel aan Rolfrs verraderlijke handelwijze; maar wie
edel denkt, lijdt onder onrecht, dat hij anderen bedrijven ziet, als
beging hij het zelf.

Olaf kon heftig zijn, vol bruisenden hartstocht, laag nooit.

De boot -- geroepen op zijn horensein -- kliefde het donkere water. Hij
ging en boog zich voor den christenbisschop, dieper boog hij voor hem
dan ooit te voren voor den zegevierenden aanvoerder bij een stouten
Vikingertocht.

Het zou voor de bewoners van den Hohorst gemakkelijk zijn geweest zich
meester te maken van roeier en boot. Vrij waren zij dan, vrij!

Maar zij bleven. Trouw bleven zij het aan Olaf gegeven woord, afwachtend
het godsoordeel.

De morgen rees, een stille ochtend; geen windvlaag schudde de boomen,
alleen door de oude eikenkruinen ruischte het zacht, alsof geheimzinnige
stemmen fluisterden. En daar, op dien „Hoogen horst” werd het strijdperk
afgepaald, ver zichtbaar in den omtrek. De landbevolking was
toegestroomd, op het door de speerknechten verspreid gerucht, schuw ter
zijde wijkend, toen Rolfr Jarl verscheen aan het hoofd zijner
gewapenden.

Vrouw Sigrid reed naast hem aan de spits van den tot de tanden
gewapenden stoet. Haar oogen staken als twee dolken toen zij zich tot
Swanwitha wendde met het kort bevel: „Hef uw sluier op!” Zwijgend werd
zij gehoorzaamd.

Een stil, droevig gezichtje werd nu zichtbaar, omplooid door de
glinsterende vouwen van het doorzichtig sindaal.

Voor wiens leven vreesde zij het meest?

Het duurde vele oogenblikken, eer allen den overkant bereikten.

Harald, de Skald, vergezelde Olaf met Sven Persen, den aanvoerder van
Rolfr Jarls ruiters, als kamprechters. Samen stapten zij in de boot. Aan
wal gekomen haastte Sven Persen zich de pennen met glinsterende koppen,
de „tjösnur”, in de palen te slaan, volgens Noorsch gebruik. Langzaam,
het formulier prevelend, dat ook den priesters was voorgeschreven als
zij offerden, ging hij van paal tot paal op de voorgeschreven wijze:
het gelaat opwaarts, de handen rustend op de ooren. Toen begaf hij zich
naar zijn plaats, terwijl Erik Rafnrson, een van Olafs volgelingen, als
bijzitter de wetten herhaalde van het godsgericht.

Hij bracht in herinnering, dat ieder der kampioenen verplicht was drie
schilden met zich te voeren. Wanneer die waren „doorhouen en gheen
slagen meer conden ontfaen” hadden zij het recht zich te verdedigen met
zwaard en heirbijl. „De uitgedaagde doet den eersten slag. Wanneer het
bloed van een der beide kampioenen vloeit en den bodem kleurt met roode
druppels, is de strijd beslecht, -- doch indien een van hen buiten het
afgepaalde perk treedt, wordt hij beschouwd als vluchteling en heeft hij
de nederlaag geleden. Elk der beide kampvechters bezit het recht zich
door een weerbaar man van wapenen te doen begeleiden, die hem gedurende
het gevecht dekt met zijn schild”....

Met schellen klank dreunden de horens boven de hoofden der ademlooze
menigte, toen de bijzitter zweeg. Bisschop Ansfried strekte zegenend de
handen uit over Unruochs hoofd:

„Strijd als een dapper held! Het is van groote beteekenis als kampioen
in het perk te treden bij een godsoordeel. Het recht zal zegevieren en
Hooger hand uw zwaard voeren en tot beukelaar strekken.”

Meer bewogen dan hij wilde laten blijken zonk hij terug in zijn
eenvoudigen, tegen den kerkmuur geplaatsten zetel.

Gold die ontroering voor een deel de tegenwoordigheid van Rolfr Jarl?
De wetten van het godsoordeel gaven hem vrijgeleide om te komen en te
gaan. Hij maakte er gebruik van. Maar wat den bisschop de oogen deed
afwenden, deed hem staren in de verte. En dan zag hij in den donkeren
nacht, waarin de vlammen laaiend knetterden. Hij zag een hechten toren
aan een vuurzuil gelijk. Hij zag bij dien gloed twee vrouwenoogen, wier
blik hem de zijne deed neerslaan, een blik dien hij heden, na zooveel
jaren terug vond in de oogen zijner kleindochter.

Maar hij werd teruggevoerd tot het heden, uit het verleden van
verschrikking en schuld, waarheen zijn gedachten hem dreven, ondanks
zelfbeheersching en verzet.

Luid en vast klonk Unruochs uitdaging tot den strijd. Olaf liet niet op
zich wachten. Met forsche schreden betraden beiden het perk. Terwijl
opnieuw de horens schetterden en de klaroenen werden gestoken, hief
Unruoch het zwaard op in afwachting van den eersten stoot dien hij moest
toebrengen. Ook Olaf stond onbeweeglijk, als uit erts gehouwen, alleen
zijn arm trok krampachtig, de arm die het wapen ophief. Met overspanning
zijner kracht beheerschte hij het noodlottige beven, dat door geen vrees
veroorzaakt werd. Onzichtbaar waren zijn trekken onder den ijzeren helm
en, dat was goed, want hartstocht en brandende smart trokken hun groeven
en wischten de edele lijnen van zijn bewolkt voorhoofd en om de
vastgesloten lippen. Geen enkele maal wendde hij het hoofd naar
Swanwitha’s zijde. Wilde hij haar niet zien, die hem onbewust had
gedreven tot de beslissing, waarvan hij nu den uitslag duchtte? Daar is
een geheime stem in ieders borst, die richt, onverbiddelijk en waar, die
soms fluistert van nederlaag wanneer een juichende menigte den
overwinnaar lauwert. Olaf hoorde die stem en het deed hem, den
onversaagden held, sidderen.

En nog een ander hart dan het zijne beefde. Het was Swanwitha als zag
zij door een vochtigen sluier, diep boog zij het hoofd. Welken uitslag
gold die vrees?

„Gij hadt uw verloofde het zwaard behooren aan te gorden, in plaats
daarvan trilt gij als een espenblad, zijt gij een Vikingerbruid?”

Smadelijk, bevelend als altijd, klonk de stem van vrouw Sigrid. Zij
vergat dat macht en geweld veel vermogen, maar geen liefde kunnen
dwingen.

Het antwoord bleef Swanwitha bespaard. Het vreeselijk geluid: het
kletteren van staal tegen staal, klonk haar tegen. De kampstrijd was
aangevangen. In ademloos zwijgen werd hij gevolgd, niet slechts door
kamprechters en bijzitters, maar bovenal door bisschop Ansfried en de
zijnen, door Rolfr Jarl en zijn stoet wellicht het meest.

Maar de gespannen aandacht van den heer van den Ravenhorst veranderde
ras in een ontevreden wenkbrauwfronsen. Hij zag, dat Unruoch de stooten
wist af te slaan, door uit te wijken of ze voorzichtig af te weren. Hij
bleef bedaard en Olaf stiet in ’t wilde toe of gaf zich onvoorzichtig
bloot. Soms scheen het of hij zijn tegenstander wilde dooden, maar meer
nog of hij zelf den dood zocht.

En voortgezet werd onafgebroken de strijd; het eerste doorboorde schild
was -- door de schilddragers -- reeds verwisseld voor het tweede, weldra
zou ook dit geen slagen meer „connen ontfaen”.

De zwaardspitsen stieten de maliën van de pantsers, vol deuken en
blutsen waren de helmen. De zwaardhouwen dreunden; met doffen weerklank
gaven de schilden het geluid terug.

En steeds duidelijker werd het ieder, dat Unruoch als overwinnaar uit
het krijt zou treden, maar ook, dat hij wilde zegevieren over een
levenden tegenstander.

Met een flikkering van haat gloeide Olafs blik hem tegen.

Krampachtig balde hij de linkerhand tot een vuist, want hij bespeurde,
dat Unruoch ditmaal zijn zwaardslag een weinig op zijde had gericht, om
hem geen doodelijken stoot toe te brengen.

„Unruoch, tref mij, raak mij goed! Of zijt gij bang om bloed te zien?
Het is gelukkig, dat gij geen Viking zijt! Onder de Noormannen vindt men
geen lafaards!”

Het heftige bloed steeg Unruoch heet in het gelaat, nu beefde ook zijn
hand van drift. Zijn blik sprak, waar zijn mond zweeg. Olaf zag het met
een gevoel van verlichting, uit wanhoop en ijverzucht geboren.

Hij had gezien, een oogwenk slechts, die een tijdperk van knagende smart
voor hem insloot, wiens bewegingen Swanwitha volgde met stijgenden
angst, dat zij -- indien mogelijk -- nog bleeker werd bij iederen slag,
die tegen Unruoch gericht werd.

Olaf wenschte te vallen: en de vrouw, die hij liefhad, vreesde niet voor
zijn leven...

„Ondervind of dit de stoot is van een lafaard!” Heesch klonk Unruochs
stem. Het smadelijk woord had doel getroffen, het schrijnde.

Met een houw sloeg hij Olaf het zwaard uit de vuist, hoog boven de
hoofden der kamprechters viel het ver buiten perk en paal. Maar in
hetzelfde oogenblik voelde ook Unruoch zijn bloed vloeien. Het matte hem
niet af. Met kracht uit overspanning geboren, prikkelde het hem schier
tot razernij.

„Unruoch, tref beter! Kunt gij dan niet raken?” beet Olaf hem opnieuw
toe.

Reeds vele oogenblikken vroeger had Unruoch ook zijn eigen zwaard
weggeslingerd, toen hij dat van Olaf wegsloeg. Thans streden beiden met
den heirbijl, thans trof -- getergd tot het uiterste door Olafs uitval
-- Unruoch diens schedel tot zijn helmkap spleet en hij met een slag
neerstortte.

Het scheen alsof de grond dreunde van zijn val.

„Houdt op! Staakt den strijd! Hij is beslist!” beval Harald, de oudste
kamprechter. Want Olaf had zich weer opgericht, wankelend, struikelend,
om zich tastend naar een steun, dien hij vond in een der hoekpalen van
het perk. Hij hief de armen op, wild; het scheen alsof hij zich op
Unruoch zou werpen in razende drift, maar duizelend, om zich grijpend
struikelde hij opnieuw en klemde zich vast aan het struikgewas, dat
groeide op den rand der hoogte, waar die tamelijk steil afliep naar
den stroom. Het bood Olaf geen steun, nog éen oogenblik en hij zou naar
beneden zijn geslagen, toen Unruoch het gevaar ziende, toesprong en hem
wegdroeg in zijn armen. Behoedzaam legde hij den nu bijna geheel
bezwijmde neer binnen het perk. Hij zag zijn bloed den grond kleuren.
Een schetterend hoorngeschal klonk. Van zijn zetel verhief zich Harald,
plechtig de hand uitstrekkend riep hij Unruoch als overwinnaar uit in
den kampstrijd.

[Afbeelding]

Luid gejuich overstemde zijn woorden. Swanwitha hief den krans van
eikenloof op, haar gegeven door vrouw Sigrid voor hem, die de zegepraal
wegdroeg, thans sloeg zij haar de ruischende bladerenkroon uit de hand.

„Weg er mee! Niet dezen uitslag had ik verwacht!”

Zij vertrapte de saamgestrengelde groene twijgen: „Dat is niet voor
hem”....

„Hij behoeft uw krans niet, zijn daden kronen hem.”

Wanhoop en vreugde streden om den voorrang in den klank van Swanwitha’s
woorden.

„Zwijg!” Vrouw Sigrids stem dreigde nog meer dan de rijzweep in haar
toegeknepen hand.

Maar boven hoorngeschal en juichkreten klonk thans de stem van den Jarl,
hoorbaar ver in ’t rond. Hij had zijn paard voortgedreven tot vlak aan
den waterkant. Nu hief hij de hand op waarin een wapen glinsterde. Het
was of hij zou neerstooten wie hem weerstond.

„Hoort mij, gij allen! Hier op den Hohorst, mijn wettig erf,
wederrechtelijk mij ontroofd, verklaar ik de uitspraak der kamprechters
voor onrechtvaardig en onwettig. Buiten de tjösnur zette Unruoch van
Teisterbant den voet, eer de strijd was beslist. Volgens de wetten van
den kampstrijd, zooeven nog in herinnering gebracht, is hij daarom te
beschouwen als vluchteling. Geen enkel recht heeft hij zich overwinnaar
te noemen, hij is buiten paal en perk gegaan. Onbeslist bleef alzoo de
strijd. Ik gelast daarom Olaf Erikson met mij van hier te vertrekken.
Ditmaal zal geen slag meer worden geslagen, later misschien, later!”

„Als de Denen komen,” mompelde vrouw Sigrid. Zij wisselde een snellen
blik van begrijpen met haar man. Maar met zijn laatste kracht hief Olaf
zich een weinig op, in de armen van broeder Johannes, die hem steunde.
Mat sprak hij:

„Ik was overwonnen, eer hij” -- naar Unruoch wees zijn hand met flauw
gebaar -- „toeschoot om mij te redden van een misschien doodelijken val.
Weigert gij hem den naam van overwinnaar, dan blijf ik hier als
gevangene.”

Onhoorbaar stierf zijn stem weg, maar broeder Johannes bracht zijn
woorden over aan Rolfr Jarl. Vaalwit werden diens trekken. Hij kende
Olaf genoeg om te weten, dat hij woord zou houden en hij had hem noodig,
als de Denen kwamen.

Hij zag, hoe op bevel van den bisschop het opnieuw roerlooze lichaam van
den gewonde naar binnen werd gedragen. Met een gesmoorde verwensching
wendde hij zijn paard en wilde, den Hohorst afrennend, het drijven door
de rivier, zonder dat een der speerknechten het voerde bij den teugel,
toen de bisschop hem in den weg trad:

„Rolfr van den Ravenhorst, een enkel woord.”

Zij stonden tegenover elkander; Rolfrs oogen rustten op den kerkvoogd
met sombere dreiging:

„Gij wilt mij het heengaan beletten?”

„Ik schend gastrecht noch vrijgeleide.”

Rolfr beet zich op de lippen, met toornigen tred ging hij naast den
bisschop voort, zijn vrouw trad hen in den weg. Met haar langzame,
statige gebaren, omplooid door een dichten, donkeren sluier, haar staf,
waarom een kunstig bewerkte bronzen Midgardslang zich kronkelde, in de
hand, geleek zij een der sombere Noorsche Schikgodinnen.
Wenkbrauwfronsend zag zij den bisschop in het gelaat:

„Bisschop van Utrecht, indien gij Olaf Erikson hier houdt als gijzelaar,
zal onze wraak grooter zijn dan uw onrecht. Wees voorzichtig!”

„Ik houd hier niemand tegen zijn wil, vrouw Sigrid. Olaf Erikson is vrij
zoodra hij vervoerd kan worden, nu echter eischt zijn wond zorg en
verpleging. Werd hij thans weggebracht, het werd misschien zijn dood en
ik zou het betreuren indien ik een misdadiger -- scheen.”

Zij wendde zich af met een verwoeden blik.

„Swanwitha, volg mij!”

Zwijgend werd zij ook ditmaal gehoorzaamd, weldra kliefde de boot, die
beide vrouwen droeg, den stroom.

„In memoria aeterna erit justus....”

Dat waren de woorden, sierlijk afgewerkt, meer geteekend dan geschreven
met purperinkt op zilverkleurig francyn, die Rolfr las bij het
binnentreden van bisschop Ansfrieds vertrek. Als met magisch geweld trok
hem die aan den wand opgehangen spreuk. Hij herinnerde zich uit zijn
leertijd in de Schola Palatina nog genoeg latijn om de beteekenis te
vatten:

„De rechtvaardige zal in eeuwige herinnering blijven....”

Geërgerd wendde hij zich af. Waarom? Voelde hij, dat hij zijn oordeel in
zich zelven droeg?

„Dat was een der eerste lessen, die wij van aartsbisschop Bruno
ontvingen. Weet gij nog hoe hij zei: „Laat uw daden, uw leven voor u
spreken. Dat is de maatstaf, waarmee het nageslacht hen meet die het
voorgingen. En om uw levenstaak goed te verrichten, wil daartoe nooit uw
eigen weg kiezen, maar tracht Gods wegen te gaan.”

Zoo eindigde hij. Herinnert gij het u nog? Als hij sprak werd het vrede
en zwegen de klachten door afgunst of wrok aangeheven. Dan was iedere
veete vergeten en trachtte elk zijn naaste recht te doen”....

„Waarom betracht gij, die alles zoo goed hebt onthouden, zelf die
levensles niet?”

Rolfr sprak op bitteren toon, maar gejaagder dan hij vermoedde: hij zag
de roode vlammen in den donkeren nacht.....

„Van welk onrecht beschuldigt gij mij?”

Bisschop Ansfrieds stem ging door merg en been en Rolfr hóórde nu ook de
vlammen knetteren. Viel hij daarom hevig uit:

„Het leen van Walger is mij wederrechtelijk door u ontroofd. Het grenst
aan, het behoort tot mijn bezittingen.”

Zwijgend op dien uitval opende de bisschop een donker houten, met zilver
en ivoor ingelegd kistje.

„Lees dit,” sprak hij toen bedaard, Rolfr een perkament, waarvan het
groote rijkszegel afhing, overreikend. En deze deed, wat hij in vele
jaren niet had gedaan -- lezen.

„In den naam der Heylige en onverdeelbare Drie-eenigheyd, Otto door Gods
verzoenende goedertierenheyd Koning.

Dat het kennelijk zij aan al onze getrouwen, zoo tegenwoordige als
toekomende, dat wij, thans, in den wensch van onzen achtbaren en
beminden bisschop Balderic bewilligende eenige goederen van ons recht
aan de kerk van Sint-Maarten, die gesticht is in de plaats Trecht
genaamd, en alwaar kennelijk is, dat de voorgemelde bisschop Balderic
het opperbestier heeft, in eygendom vergund hebben; te weten al hetgene
wij hadden in het dorp Amude, als ook den tol die aan het zelve
gerechtelijk dorp toebehoort, welke wij voorheen te leen aan Walger
gegeven hadden, aan de voornoemde kerk eeuwiglijk in eygendom geschonken
hebben....”

Rolfr liet den giftbrief zinken:

„Welnu, wat zou dat?” vroeg hij scherp.

„Lees verder, Rolfr van den Ravenhorst, lees verder.”

En Rolfr las hoe de visscherij in het Almeere „als onze kroon toebehoord
hebbende,” de goederen, die Hatto, graaf te Loene had bezeten, de
landstreek bespoeld door de Vecht en het land „dat Hatto hadde, liggende
op den boord des Rijns,” en „dat om deszelfs misdrijf naar rechtswege
onder onze koninklijke macht aangeslagen was, aan de meergemelde kerk
was gegeven”....

„Wat bedoelt gij met mij dit voor te leggen?” vroeg Rolfr weer.

Langzaam las, tot antwoord, bisschop Ansfried den slotzin:

„En opdat het gezag van deze onze gunst vaster en zekerder in Gods naam
onder onze getrouwen blijve, hebben wij deezen met onze eijgen hand
onder bevestigd en met onzen ring bevoolen te zegelen.

Gedaan te Quedlinburg in den Heer gelukkig. Amen.

Teken van den heer Otto onoverwinnelijksten Koning”....

Toen hief hij het hoofd op en zag den Noorman recht in de oogen:

„Durft gij nu nog beweren, dat het leen van Walger u wederrechtelijk
werd onthouden?

Reeds ten tijde van bisschop Balderic werd het aan de kerk gegeven. En
wèl behoefde zij toen die schenking, want braak lagen de velden,
verwoest waren steden en sterkten, hoeve en heem. Toen bestond er geen
volkswelvaart meer, er was slechts volksellende. Landbouw en veeteelt
waren verdwenen, nijverheid en handel dood. Dat hadden de Noormannen
gedaan. Inval op inval deden zij en de gieren volgden het spoor hunner
krijgsbenden. Schuw verborg zich het uitgeschudde landvolk in moeras en
veen bij hun nadering, want de vrees volgde de verwoesting op den voet.

Thiel, Wiedelham, Dorestad en Utrecht gingen op in vlammen, Daventre lag
in puin, het bloeiende Friesland was bedolven onder zwarte sintels en
grauwe asch, met doodsbeenderen als bezaaid en de golven van het Almeri
waren rood gekleurd, wanneer zij vloeiden over de vlakke kust.

In Niumage, in keizer Karels hooge burcht, stalden zij hun paarden, tot
zij dien, bij hun aftocht, in brand staken toen zij zagen, dat een
vliegende storm den vuurgloed zou overdragen naar de stad.

En als de lente, vol toekomstbeloften streek over de velden, werden zij
niet bezaaid, en als de oogsttijd daar was lagen zij braak.

Hoog schoot het gras op, maar geen sikkel werd er in geslagen om
voorraad te vergaren voor den komenden winter. Slechts enkele jagers en
visschers zwierven door het woud of langs poelen en plassen. Wie dacht
aan zaaien? De Denen maaiden of verbrandden immers den oogst? De Denen,
Rolfr, altijd de Denen. Er moest orde en gezag worden hersteld onder het
verwilderde volk, in het uitgeplunderde land. Steden en sterkten waren
verwoest, heeren en vrijen streden in het leger. Wie kon hier beter
handelend optreden dan zij die genoodzaakt waren thuis te blijven,
omdat de zorg voor de zielen hun was toevertrouwd en zij het volk wezen
op het eeuwige, zonder dat zij daarom het tijdelijke vergaten? Waren
toen deze schenkingen aan de kerk niet noodig? Wie zelf niets bezit kan
hij anderen helpen? Het volk moest terug worden gebracht tot den arbeid
van weleer, uit zijn midden moest de kracht voortkomen die in eigen land
het geweld der Denen breidelde. En, Rolfr, werd door bisschop Balderic
en zijn opvolgers hun zware taak niet begrepen en tot een goed einde
gebracht? Zie thans de bloeiende steden, het van de felle schokken
herstelde volk en land. Als nu de Denen kwamen, zouden zij met goed
gevolg worden weerstaan. Zij mogen daarom op hun hoede zijn, Rolfr, op
hun hoede.”

Vol argwaan, met geheime vrees vervuld, trachtte Rolfr zich te
beheerschen. Was het reeds bekend? Als de vloot nog langer uitbleef, als
het gerucht harer nadering zich verspreidde en het volk had tijd zich te
wapenen.... De stem van den bisschop brak zijn wilden gedachtenstroom
af.

„Kunt gij nu nog langer ontkennen, dat de Hohorst en het omliggende land
reeds sinds heer Otto den Eerste behoorde tot de kerkelijke goederen?
Graaf Walger liet een kleinzoon na, die, lang dood gewaand, na veel
omzwervens eindelijk moe en vergrijsd terugkeerde in zijn land. Kon hem
geheel het voorvaderlijk goed worden onthouden? Maar als het geslacht
uitstierf, wie trad dan opnieuw in zijn rechten? Dat is nu gebeurd,
Rolfr.”

„En toch zal ik mij verzetten, zij het tegen keizer en kerk en rijk te
zamen. Kunt gij beslissen wie de sterkste zal blijken in ’t eind?”

Waarschuwend zag de bisschop hem aan:

„Gij hebt den keizer trouw gezworen, gij hebt dien eed afgelegd „up ten
heiligen.”

Wrevelig haalde Rolfr de breede schouders op: „Een afgedwongen eed”...

„Blijft een eed. Gij hadt kunnen weigeren. Denk aan de schuld, die gij
op u laadt bij eedbreuk. God laat niet spotten met het heiligste.”

Hevig stampte Rolfr met den voet:

„Ik ben hier niet gekomen om een sermoen aan te hooren, noch om uw
spitsvondigheid om oude rechten te ontdekken of nieuwe te scheppen te
bewonderen. Eens waart gij de machtigste in den staat, nu wilt gij het
in de kerk worden. Het wordt u wèl vergolden, dat gij eenmaal de
hechtste steun zijt geweest der schoone keizerin Theophano, wier zoon,
de jonge Otto, dien wij nu als keizer moeten eeren, haar werd ontroofd
door haar neef, den Beierschen bisschop. Weerloos stond toen de jonge
weduwe, dat moet ik erkennen, want vele rijksgrooten in kerk en staat
kozen tegen haar partij. Gij hebt het gezag gered voor de regentes en de
moeder haar kind hergeven, dat is even waar. Gelooft gij echter niet,
dat ik dit ook had kunnen doen? Alleen het grillige lot heeft mij belet
als bemiddelaar op te treden.”

„God bestuurt de daden en het leven der menschen, niet het blinde lot.
En daarom, Rolfr, kan ik mij buigen voor mijn lot, want ook wat tot ons
komt door de menschen, komt van Hem. Dit stelt mij in staat u al het
leed, dat gij over mij hebt gebracht te vergeven.”

De vlammen knetterden, en de storm loeide, twee oogen zagen hem aan vol
jammer en wee...

Deed de nooit uitgewischte herinnering Rolfr uitroepen, meer verward dan
hij zelf wist:

„Wat bedoelt gij?”

„Wat ik niet nauwkeuriger behoef te verklaren. Wat mij bekend werd, is u
niet vreemd en -- vrienden waren wij in onze jeugd. „Wie op harten
bouwt, wat blijft hem als de stormvloed komt?” heeft een wijze gezegd.
Rolfr, waarom bracht gij den stormvloed over mij? Eenmaal zwoeren wij
elkander houw en trouw, op den tocht naar Italië, in het schitterende
legerkamp van heer Otto den Groote. Ik geloofde aan uw woorden, nu weet
ik, dat het een leugen was, waarin ik geloofde.”

Rolfr Jarl trok zijn spieren samen als wilde hij zich werpen op den
vermetele, die hem zulk een beschuldiging waagde tegen te slingeren, --
maar hij zweeg en bleef roerloos, beheerscht door zijn blik.

„Laat uw daden voor u spreken. En het leven, waarop gij, Rolfr,
terugziet is als een dorre heide, waar geen boom schaduw, geen bron
lafenis, geen bloem vreugde biedt”...

Hevig viel Rolfr hem in ’t woord:

„Mijn leven was steeds een woestenij; kon daaruit voor anderen een
paradijs opbloeien? Reeds op de Schola Palatina begon het:
achteruitgezet, vergeten. Toen, op den tocht naar Italië, gij waart in
het leger als heer Otto’s bevoorrechte zwaardjonker, ik werd
onopgemerkt, ongeacht, ingedeeld bij een der huurbenden.”

„Zou het een geluk zijn geweest voor keizer en rijk, als gij het zwaard
hadt opgeheven boven het hoofd van heer Otto -- toen hij bad?”

Rolfr wendde onwillekeurig de oogen af.

„Ik zal u niet aanklagen,” ging de bisschop voort, „noch met een beroep
op het verleden, noch met betrekking tot dit heden. Ik herinner u niet
wat gij tegen het geloof, dat gij eens hebt beleden, wat gij den keizer
of mij misdeedt. Ik vraag u niet, waar mijn jongste dochter is, al
gelijkt ook geen enkele witte lelie zoo op de andere als uw
kleindochter, Swanwitha, op mijn kind toen dit haar leeftijd had. Spot
zou uw eenig antwoord zijn en die hoon zou ik op zulk een vraag niet
kunnen verdragen.”

O, de felle smart op dat bleeke gelaat, nog bleeker in schijn door de
zilveren lokken, die het omlijstten!

Voelde in dit oogenblik Rolfr het wicht zijner schuld?

Hij boog het hoofd. Maar weer dwong de machtige stem van den vriend
zijner jeugd hem tot luisteren:

„Ik zal niet langer lijden door u, dan God het toelaat. Dien troost kunt
gij mij niet ontrooven, en zij stelt mij in staat het zwaarste te
dragen. Doch” -- hoog richtte de spreker zich op -- „hier, waar wij van
aangezicht tot aangezicht staan tegenover elkander -- waar niemand ons
hoort -- daag ik u voor de vierschaar van uw geweten, tegen u zelven
klaag ik u aan. Gaven en talenten waren u geschonken, gij hebt ze in
dienst gesteld van het kwade. De kracht van uw arm hebt gij gebruikt om
een moordwapen op te heffen, tegen hem die verdiende de hoogste te zijn,
omdat hij de edelste was; door de macht van uw geest zijt gij anderen
ten vloek geworden. Toen de koning van het Noorden u den gouden
hoofdband reikte van den Jarl en u den hertogsmantel om de schouders
deed slaan, toen strekte deze slechts om de smetten uwer schande te
bedekken, evenals de schitterende diadeem onzichtbaar moest maken het
Kaïnsbrandmerk van misdaad en verraad, dat brandt op uw voorhoofd.”

Met een uitroep schor van drift sprong Rolfr toe op zijn aanklager, zijn
tot een vuist gebalde hand dreigde boven diens hoofd; bisschop Ansfried
greep die vuist en dwong den opgeheven arm neer te zinken. Nog bezat hij
zijn oude kracht, hij voelde het, maar ook, dat verontwaardiging haar
verdubbelde.

„Rolfr Jarl, ga nu. Ik heb u gezegd wat ik moest. Verlaat vrij dit huis,
waar gij mij gevangen houdt, terwijl de Denen in aantocht zijn, geroepen
door u, om opnieuw dit volk ten ondergang te brengen, het land te
herscheppen in een woestenij.”

Een brullende kreet stiet Rolfr uit, vreemd aan iederen menschelijken
klank. Als een roofdier wilde hij zich werpen op den onversaagden
spreker, twee sterke armen trokken hem terug met een ruk. Unruoch was
binnengetreden.

„Jarl!” riep hij forsch. „Loont gij vrijgeleide met een moord?”

Rolfr deinsde terug, aschgrauw werden zijn trekken.

„Ga!” herhaalde de bisschop, „en weet dat God mij vrij kan maken,
wanneer Hij dit wil, al haalt gij de mazen van het net nog tienvoud
enger toe. Hij, die de macht bezit om dit arme volk te redden, dat gij
prijs geeft aan ellende en ondergang. Ga!”

Zijn opgeheven arm wees naar de deur en Rolfr ging thans inderdaad,
tandenknersend, geslagen. Nooit te voren in zijn van bittere ervaringen
en teleurstellingen overvloeiend leven, was hij vernederd als in dit
uur, nu bisschop Ansfried hem een blik had doen slaan in den spiegel der
zelfkennis en hij daarin zijn verafschuwd beeld had gezien met
onmiskenbaar scherpe lijnen, nu deze hem zoo diep verachtte, hem en zijn
drijven, dat hij het zelfs versmaadde hem -- in wiens macht hij zich
bevond -- te houden als gijzelaar of gevangene.

En heimelijk vroeg de Jarl zich af:

„Vanwaar de wondere kracht van dien bisschop der christenen? Hij kent
vrees noch angst waar allen zouden versagen, hij verwacht redding, waar
ieder zou vertwijfelen. Zou zijn God dan toch de machtigste zijn en
hooren en uitredden wie Hem aanroept, geloovend in zijn sterkte, op Zijn
hulp vertrouwend?”



HOOFDSTUK XVIII.


Den avond na dit onderhoud, toen het eentonig geroep van den koekoek
zweeg en de wolken verder dreven, goud en karmozijn omzoomd door het
avondrood, lag Trutha moe en zwak in een kuil op de heide. Een man had
haar gered uit den stroom, een vreemde man met grijzende haren, het
gebruind gelaat doorgroefd van naden en rimpels, een versleten kolder om
de magere leden. Hij had de drenkelinge in zijn armen genomen als de
herder een verdwaald lam, met de dankbare gewaarwording, welke hem
bezielt, die door de wereld heeft gezworven vele lange, eenzame jaren,
verlaten en alleen en wie nu een warm geluksgevoel doortintelt, omdat
hij weer een menschelijk wezen vond om voor te zorgen.

Een kuil in de heide was ras gevonden, een beschuttend dak van
dennentakken en zoden dra gereed. Nu waakte hij bij het zwakke kind en
bracht haar het karig rantsoen, dat hij op zijn smeeken ontving aan de
verspreide hutten.

Zoo vond hen Lisa, terwijl zij voortsukkelde over de heide. In weinige
woorden deelde zij hem de gebeurtenissen mee van den laatsten tijd, om
te eindigen:

„Vlucht achter de wallen van Utrecht als uw leven u lief is: Gij hebt
beschermd wie Rolfr Jarl vervolgt met zijn haat. Neem Trutha mee en
verhaal te Utrecht hoe het hier met den bisschop staat, dan zullen de
burgensen komen om hem te bevrijden. Zeg toch, dat zij zich haasten.”
Plotseling hield zij in, beducht.... „Vreemdeling, wie zijt gij?”

„Een vrije speerknecht, wien het slecht genoeg ging in de wereld.
Gerlach heet ik en voor den bisschop en dat kind daar zal ik doen wat ik
kan, al was het alleen, omdat zij vervolgd worden door Rolfr, den Deen.”

Over zijn lippen kwam die naam op schorren toon, een toon van wrok, maar
er was geen woord meer uit hem te krijgen.

„Gegroet, moeder! Met het eerste morgengrauwen breng ik het kind in
veiligheid, en drijf de Utrechtsche poorters tot handelen. Nu moet ik
zorgen voor haar avondbrood. De boerin van het Hooge land heeft gezegd,
dat ik het dezen avond bij haar mocht halen.”

Weldra werd zijn lange gestalte slechts een stip op de eenzame heide;
Trutha, uitgeput, was blijven doorslapen. Moeder Lisa dekte haar
zorgvuldig toe met den doek, dien Swanwitha haar eens had gegeven. Toen
ging ook zij verder.

Een man stond onder de dennen aan den voet van een heuvel. Moede leunde
hij op zijn staf van knoestig eikenhout. Zij slaakte een kreet:

„Henno! Hebt gij gedaan wat ik zei?”

Hij knikte zwijgend, twee groote tranen rolden uit zijn holle oogen.

„Ja! Maar zij durven niet, niemand durft! En mijn kind sterft in den
kerker van den Ravenhorst.”

Ongeduldig trok zij hem bij zijn mouw.

„Denk niet het eerst aan je zelf. Is Yglo meer dan de bisschop? Henno,
wat heb je gedaan?”

„Wat je mij hebt geraden. Gegaan ben ik van hoeve tot hoeve, van heem
tot heem om iederen vrije te vragen, te dringen, gewapend op te trekken
tegen Rolfr Jarl. Maar zij sloegen de deur dicht met een schamper:

„Eerst was uw zoon bode voor den Jarl, nu gij tègen hem. Henno, wij
vertrouwen je niet meer!”

„En o, Lisa, mijn kind sterft, mijn eenig kind!”

Strak zag Henno voor zich en voelde, dat hij gestraft werd in de zonde,
die hij beging.

Lisa hernam:

„Dan het laatste middel: naar Aken, naar heer Otto, onzen jongen keizer!
Hij moet de Utrechtsche burgensen aanvoeren.”

Henno maakte een verschrikte beweging:

„Ik, een arme visscher!”

„Maar een vrij geboren man. En Henno, „voor God zijn wij allen gelijk,”
zegt de bisschop. Vreest gij dan voor een mensch? Help ons allen en red
Yglo!”

Henno wischte zich de klamme druppels van het voorhoofd:

„Ik zal het doen; ik zal het! O, mijn kind, mijn kind!”

Zij hief de hand op:

„Ginds, op den heuvel ligt Trutha, zwak en ziek, gered door een vreemden
speerknecht, die haar naar Utrecht zal brengen. Verberg u over dag, want
Rolfr Jarl laat scherp wacht houden op iederen kruisweg; ga bij nacht
over hei en veld en verhaal overal te Utrecht wat hier voorvalt. Dring
er toch bij ieder op aan, dat de burgensen uittrekken den bisschop te
hulp en als gij ze daartoe bereid weet, zie dan een paard te krijgen en
haast je naar Aken. Maar zeg niets van dit plan, omdat het een goed plan
is, want dan wordt gij tegengewerkt door menschen, die niet van zins
zijn zelf te handelen, maar die toch niet kunnen verdragen, dat een
ander verricht waarmee hij misschien de eer zal behalen, die zij voor
zich zelven wenschen zonder de inspanning.

Zorg nu echter eerst voor Trutha. Altijd is het best te doen wat het
eerst voor de hand ligt.”

Lisa begreep in haar eenvoud niet welke levenslessen zij had verkondigd,
maar Henno knikte en beloofde nogmaals haar raad te volgen. -- -- --

En de Hohorst bleef scherp bewaakt en iedere weg, die er heenleidde
afgezet. Rolfr Jarl hield zijn volk in strenge tucht en de landbewoners
verscholen zich reeds vol angst, als een boogschutter, die de rondte
deed met zijn gevreesd wapen, zichtbaar werd. Lang kon die toestand
echter niet voortduren. Rolfr Jarl begreep dit zelf het best, maar
iedere dag was voordeel: de Denenvloot zou nu niet lang meer uitblijven
en den bisschop werd belet maatregelen ter verdediging te nemen. Of nog
anderen dan hij wisten van den beraamden inval? Met bezorgdheid vroeg
Rolfr zich dit af en opnieuw rees zijn verlangen naar zegepraal niet het
meest, doch naar vergelding. Nooit zou hij het uur vergeten toen hij
vrij heenging van den Hohorst en bijna wenschte gevangen te worden
gehouden om zoo groot een smaad te ontgaan. Het met zooveel onverholen
minachting geuite woord: „Ga!” klonk hem in de ooren bij het gewoel van
den dag als in de stilte van den nacht. Te verachtelijk zelfs om
gevangen te blijven!.... Het denkbeeld prikkelde hem schier tot
razernij. Dat Olaf, herstellend van zijn vleeschwond, weigerde den
Hohorst te verlaten, wanneer het den bewoners niet werd vergund om te
gaan waar zij wilden, maakte zijn stemming slechts meer verbitterd.

En verscheidene dagen gingen en kwamen zonder eenige verandering te
brengen. De stroom vloeide om den Hohorst, vele visschen droeg hij aan,
ook fraaie zilverzalmen, die de glinsterende koppen omhoog staken boven
het effen watervlak. Unruoch en broeder Johannes wierpen haken en netten
uit, zoodat het den door een sperenhaag omringden niet geheel aan
voedsel ontbrak, ofschoon de teerkost steeds schaarscher werd en weldra
het gebrek zou nijpen.

„O, om mij te mogen meten met Rolfr Jarl bij het schallen der hoorns,
het flikkeren der zwaarden en het stooten der speren!” mompelde Unruoch
meer dan eens met een onstuimig verlangen naar een daad, die de
beslissing brengen zou.

„Wij zullen misschien hier wel blijven tot de bazuin klinkt van het
jongste gericht en dan zijn wij te uitgevast om te strijden tegen den
Antichrist en zijn heir van booze geesten,” steunde broeder Johannes.

De overige broeders vielen hem bij, de ruiters kozen Unruoch’s zijde.

De eenige, die kalm bleef bij de naderende of reeds aanwezige gevaren,
was de grijze bisschop. Hij leidde zelf de godsdienstoefeningen in de
kleine kerk, verpleegde Olaf met eigen hand en las kalm of er niets
dreigde, in zijn weer op hun plaats gestelde boeken, op deze wijze
opnieuw de spreuk bevestigend, dat een zuiver geweten en een rustig
gemoed meer waarde bezitten dan alles wat de wereld kan nemen of geven.



HOOFDSTUK XIX.


De witte en roode hagedoorn op den Hohorst stonden in vollen bloei.
Bonte vlinders met den gloed van het zonnegoud op hun teere vleugels
zweefden boven de geurige bloesems. Uit de takken klonk het kirren van
de woudduif. Zacht wiegelend bewogen linden en zilverkleurige berken,
die een klein plantsoen vormden om het kerkje, hun gekruiste twijgen.
Bedwelmend zoet was de meidoorngeur, liefelijk de zang der vogels,
vredeademend het ruischen van den wind. Olaf Erikson ademde diep de
verkwikkende morgenlucht in terwijl hij langzaam op en neer ging in de
groene schaduw der boomen. Zijn wond genas snel bij de zorgvuldige
verpleging, die hij genoot, maar terwijl lichamelijke schokken zich
herstelden, schrijnden zielewonden feller met iederen dag.

Die menschen welke hem verzorgden met opoffering van eigen rust en tijd
-- hoe zou hij hun dit vergelden -- als de vloot kwam? Hij wist nu
genoeg van Rolfr Jarl, van zijn plannen en daden.

Maar -- waar bleef de vloot? Bijna verwonderd gleed zijn blik over den
stroom, zocht hij de torenspits van den Ravenhorst tusschen het groen om
te ontdekken of daar Odins ravenvaan nog niet wapperde als welkomstgroet
aan de drakenschepen, die naderden, den paardenkop aan den steven, de
glinsterende schilden langs het scheepsboord. En dan -- dan zouden
strijdgerucht en wapengekletter den heerschenden vrede storen.
Wegvluchten zouden de zangvogels, de meidoornbloesems vallen op de
graven van helden, op veel nieuwe graven.

Waarom dacht hij daaraan? Alleen de verachte christenen gaven immers hun
dooden terug aan het stof? Hoog vlamde de brandstapel, die de lijken
ontving van Odins zonen; herrijzen zouden zij als zijn Einheriar om in
zijn glanzende zaal te strijden, te vallen en weer terug te worden
geroepen in het leven om dan opnieuw te sneuvelen. Strijd en bloed tot
het einde. Tot welk einde? Zou inderdaad weldra een nieuwe aarde
verrijzen uit de asch der oude en Odin voor eeuwig heerschen met zijn
trouwe volgelingen, Odin en -- bloed en strijd.

Olaf streek zich met de hand over het voorhoofd. Waartoe die kwellende
gedachten? Sinds wanneer begreep hij, dat de roem behaald bij zwaardslag
en strijdleus, niet het hoogste was wat het leven kon bieden?

Andere tonen dan het gekweel der vogelen mengden zich thans in den
warrelstroom zijner overleggingen. Gedragen door het morgenkoeltje
drong een plechtige zang tot hem door. „Gloria in excelsis!” Eere zij
God in de hoogste hemelen! Een klein koor van goed geschoolde stemmen,
helder klinkend als de snaren eener zuiver gestemde harp, droeg de
ochtendwind tot hem over. Het was of de tonen hoog, uit den hemel zelf
tot hem neerdaalden. Hij ging af op de heldere klanken. In de kerkdeur
stond hij en zag de broeders, die door het land waren gegaan het
Evangelie predikend, zieken troostend en helpend, ongelukkigen steunend
met woord en daad. Hij zag den grijzen bisschop wiens geheele bestaan
zelfverloochening was. Als gevangenen zag hij ze van zijn woesten
bondgenoot en kalm als de rots te midden der schuimende branding hoorde
hij hen een lofzang aanheffen, den God ter eere, in Wien zij geloofden.

Wie was toch de God, Die zijn volgelingen bedeelde met zoo groot een
geloofsvertrouwen, met een gerustheid te midden der grootste rampen,
wortelend in de gewisheid, dat Hij alles wel zou maken, op Zijn tijd?

Olaf zag menig tooneel verrijzen voor zijn geest, vroeger onverschillig
aanschouwd, als, bij een woesten plundertocht, kerken opgingen in
vlammen en christenen de trouw aan hun geloof bezegelden met den dood.

En weer klonk het plechtig loflied, als een opwelling van zalig
verlangen naar den tijd, waarin hun geloof zou overgaan in aanschouwen.
Het geloof, dat de zangers voor al de macht, die de aarde hen bieden
kon niet zouden willen derven. Olaf bleef als gekluisterd aan zijn
plaats in de schaduw van het kerkportaal en terwijl hij zich herinnerde
hoe hij menigmaal met eigen hand de brandfakkel had geslingerd in een
bedehuis der christenen, maakte een weemoedig verlangen zich meester van
zijn ziel om meer te weten van hun leer, meer van hun godsdienst. Voor
het eerst, sinds hij had leeren nadenken over zijn daden, werd zijn
borst beklemd bij de vraag:

„Heb ik goed gehandeld met hen te vervolgen?”

„Ik zal den bisschop vragen, mij alles te verhalen van zijn geloof. Ik
wil het weten en”....

Hij voleindde den zin niet, maar zijn oogen werden vochtig en een gevoel
van verademing welde op in zijn hart gelijk de koele dauw het veld
verkwikt na laaienden zonnebrand.

Hij zag, dat de kerkdienst ten einde liep, hij verliet zijn plaats, maar
nog omzweefde hem de zang: „Eere zij God in den hooge!” en weerklank
vonden die woorden in zijn ziel.

Over het water speelde de ochtendkoelte en de zonnestralen
weerspiegelden zich in de speren van Rolfr Jarls wapenknechten, die
zorgvuldig iederen toegang tot den Hohorst bleven bewaken -- onwillig
wendde hij zich af....

En het uur kwam, waarin hij bisschop Ansfried alleen vond gebogen over
zijn psalter en schier bitter klonk zijn vraag:

„Indien de Gekruisigde God, waarin gij gelooft, zoo goed is en
rechtvaardig en vol van macht, gelijk gij zegt, waarom laat Hij dan
toe, dat gij hier zijt ingesloten om den hongerdood te sterven of om
dien te vinden in de kerkers van den Ravenhorst?”

Ernstig zag de bisschop hem aan en het was Olaf alsof zijn gelaat blonk
van licht, toen hij antwoordde:

„Indien onze God dit einde voor ons heeft bepaald, dan zullen wij het
aannemen uit Zijn hand. Want wij weten dat Hij ons niet zal verlaten,
zelfs in het dal der schaduwen des doods en, dat het sterven ons tot
gewin zal worden, omdat het ons uit dit moeitevol leven voert in Zijn
eeuwig huis.”

„In berusting draagt gij dus ieder onheil, dat u treft. Vanwaar die
wondere kracht? Het is mij een raadsel. Gij vreest zelfs den stroodood
niet. Onze helden vervloeken hun lot, wanneer zij niet mogen vallen in
’t gevecht bij zwaardhouw of hamerslag, want dan wacht hen, na den
verachten stroodood, het sombere Nevelheim of het slangenhol van Hel,
met de duisternis en de koude waaraan geen einde meer is. En onze
vrouwen? Ook zij gaan naar Nevelheim. In Walhalla is voor hen geen
plaats en een andere uitweg bestaat niet. Vaak heb ik gedacht waarom de
goden zoo machtig, zoo wijs, dulden dat zooveel leed weerlooze wezens
treft. „Indien er geen goden waren, zou dan het lot der menschen anders
zijn, minder zwaar?” Meer dan eens heb ik mij zelven die vraag gedaan,
als ik stond onder de heilige eiken, de vlammen van het offervuur zag
opstijgen en de rook opwolken tegen het donkerblauwe gewelf, waaraan de
vuurvonken schitterden van Muspelheim, dat voor ons gezicht bedekt
Alvaders gouden zaal. En dan was het mij of de adem der godheid mij
tegenwoei, zooals die mij tegenklinkt uit de zangen en sagen van mijn
volk. Geheimzinnig ruischte het in mijn ziel: „de goden bestaan!” Maar
zijn zij zoo wijs en goed, zoo machtig en edel als onze Skalden zingen
bij harpslag en loflied, de priesters getuigen met zangen en offers? En
indien de goden leven, zijn dan de goeden in Walhalla en Loki, de
leugengeest, geketend in Hel?”

Hij zweeg en staarde peinzend voor zich en een groot verlangen lag in
zijn glanzenden blik, een smachten naar waarheid.

Maar nu wendde het indrukwekkend gelaat zich tot hem, dat niemand meer
vergat, die ooit het aanschouwde, en de stem van bisschop Ansfried,
doordringend en zacht tegelijk, klonk ten antwoord:

„De goden bestaan niet Olaf Erikson, maar er is één God, de Almachtige
Schepper van hemel en aarde, gebonden aan ruimte, plaats noch tijd.”

„Ruimte? Wat verstaat gij daaronder?”

„Daarmee bedoel ik de oneindigheid. Was zij dit niet, dan moest de
ruimte een grens bezitten, die op zich zelve weer een zelfstandig
lichaam vormde of uit ledige ruimte bestond. Alzoo weer ruimte of een
andere wereld. En even eindeloos als de ruimte is God. Ware dit niet het
geval dan zou Hij een begin of een einde hebben en niet de Eeuwige
kunnen worden genoemd, voor Wien de tijd, zooals de menschen zich dien
hebben gedacht als verleden, heden en toekomst, niet bestaat. Wat is,
was en wat was, zal worden.”

„God is een geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest
en in waarheid,” leert ons het Evangelie, dat is: Zijn heilig woord.”

„Mijn volk heeft de Edda, die leert van de goden en hun eeredienst. Met
offers en reizangen bewijzen de priesters hun eer,” viel Olaf in.

„Ook met menschenoffers.”

„Zij strekken ten zoen voor bedreven kwaad: Hebt gij dan geen vergeving
noodig?”

„Neen, want onze zonden zijn vergeven door het lijden en sterven van
Christus, den Heer, indien wij slechts in Hem gelooven.”

„Ik begrijp u niet!”

Hoe verwonderd klonk die uitroep en hoe vol verlangen!

Toen verhaalde de grijze dienaar van het Evangelie hem op zijn
eenvoudige wijze, -- die zooveel indruk maakte omdat zij waar was en
voortsproot uit een hart, dat geloofde -- van het leven van den
Christus. Van Zijn geboorte te Bethlehem, toen de engelenzang ruischte:
„Eere zij God in de hoogste hemelen!” Van zijn dood te Jeruzalem, toen
de menschen riepen: „Kruist Hem!”.... Van Zijn opstanding en hemelvaart,
de kroon van Hem, die stervend overwon....

Verbaasd luisterde Olaf, met gloeiend voorhoofd: Was dàt de bleeke
Christus, waarop de Noormannen steeds met zulk een diepe verachting
neerzagen?

„Hij was een held,” mompelde hij voor zich heen en een groote
bewondering welde op in zijn hart.

En de bisschop sprak verder en verhaalde van het leven en werken der
Apostelen, van de eerste christengemeenten, waarvan schier alle leden de
martelaren werden van hun geloof, door den wil van de machtige keizers
van Rome, die waanden de wereld te beheerschen, doch machteloos bleken
tegenover een geloofsmoed uit de kracht eener overtuiging geboren, welke
geheel een vijandige wereld overwon. En Olaf vroeg zich af wat voor een
God het zijn moest, die zijn volgelingen wist te bezielen met zulk een
heldenmoed en doodsverachting, standvastig bij de zwaarste rampen,
volhardend ondanks vervolging en dood, omdat zij gloeiden van liefde
voor Hem en geloofden in de waarheid van Zijn woord. Door bisschop
Ansfrieds eenvoudige voordracht trad geen dogma, geen ingewikkeld
leerstelsel op den voorgrond, waaraan reeds toen de kerk zoo rijk was en
die zoo menigwerf aanleiding gaf tot twist en verdeeldheid. Zijn
zachtzinnige beschouwingen ontnamen aan zelfkwellingen en boetedoening
hun afschrikwekkend voorkomen, aan de mystiek haar dweepzucht. Hij
verhaalde van den Heer, Die zalig spreekt de reinen van hart, Die
eenmaal in Zijn eeuwig huis allen zal vereenen, welke hier op aarde Hem
volgden en geduldig hun kruis droegen evenals Hij.

„Op welke wijze kunnen zij dat?”

„Door eigen wenschen en begeerten op te geven voor het geluk van
anderen, doordat zij niet meer hun eigen weg zoeken te gaan, maar alleen
begeeren te volbrengen wat God van hen eischt, door geheelen afstand te
doen van eigen ik. Zelfverloochening, dat is de grondtoon, de hoogste
eisch van het christendom.”

„Maar dat is een onmogelijke eisch. Hoe kan iemand leven, die nooit mag
denken aan zich zelven of aan eigen geluk?”

„Dat wordt niet van den mensch geëischt, wel, dat hij niet het meest en
het eerst denkt aan zich zelf en wie gevoelt, dat dit aardsche leven
slechts een voorbereiding is voor hooger bestaan, vindt dit geen te
zwaren plicht. Uit rechtvaardigheid, liefde en opoffering is
zelfverloochening gevormd. Wie rechtvaardig is grijpt niet storend in
anderer bestaan, noch doet iemand onrecht. Doch vaak heeft deze
rechtvaardigheid geen zedelijke waarde, omdat zij zelfzucht ten
grondslag hebben kan, die geen misdrijf wil bedrijven om niet zelf als
misdadiger te worden gebrandmerkt.”

„Hoe kan zij dan met zelfverloochening gemeenschap bezitten?”

„Er is nog een andere rechtvaardigheid, die uit hooger beginsel ontstaat
en ontspruit uit het medelijden, dat mede-gevoelt met anderer leed. Wie
deze rechtvaardigheid bezit, tracht het geluk te bevorderen zijner
medemenschen. Uit deze bron ontwelt de ware rechtvaardigheid, die
beschouwd mag worden als de eerste schrede op den weg der
zelfverloochening, welke voert tot heiligmaking. Doch hoog daarboven
staat de liefde tot den naaste, die eigen rust en vreugde opoffert om
het levensheil van anderen te vergrooten. De rechtvaardige veroorzaakt
niemand leed, de liefdevolle handelt jegens zijn medemenschen als ware
het voor zich zelven, geeft hem die zijn rok eischt ook den mantel, zet
zelfs zijn leven voor zijn vrienden. Op deze wijze moet de liefde tot
den naaste overgaan in geheele verloochening van eigen ik om den
hoogsten trap van zelfopoffering te kunnen bereiken, die de volmaking is
der rechtvaardigheid en der liefde in haar hooge beteekenis, gelijk de
Apostel Paulus zegt:

„En al ware het, dat ik al mijne goederen tot onderhoud der armen
uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik
verbrand zou worden, en had de liefde niet, zoo zou het mij geen
nuttigheid geven”....

Aldus leeft wie de ware liefde bezit voor het geluk zijner medemenschen,
zooals hij dit voorheen deed voor zich zelven. Het is de zwaarste taak
voor den mensch, die tracht „volmaakt te zijn, gelijk ook zijn Vader in
de hemelen volmaakt is”, want het zondig beginsel blijft en werkt,
zoolang hij hier op aarde leeft en brengt hem in onafgebroken strijd.
„Indien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zoo zult gij
leven,” zegt wederom de Apostel. Want, Olaf, al vormt het menschelijk
lichaam met zijn verschillende onderdeden éen geheel, en lijden, als een
lid pijn heeft, al de leden, toch kan men het splitsen in twee deelen:
ziel en lijf. Het laatste behoort aan dit leven, aan de onsterfelijkheid
de eerste. Het is het inwendige bewustzijn, dat onzichtbaar toch de
handelingen van het zichtbare lichaam bestuurt, handelingen wier
beteekenis ver over het graf heenreikt. Aan de vruchten kent men den
boom, den mensch aan zijn daden, waarvan eenmaal de eeuwigheid de vrucht
schenkt in onvergankelijk geluk of in eindelooze smart. Want de mensch
bewijst wie hij is, uit zijn werken en evenals het geloof zonder de
werken slechts een luid klinkende schel is, toonen werken, die niet uit
het geloof, niet uit liefde tot God hun oorsprong nemen, dat zij
ontwellen aan onzuivere bron, die der zelfzucht, niet achtend Christus’
woord:

„Zoo iemand achter Mij wil komen, die neme zijn kruis op!”....

De bisschop zweeg, en Olaf verborg het hoofd in de handen. Hij wilde
niet zien wat om hem was, maar den blik slaan in zijn binnenste, tot
ernstig zelfonderzoek, en nadenken, voor de eerste maal. Het warrelde in
zijn hoofd. De nieuwe gedachten, die ongekende voorstellingen wekten,
lieten zich niet in enkele oogenblikken verwerken. Welk een volkomen
tegenstelling vormde de godsdienst der christenen, waarop hij tot nu toe
met zooveel geringschatting had neergezien -- met het geloof aan de
goden, waarin hij was opgevoed! Een schare van kloeke helden vormden
dezen, tuk op eer en roem en macht. Uit vreemde, verre streken heetten
zij eenmaal te zijn aangekomen in het hooge Noorden. Hun stamboomen
bezaten zij evenals aardsche vorsten. Een strijdros, dat een naam droeg,
was hun eigendom. Verschillende dieren en vogels waren hun gewijd. En
het Walhalla -- was het niet gelijk aan een strijdperk van ruwe
krijgers, krijgers vol ontembare kracht, vervuld met woeste
doodsverachting?

Wel moest een veroveraar, begeerig een aardsche wereld te winnen, het
eerst den volken het bestaan dezer goden hebben geleerd, om hen te
lokken tot krijgstochten, die de geheime voorbereiding waren van zijn
eerzuchtige heerschersdroomen.

En de leer der christenen!....

Eer, noch macht, noch roem begeerden zijn aanhangers. Zelfverloochening!
luidde de eisch van hun Heer, den eenigen Almachtigen Schepper van hemel
en aarde. Zalig sprak Hij niet hen die groote, roemvolle, maar die
goede, edele daden verrichtten, uit liefde tot Hem en hun medemenschen.
En wanneer hun aardsche loopbaan was geloopen, dan nam Hij allen, die
Hem liefhadden en Zijn geboden hadden volbracht, zoover hun zwakke
kracht dit toeliet, op in Zijn eeuwig huis. Geen woest strijdperk van
een tot god verheven verdelger, als Odin, maar een hemel badend in
heilig licht waar liefde en vrede heerschten en de zegepalmen werden
gereikt, ieder die hier op aarde zijn goeden strijd had gestreden ten
einde toe....

Vaster drukte Olaf de handen tegen het gloeiend gelaat. Hij voelde
tranen branden achter zijn gesloten oogleden -- de eerste, sinds zijn
kinderjaren. Het was of een geheele omkeer plaats greep in zijn voelen,
wenschen, denken, plotseling met een schok, als of hij werd vervoerd
door een wonderbare macht, die alles deed verzinken waar hij tot nu toe
tegen op had gezien, dat hij gewijd had geloofd en waar. Een macht, die
hem dwong zich in eerbied te buigen voor denkbeelden, te voren slechts
met een verachtelijk schouderophalen begroet.

„Wat is waarheid?” Niet langer beefde die vraag op zijn lippen; hij wist
waar zij werd gevonden en --

En toen rees hij op, verwilderd. Zacht was de deur geopend en gesloten,
terwijl hij neerzat en met zich zelven worstelde en streed. Hij had het
niet opgemerkt, evenmin als hij zich thans alleen wist. Zijn blik
staarde in het verleden, in het zijne. Hij zag een bloedig slagveld.
Hoog wapperde Odins zegevierend vaandel tegen het blauw der lucht, luid
schetterden de horens, juichend werden als overwinnaars gehuldigd door
hun strijdgezellen, allen even dapper als woest, Rolfr Jarl en Olaf
Erikson...

Rolfr Jarl en hij! Een rilling liep door zijn leden. Want hij zag een
strook lang wuivend gras, hooggehouden op de spits van glinsterende
speren en daaronder traden de overwinnaars der christenen: Rolfr Jarl en
hij. En toen reten beiden den rechterarm open en zij vermengden hun
bloed, dat afdruppelde op de groene zode, gespreid voor hun voet. De
legerdrommen juichten... Bloedsbroeders waren thans de beide
aanvoerders, de een zette zijn leven voor den andere, trouw tot in den
dood, zelfs tegenover eigen verwanten en vrienden. Want wie zijn
bloedsbroeder verliet in voor- of in tegenspoed, gaf zich zelven den
goden der benedenwereld prijs in de toekomst, die werd geschuwd als
eerloos, als meineedig veracht door strijder en Skald, bij hamerworp en
harpslag te zee en te land. En thans: De Denen kwamen, om te verwoesten
en te verkeeren der christenen land, om te dooden wie de leer beleed van
den Gekruisigde. En trouw tot in, tot over het graf, dat eischte de
bloedsbroeders-eed!...

Plotseling rees hij op, met een kreet. Want, daar buiten glinsterden
speren, daar sloeg een banier haar banen uit, hoog tegen ’s hemels
blauw, maar niet van de drakenschepen flikkerden de doodelijke wapens,
niet Odins bloedroode vaan zag hij.

Hij zag een banier wapperen, met het beeld van den held, die eenmaal
zijn mantel deelde met een armen voetknecht.

De mannen van Sint Maarten kwamen, in rechtmatigen toorn ontstoken, nu
hun bisschop en heer de gevangene was van een tuchteloozen vasal. De
overgang was zoo plotseling, zoo snel, dat hij Olaf als bedwelmde, vele
oogenblikken.

Wie hen had gewaarschuwd, wakker geschud uit hun doffen angst voor eigen
lot, wie allen had gewezen op hun plicht, behoefde hij evenwel niet te
vragen.

Aan de spits der kloeke schaar reed een boer, blootshoofds, gekleed in
grof wadmer, met oogen donker van zorg en angst -- Henno.

„Te hulp! Onzen heer te hulp!” riep hij luid. Van alle zijden werd die
kreet herhaald. Hij klonk uit den mond der mannen van Utrecht, het
landvolk ving hem op en droeg hem van hoeve tot hoeve, hij werd
teruggekaatst door de gevels van het slot Bacheforth, tegen de half
verbrande muren van den Stuthenborch, verder golfde hij met den breeden
stroom langs weide en woud.

„Te hulp tegen Rolfr Jarl! Te hulp!” Het was of plotseling de vrees
verdween, die den geduchten Jarl zijn kracht schonk. De mannen van Sint
Maarten waren gekomen, in de schaduw der banier van hem, dapper en
edelmoedig krijgsoverste -- eer hij zich wijdde aan den dienst der kerk
-- waren zij veilig.

„Te hulp! Redt onzen bisschop!” Want, was ook deze niet aan Sint-Maarten
gelijk, deelde hij niet evenzóó met de armen en lijdenden wat hij bezat?

„Redding voor bisschop Ansfried!”

Oorverdoovend werd de kreet, kodde en herdersstaf, sikkel en
dorschvlegel werden gegrepen door gespierde, bruine handen, dreigend
werden zij opgeheven naast de flikkerende speren der wapenknechten.

Als een springvloed door dijken noch dammen te stuiten viel het landvolk
-- nu sterk, omdat het werd gesteund, aan op de boogschutters van den
Ravenhorst. Overrompeld werden de ruiters, die de wacht hielden op de
kruiswegen, doorschoten de voorbeenen der paarden van aanvallers of
vluchtelingen, met pijlen even scherp als wel gericht.

Een vreeselijk treffen ving aan, niet reusachtig door het getal der
strijders, doch moorddadig in zijn woestheid en ontzettenden ernst.

Toen, reeds bijna een uur duurde de kamp, drong een man hoog te paard
door den warrelklomp der strijders, een geheel geharnaste forsche
gestalte:

„Hier, laffe wapenknechten! Uw heer beveelt! Graaf Ansfried vrij!....
Dat nooit! De dood hale hem! Slaat u door of ik vel u met eigen hand!”

Rolfr Jarl brulde het meer dan hij sprak in razenden toorn. Hij streed
vol woeste doodsverachting als nimmer te voren, zijn bijlslag suisde, in
zijn vuist blonk het zwaard, zijn werpspies trof wien hij koos tot zijn
wit. Verdubbelen deed zijn komst het geroep en gedruisch, de wilde
strijdkreten, de doodelijke slagen. Tot waanzin schier steeg de woede
aan beide zijden. Henno stiet terwijl hij trachtte den Jarl te bereiken
op Sven Persen. Als roofdieren stortten zij op elkander en vielen, na
een moorddadig tweegevecht, bloedend, kreunend naast elkaar, de een zijn
verwenschingen slingerend naar den andere met bezwijmende kracht.

„Sterf, hond!” brulde in het eigen oogenblik Walger, zijn dorschvlegel
zwaaiend. De doodelijke stoot, die hem trof als antwoord, kwam van
Harald, den Skald; met bloedig schuim op de lippen zonk hij neer om niet
meer op te staan.

„Een boot! Een plank slechts om den stroom over te zwemmen!” riep
Unruoch. Als voortgezweept ging hij op en neer op den Hohorst, hij wierp
zijn rusting af om zonder wapen of verweermiddel zich van de hoogte in
de golven te storten. De weinige ruiters, die waren ontkomen aan het
bloedbad bij den grafheuvel, wilden hem volgen. Slechts door een streng
bevel kon de bisschop allen terughouden: want diep was de stroom, hun
dood gewis, indien zij er zich in wierpen.

„De Heer kastijdt ons met een zeer zware beproeving!” jammerde broeder
Johannes met opgeheven handen. Toen, ze als een roeper aan den mond
brengend, gillend tot de mannen van Sint Maarten:

„Slaat dood! Slaat dood! Vraagt niet naar heiden of christen! De Heer
beschermt de zijnen, slaat toe!”

„Broeder, zwijg!” Bevelend klonk bisschop Ansfrieds ernstige stem. „Dit
is godslastering. Het zijn menschen! Bid voor de dwalenden, die Wodan
aanroepen en zijn heir van booze geesten. Vervloek ze niet!”

In zijn vertrek wrong Olaf de handen:

„Mijn bloedsbroeder delft het onderspit en ik lijd niet om hem, en geen
droefheid is in mijn hart, omdat ik hier machteloos, weerloos sta! Een
meineedige -- ik!”

Zijn hoofd zonk op de borst, zijn lippen fluisterden:

„Alvader vergeef!... Wijs mij den weg dien ik gaan moet.... eeuwig
God!”...

Op de hoogte verscheen opnieuw de bisschop, voor iederen pijl een
weerlooze prooi, niet achtend het gevaar, dat hem dreigde:

„Vrede! Vrede! Staakt dit moorden! Houdt op! Ik wil het!”....

Als een roepende in de woestijn was zijn stem, overstemd door
strijdgerucht en wapengekletter, door het wraakgehuil, dat den smaad
gold hem aangedaan.

„Berg uw lijf! De pijlen der Denen worden alle op u gericht!”

Heesch stiet Unruoch de woorden uit; tegen diens wil sleepte hij zijn
vaderlijken vriend mee. Olaf zag het met een zucht van verlichting.

Maar opnieuw drong een kreet in zijn ooren van smart en van toorn, door
merg en been ging de snijdende klank. Hij klemde zich aan het kleine
venster, hij zag Rolfr Jarl wegdragen, zag Unruoch zegevierend -- zijn
pijl had gemikt en doel getroffen -- over het breede golvenvlak.

Nog eenmaal vlogen links en rechts de pijlen, en sloegen opnieuw de
speren hun bijtende wonden. Menige krijger zonk ineen op het veld. Wild
door elkaar warrelden, streden de laatst overgebleven Denen tot zij hun
Jarl en heer zagen wegdragen. Toen klonk een gehuil aan het brullen van
een wouddier gelijk, toen vluchtten „de zonen van Odin” en wapperde
zegepralend de banier van Sint Maarten boven de hoofden der
overwinnaars, knielend op het veld:

„Heer, U zij de eere! Heil onzen bisschop”.... Hoe ras was de boot
bemand, die hem veilig droeg in hun midden, veilig en vrij!

Met jubelenden heilzang, met vochtige oogen begroetten hem de stoere
strijders van daareven. In hoog aanzien stond hij bij allen, maar de
eerbied en liefde, die hem werden gewijd, overtroffen het ontzag, omdat
hij heerschte door goedheid en ieder zijner daden een zegening was.

„Naar Utrecht voeren wij u! Wij brengen u in veilige rust!”

Doch waarschuwend hief hij de hand op: „Staakt dien jubel! Hier voegt de
stilte: onze gebeden vragen de dooden, de gewonden onzen bijstand!”....

Een draagstoel werd aangebracht, toen deze eerste plicht was vervuld. De
bisschop steeg in.

In ’t zelfde oogenblik sloeg een hand het gordijn terug: „Ik ben uw
gevangene. Beschik over mijn lot!”

Bisschop Ansfried schudde het hoofd en zag den spreker meewarig aan: „Ga
in vrede, mijn zoon! Gij zijt vrij!”

Twee groote tranen sprongen Olaf uit de oogen. Aan zijn bloedseed
gedachtig moest hij terugkeeren, zijn bloedsbroeder te hulp. En hij wist
thans wat dat beduidde!

En het werd stil in zijn hart, dat daar even nog jagend geklopt had --
verstijvend stil.



HOOFDSTUK XX.


Het was nog vroeg in den morgen. De hanen begroetten met luid gekraai de
zon en de torenwachter van den Sint Maarten wekte de slapers uit hun
rust.

Door middel van zijn langen horen verkondigde hij schetterend het
aanbreken van den nieuwen dag. Met meer genoegen dan de sluimeraars,
hoorden de wachters aan de stadspoorten die schelle tonen. Ongeduldig
zagen zij uit naar de morgenwacht, die hen moest komen aflossen.

Een verren weg had deze daartoe niet af te leggen. Utrecht was nog klein
van omvang, al had bisschop Balderic gedaan wat in zijn vermogen was, om
de stad eenigszins te herstellen van de verwoesting der Denen. Een met
keien geplaveide steenweg leidde door het benedengedeelte naar de
bovenstad, over de brug der Oude gracht. Daar verhief zich het statige
gebouw, waarvan de grondslagen reeds waren gelegd door de Friesche
vorsten, die eenmaal „Trecht” hadden beheerscht en er een koninklijken
burcht stichtten.

Thans waren -- naar luid der kroniek -- „deselfs muren niet min cierlyck
als constigh en sterck.” Het Friesche koningsslot was een keizerlijk
paleis geworden, dat keizer Otto „ter handhaving van zijn staat en
recht” den trouwen vriend van zijn huis, bisschop Ansfried, tot verblijf
had geschonken.

Statig verhieven zich gevel en torentransen van het hechte gebouw. Hun
breede schaduw werd opgevangen door de kroongewelven der zware boomen in
den hof; ter zijde rees de Sint Maarten, de dom bij uitnemendheid, niet
ver van de kerk van Sint Salvator, die het stof bewaarde van dezen
grooten geloofsheld. Want alle eer van menschen, alle macht verbonden
aan zijn rang, wierp hij van zich. Naar Friesland trok hij langs
onherbergzame paden, omringd door een vijandige bevolking, om ieder, die
daar den god Stavo eerde met menschenoffers, de leer der liefde te
prediken: het Evangelie. Hij ging en won de gloriekroon van den
martelaar: onder de knotsslagen der Friezen viel hij, stervend zijn God
nog lovend. Naast den vromen Gregorius, die, toen zijn doodsstrijd
aanving, met zijn laatste kracht fluisterde, hem te brengen naar des
Heeren huis om daar te sterven, werd hij ter ruste gelegd. De tombe van
bisschop Frederic, getroffen terwijl hij bad, door het staal van een
Deenschen sluipmoordenaar, rees niet ver van de zijne...

Uit het bloed der martelaren was ook hier de bloem van het geloof
ontsproten. Want geweld noch machtsvertoon der Noorsche vijanden bleken
ooit meer in staat het volk, dat zulke voorbeelden bezat, tot afval te
brengen van het christendom.

En thans hoopte Rolfr Jarl, dat hem zou gelukken wat zijn voorgangers in
een vroegere eeuw tevergeefs hadden gewenscht, als hij de oorlogsfakkel
slingerde in de met stroo gedekte woningen van Utrecht. Want de houten
of met rieten daken voorziene huizen der stad hadden nog geheel den
bouwvorm behouden van vroegere eeuwen.

De ringmuur en bolwerken mochten hecht zijn en hoog, de Tolsteegpoort
reeds van verre schitteren door haar roode kleur, de huizen zonder
dakgoten of waterafleidingen vormden nog even zelden straten, als zij
zich rondden tot een plein. Gelijk de hoeven buiten de poort, hadden zij
een laagafhangend dak en werd ieder erf door een boomgaard of akkers
omringd, op hun beurt door stevig paalwerk ingesloten. Slechts enkele
der voornaamste huizingen bezaten een steenen onderbouw en eenige
traptreden van blauwe zerken, die naar de hoog aangebrachte voordeur
voerden. In den hof wroetten ongehinderd de varkens, daar kakelden
kippen en snaterden ganzen.

Naast de hooischelf strekte een kleine hoogte, vereerd met den naam van
„’t land verbeteren”, niet zeer tot verfraaiing van het geheel.

Doch dezen ochtend, terwijl de dagwacht zich grommig gereed maakte voor
zijn taak en de nachtwacht ongeduldig werd, omdat hij nog niet was
afgelost, liet de horenblazer het niet bij een enkel sein. Korte stooten
wisselden de langschetterende tonen af. De wachter op den
Baldericstoren begreep het eerst, dat er iets buitengewoons plaats vond.
Spiedend, de hand boven de oogen, zag hij den Rijn af en den weg, die
kronkelde met den stroom. Toen klonk een kreet van vreugde, weldra
voortgeplant van wacht tot wacht. Als op den adem van den storm vloog
het bericht door de stad, dat ginds, op den heirweg, het vaandel van
Sint Maarten wapperde, dat zij kwamen, de mannen van Utrecht met den
bisschop, in het midden, met Unruoch, zijn pleegzoon, met de broeders
van den Hohorst, allen gered uit den ijzeren greep van Rolfr, den --
Antichrist.

Want zoo was, niet zonder schroom, Rolfr Jarl fluisterend genoemd in
Utrecht, toen Henno ademloos den vorigen dag het bericht bracht wat deze
had gewaagd.

Geen der drie jaarmarkten -- het recht der stad -- was aangekondigd, het
roode kruis niet aangeslagen bij de brug aan de Tolsteegpoort tot een
bewijs, dat iedere reiziger vrijgeleide had om te komen en te gaan.
Alzoo was het geen vreemdeling veroorloofd zijn nachtverblijf binnen de
omwalling der stad te houden, zonder dat hij twee borgen stelde --
niemand dacht hier ditmaal aan. Ademloos werd Henno omringd en
aangehoord, tot een dichte menigte hem voerde naar den proost van Sint
Maarten. Het bleeke kind en de verweerde wapentuur, die bij hem waren --
om strijd boden de burgensen aan, zonder te vragen vanwaar zij kwamen,
hen te herbergen.

De bisschop was in gevaar en nood. Hij, de goede, edele, vader
Ansfried... Wie behalve de Antichrist zou durven wagen de hand aan den
gezalfde des Heeren te slaan?... Werd hiermee opnieuw niet de profetie
vervuld uit het boek der Openbaring:

„Het duizend-jarig rijk -- de Antichrist omgaande als een brullende
leeuw, vervuld met plannen van schuld en misdaad -- dan het
bazuingeschal der engelen en de Heer komend op de wolken om te richten
de levenden en de dooden!”....

Een plotselinge angst, angst reeds zoo menigwerf gewekt, dikwerf slechts
met geweld onderdrukt, overviel allen. Als schapen zonder herder voelden
zij zich... Gegrepen werd speer en boog, schild en scharmsax -- de
geduchte knots met ijzeren spits. Nauwelijks bleef een voldoende
bezetting achter ter bewaking van brug en poort. Voort stormden Utrechts
weerbare mannen -- voort. En thans, na een nacht van vrees en
onzekerheid, zagen zij hem keeren, gered, ongedeerd.... Als zilver
glinsterden in de morgenzon de langgolvende lokken, die het eerwaardige
gelaat omlijstten van den grijsaard. En toen ratelend de brug omlaag
ging en hij reed door de breede poort en de oogen op hen rustten, wier
blik onvergeetlijk bleef voor ieder, die hem eenmaal zag, toen losten
vrees en vreugde zich op in een snik, die een zegenbede insloot.

Zij omringden hem met jubelende woorden. In triomf omgaven de dichte
drommen zijn draagstoel, voerden zij hem naar het bisschopshof:

Zonder vragen of verlof waren vele burgensen de groote zaal mee
binnengegaan -- in oogenblikken van diepe ontroering verliezen
wereldsche vormen hun kracht. Nu verdrongen de inwoners zich in de meer
lange dan hooge zaal met haar Romaansche rondbogen en de dubbele rij
houten, kleurrijk beschilderde pilaren. Op zijn hoogzetel, door een
kunstig besneden, door zuilen gesteunden baldakijn overwelfd, had de
bisschop plaats genomen.

Thans drong Petrus, de proost van Sint Maarten, naar voren uit de zacht
fluisterende groepen.

„Hoogeerwaarde, voor deze grove beleediging u aangedaan geldt slechts
een woord: wraak!”

De diep beleedigde grijsaard schudde het hoofd:

„Laat de wraak aan God over en aan den keizer, dien Hij heeft gesteld op
zijn hooge plaats om het wereldrijk recht te beschermen met de scherpte
van het zwaard. Mij voegt alleen te waken voor rust en recht door de
kracht van woord en gebed.”

„Wat baten die tegenover Rolfr, den Deen?” De scherpe oogen van den
proost flikkerden. „Heer, was hij niet te allen tijde uw bitterste
vijand?”

De ernstige blik van bisschop Ansfried rustte op hem waarschuwend,
vermanend:

„Gij weet, dat die man veel leed over mij bracht en wilt mij thans wraak
als plicht voorstellen, door den hartstocht te prikkelen, die vergelding
heet en sluimert in iedere door onrecht getroffen ziel. Maar zwaar zou
ik zondigen, indien ik hier vergelding zocht, mijn vergelding.”

„Maar uw ambtsplicht, heer! Werd de handhaving van het recht in het
bisdom u niet toevertrouwd?”

„Waar plicht en lust samen strijdvoeren, is het plicht te doen wat ons
het minst behaagt. En daar het mij zwaar valt hier werkeloos af te
wachten, zoo beschouw ik dit als wereldsche zin, als strijdlust, die ik
boet door te wachten.”

Hij drukte de hand tegen de borst, hoe heftig klopte nog het hart van
den ridder onder de breede plooien van zijn geestelijk kleed!

„Nog is de oude mensch niet dood, éen woord en hij wordt gewekt in mijn
binnenste. Heer, vergeef!” klonk het in zijn hart.

Het was of de storm, ontketend in zijn ziel, hem schudde. Hij trad aan
een venster en zag naar buiten met dwalenden blik. Niet lang. Een man
stormde over de brug, ademloos, het stof van den heirweg bedekte zijn
versleten kolder. Zijn paard struikelde bij iederen tred, toch dreef hij
het voort, voort. Hij was reeds de zaal binnen gedrongen, eer nog het
gemurmel van teleurstelling zweeg, uitgelokt door de beslissing van den
bisschop.

„Dat is de vreemde wapentuur, die gisteren met den visscher van den
Ravenhorst hier kwam. Hij is straks niet teruggekeerd van den Hohorst
met onze mannen,” mompelden verscheidene stemmen. Barrevoets,
blootshoofds, hijgend naar adem viel de onbekende den bisschop te voet:

„Heer, heer! Wapen u! Laat uw dienstmannen zich gorden ten strijde!
Odins bloedroode vaan wappert van den Ravenhorst als welkomstgroet aan
de Vikingervloot, die de rivier opzeilt, reeds nu met buit beladen!”

Toen hief de bisschop beide handen op, gevouwen:

„Heer, nu ken ik Uw wil! Dat is Uw vingerwijzing! Wie zijn aardschen
vorst niet bijstaat in nood en dood, pleegt félonie, wie niet pal staat
als een rots, waar het geldt het geloof aan U, den Heer van hemel en
aarde, en de eer Uwer kerk te verdedigen, is een afvallige gelijk!” Zijn
oogen vlamden als in vroegere jaren toen hij zich tot de burgensen
wendde:

„Mijne kinderen, gordt u het zwaard aan! Op Gods bevel ten strijd! Het
is voor Zijn kerk, voor de vrijheid van dit land! Het zij zege of
ondergang ons deel wordt, weerstaat de Deensche roovers, die het
heiligste vertreden in grimmigen haat. Deze strijd is zondig noch
misdadig, hij geldt ons hoogste goed, geldt vrijheid, geloof en recht!
Te wapen!”

Een doffe stem brak zijn woorden af, een stem met sidderenden klank. Een
bejaard man trad naar voren, een der invloedrijkste inwoners der stad.
Sneeuwwit was zijn kruin, moede van het staren op véél onrecht zijn
oogen:

„Hoogeerwaarde, waartoe thans nog bloed en strijd? Over eenige weken,
dagen wellicht -- wie beslist het -- is het immers met alles voorbij.
Ach, laat ons biddend ondergaan, niet bloedvergietend!”

De bisschop maakte een afwerend gebaar. De oude moed van den held, die
eenmaal gansche legerscharen bezielde door zijn voorbeeld, lichtte uit
zijn oogen. In zijn volle lengte richtte hij zich op:

„Zwijg over deze geruchten en wacht af, wat God over ons beslist, niet
alleen biddend, maar ook wakend, hetzij, dat de groote, geweldige dag
komt, of dat de Heer in Zijn oneindige goedheid de wereld nog laat
voortbestaan. Geschiedt het eerste, zorgt dan, dat uw laatste daad op
aarde niets met lafhartigheid gemeen heeft. Beschermt de kerken, opdat
God u vinden moge biddend in Zijn huis. Doch, drijven deze dagen van
angst en onzekerheid voorbij gelijk stormwolken en wordt de aarde als
gewekt tot nieuw leven, bewaart dan u zelven voor de wroeging, dat gij
niet hebt volhard ten einde toe tegen de Deensche heiligschenners, dat
ook door uw toedoen de asch werd verstrooid van geloofshelden en
martelaren en vrees ketenen klonk voor ons vrije volk!

Ten strijde alzoo! De Heer trekt ons voor! God wil het!”

Met honderdvoudige echo werd dit woord herhaald. Haastig verspreidde
zich de menigte. Allen wilden het eerst gereed zijn om tegen de Denen op
te trekken. Terwijl de bisschop, op Unruoch leunend, terugkeerde naar
zijn bijzonder vertrek en eenigen der voornaamste burgers hem op zijn
verzoek volgden, -- plannen moesten worden gemaakt voor de verdediging
der stad -- rustte de blik van den „vreemden wapentuur” lang op beiden.

„Wie is die jonge ridder?” vroeg hij broeder Johannes. Het was of hij in
Unruochs regelmatige trekken een gelijkenis zocht en die ook vond.

„Hij heet Unruoch van Teisterbant. Door bisschop Ansfried werd hij
aangenomen als zoon, maar hij is hem niet verwant, naar men zegt. Vrouwe
Benedicta, de dochter van den bisschop, heeft hem opgenomen als
vondeling.”

De andere schudde het hoofd:

„Een vondeling? Neen, dat is hij niet. Mijn vrouw heeft stervend het
kind toevertrouwd aan de abdis van Thorn. Dat heb ik veel jaren later
gehoord”....

De proost van Sint Maarten liet hem niet uitspreken. Hij had
verstaan.... „Volg mij!” beval hij kort.



HOOFDSTUK XXI.


De zon was ondergegaan, de eerste sterren zouden weldra schijnen uit een
donkere wolkenlijst, de avondwind begroette ruischend de slotbron, toen
Olaf Swanwitha vond in den hof. Het was slechts een klein plekje, haar
afgestaan binnen de omheining van den Ravenhorst, maar zorgvuldig was
iedere voet gronds gebruikt om den kruidtuin te vormen, waaruit de
geneeskunst de middelen trok om kwalen en ziekten te bestrijden. De
witte lelies -- waarvan vrouw Sigrid de bladeren in azijn bewaarde om
wonden te genezen of van de bloemen een zalf kookte als een onschatbaar
middel bij kneuzingen, bloeiden er naast de verwarmende venkel en de
donkergroene rosmarijn. Haar lichtblauwe bloemen werden gebruikt om het
verstand te verhelderen en de zinnen scherp te maken. De ruite vormde
een onschatbaar middel tegen besmetting en heette, met zout vermengd,
onfeilbaar tegen vergif. De purperen gladiolen-wortel werd met wijn
gezoden voor pijlwonden gebezigd en de bladeren der rozen dienden niet
slechts om hart en leven te versterken, maar waren ook een uitstekend
middel tegen de koorts. Zij bloeiden in een groot aantal, iedere struik
prijkte met zijn mantel van groen en een bedwelmend zoete geur steeg op
uit de wijdgeopende knoppen. Op de doornige twijgen wiegelde zich de
kleine, bruine nachtegaal, door de Noren hun god Balder toegewijd, den
zachtzinnigen god van lente en licht. Zijn zilveren zang vervulde
trillend de lucht. Of Swanwitha dacht aan een anderen avond, toen ook de
nachtegaal zong?

Langzaam ging Olaf voort. Het zachte mos dempte zijn tred. Hij zag haar,
die zijn bruid heette, op een kunstmatig aangelegd, met rozen begroeid
heuveltje. Weer dacht hij, dat zij zelve een witte bloem geleek tusschen
de rozen, weer omgolfden haar de gouden haren als een glinsterende
mantel, juist als op den morgen toen hij haar voor het eerst zag.

Hij streek zich met de hand over de oogen -- alles was gelijk het
geweest was, alleen hij zelf was een andere geworden. Toen hij Swanwitha
in het liefelijk gelaat zag, had hij met onstuimigen hartslag begeerd
haar de zijne te noemen, zonder daarbij te onderzoeken of zijn wenschen
de hare ontmoetten -- alleen aan zijn eigen geluk had hij gedacht. En
thans had een machtige stem geklonken, die doordrong tot zijn ziel:

„Zelfverloochening eischt de godsdienst der Christenen. Wie eigen
wenschen het zwijgen weet op te leggen, waar het geldt het geluk te
bevorderen van anderen, die alleen is een held.”

Van dat oogenblik wist hij, dat het Christendom stond boven zijn geloof
aan de goden, even hoog als de zon schitterde boven de grijze zee.

„Wraak, vergelding, zoek de vervulling uwer eigen wenschen”....

Dit waren de levenslessen, tot nu toe door hem opgedolven uit de
spreuken en sagen der Edda.... Gelijk ieder hooggestemd karakter voelde
Olaf diepen eerbied voor alles wat verheven was en groot. Met ontzag
begon hij, denkend, steeds denkend over alles wat de bisschop hem had
gezegd, op te zien tot een leer, die zulke hooge eischen stelde, eer hij
nog geleerd had Hem aan te hangen, in Wiens leven van liefde en
erbarming, in Wiens kruisdood van lijden en overwinning, de
zelfverloochening zich had belichaamd, den Christus, Die de
verschrikkingen der hel had te niet gedaan, gezegepraald op een lauwe of
vijandige wereld en de hemelen geopend, voor wie trachtten Hem na te
volgen met oprecht gemoed.

Voorzichtig boog Olaf de takken der „gelukbrengende” berken en de
twijgen van den „heiligen” vlier, uit elkaar. Hij glimlachte nu om dit
geloof van zijn volk. Een boom of heester door menschen den goden
gewijd, en daarna de stichter van hun geluk!.... En als de oude wereld
was voorbijgegaan zou Odin een nieuw menschengeslacht scheppen op de
nieuwe aarde, de man uit den esch, de vrouw uit elzenhout!

Een donkere blos steeg in zijn gelaat. Dàt had hij geloofd! Was hij tot
nu toe een kind gelijk geweest in zijn denken en droomen? Indien Gods
toorn den ondergang beval eener in zonden verzonken wereld, dan was
alleen de eindelooze liefde van den gekruisigden Christus in staat, de
menschheid veilig te voeren door de loeiende vlammenzee naar de nieuwe
aarde van zegepralend geloof, dat werd tot zalig aanschouwen, waar het
witte kleed zou bekleeden het verheerlijkte lichaam en de van iedere
smet gereinigde ziel....

Hij vergat opnieuw bijna, meegesleept door zijn gloeiende gedachten,
waarvoor hij was gekomen. Doch nu wendde Swanwitha het hoofd om en in
den glans van het zinkend avondrood zag hij haar oogen vochtig. Hij
gevoelde, dat het geen lenigende tranen waren, verkwikkend als de
zilveren dauw voor de velden, na den zonnebrand van den dag. Brandend,
een verterenden gloed gelijk, moesten zij voor haar zijn, want met een
plotselinge beweging van schrik stond zij op, krampachtig trokken haar
lippen -- zij zag hèm.

Hij stak haar beide handen toe en toen zij aarzelde er de hare in te
leggen, greep hij ze. De angstige blik, waarmee zij hem aanzag, zonk tot
in zijn ziel. Welke kluisters hij haar had aangelegd begreep hij in zijn
geheelen omvang, thans, voor de eerste maal, nu hij niet aan zich zelven
dacht.

„Schrik niet voor mij terug, Swanwitha! Ik kom niet meer om u Freya’s
minne toe te drinken uit den zilveren hoorn. Neem uw ring weer” -- hij
gaf haar den smallen, glinsterenden band. -- „Ik weet nu, dat liefde
niet door dwang wordt verkregen, dat de ring niet het onderpand van
verkoop is, maar die der trouw behoort te zijn.

Wie liefde dwingen wil zoekt de zon bij nacht, dat heb ik ingezien,
gelukkig nog niet te laat. Niet wie alleen is op aarde, maar wie werd
gescheiden van wat hij liefhad, is eenzaam en verlaten. Vergeef daarom
wat ik u aandeed. Ik zal u niet scheiden van hem naar wien uw hart
verlangt. Vind eenmaal het geluk, dat”....

Hij wendde zich af, haperend. Zijn kloeke gestalte beefde.

Wèl stelde de „witte Christus”, op Wien Odins zonen met zooveel
minachting neerzagen, hóoge eischen aan Zijn volgelingen. Zich zelven
overwinnen in ernstigen, stillen strijd met eigen wenschen of den vijand
tegenstormen met heirbijl en speer te midden van het opwindend
strijdgewoel -- hij wist nu wat het zwaarst viel. Maar hij hoorde een
snik van verlossing, schier van bevrijding....

„Vaarwel!” mompelde hij nog eens, „vaarwel!”

Nu omklemde zij zijn hand, met haar gloeiende vingers.

„Olaf, dank, o dank! Wat ben ik u dankbaar! Vrij!”.... Als een
jubelkreet klonk het. Toen vervolgde zij aarzelend:

„Maar, weet mijn grootvader”....

„Ik zal hem alles zeggen, wees niet bang. Niemand heeft het recht u te
verkoopen naar ziel en lichaam. Ik begrijp het nu. ’t Is of mij een
blinddoek is ontvallen, of ik van een last, die mijn denken benevelde,
ben bevrijd. Zie, Witha, op den Hohorst was ik gevangen en daar werd ik
waarlijk vrij! Wel mag die plaats de „Heilige berg” heeten, sinds
bisschop Ansfried daar heerscht, niet door het geweld van den sterkste
maar door de macht der hoogste liefde, die niet zich zelve zoekt.”

Welk een ongeveinsde verbazing las hij op haar trekken!

Eenvoudig en eerlijk volgens zijn karakter, hernam hij:

„Ik ben nog geen christen, maar ik hoop het eenmaal te worden, als God
mij helpen wil. O, Witha, welk een geluk van Hem kracht te ontvangen, om
den Gekruisigden Christus te kunnen navolgen! Alleen kan ik het niet,
het is een zware weg.”

„O, Olaf, wat zijt ge toch goed!”

Zij schreide om hem! -- Een gevoel sloop zijn hart binnen, dat geen
geluk was, zooals hij dit vroeger had begrepen, maar, dat daar ver boven
was verheven.

„De God, die mijn moeder liefhad, zegene u! Hij zal ook ùw God worden!”
fluisterde zij opnieuw in een grooten snik.

Toen legde zij nog eenmaal haar hand in de zijne en terwijl zij
scheidden voor het leven, wisten zij, dat zij elkander hadden begrepen
-- voor het eerst.



HOOFDSTUK XXII.


Een nieuwe dag was verrezen. Gouden pijlen schoten naar de witte
nevelen. Rood gloeiend werden zij, als waren zij gewond, in bloed
gedoopt, tot zij eindelijk zich oplosten in licht en glans. De dag had
gezegepraald. Waarop zouden zijn stralen vallen? Op een lachend tafreel
van vrede en geluk, op een gruwzaam tooneel van strijd en verwoesting?

Op een schouwspel van trotsche macht en wemelende kleuren-schittering
viel de eerste zonnegloed. De golven van de breede Eem rezen en daalden
met goudvonken overstrooid. De Ravenhorst weerspiegelde zijn transen in
het effen vlak -- hij niet alleen.

Een welbewapende vloot dreef nader. Ronde schilden blonken langs het
scheepsboord en weerkaatsten den gloed der zon; gouden leeuwen met
opgeheven klauwen, als gereed tot den beslissenden sprong, prijkten op
den achtersteven. Banieren en vaandels wapperden van mast en stengen.
Breed spreidde een zilveren adelaar de trotsche vleugels uit op den top
van elke groote mast. Door de wendingen hunner wieken waren zij in staat
iedere verandering van den wind aan te geven. Met fiere voldoening hing
het oog van den vervaardiger aan zijn kunstwerk -- nu droeg hij pijl en
boog en berekende, welk deel van het land, dat de dichtbemande vloot
ging veroveren, zijn loon zou wezen.

Toch moest de bewondering, welke zijn arbeid vond, wijken voor die welke
den draak ten deel viel op het grootste schip. Als een visioen van
dreigende macht gleed hij voorbij, vlammend goud blonk het geschubde
lijf, hel opgloeiend tegen een bloedrood zeil. De draak -- de groote
Midgardslang, die de wereld omkronkelde, waren zij niet één? Was het
niet als verrees het verleden -- het geloof aan de goden -- dat den
strijd wagen ging met den godsdienst der toekomst -- het Christendom.
Vreesaanjagend, zelfs voor die stoere krijgers, was het verschrikkelijke
dier, vuur schoot uit zijn muil, dreigend rekten zich door een kunstig,
inwendig samenstel zijn klauwen....

Maar een volgend vaartuig vroeg de aandacht. Een stier met blanken
zilverglans stond, als levend, op de voorplecht. Een bloedige flikkering
gleed lichtuitstralend uit de oogen van karbonkels, opgeheven was de
breede kop als ten doodelijken stoot. Zou hij den strijd winnen of zelf
zinken in den afgrond van het niets -- dien der vergetelheid.

Als een reuzenbloem uit een ver wonderland dreef ieder schip op de klare
golven. Hier verscheen een vurig roode roos, ginds dreef een lelie met
donkeren oranjegloed. De kleurschakeeringen waren met zorg gekozen.
Tintelend van licht blonk de glans der verf van dek en boord, de
tapijten werden er in weerkaatst, waarmee de banken waren belegd langs
de verschansing.

Opgehouden door vergulde lansen, saamgesnoerd onder een gouden kroon,
rees op ieder achterdek een paviljoen van karmozijnroode zijde. Hier
bevond zich de gezaghebber met zijn bloedsbroeders en schildgenooten,
hier sloegen de Skalden hun harpen en het was of op het dek in een
golvende en dalende zee dolfijnen van electrum de koppen ophieven,
luisterend naar den wonderen zang, aangeheven ter eere van goden en
helden. Een zee van zijde was het, blauw als de wateren, die de
geheimzinnige, altijd groene eilanden omruischten, in het verre
Grecaland.[18]

En op het dek schaarden zich de weerbare strijders. Hun schilden
glinsterden in den zonneschijn. Ieder harnas omgaf een held, elke
zwaardknop kletterde tegen een maliënpantser en een onverschrokken hart.

Verder zeilde de trotsche vloot, versierd om den hoogtijd der zegepraal
te vieren. Reeds kwamen de torentransen van den Ravenhorst in het
gezicht, waar boogschutters en dienstmannen, hun wapen in de vuist,
gereed stonden, om, als het bevel klonk uit den mond van hun Jarl, met
hem de vloot tegemoet te gaan. Den soudenieren, die in een der beide
houten torens op den muur naast de poort de wacht hielden, was gelast
het sein te geven.

„Zouden de schepen hier alle voor anker komen?” vroeg een der beide
schildwachten zijn makker. Deze haalde de schouders op:

„Dan zal, in ieder geval, het oponthoud hier niet lang duren, wij zullen
wel gauw gezamenlijk naar Utrecht oprukken.”

„Als er nog meer krijgers noodig zijn! Ieder verdek wemelt van helmen en
harnassen.”

„En van pracht en praal! ’t Is, uit de verte gezien of de schepen in
vlam staan! De kleurengloed overtreft nog het geflikker der blanke
wapens, van gouden beeldwerk op den voorsteven en van zilver op het
achterdek der schepen.[19] Als de Denen het onderspit delven doen de
onzen een goede vangst.”

Verachtelijk zag de andere -- een woeste Wend -- hem aan:

„Hoe durf je zoo iets alleen maar dènken! Wie zou die verschrikkelijke,
van goud schitterende leeuwen, die metalen menschenbeelden met hun
dreigende houding, die draken van zuiver goud, kunnen, zelfs durven
weerstaan!”

„Om van de stieren met gouden hoornen en bliksemende oogen, niet eens te
spreken! Hoort, hoe ze brullen!”[20] viel een derde in.

„Laat je niet verblinden door den schijn! Als die je reeds zooveel
schrik aanjaagt wat moet dan de werkelijkheid zijn. Die ziet gij dáár!”

De oude speerknecht wees naar een kleine groep aanvoerders, in ernstig
gesprek op de voorplecht van het grootste schip. Hun wapens schoten
vonken in het helle ochtendlicht, breed uitgespreide vleugels van den
zilvergier vormden hun helmtooi. De scharlaken mantels waren als een
vlam, boven hun door den zonneglans als met vurige vonken overstrooide
ringkragen.

„En gij denkt, dat zulke reuzen door het landvolk hier overwonnen zullen
worden, diè!”....

De ongeveinsde verbazing van den schildwacht evenaarde zijn
verontwaardiging en weer hingen zijn oogen als geboeid aan het
schitterend schouwspel.

Hij was de eenige niet. Geheel in ’t rinkelend harnas, gewapend tot de
tanden, stond Rolfr Jarl voor het middelvenster der hal en fronste
ongeduldig de wenkbrauwen:

„Waar blijft Olaf?” -- Over den kronkelenden stroom gleed zijn blik. --
„De vloot ankert, eer gindsche waskaars is opgebrand, wij moeten haar
tegemoet. Het is hoog tijd.”

Hij zette zijn zilveren fluitje aan de lippen, voor zijn lijfdienaar een
welbekend teeken, maar eer hij het sein kon geven stond de met zooveel
ongeduld verwachte voor hem. Onhoorbaar was de deur open gegaan, ook
Olafs blik zocht de brandende kaars, waarmee de tijd werd afgemeten.

„Hebben wij nog eenige oogenblikken tijd?” Dof klonk zijn stem, bleek
waren zijn trekken.

„Wat scheelt je, Olaf?”

Wrevelig klonk het antwoord van den Jarl.

„Verbleek je op het gezicht der drakenschepen? Mag zoo een aanvoerder
den strijd tegengaan, waarin hij mòet zegevieren?”

Olaf tastte met de hand naar zijn voorhoofd.

„Dat kleurgewemel schrijnt, het is of die wapens mij alle in het hart
treffen.”

„Olaf!”....

Deze streek zich met de hand over de oogen.

„Het is alles uitgekomen, zooals ik voorgevoelde, toen ik dit vredige
landschap zag -- voor de eerste maal. Herinnert gij u nog wat ik zei?”

„Ja, en ik hoop, dat gij mijn antwoord niet zijt vergeten!”

Hoe bijtend klonk het!

„Voorheen, Olaf, waart gij altijd de eerste, die op den vijand
instormde, zonder te vragen wat zijn lot worden zou.”

Met snelle schreden mat de jonge Viking het vertrek. Zwaar legde een
hand zich op zijn arm, een forsche hand.

„Olaf, laat ons gaan! Voor de eer van Alvader en van alle Asen trekken
wij het zwaard!”

„Neen!” klonk het in hevige gemoedsbeweging terug. „Het is tegen Zijn
wil en leer. God is liefde. Vrede gebiedt Hij. Vrede op aarde.”

„God!” -- Rolfr Jarl herhaalde dat woord en dof gaf de holle zaal den
klank terug. Het klonk als een waarschuwing. Een oogenblik zagen beiden
elkander aan, als wilde de een de gedachten peilen van den andere. Toen
barstte Rolfr los:

„Ha! Nu begrijp ik! Gij waart op den Hohorst!.... Vervloekt zij”....

„Gezegend moge de geest zijn, die van daar uitgaat. Daar klinkt het:
„Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in de menschen een
welbehagen!”

Is dat geloof niet bergen hoog verheven boven Odins leer? Zijn zonen
strijden om macht en goud, en brengen verschrikking, verwoesting en dood
waar zij verschijnen. Ik weet niet of de geweldige dag, waarin ieder zal
geoordeeld worden naar zijn werken, aanstaande is, maar dit weet ik: dat
ieder zijn onsterfelijke ziel moet redden en, dat dit nooit kan
geschieden langs den weg van bloed en moord.”

„Gij, een christen! Gij!”

Kort en beslist klonk het bevestigend antwoord van twee lippen, die
beefden -- niet van vrees.

Toen weergalmde een dreunend gekraak. Met een slag had Rolfr zijn vuist
laten neerkomen op de tafel -- het blad was gespleten. Woeste haat
flikkerde Olaf tegen onder de borstelige wenkbrauwen. Grauw werd de
kleur van zijn gezicht. Met van toorn half verstikte stem barstte hij
los:

„Dan vloek ik de hand, die eens de uwe drukte als bloedsbroeder, dan
roep ik Odins vergelding in over uw hoofd! Verlamme uw kracht, verwarre
uw brein, vergeten zij uw leven en uw dood! Odin is rechtvaardig, hij
zal uw afval richten. Ga dan naar uw nieuwe vrienden, laat mij alleen,
laat mij alleen! Overwinnen zal ik toch, mij de zege, u de verachting
voor uw meineed en verraad! Als de bazuinen schallen mij ter eer dan
verslinde u de diepte van Hel!”...

Olaf had hem zijn woede laten uitrazen. Te midden van den overstelpenden
woordenvloed trok, als in een visioen, het geweld van den slag, de macht
der aarde hem voorbij. Banieren wapperden, klaroenen werden gestoken,
paarden trappelden en brieschten bij den woesten wedloop hunner ruiters
om het eerst hun doel te bereiken: de gouden kroon, het symbool der
macht, opgeheven door de hand der schoonste vrouw, die den overwinnaar
zou toebehooren met het schier tot de wolken rijzende burchtslot,
waaruit hij zou beheerschen het aan zijn wil en wet onderworpen land.

Over dooden en gewonden ging hun weg, gruwelen, de ellende van duizenden
waren hun trawanten, niemand sloeg er acht op. Aller oog hing in
deemoedigen eerbied aan hem, die de macht had veroverd voor zich alleen.
Voor hem bogen de heerschers en knielden de volken.

Slechts een enkele vrouw niet, een enkele, stille, fiere vrouw. Verlaten
stond zij aan een hoek van den heirweg, droevig rustten haar oogen op de
weegschaal in haar hand: „Gewogen en te licht bevonden,” sprak haar
ernstige stem. Maar in Olafs hart klonk het: „Ik wil u dienen, u: het
Recht, vertrapt zoo dikwerf en veracht. Nimmermeer buig ik mij voor het
geweld, al wordt dit door de macht gekroond met de overwinningslauweren
der aarde.”

En weer dacht hij aan dien gloeienden zomerdag, toen hij op een zijner
zwerftochten in het Italiaansche land het beeld der vrouw, met de
weegschaal van het recht, in steen gehouwen had aanschouwd in den
trotschen Romaburg. Een waarschuwing scheen het hem, dat zij thans
voorbij zijn geestesoog trok -- als in een visioen. Hij dacht aan den
christen-bisschop, wiens woorden vol ontzagwekkenden ernst van zoo
grooten invloed waren geweest op zijn zieleleven -- hij wist nu waar hij
het recht zou vinden, door wien het werd gediend.

Dreef die wetenschap hem tot het antwoord: meer een antwoord op zijn
eigen gedachten dan op de woorden van Rolfr Jarl:

„Verwacht niet te veel, roem niet te vroeg. Gij kent uw tegenstander. De
hand van den graaf van Teisterbant voerde steeds een wapen van ijzer al
is zijn hart van goud. Hij zal strijden voor geloof en recht tot zijn
laatsten ademtocht.”

„De strijd dien gij, meineedige, weigert. Ook wij kampen voor ons
geloof!”

„Maar wat wij beoogen is ongerecht en laag. Ik weiger daarom echter niet
uw leven te beschermen met het mijne. Uw schilddrager wil ik zijn,
iederen slag zal ik opvangen, die op u is gemunt. Zoo volbreng ik de
gelofte eens aan u als bloedsbroeder afgelegd en schiet ik niet te kort
waar het mijn hoogsten plicht geldt. Geen zwaardslag sla ik, maar ook
geen helm behoede mijn hoofd, geen harnas mijn hart.”

Toen klonk weer die harde lach:

„Dichterlijk en schoon, mijn jonge Skald, alleen -- onuitvoerbaar,
gelijk alles wat tot dat gebied behoort. De eene aanvoerder is nooit de
schilddrager van den anderen. Ook zou uw strijdbende wanen, dat ik u
blootstelde aan de pijlen om niet met u macht en buit te moeten deelen.”

„Op een andere voorwaarde weiger ik u te vergezellen!”

„Dat is weer zijn werk! Vervloekt! Ansfried, altijd Ansfried! Het is
zijn invloed!”

Hij drukte de handen tegen het hoofd en mompelde, alleen voor zich
zelven verstaanbaar: „Ha! Ik hoor ze lachen, de wraakgodinnen! Die hoon
geldt mij! Ik waande hem te treffen en het wapen wondde de hand, die het
voerde.”

De toorn, die in hem woelde en bruiste, maakte plaats voor een ander
gevoel; een smart ongeneeslijk en brandend, na zoovele jaren nog,
schrijnde en dreef hem tot den uitroep:

„Gij vraagt of ik zijn hand ken? Ja, reeds lang voor gij geboren werdt
greep die storend in mijn leven en verwoestte wat in waarheid dien naam
verdiende. O, noch het dreunend geraas van den slag, noch het bruisen
der zee te midden van den orkaan konden voor mij de gelofte van trouw
verdooven, die Hereswit van Strijen aflegde voor het altaar met haar
zachte, zilveren stem aan de zijde van graaf Ansfried van Teisterbant.
Hoor, hoe ik mij wreekte! Of ik hem ken? Jà, en hij mij!”

Toen verdrongen zich de woorden op zijn lippen, een gloeiende
vuurstroom geleken zij, waaruit de vlammen opstegen van den haat.

Olaf luisterde zwijgend, maar in zijn hart klonk het:

„Vergeef uw vijand zeventig maal zevenmaal”....

Het was hem of engelenhanden gouden harpen sloegen, of hun gestalten hem
omzweefden, blinkend wit, terwijl hun lippen fluisterend herhaalden dat
ééne woord:

„Zeventig maal zevenmaal!”....

O, hoe hoog stond de godsdienst der christenen boven dien zijner
vaderen! Zeventig maal zevenmaal... Wreekt u zelven niet.”....

En, was hier gezondigd? Bestond de schuld, die Rolfr Jarl vervolgd had
en gewroken gedurende zijn gansche bestaan, niet in zijn verbeelding, in
zijn gekwetste eigenliefde en teleurgestelde wenschen?

Die gedachte deed Olaf vragen:

„En áls het oordeel daar is, gelijk zoovelen gelooven met den
aanstaanden zonnestilstand en de eeuwige Rechter, dien gij Alvader
noemt, verschijnt op de wolken, durft gij dan voor hem bestaan, bezwaard
met den last van zulk een schuld, met zooveel haat in uw hart? Want, was
het recht wat gij deedt? Kan Alvader uw daden goedkeuren, of Balder de
liefelijke, zachtzinnige, en Thor, de vreeselijke maar rechtvaardige
god? De Edda verbiedt alle onrecht. Gij hebt het bedreven, uw gansche
leven en waar een rechter verschijnt oefent hij recht.”

De aderen aan Rolfrs slapen zwollen.

„Dat wil wijsheid opdisschen! Wel zeker! Wij schenden den bloedseed,
wij vertreden eer en trouw en janken met christenhonden over het vergaan
der wereld op den avond van den langsten dag! Nu, gij zult uw langsten
dag gezien hebben!”

Hij rukte een verborgen deur open en stiet Olaf, voor deze er op
verdacht was, in de diepte. „Hier ongeluksprofeet, haal je
profetenloon!”

De deur dreunde dicht. Een horensein schalde.

„De vloot is daar! Thans voorwaarts ten strijd en ten zege!”

Hij gordde zich het zwaard dichter en toen was het hem eensklaps als
werd het vuurvlammend heden, de in gouden glorie gehulde toekomst bedekt
door een grijzen sluier -- dien van het verleden. Veertig jaren weken
terug, hij zag zich weer, als jongeling zonder macht of aanzien in de
Schola Palatina te Keulen. De ernstige stem van aartsbisschop Bruno
waarschuwde:

„Den dwaze brengt de toorn om en de ijver doodt den slechte.”[21]

Waarom kwamen die woorden thans terug in zijn geheugen, na zooveel jaren
van vergetelheid, waarom?

Vrouw Sigrid stond voor hem. Op den toren had zij gewacht en gestaard in
de verte, vele uren sinds vele dagen.

De raven hadden gezweefd boven haar hoofd, hun krijschende kreten
uitstootend, de wind haar de grijze lokken losgewoeld, de regen haar
geslagen in het onbewogen gelaat; zij had het eene bemerkt noch het
andere. Thans echter kwam een zegevierende trek om de dunne lippen,
bijna het eenige wat van haar gelaat te zien was; een zwarte mantel hing
haar van den hals tot de voeten, somber als de nachtzwarte vlerken der
raven; de kap verborg haar hoofd.

„De vloot nadert. Laat thans de vergelding de schuld evenaren. Triomfeer
en leef. Van de zwakke eischt Odin den dood, in uw hand legt hij de
wraak. Grijp den bisschop levend, hij sterve op het toppunt zijner macht
aan den Noorderboom als een ellendige slaaf.”

Zij hief de armen omhoog en sloeg de kap terug, de grijze haren zwierden
haar om hals en schouders, in de holle oogen gloeide het als een
verterend vuur.

Rolfr Jarl, die nooit had gevreesd, huiverde. Het was hem als werd hij
voortgedreven door de geduchte schikgodinnen van zijn volk -- waarheen,
waarheen?

  [18] Wat hierboven gaat, is een nauwkeurige beschrijving der
  Denenvloot waarmee Canut van Denemarken in 1017 koers zette naar
  Engeland.

  [19] Vloot van Canut.

  [20] Idem (Bolhuis).

  [21] Job, K. 5.



HOOFDSTUK XXIII.


Op de muren en wallen van Utrecht stonden de bisschoppelijke
boogschutters en hielden scherp wacht. Op het plein voor den Dom
oefenden zich de burgensen met schild en speer. De tijding van de
nadering der Denen had nieuwe, hevige onrust gewekt in de gemoederen,
waarin reeds zooveel angst heerschte. Een renbode bracht het bericht,
dat reeds meer dan één kustplaats door hen was geplunderd en het platte
land bij Leithen afgestroopt. Niemand bood tegenstand, rillend van vrees
vluchtte het landvolk reeds op het eerste gezicht der drakenschepen.
Duchtten allen, dat de riemen met ijzeren roeipennen zouden worden
omgevormd tot doodelijke wapens, gericht op hun hart? Waanden zij, dat
de schilden, opgehangen langs het scheepsboord, de vijanden zouden
beschermen voor iederen aanval, dat de geheimzinnige runen gegrift in
elken boeg zooveel tooverteekenen zouden blijken?....

Verwenschingen golden de regentes van Kennemerland, die steeds in veete
met West-Friezen of Vlamingen onbeschermd de kusten en vaste plaatsen
liet van eigen gebied. Wat baatte het? De Denen waren gelijk aan de zee
bij stormvloed, wie kon hun macht keeren? Heeren, vrije boeren en
eigenhoorigen uit den wijden omtrek vluchtten naar Utrecht om achter de
stevige wallen het lijf te bergen, om -- de heerschende onrust en
verwarring nog tienvoud te vergrooten.

Maar daar waren nog anderen dan radelooze vluchtelingen of in boete en
gebed verzonken vrouwen, die zelfs boven de Denen den wereldbrand
vreesden. Krachtige mannen, uit wier mond een kreet van woede en wraak
opging, toen zij hoorden van een nieuwen inval der gehate Noormannen.
Want de lijdenskelk sinds twee eeuwen den landzaten door dit volk
gereikt, was boordevol. De oogen der mannen gloeiden van toorn, de
gebalde hand omklemde een wapen. Een oproeping tot den strijd weerklonk
en werd alom herhaald. Boden renden door het land, van stad tot stad,
over velden en door wouden. Van de hoogten der Kennemerduinen klonk die
krijgskreet, voort rolde hij over de bosschen en weiden van Masaland.
Over de Drenthsche heidevelden dreunde hij, in kracht aan den stormwind
gelijk. Te wapen riep hij de stoere Friezen aan gene zij van het Almere,
dat even rusteloos knaagde aan hun land, als de Denen aan zijn welvaart.

Pas negen jaren vroeger had koning Sven van Denemarken al hun
kustplaatsen geplunderd zonder onderscheid, en Staverun, de bloeiende
stad, gelijk gemaakt met den grond. Ongewroken bleef, tot nu toe, die
inval. Waren de nakomelingen verbasterd van het heldenras, dat een eeuw
te voren den geesel der christenen, den geduchten Bioern, „met de
ijzeren rib” neersloeg en zijn ontembare legerdrommen verwon?

Van Bioern, die altijd ongeharnast ten strijde trok, ging de mare, dat
hij door de toovermiddelen zijner moeder onkwetsbaar was, behalve aan de
rechterzijde, daarom bedekt met een ijzeren plaat. Toch hadden zij die
plek weten te treffen, toen hij uit Italië keerend, Friesland trachtte
uit te plunderen. De Friezen herinnerden zich dien dag van zegepraal,
zij grepen schild en speer en verlieten hun ontoegankelijke moerassen om
den vijand op te zoeken eer hij hen vond, om zich op Sven te wreken
gelijk zij dit eenmaal deden op Bioern.[22]

Thiel, de rijke koopstad sloot haar poorten en hield scherp wacht, maar
de geringe bevolking, die te Wyc leefde op de puinhoopen van het eens
zoo machtige Dorestad, vluchtte weeklagend naar Utrecht. Heeren waakten
op hun burcht en spijker en lieten de pekpannen -- waarschuwend sein --
vlammen bij dag en bij nacht; velen beloofden hun eigenhoorigen de
vrijheid, indien zij moedig stand hielden in den komenden strijd. En de
hoop op vrijheid, met den wensch om de gehate indringers te verdrijven,
vormde zelfs die verachte door hun meesters met voeten getreden
eigenhoorigen tot helden, die onverschrokken zouden standhouden, gevaren
schuwend noch den dood vreezend. Maar uit iedere landstreek rende bode
op bode naar Utrecht, naar den bisschop, die, nu graaf Frethibold
afwezig was, de zorgen van den staat droeg met die der kerk.

Het was bijna of de vrees voor het eene gevaar de gedachte aan het
andere op den achtergrond drong. Bisschop Ansfried zag het met
voldoening. Boven iedere uitlegging van het Evangelie gold bij hem
steeds het woord van Christus: „Deze dag en deze ure weet niemand.” En,
waar hij zich niet geheel kon losmaken van het ontroerende denkbeeld,
dat zijn tijd beheerschte, bleef hij het echter veroordeelen: Gods woord
was hem meer dan de meening der menschen.

Nauwkeurig zag hij toe, dat ieder de plichten vervulde, die zijn hand
vond om te doen. Zelf gaf hij het voorbeeld om, schier zonder zich bij
dag of nacht rust te gunnen, alle maatregelen te nemen, die noodig waren
om de geduchte vijanden te weerstaan. En de verweermiddelen waren even
beperkt als de tijd kort: indien de Denen niet door nieuwe strooptochten
den tijd lieten voorbijgaan, konden er nauwelijks drie dagen verloopen
tusschen het eerste bericht hunner nadering en hun komst voor Utrechts
poorten. Iederen ochtend predikte hij intusschen in den Dom, voor een
elkander verdringende menigte, allen vermanend te vertrouwen op Gods
liefde en erbarming, Die uitkomst kan geven uit elk gevaar en nooit
verlaat wie op Hem vertrouwen. Waar hij hoofden van bleeke boetelingen
zag met asch bestrooid, sidderend voor het jongste gericht, vermaande
hij tot werken zoolang het dag was, moedig het kruis te dragen tot het
einde toe; waar hij krachtige mannen aanschouwde met van wrok verwrongen
gelaatstrekken, die den naderenden vijand gold, drong hij hun het
gewijde woord niet te vergeten: „Mij komt de wraak toe, Ik zal het
vergelden,” ook als zij hun leven waagden voor het hoogste aardsche
goed: vrijheid van volk en land.

En dan, als te midden der zorgen van den dag: onderhandelingen met den
stadstimmerman of den wapensmid over het versterken der poorten of de
levering van stormkappen -- angstige gestalten het Bisschopshof
binnenwankelden en smeekende stemmen fluisterden:

„Vraag voor mij een oogenblik gehoor! Ik wenschte mijn goederen en
eigenhoorigen aan de kerk te schenken tot rust mijner ziel, nu het einde
nadert,” dan vergat hij alle aardsche zorgen om met gloeiende
welsprekendheid de milde gevers te wijzen op hun dwaalbegrippen:

„Gelooft gij uw Schepper te kunnen omkoopen, door Hem aan te bieden, wat
Hij u hier op aarde leende? Denkt gij door zoogenaamde goede werken den
hemel te verdienen, vergetend, dat geschreven staat:

„Wij worden uit genade zalig, opdat niemand roeme.” Ik zeg u, dat het
geloof zonder de werken dood is en de werken zonder waar geloof met
zonde zijn besmet. Of ontspruit uw vroomheid uit zuivere bron? Angst
voor het komend oordeel maakt u mild, geen zelfverloochenende liefde,
die wil ontberen om het geluk van anderen te verhoogen. Gaat en
onderzoekt u zelven, voor gij hier terugkeert!”

Menigeen ging met gebogen hoofd, beschaamd door de woorden van hem, die
de menschen kende en de roerselen peilde hunner daden, maar broeder
Johannes mompelde meer dan eens voor zich heen:

„Goed, dat volgens de kerkelijke wet de bisschop geen schenkingen mag
weigeren. Het schijnt of hij besmet is met ketterij. Mogen wij dan
heilige stichtingen geen goed en goud geven, om daardoor de voorspraak
der heiligen te verwerven bij den Hemelheer?”

Welke verkeerde voorstellingen hij zich vormde en welk een ergerlijke
zedenleer hij voorstond, begreep broeder Johannes evenmin als zijn tijd,
die deze denkbeelden huldigde.

Intusschen zag de bisschop vol ongeduld uit naar den terugkeer van graaf
Frethibold. Waarom bleef hij zoo lang uit? Reeds was hem een renbode
tegemoet gezonden. Hulp van den keizer moèst komen, kón immers niet
uitblijven. Dan zouden de mannen van Sint Maarten zelf aanvallend kunnen
optreden tegen de Denen, die hij nu genoodzaakt was af te wachten achter
de muren van Utrecht, dat, werd het bestormd, misschien opnieuw zou
worden verwoest. Zijn macht was te zwak om de stoute aanvallers met
eenige hoop op goeden uitslag te kunnen weerstaan.

En terwijl zoo vele leden zijner gemeente zich in de kerken verdrongen,
kermend, biddend, gelaten afwachtend wat komen zou of in doodsangst de
handen wringend bij de gedachte aan het snel naderend einde, deed de
bisschop zijn plicht. Niet alleen zorgde hij voor de geestelijke zaken
van zijn ambt, ook de wereldsche kwam hij nauwgezet na.

„Wie trouw blijft ook in het kleine, alledaagsche, is Gode meer
welgevallig dan hij die vast en zich op de borst slaat, zonder te doen
wat hij moet verrichten,” luidde steeds zijn woord.

En zijn voorbeeld gaf velen de beradenheid en kalmte van geest terug,
die zoo noodig waren in deze dagen van angst en spanning. Zijn vast
vertrouwen op Gods vergevende liefde hergaf de rust aan fel geschokte
gemoederen, zijn onvermoeide ijver wekte in de harten van allen, die
zijn gloedvolle predikingen hoorden in den Dom, het vurig verlangen om
te helpen, te redden, de hand aan den ploeg te slaan als hij.

Zoo herstelde het voorbeeld van een enkele de rust in een door de meest
tegenovergestelde gevoelens geslingerde menigte, die thans de overvolle
stad herbergde.

Maar de tijd drong. Nieuwe vluchtelingen brachten nieuwe
onheilstijdingen. Roovend en plunderend trokken de Denen door het land.
Tevergeefs had Rolfr Jarl, zoodra hij zich aan hun hoofd stelde,
aangedrongen in den krijgsraad om terstond naar Utrecht op te rukken.

Over den ganschen omtrek scheen de adem des doods te zijn heengestreken:
platgebrande velden, het gezaaide en bloeiende vertreden, de woningen
verwoest, de menschen verjaagd of gedood.... Het deed den bisschop met
stijgend verlangen uitzien naar den terugkeer van graaf Frethibold. Hij
moest immers komen aan het hoofd van een welgewapend heir....

De toppen van beuk en linde in den tuin van het Bisschopshof werden rood
gekleurd door het licht der scheidende zon, toen de vurig verwachte
eindelijk keerde -- slechts door zijn lijfwacht vergezeld. In hevige
gemoedsbeweging zag bisschop Ansfried hem komen, met uitgestrekte hand
ging hij hem tegemoet. Men zag het noch aan zijn uiterlijk noch aan zijn
bewegingen, dat hij de laatste dagen zelfs bij nacht geen rust had
gekend.

„Frethibold, gij zijt alleen? Welke tijding brengt gij? Volgt u een
leger? Het is hoog tijd, zal dit land niet geheel verwoest en deze stad
behouden blijven.”

Frethibold schudde het hoofd. Nieuwe kracht rustte op zijn gelaat.
Blijkbaar had de afwisseling der reis hem gestaald. De blik zijner oogen
echter werd grenzeloos weemoedig bij ’s bisschops vraag.

„Heer, al mijn pleiten, mijn aandringen op hulp bleef tevergeefs. De
jonge keizer gelooft vast, dat weldra de wereld in vlammen zal opgaan.
Zijn hofgezin gelijkt een schare boetelingen, hijzelf, de eigen
kleinzoon van Otto den Groote, geeselt zich driemaal daags ten bloede
toe en bidt aan het graf van keizer Karel te Aken.

Kluizenaars en pelgrims uit Italië, waaruit hij sinds enkele weken
terugkeerde, wisten tot hem door te dringen, nadat zij op de straten van
Rome en Parijs de onheilsmare hadden verkondigd. Mannen, vrouwen en
kinderen volgen in onafzienbare rijen, met gescheurde kleederen, de
hoofden met asch bestrooid, huilend, kermend of biddend. Iedereen denkt,
vol angst, alleen aan de naaste toekomst; het heden heeft voor allen
zijn beteekenis verloren.

„Hulp vraagt gij mij tegen de Denen? Weet gij dan niet, hoe in mijn
Duitsche gouwen boeren en hoorigen roovend en moordend het land
afloopen, zonder dat ik mijn krijgsbenden tegen hen uitzend? Waarvoor
zou het baten? Over enkele dagen is alles voorbij.... Red daarom uw
ziel, graaf Frethibold! Schud van u de wereld en haar zorgen!

Gij wilt tegen de Denen optrekken? Ik zeg u, dat het de duivel met zijn
booze geesten zelf is, die zich vermommen in hun gedaante! Weersta hen
niet, vlied hen en doe boete!.... Red uw ziel!”.... Zijn oogen, de
schitterende blauwe oogen, die ook Otto de Groote bezat, gloeiden mij
tegen als twee vurige kolen, diep lagen zij gezonken in de kassen.
Geeselslagen striemden onafgebroken zijn rug, in stroomen vloeide zijn
bloed, tot zijn brandende oogleden zich sloten en hij nog eenmaal
fluisterde met bezwijkende, klanklooze stem:

„Het oordeel komt, graaf Frethibold! Doe boete!”... Terwijl de artsen
kwamen om den keizer bij te brengen werd ik naar buiten gevoerd. Ook
daar klonken slechts geween en jammerkreten; de Dom en de kruisgangen
waren overvol door een saamgedrongen, wanhopige menigte.

De zendeling Athanasius predikte: uit Italië is hij te voet alle
Duitsche gouwen, waardoor zijn weg voerde, doorgetrokken om het naderend
oordeel te verkondigen. Vele honderden zijn hem gevolgd, biddend,
kermend, honger en dorst verdurend, zware ketenen achter zich aan
sleepend bij dag, psalmen zingend in den donkeren nacht. Sommigen
kruipen op de knieën langs den weg, barrevoets, bloothoofds zijn allen.
Zij gaan tot hun voeten hen niet meer kunnen dragen, zij zingen tot de
stem hun den dienst weigert, zij staren biddend omhoog tot hun slapen
bonzen en het hun duizelt voor de oogen.

„Boet uw zonden! Bekeert u! Het laatste oordeel naakt!” luidt de kreet
duizendmaal herhaald, voortgeplant langs de wegen door alle boetelingen,
wier stemmen smoren in krampachtig snikken. En hoe verder men komt in
Duitschland, hoe dieper men in Frankrijk doordringt, hoe grooter ook de
tooneelen van angst en wanhoop worden, naar men mij verhaalde. In Italië
stijgt de vrees schier tot razernij, evenals bij den jongen keizer. In
onze landstreken is het betrekkelijk rustig vergeleken bij de
radeloosheid, die in de zuidelijke landen allen heeft bevangen. Sinds
daar de schrikmare werd verspreid, hebben de volken zich op het einde
voorbereid en gebeden bij dag en bij nacht. Elders trekken troepen
gewapende boeren en weggeloopen hoorigen rond. Zij rooven en plunderen
wat zij begeeren en geven zich aan de meest uitgelaten brooddronkenheid
over.

„Genieten, eer wij vergaan!” luidt hun leus en de ergerlijkste tooneelen
verdringen elkander.

Dat zijn de berichten en ervaringen die ik meebreng van mijn reis.
Treurig zijn zij gewis.” Peinzend zag hij voor zich: „Een keizer, die
zijn kracht verteert in boetedoeningen, een radelooze menigte, die zijn
voorbeeld volgt, kluizenaars schier waanzinnig van dweepzucht,
brooddronken plunderaars, aan alle uitspattingen overgegeven -- daaruit
bestaat thans de wereld, die haar plichten vergeet en haar schuld
vergroot. O, was ik slechts in staat die verblinden de oogen te openen!
Mijn leven zou ik er voor willen geven!”

Opmerkzaam zag bisschop Ansfried hem aan. Zijn gelaat was gebruind door
wind en weer, kloek hield hij het hoofd opgeheven, een heldere blik
tintelde in zijn oogen.

De bisschop trad op hem toe en legde de hand op zijn arm:

„Frethibold, vruchteloos schijnt uw reis en toch was zij een gezegende.
Gij hebt bij het zien der ellende van anderen uw eigen leed leeren
vergeten. Omgord met nieuwe kracht heeft u dit gevoel. Dank God
daarvoor. Wie zijn leven zal willen verliezen zal het behouden, wie zich
zelven kan verloochenen wordt door God gezocht. Gij zijt als gewekt tot
nieuw leven. Dank den Heer!”

Bewogen drukte graaf Frethibold den spreker de hand:

„Gij hebt gelijk, God is goed. Hij heeft mij het beste gegeven:
zelfvergetelheid. Nu kan ik Hem danken als het einde daar is.”

„En tot die ure komt, waarvan niemand weet dan de Vader alleen” -- hoe
beteekenisvol werd het opnieuw gezegd -- „zullen wij allen volharden
zoowel in onze kleine, dagelijksche plichten als in de groote, die het
leven van ons eischt. Wie waagt te beslissen wat bij God groot is of
klein?

Niet uit waken en bidden alleen bestaat het leven. God vraagt onze daden
zoolang Hij ons hier op aarde laat. En wie zijn bestaan wil geven voor
de vrijheid van het volk waartoe hij behoort, wie bereid is te vallen
voor zijn aardsch vaderland, vervult een hoogen plicht.

„Volhardt ten einde toe!” luidt de eisch van den Heer. Laat ons dit
woord opvolgen met Zijn hulp, alsof ons nog vele jaren wachten op aarde,
zonder echter Hem te vergeten, Die ons wellicht oproept uit den strijd
nog voor het einde komt voor alle levens. Zijn wij te midden van het
leven niet altijd in den dood? Waartoe dan die onrust: geheel ons lot is
in Zijn hand.” Hij voerde Frethibold naar het venster: een donkerroode
gloed kleurde aan den horizon den avondhemel.

„Ginds rooven en moorden de Denen. Bij Leithen zijn zij Kennemerland
binnengevallen, Aemstelland en Amuda werden door hen gebrandschat,
daarna zijn zij door het Almeri langs de kust van Nardengerland de Eem
opgezeild naar den Ravenhorst, waar Rolfr Jarl zich met zijn soudenieren
bij hen heeft aangesloten.

Vurig had ik gehoopt hen met voldoende heirkracht te kunnen tegentrekken
-- het was tevergeefs. Misschien hechtte ik te veel aan hulp van
menschen. Moge thans God ons schild zijn, ons wapen ons goed recht.

Morgen bij het rijzen der zon dagen wij hen in het open veld uit tot den
strijd. Ik heb mijn ridderzwaard neergelegd op het altaar, toen ik tot
den dienst der kerk werd gewijd, thans echter in dezen grooten nood
gevoel ik, dat God mij terugroept in het leger. Maak dus uw
toebereidselen; op u rust de plicht de krijgsbenden aan te voeren.

„Heer bisschop, u behoort die eer!”

„Mij zult gij vinden waar het gevaar het grootst is. Laat mij thans
echter alleen: straks moet ik de gemeente voorgaan in den Dom; ik hoop
ook u daar niet te missen.”

Terwijl Frethibold ging zag de bisschop hem ernstig na:

„Is het mijn plicht het hem nu te zeggen?” Zware tweestrijd deed hem
weifelen, vele oogenblikken, toen was zijn besluit genomen: „Neen, thans
niet. Na den strijd. Het zou hem nu aftrekken van zijn plicht.”

  [22]

    Var Bier sen volt returner
    E vers Danemarche sigler
    Kar oies aveit noveles
    De le qui mult li erent beles
    Un mult gros vent e une bise
    Le rameine tut dreit en Frise
    La ariva la pristrent proz
    Là dit l’estorie quil fu morz.

  (Chronique M. S. de Normandie de Benoit de Saint Maur.)



HOOFDSTUK XXIV.


De nacht was voorbijgekropen onder angstig bidden en berouwvolle
klachten of doorgebracht met lofzangen van vast vertrouwen en geloof.
Vergeten was alles wat behoorde tot de aarde. De overtalrijke bevolking,
die Utrecht thans omsloot met haar paalwal en poorten, was opnieuw
saamgestroomd in de verschillende kerken der stad, de Dom kon niet allen
bevatten. Thans rees de nieuwe morgen -- de laatste welke de oude aarde
zou aanschouwen.

Want de langste dag was aangebroken!

„Ik zal heden ingaan in Gods heerlijkheid! Geprezen zij Zijn naam!”
prevelde oude Lisa. Zij lag geknield in het voorportaal van den Dom.
Trutha bevond zich naast haar.

„Lisa, o, Lisa.... Zal de Heer ook Yglo verlossen uit den kerker?”

„Zeker doet Hij dat, kind! Hij verlaat nooit wie op Hem vertrouwen.”

„Dan” -- fluisterde de bleeke Trutha, „ben ik blij, dat het einde komt!”
Een weinig verder hief Henno de gevouwen handen op:

„Laat mij niet zoo sterven, Heer! gescheiden van mijn kind! Wees
barmhartig, laat mij hem mogen verlossen uit dat donkere
burchtverlies.... Hand in hand wachten wij dan uw komst af bij het
bazuingeschal der engelen”....

Weerklonk dat reeds nu? Luid schetterende tonen deden de knielende
menigte ontsteld overeind rijzen, in de grootst mogelijke spanning, in
verbijsterende verwarring. Het snikken der vrouwen en kinderen vermengde
zich met de gebeden van geestelijken en leeken. Maar in de geopende
kerkdeur klonk een vaste stem:

„Mannen van Utrecht, te wapen! De bisschop beveelt het! Grijpt schild en
speer! Op! De Denen tegemoet!”

Verbaasd richtten zich aller blikken op den spreker: Unruoch van
Teisterbant. Zijn oogen schitterden hun tegen onder den glanzenden helm,
zijn ijzeren rusting rinkelde, het breede slagzwaard blonk in zijn vuist
als het wapen van het recht.

„Op, wakkere mannen! De soudenieren van het Sticht scharen zich reeds in
slagorde, de bisschop zelf stelt zich aan hun hoofd. Komt, om de
vijanden van ons geloof, de belagers van ons volksbestaan te helpen
verdrijven uit ons land!”

Zij zagen zijn bezielden, van strijdlust gloeienden blik en --
ontstelden schier.

„Jonker Unruoch!” riep een oud man, -- „strijden op den laatsten dag!
Laat ons in vrede bidden, eer wij sterven!....”

Tot eenig antwoord hief Unruoch zijn zwaard op, helle vonken schoot het
in het morgenlicht.

„Bidden wilt gij? Waarvoor? Om vergeving af te smeeken voor uw lauwheid
en plichtverzuim? Ginds” -- met zijn zwaard wees hij de richting aan --
„plunderen en stroopen de Denen. Indien zij het platte land niet hadden
afgeloopen en verwoest, lagen zij reeds voor de poort. Voorwaarts alzoo!
Hun macht vernietigd eer zij hier de kerken in een vuurgloed doen
verteren en ons de lansenmis zingen! God ziet u! En, wanneer gij de
Denen verslaat, wie zegt, dat gij dan niet den Antichrist velt met zijn
heir van booze geesten?”

Als een schok doortintelde ieder dit laatste woord. De Antichrist zou
verschijnen eer het einde kwam, zoo was het voorspeld.... Door hem te
weerstaan werd zonde en schuld geboet. God wilde het! Was niet reeds
door menigeen de woeste Rolfr Jarl vereenzelvigd met den Antichrist?
Vastberaden, als gewekt uit een verdooving, stormden de mannen naar
buiten. Het zou een ontembare schaar zijn, die Unruoch in het veld
voerde. Graaf Frethibold zag hem zijn manschappen opstellen voor het
Bisschopshof. Het was een zonderlinge strijdbende: ieder voerde het
wapen, dat hij bezat, zonder eenige regelmaat of orde, maar dezelfde
moed en strijdlust blonk uit aller oog.

Hij zag den slanken jongeling vol gloeienden ijver, allen bezielend door
voorbeeld en woord....

„Zoo als hij zou thans mijn zoon zijn geweest! Ach, waarom word ik
steeds opnieuw herinnerd aan mijn verlies!” Een gesmoorde zucht
ontsnapte zijn lippen, toen richtte hij het gebogen hoofd op:

„Het was Gods wil. Ik had mij moeten buigen en ik liet mij breken door
het lot, dat mij door Hem werd opgelegd. Heer, vergeef, en laat mij
weldra mijn lieve vrouw, mijn dierbaar kind hervinden bij U!”....

Hij wendde zich af en gaf den boogschutters zijn bevelen.

Aan de spits der ridders en ruiters van het bisdom verscheen de bisschop
zelf. Niet als een held die heenrijdt naar het slagveld. Harnas noch
pantser omgordde zijn leden, uit geen blinkenden helm golfden de
zilveren haren van den grijsaard, die fier en ongebogen zijn ros in toom
hield met vaste hand. In breede plooien viel het violetkleurig
opperkleed van satijndamast met goud passement geboord hem over de
schouders, zijn rechterhand hield den kromstaf, zijn vinger droeg den
gewijden ring. Langzaam reed hij langs de opgestelde gelederen.

„Mijne kinderen, ik groet en zegen u in des Heeren naam! Denkt aan het
woord van Joab: Weest sterk en laat ons sterk zijn voor ons volk en voor
de steden onzes Gods!”[23] Volbrengt uw plicht tot uw laatsten
ademtocht, maar koestert haat noch oefent wraak! Gerechtigheid zij uw
wapen, het geloof in Gods albestuur uw schild. Voorwaarts thans! Ik
voer u niet aan in den strijd, maar ga u voor in den slag!”

„Heer bisschop, zonder wapen! U treffen de Denen het eerst!”

„Wie door God wordt beschermd is welbewaard. Bekommert u niet om mij.
Laat God zorgen en doet uw plicht. Voorwaarts kinderen! Te hulp hen, die
vergaan! Wyc staat in brand, bewaart Utrecht voor hetzelfde lot! God
bescherme onzen tocht!”

„God bescherme ons!” herhaalden allen. Over de ratelend neergelaten brug
volgden soudenieren en burgensen bisschop Ansfried in het vrije veld.
Wonderbare kracht, die uitging van een enkel man, welke zijn plicht
hooger stelde dan het leven! Terneer gebogenen richtte hij op, van
vreesachtigen vormde hij helden, zij, die daareven sidderden voor den
dood, deed hij thans den dood in het aangezicht zien, onverschrokken,
vast besloten stand te houden tot het uiterste voor de heiligdommen en
voor huis en haard.

  [23] 2 Samuel 10 vers 12.



HOOFDSTUK XXV.


Ondanks het heftig verzet van Rolfr Jarl was het gansche platte land om
Wyc en ten laatste die stad zelf, door de Denen geplunderd en
gebrandschat. Tevergeefs had hij geraden, gedrongen om terstond naar
Utrecht op te rukken, had hij gewaarschuwd voor de voortvarendheid van
bisschop Ansfried. Niemand der strijders, brooddronken van roof en
gemakkelijk vergaarden buit, sloeg acht op zijn woorden. Zelfs de voor
dezen tocht door hen gekozen „zeekoning”, Viking Harald Sigvatr, haalde
de forsche schouders op.

„Laat hen! Wij zijn sterk genoeg om over eenige dagen ook Utrecht in te
nemen en plat te branden. Nu Wyc in puin ligt kunnen wij het immers
gemakkelijk bereiken, zegt gij. Gun hun dus dit tijdverdrijf, zij hebben
een zware zeereis doorgemaakt.”

Rolfr Jarl was genoodzaakt toe te geven. Het kostte hem reeds moeite
genoeg den Viking te doen gelooven, dat Olaf door ongesteldheid werd
weerhouden zich bij het leger te voegen.

„Een Noorman is niet ziek, maar strijdt tot hij sterft om door Walküren
te worden gevoerd in Alvaders hal.”

Met verstoord wenkbrauwfronsen had Harald Sigvatr zich afgewend, terwijl
hij dit antwoord gaf en ten tweeden male was Rolfr verplicht te zwijgen.

Zoo waren drie dagen voorbijgegaan. Thans verrees de zon omgolfd door
breede stralenbundels van purper en goud, een wonderschoone dag was
verrezen. De Noormannen juichten. Midzomer was daar. Nog dien eigen
avond zouden ruiters en rossen den sprong wagen over het hoogvlammende
vuur. Gelukte die sprong, een jaar van heil wachtte den voorspoedigen
ruiter. Bij harpslag en bekerklank werd hij gehuldigd, heil hem
toegedronken bij het schallen der horens. Maar eerst zou de rijzende dag
allen voeren ten bloedigen wapendans....

De laatste hoeven gingen in vlammen op, nog een enkel uur was allen
toegestaan om de waarderobe te vergrooten, die reeds in het scheepsruim
was geborgen, dan gold voor het leger Utrecht als eerste doel van den
verderen tocht, terwijl de vloot verder zou opzeilen. Reeds werden de
ankers gelicht, ongeduldig wachtte de man aan het roer op het sein van
vertrek.... „De wind, die den wil der goden weet, wijst den weg,
welgevallig blaast hij bollend de zeilen”.... zong bij zijn harp Rolfrs
grijze Skald...

Eenige uren waren voorbijgegaan, weldra zou de zon haar hoogste punt
bereiken, gloeiend als een gouden brand waren haar stralen, zij
verzengden het gras, en bedwelmden de menschen. Keerde daarom een kleine
bende, die had gezwermd door het veld, zoo overhaast terug? Zocht zij de
schaduw der boomen bij den middaggloed, of was daar een andere reden?

Onder de groene bladerzee van een breeden eik ging Rolfr Jarl ongeduldig
op en neer. Ademloos berichtte hem de aanvoerder der bende:

„Jarl, een talrijke krijgsmacht rukt aan op den heirweg. Zij komt van de
zijde waar Utrecht ligt. Een grijsaard rijdt aan de spits naast een
gepantserden ridder, boven hun hoofd wordt de banier van Sint Maarten
geheven, violetkleurig is de mantel van den grijsaard”....

Een met moeite bedwongen kreet ontsnapte Rolfr.

„Hij of ik! Lang geleden heb ik het gezworen, nu is het uur
aangebroken!”

Het was of hij voor het laatst zijn woest, teugelloos leven langs zich
zag voorbij trekken, met de eenige taak, die hij zich ooit had gesteld.
Medelijden met den man, dien hij reeds zooveel leed had berokkend, kende
hij niet. De schande die hij, bij nederlaag, over zijn eigen hoofd
bracht deerde hem evenmin, de verachting der menschen was hem
onverschillig. Wraak riep hem en voor die roepstem was hij nooit doof
geweest of had hij geaarzeld met zijn antwoord.

Ook thans zette hij zijn horen aan den mond, ver in het rond schalde de
toon. Hij wist, dat de Denen hun tegenstanders ver in aantal
overtroffen, hij voelde zijn macht, dàt was leven.... „Rolfr Jarl
geneest heden zijn wonden, al bekoopt hij het met den dood,” mompelde
hij voor zich heen. Toen zond hij zijn ruiters weg om plunderaars op te
vangen, om anderen, die mondvoorraad roofden, te zoeken. De bewakers der
vloot werden gewaarschuwd, de voetknechten in slagorde gesteld. Weldra
zetten zij den weg af of lagen verborgen tusschen het kreupelhout,
waardoor de heirbaan werd omzoomd. Zoo wachtten de Denen de mannen van
Sint Maarten af. Nog enkele oogenblikken en een plechtige zang golfde
hun tegen. Door de geestelijken werd hij aangeheven, die de banier hoog
hielden boven het hoofd van den bisschop. Voor zoover zij latijn
verstonden vielen de leeken mee in:

    „Media vita in morte sumus,
    quem quaerimus adjutorem,
    nisi te domine, qui pro peccatis
    nostris juste irasceris
        Sancte Deus[24]

Terwijl ruiters en voetknechten in dichte gelederen naderkwamen, zagen
zij de donkere menschenschaduwen op het groene veld. Wapens flikkerden
en daarboven straalde de zon en weerkaatste haar glans in die werktuigen
des doods.

„Unruoch, hoe groot schat gij den vijand?” vroeg de bisschop.

Unruoch hief zich op in de stijgbeugels:

„Het kreupelhout glinstert van wapens, de heirweg en de stroom zijn vol
helmen en houwers, vele honderden in aantal, gewis. En ginds rent een
dicht aaneengesloten bende het veld in en vele schepen der vloot varen
met hun bemanning rustig verder. Daar wordt geen boogschot gedaan, geen
pees gespannen. Willen de Denen ons omsingelen of den terugweg
afsluiten?”

„Dat moet hun worden belet!”

De stem van den bisschop klonk boven gedruisch en wapengekletter als
vele jaren vroeger, toen zij haar bevelen gaf in het ruitergevecht. Hij
wenkte graaf Frethibold aan zijn zijde. Zacht maar zakelijk klonken zijn
woorden. Toen werd Henno, wiens reis naar Aken niet noodig was geweest,
met Gerlach, waarmee hij groote vriendschap had gesloten, teruggezonden
naar Utrecht.

„Het is hoog tijd, dat wij komen!” riep Unruoch weer. „Ziet dien rooden
gloed in de verte! Weer branden er hoeven!”

„Daar ligt, geloof ik de Hohorst; heer bisschop, red uw stichting!” viel
graaf Frethibold in.

Bisschop Ansfried schudde het hoofd: „Wij mogen onze geringe strijdmacht
niet verbrokkelen. God zelf zal haar beschermen, redden wij de vrouwen
en kinderen, die te Utrecht weerloos achterbleven voor het geweld der
Denen!

„Ziet, daar rennen reeds de voorste ruiters!” hernam Unruoch. Hij rukte
zijn zwaard uit de scheede en zwaaide de kling boven zijn hoofd.

Graaf Frethibold smoorde een bitteren uitroep: in hun aanvoerder had hij
Rolfr, „den Deen” herkend.

„Groote God, sta ons bij in den ongelijken strijd!” fluisterde bisschop
Ansfried. Want de vijanden overtroffen ver in aantal zijn geringe macht
van te voet vechtende soudenieren en den slechts half voltalligen
heerban.

„Wij strijden voor vrijheid en recht. Die wetenschap schenkt iederen arm
tienvoudige kracht!” riep Unruoch, met gloeiende trekken.

„Steekt de horens, zwaait de banier! Laat een zang van zege en glorie
weerklinken!” klonk het bevel van den bisschop.

„Wie weet hoe ras overstemd door de bazuin van het jongste gericht,”
mompelde graaf Frethibold zacht. Maar hij gaf het verlangde teeken. Van
beide zijden suisden de eerste pijlen, zij troffen geen wit. Als
verbijsterd was de kleine ruiterbende, hiermee ook het voetvolk in
verwarring brengend, teruggedrongen op het gezicht van de breede
gevechtslinie der Denen. Toch zagen zij die niet geheel. De
linkervleugel werd verborgen door bosch en kreupelhout, zoodat het
gedeelte, door graaf Frethibold als uiterste stelling aangezien, alleen
het centrum vormde. Een derde der tegenstanders bleef zijn geringe macht
op deze wijze onbekend -- tot haar geluk.

„Voorwaarts kinderen! Waarvoor zoudt gij vreezen? Met dien ongeregelden
hoop komen wij spoedig klaar!”

Door Unruoch en zijn onmiddellijk gevolg omringd snelde hij zoo
onstuimig voorwaarts, dat de aarzelende ruiters, die nu weer stand
hielden, zich nauwelijks bij hem konden aansluiten.

Zonder zich te verroeren wachtten de in kamp en strijd vergrijsde Denen
-- Harald Sigvatr en Rolfr Jarl bevonden zich aan hun hoofd -- de
naderstormenden af. Zonder een speer te werpen of een boog te richten,
lieten voetvolk en ruiters -- het waren meest in ’t land geroofde
paarden, die de Denen bezaten -- hun tegenstanders naderen.

„Schiet nu! Stoot toe!” beval Harald. En met de snelheid van het
weerlicht wierp zich het geheele centrum op ruiters en rossen. De schok
was geweldig; de voetknechten sneden de pezen der paarden door, om
daarna handgemeen te worden, de ruiters bekampten elkander met het
zwaard. Maar kloek hielden de burgensen stand.

„Vooruit kinderen! Houdt u goed! De zege is ons!” riep hun aanvoerder.
Zijn blinkend zwaard schoot vonken, allen vooruit drong hij in op den
vijand. Met verbazing zag de bisschop het. Was dat de sombere, hopelooze
gouwgraaf van weleer? Dicht aaneengesloten volgden hem de soudenieren,
als een hagelstorm bij winternacht snorden hun pijlen van den boog.
Eensklaps dreef een gepantserde gestalte zijn paard door den warrelklomp
van strijders. Het was Rolfr Jarl. Hij had den veel gehate, lang
gezochte in het oog gekregen. Trotsch strekte hij zijn hand uit, het
was als wilde hij haar leggen niet op den man, voor hem, maar op de
macht, die dezen behoorde. Zijn stem klonk hijgend:

„Laat mij door! Een zwaardslag moge eindelijk tusschen ons beslissen!
Laat zien of zijn witte afgod hem beschermt!”

Met een forschen sprong van zijn vurig paard brak hij zich baan en
bereikte den bisschop, die hem afwachtte ongewapend, onbevreesd.

„Sterf christen!” hoonde de Noorman, en hief met beide handen zijn breed
slagzwaard op.

„Maar gij het eerst!” dreigde graaf Frethibold, naderspringend op zijn
zwarten hengst. Meteen stiet hij zijn zwaard in de okselholte van Rolfrs
pantser, waar dit onbeschermd was door den hoogopgeheven arm, die het
zwaard richtte. Het wapen ontviel de geweldige vuist van den Noorman,
kermend stortte hij uit den zadel, paardenhoeven gingen over hem heen.
Verbijsterd van schrik zagen zijn ruiters hem vallen.

„Rolfr Jarl, de onkwetsbare en reeds nu, bij het eerste treffen!”

In verwarring wendden zij hun paarden, sleepten anderen mee. Het gevecht
dreigde te ontaarden in een wilde vlucht.

Harald Sigvatr zag het. Hoog zijn reusachtige gestalte opheffend,
trachtte hij de vluchtelingen tot staan te brengen met beloften en
dreigende woorden.

„Vernietigt hen of zij doen het u! Op! Den vijand tegen! Hij vlucht
reeds op uw gezicht!”

„Zegevader, bij u is de overwinning!” juichten vele stemmen. Terwijl op
zijn bevel het beweginglooze lichaam van Rolfr Jarl naar een der schepen
werd gedragen, volgden de Denen opnieuw hun onverschrokken Viking. Uit
het kreupelhout vloog thans een wolk van pijlen.

„Knielt! Dan snorren zij over uw hoofden heen! Mikt op het kreupelhout,
daar glinstert het van stormkappen en wapens!” beval graaf Frethibold.
Het was of hij in zijn borst al de pijlen wilde opvangen, die zijn
soudenieren moesten treffen.

Te midden der wilde, vernieuwde worsteling stormde een kleine drom
Deensche voetknechten onstuimig op hem in. De beide eersten reed hij
omver met zijn paard, doch in het eigen oogenblik suisde een speer: op
de voegen van zijn rusting, bij den halsberg was zij gericht. De stoot
zou doodelijk zijn geweest, indien Unruochs zwaardhouw de spits niet had
gescheiden van de schacht. Hoog wierp hij haar over de rijen der
strijders, toen stiet hij den voorsten aanvaller terug en reed diens
makkers onder den voet. Verschrikt vluchtten de overigen, graaf
Frethibold greep de hand van Unruoch:

„Hoe zal ik u ooit kunnen danken, gij hebt mijn leven gered!”

„Spreek daar niet over! Gij zoudt hetzelfde voor mij hebben gedaan!”

Beider oogen ontmoetten elkaar en de gouwgraaf verbleekte. Moest hij
zelfs te midden van het rumoer van den slag worden herinnerd aan zijn
verloren geluk? Lang geleden had hij dien zelfden blik gezien -- in de
zielvolle oogen zijner vrouw.

Maar thans gonsden opnieuw uit het kreupelhout aan weerszijden van den
weg de pijlen in zulk een dichte menigte, dat zij vriend en vijand
tegelijk troffen. Onafgebroken klonk het snorren der pezen, het suizen
der pijlen. Menige strijder viel, de ruiters met hun paarden, de
voetknechten waar zij stonden.

Rondom de banier, die nog steeds boven het hoofd van den bisschop haar
breede banen uitsloeg, had zich een uitgelezen groep geschaard. Het werd
een zware kamp. Met woord en voorbeeld moedigde Harald Sigvatr zijn
Denen aan, zelf stormde hij aan hun hoofd los op de ijzeren haag van
schilden en speren. De levenlooze lichamen der neergehouwen helden van
beide zijden lagen dooreen in groot aantal. Het bracht niemand aan het
wankelen. De dooden hadden hun plicht gedaan. Vol mannenmoed volgden de
levenden hun voorbeeld. Het zwaard van Harald deed opnieuw een
bloedstroom vloeien, zijn oog en doel bleef de verachte bisschop der
christenen, en de banier met het kruis. Tot nu toe was zijn aanval op
dit symbool der christenheid tevergeefs geweest, het zou niet langer
zijn. Zijn hand greep de gewijde vaan, een krakende slag spleet reeds de
schacht, toen een luid geschreeuw op den heirweg hem het hoofd deed
omwenden. Die beweging, vluchtig als een ademtocht, besliste den strijd.
Met beide handen zijn geweldig zwaard opheffend, scheidde de gouwgraaf
met een enkelen dreunenden slag hem het hoofd van den romp en terwijl
de Denen, in verbijstering over den dood van hun aanvoerder, de wapens
neerwierpen, greep Unruoch het paard van den bisschop in den teugel en
voerde hem weg uit het woest tumult naar veiliger, vrediger oord: den
Hohorst. Op den heirweg vertrapten in wilde vlucht de Denen elkander in
hun waanzinnige haast om op de schepen hun leven te redden. Want de
achterste gelederen keerden zich tegen de voorste en versperden dezen
den doortocht. Als een verward kluwen betwistten de Denen elkander
iedere schrede, het dreigend geroep herhaalde zich: een kleine bende
landbewoners uit den omtrek, door Henno aangevoerd, stormde onder luide
verwenschingen in op de achterste gelederen. Sommigen van hen waren
tegenwoordig geweest bij het offer, door Rolfr Jarl gebracht. Zij
herinnerden zich de woorden, door hem bij den grafheuvel van Roruk
gesproken -- dat was dan de uitkomst van zijn voorzeggingen en beloften!
Een nieuwe inval der moordende en plunderende Deensche benden!.... Haat
en woede maakte van geringe vrijen, van de meest verachte eigenhoorigen
helden. Zij volgden Henno, die zich aan hun hoofd stelde zonder beraad.
Zwervend door het veld, beroofd van hun ellendige woning of geringe
have, hadden zij, zonder aanvoerder zelf geen aanvallers durven zijn.
Blootshoofds, barrevoets volgden zij hem, gewapend met kodde en
herdersstaf, met woesten wrok in het hart. En hun aanval bracht de
verwarring te weeg -- die hier de aanvang werd van de volkomen
nederlaag der Denen: beroofd van hun dapperen aanvoerder kozen zij de
vlucht als eenige uitkomst.

Voort joegen zij, voort, naar de schepen, thans hun redding; vergetend,
dat hun nederlaag in zegepraal zou kunnen eindigen, als zij Utrecht, het
nu geheel van verdedigers ontbloote Utrecht konden bereiken. Voort
renden zij, voort, hun laatsten pijl afschietend, zich met de vuisten
een weg banend, elkander iederen duimbreed gronds betwistend. Dwars over
de velden stormden zij, vluchtend door het rietgras, dat menigmaal met
zijn sierlijk wuivende pluimen het verraderlijk moeras bedekte, waardoor
ieder, die waagde zijn vrijen grond te drukken, werd meegesleurd naar de
diepte. Geduchter ketenen voor den vermetele dan boeien van ijzer ooit
konden zijn. Het moeras voerde de vluchtenden in den dood en die achter
hen waren snelden over hen heen of zonken, om een gelijk lot te vinden,
in de taaie modder, waar hun de genadeslag wachtte der mannen van
Utrecht.

Anderen, gelukkiger, slaagden er in over den heirweg naar de schepen te
ontkomen. Zij waadden door den stroom, riemen werden hun toegestoken,
zij werkten zich aan boord... „Gered!” klonk de schorre juichkreet
honderdwerf herhaald. Zij grepen roer en touwen, spanden de zeilen,
nieuwe vluchtelingen kwamen... „Naar Utrecht!” luidde de algemeene
kreet, door een nieuwen pijlenzwerm gevolgd, nu afgeschoten van het
veilige dek.

Graaf Frethibold zag het rustig aan, de pijlen troffen geen doel en de
wind blies niet in de zeilen in de gewenschte richting. Zwaar zou het
den afgematten strijders vallen alleen met behulp der riemen eerst het
Almere en dan, door de Vecht, Utrecht te bereiken; àls zij dit
bereikten. Want reeds moest Gerlach, op zijn last teruggekeerd, daar
over den heirweg zijn aangekomen. En de weinige achtergebleven wachters
hadden thans gewis zijn bevel reeds volvoerd om alle beschikbare
schuiten en koggen dwars in de rivier te laten zinken. Dit zou de
nadering onmogelijk maken voor iederen vijand.

Een woest gehuil, opklinkend van een der grootste schepen, voerde zijn
gedachten terug, een kreet van ontzetting ontsnapte ook zijn lippen.
Rolfr Jarl, ontwaakt uit zijn bezwijming, stond bij het roer van het
bevelhebbersschip. Zijn eigenaar, de gevallen Viking, verbloedde
verlaten op het veld. Vertrapt was zijn lichaam door vluchtende menschen
en steigerende paarden. In ongeregelde drommen, met opgeheven armen, de
wapens wegwerpend, vluchtten nog altijd de Denen verder landwaarts in of
bestormden zij de schepen, over lijken of met bloed doorweekt slijk,
achtervolgd door een schier razende menigte. Tusschen de angstkreten der
vluchtenden en het gekerm der gewonden rezen de juichkreten der
overwinnaars.

Rolfr ving beide op. Sloeg de gewisheid, dat alles verloren was voor
zijn volk, voor hem, ook zijn geregeld denken in boeien?

Met een brandende toorts rende hij langs het scheepsboord, de helm was
hem ontvallen, wild zwierden de dichte haren hem langs het woest
gelaat.

„Lafaards! Vluchtende gezellen, gaat! Van hier! Vlucht ook van hier! Ik
wil het! Laat mij alleen, ook in den dood alleen!”

Als een razende zwaaide hij de brandende pijnhoutspaan. De spattende
vonken vielen overal, weldra dansten vurige vlammentongen om het droge
touwwerk en over de opgetaste waarderobe op het dek. Tevergeefs
trachtten de schepelingen hem de brandende fakkel te ontrukken, of de
vlammen, die de opstekende wind aanwakkerde, te dooven. Met de
reuzenkracht van den waanzinnige sloeg hij de helpende handen van zich,
zengde hij met de gloeiende toorts zijn redders haren en gelaat. Zij
moesten het allen opgeven tegen dien eene, die niets menschelijks meer
bezat, die hen vervolgde, voortdreef over het schip in stormende vaart,
onder het uitstooten van rauwe kreten, een roofdier der wouden gelijk.

De in den krijg geharde mannen zwichtten voor deze overmacht, zij
sprongen over boord, om zwemmend een der overige schepen te bereiken of
bij hun vernieuwde vlucht te vallen onder de pijlen der Utrechtsche
burgensen.

Nog eenmaal klonk Rolfrs honende schaterlach. Hij stond op de voorplecht
alleen, om hem sloegen reeds de vlammen, die hoog opkringelden om den
mast.

„Lafaards, gij allen! Weest vervloekt! Ik blijf en ga onder in den
vuurdood. Dan stijg ik op tot de goden, doch gij, nietswaardige
vluchtelingen, daalt af in den nacht! In hel zinkt gij, in hel!”

Weer zwaaide hij in krankzinnige woede zijn toorts, hooger verhieven
zich de rosse vlammen, vleugels van vuur geleken de strakgespannen
zeilen. De wind wakkerde aan; met scherpen ademtocht blies en huilde
hij, driftige storm wolken met een eigenaardigen rooden gloed, joegen
donker langs het zwerk. Voort, op de vleugelen van den wind dreef het
drakenschip, voort.... Onbeweeglijk met door bloed beloopen oogen zag
Rolfr het aan. De gouden dolfijnen werden tot een vormloozen klomp, de
blinkende schilden langs het scheepsboord zwart van den rook, de zeilen
van zeehondenvel een hoogslaande vuurzuil, de geroofde schatten
verbrandden tot asch.

Hij lachte, als het huilen van een demon klonk het. Want de vonkenregen
spatte over op de andere schepen, en de strijders van daareven met hun
bloedende handen, hun gewonde, van vermoeidheid bevende armen haastten
zich te blusschen, te redden wat nog te redden scheen.

Rolfr Jarl lachte, zegevierend. Hij alleen stond in de vlammen, hij
vreesde noch bluschte ze. Nog eenmaal, toen de wind het gordijn van vuur
en rook terugsloeg, werd zijn forsche gestalte zichtbaar. Weggeworpen
had hij de vonkenspattende toorts, zijn geweldigen hamer met de
zegerunen zwaaide hij boven zijn hoofd als daagde hij een geheele
vijandige wereld uit ten kamp en strijd -- nog een oogenblik, toen viel
krakend de brandende mast neer met dof gedreun. De Noorman wankelde en
plofte voorover in den gloed, de vlammende zeilen bedekten hem
geheel.... Op de vleugelen van den wind vloog de vurige scheepsromp
verder, altijd verder naar de zijde van den Ravenhorst.

Het landvolk uit den omtrek, wier ingrijpen de zege had beslist, die
terstond verder waren getrokken naar den gehaten dwangburcht en nu de
breede, gesloten poort rameiden van het schijnbaar verlaten slot,
snelden toe. Met haken en kodden gelukte het hun, na menige vergeefsche
poging, het gloeiende, half uitgedoofde wrak aan land te trekken en den
brand geheel te blusschen. Zij riepen en vroegen, maar aan boord gaf
niemand antwoord.

In de verte zagen zij het overschot der ontredderde vloot. De gedunde
bemanning roeiend met al de kracht, die haar restte om het land te
ontvluchten, dat zij hadden willen maken tot hun roof en buit, tot een
vernederd wingewest.

  [24]

    Ons leven is, op aard ten deel slechts leven,
    Wij zien den dood gestadig ons omgeven,
    Wie schenkt ons kracht in ’t uur der scheidingssmart,
    Dan Gij, o, Heer, gij rechter van ons hart?
        Heilig God!”



HOOFDSTUK XXVI.


De avond daalde over de heide, scherp teekenden zich de bruine lijnen
van het landschap af tegen het koepelgewelf der lucht. Het laatste,
gloeiend purper was reeds lang uitgewischt, thans werden de wolken
gekleurd door een vreemden, rossen gloed. Het was alsof het uitspansel
plotseling zou worden verduisterd, bloedig scheen de hemel door een
opkomenden lichten nevel.

Niemand der bestormers van den Ravenhorst sloeg er acht op. De breede
voorpoort van de buitenste gracht werd, na veel inspanning,
opengerammeid, neergelaten de onverdedigde brug. Thans was het
zegevierende landvolk de tweede gracht overgetrokken en dreunde onder
zijn bijlslagen de zware haldeur, waarachter de geringe bezetting
bescherming had gezocht, die met een flauwe poging tot verweer, haar
geringen voorraad pijlen afschoot door de smalle muuropeningen, meer
schietgaten dan vensters.

De bestormers waren aanmerkelijk versterkt. Graaf Balderik van Hamalant,
de bewindvoerder van Drenthe, had zich met een gedeelte zijner
wapenknechten bij hen gevoegd, de overigen vervolgden op koggen en
schuiten het overschot der Denenvloot, dat door de Eem het Almere
trachtte te bereiken.

Vrouw Sigrid zag het eene aan en het andere -- krampachtig waren haar
handen saamgewrongen, haar scherpe tanden knersten op elkaar. Zij stond
op den toren van het landkasteel, dat zoo menige bange klacht had
gesmoord achter zijn zware kerkermuren. Den wachter had zij weggedreven
met een snerpend:

„Ga naar beneden! Verdedig je lijf, als je niet even laf bent als die
daar!”

Haar hand wees naar de ontredderde, vluchtende Denenvloot. Met een
woeste beweging streek zij zich de grijze haren uit het gezicht, zij zag
de golven van de Eem, wonderlijk rood in de weerkaatsing der vreemd
gekleurde lucht.

„Ik wou, dat ze allen verbrandden!” Haar stem werd verstikt door
machtelooze woede, zij zag, dat alles verloren was.

Langzaam ging zij de steenen trap af, naar beneden, duizelend, tastend
naar een steun, zij, de vrouw, wier geestkracht steeds die van menigen
man had overtroffen. Zij had alles verwacht van de aarde en nu de
aardsche macht haar ontzonk, blikte zij in de leege ruimte, zocht zij
tevergeefs naar een staf om op te steunen.

Zij begreep, dat het volk algemeen in opstand was gekomen tegen de
vermetele indringers. Plotseling zag zij allen, op wier bijstand zij
vast had gerekend, tegen zich gekant. Van een gravinnekroon had zij
gedroomd, als de regentes Luitgarde van Kennemerland sierde en de
werkelijkheid zou haar aanschouwen als gevangene of vervolgde
vluchtelinge....

Het was haar eensklaps of zij door vlammen werd omringd, een verterend
vuur, dat zij zelf had ontstoken. Een donkere gloed trok bij dit
denkbeeld over haar strenge trekken -- wees het haar een uitweg?

Zij trad in de hal, waar zij de verdedigers vond van haar huis,
moedeloos, tot onderhandelen met de bestormers bereid -- hun laatste
pijlen waren verschoten.

Swanwitha zag zij er bleek, gelaten tusschen de jammerende vrouwen.
Olaf, ernstig en kalm, bevond zich aan haar zijde. Hij had de
kortstondige verdediging bestuurd, nadat de aanval, op last van vrouw
Sigrid zelf, zijn kerker had ontsloten. Nu beraadslaagde hij zacht met
Lars, den ouden slotvoogd.

Zij zag hem aan zooals een jager dat een gewonden wolf zou doen. Moet
hij den genadestoot nog hebben of heeft hij dien al beet?....

Maar geen radeloosheid, wel berusting las zij op zijn trekken. Het zou
dus aan haar zijn, hem dien stoot te geven.

Zij wenkte hem met den slotvoogd haar te volgen, Swanwitha nam zij bij
de hand. Naar het kleine torenvertrek ging zij hen voor. Het eenige
venster gaf het uitzicht op het voorplein, zij aanschouwden den dichten
drom der bestormers. Weldra zou de poort bezwijken.

„Ik heb heden een brandend schip gezien” -- ving zij aan. „Ik benijdde
allen, die zich er op bevonden. Zij vallen niet in de handen van dàt
gespuis.”

Verachtelijk wees haar hand naar beneden. Zij wist niet wie zich had
bevonden op dat brandende schip! Bitter ging zij voort:

„Ik kon hun dood niet deelen, maar ik wensch voor mijzelve een gelijk
einde. Ik zal nooit als gevangene staan voor dien christen-bisschop. Er
zijn pekkransen en teertonnen en ontvlambare stoffen genoeg in de
kelders.”

Zij wendde zich tot Lars, gebogen door de jaren, door den druk der
dienstbaarheid.

„Hoop ze op en steek ze aan. Gelast allen hier bijeen te komen. De
christenen mogen ervaren, dat niet slechts Odins zonen dapper en
onversaagd weten te sterven, maar, dat ook de vrouwen der Noormannen de
kracht bezitten om kloekmoedig hun lot tot het hare te maken.”

Zij was altijd een onverschrokken vrouw geweest, zij bleef zichzelve
gelijk tot het bitter einde. Olaf voelde de bewondering, die moed altijd
verwekt, maar met meewarigheid vermengd -- het was een wanhoopsdaad uit
trots en zelfzucht geboren. Ernstig zag hij haar aan:

„Wat gij van plan zijt is misdadig. Gij hebt u zelve het leven niet
gegeven, het behoort u niet toe. Zegt de stem van uw geweten u dan
nooit, dat het leven u werd toevertrouwd als een gift van omhoog, als
een ernstige plicht, die vervuld moet worden tot den laatsten
ademtocht, die u wordt geschonken! Geleend goed is ons aardsch bestaan,
wie heeft recht het te beschouwen als zijn eigendom? De Almachtige, die
den mensch het leven gaf snijdt het af, als Hij de ure gekomen acht, en
Hij, die de ziel terugeischt voor hooger bestaan, zal ook eenmaal zijn
schepselen oordeelen naar hun daden.”

Sprakeloos had zij hem aangestaard, hem laten uitspreken, als verstond
zij de woorden niet, die in haar oor drongen. Met een schier
waanzinnigen blik zag zij op tot de hooge gestalte van den jongen
Viking. Op Olafs edel gevormd voorhoofd las zij met den moed om pal te
staan voor zijn overtuiging, onwrikbare wilskracht. Hier zou bedreiging
baten noch bede, zij begreep het. Woede over het mislukken van haar plan
met den eigenzinnigen trots, die nadenkt noch denkt aan toegeven, namen
bezit van haar geheel.

Minachtend zag zij Olaf aan:

„U veracht ik, want gij zijt een christen. Eerder had ik verwacht, dat
Muspelheims vuurvonken zouden neervallen om ons allen in vlammen te doen
opgaan, dan, stoute Viking van weleer, dit te vernemen van u! Gij een
slaaf van den witten Christus, gij!”

Zij slingerde hem haar woorden tegen, als wilde zij hem geeselen met het
scherpste wapen, dat bestaat: de tong.

Maar hij hief de hand op ernstig, waardig:

„Geen slaaf, maar een mensch van eerbied doordrongen voor de hooge,
edele leer van den Gekruiste. Wat acht gij meer verheven: het leven te
ontvluchten door een lafhartigen zelfmoord of boete te doen voor begaan
onrecht en het aardsche bestaan te maken tot voorbereiding voor de
onsterfelijkheid, weggelegd voor allen, die God liefhebben boven alles
en hun naasten als zich zelven?”

Geen antwoord keurde zij hem waardig, den slotvoogd dreef zij voort met
een kort bevel. Olaf trad haar in den weg:

„Het zal niet geschieden! Gij moogt deze menschenlevens, -- de meesten
zijn vrouwen en kinderen -- niet opofferen aan uw waanzinnigen trots!”

„Wat deren mij die wezens! Alles heb ik gewaagd om groot te zijn en de
heerschappij ontvalt mij nu ik haar gegrepen waande. Men zal mij
bespotten, en -- vergeten. En, dàt duld ik niet -- nòòit! -- Ik zal mij
gehaat maken in den dood, meer dan ooit in het leven. Zoo zal ik
voortbestaan in de herinnering van dit volk. Mijn naam zal slechts met
afgrijzen worden geuit, maar hij zal worden meegedeeld aan de
geslachten, die thans nog niet zijn. Voortleven zal ik, beladen met een
vloek en -- dat is de onuitwischbaarste herinnering.”

Welk een verschrikkelijk gesprek in dit vreeselijk oogenblik! Het was te
veel!

Schreiend klemde Swanwitha zich aan haar vast:

„Grootmoeder! Grootmoeder, heb medelijden met ons -- met u zelve!”

Met een ruk stiet vrouw Sigrid haar terug:

„Ga weg! Smoor in de vlammen mijnentwege. Hoe heb ik je altijd gehaat!
Je te zien was een onafgebroken marteling, want in iedere lijn van je
wit gezicht geleek je háár. Weg, kleindochter van Hereswit van Strijen!
Weg!”....

Haar laatste woorden smoorden in een oorverdoovend gekraak.

Een dichte wolk van smook dwarrelde naar boven. In het vertrek werd het
tot stikkens toe benauwd, de hitte kwam nader....

„Lars heeft mijn bevel volvoerd! Weldra verbranden wij met dit geheele
onzalige ravennest tot asch!”

Een krijschende lach vergezelde haar woorden. Vastbesloten greep Olaf
Swanwitha’s hand.

„Kom mee, naar beneden! Ik zal u trachten te redden!”

Toen keerde hij zich nog eens, reeds bijna op den drempel van het
vertrek, tot vrouw Sigrid.

„Gij zult geen nieuwe schuld op u laden! Ik zal het voorkomen!”

„Mij belet niemand wat ik wil!”

Zij was hem voor geweest bij de deur, nu werd die met een slag
dichtgeworpen.

„Verbrandt dan samen! Voor de Denen is alleen de naam van christen reeds
een doodvonnis!”

In een schamperen lach smoorden haar woorden. Haar vaste schreden
klonken op de steenen wenteltrap. Zij ging om te zien haar triomf, de
zegepraal van een demon.

Ook Swanwitha hoorde het knappen van hout, het knetteren van het vuur,
zij wist, dat haar dood nabij was en, dat zij dan zou staan tegenover
God. Zij voelde wel de hitte naderkomen, de laaiende hitte maar het
verschrikte haar bijna niet, zij dacht alleen aan het einde, dat zoo
snel naderde, dacht, dat zij dan haar ziel zou teruggeven aan Hem, Die
haar had geroepen in het leven. En zij voelde zich als een slaaf, die
zijn ketenen afwerpt, als een vlinder jubelend opstijgend in het
zonlicht, na duisternis en winterkou.

„Het scheiden is niet zwaar,” fluisterde zij voor zich heen. „Waarom
vreezen wie God liefhebben den dood? Zij gaan toch uit de duisternis
naar het licht?”

Door haar gedachtenstroom drongen de verwarde strijdkreten, het
kletteren der wapens, vermengd met triomfgeroep en wraakgeschreeuw -- de
droevige klanken der aarde. Het was haar of al dat tumult ineenvloeide
en zich vormde tot een enkelen kreet: die der gehoonde menschheid en zij
dacht, dat het leven veel zwaarder was dan het sterven. Waarom was dit
zoo, waarom?

Dichtbij, héél dicht, hoorde zij nu al het woeste gedruisch, dat gevecht
en dood vergezelde, maar daartusschen klonk iets anders.

Het was of een plechtige stem tot haar sprak, langzaam, duidelijk, of
zij het verstond boven het geraas van den strijd:

„Wat het leven zoo zwaar en bitter maakt is, dat de menschen elkander
haten in plaats van liefhebben. En wanneer iemand sterft, dan wordt alle
haat uitgewischt; daarom is de dood minder hard dan het leven, daarom is
de liefde sterker dan de dood, want zij alleen is het die hem heeft
overwonnen.”

Toen zij dat zachte woord had verstaan, werd een plank der deur
ingetrapt, splinters en spaanders stoven rond, een bijlslag vergrootte
de gemaakte opening, gepantserde gestalten drongen binnen, Unruoch
bevond zich aan hun hoofd. Met een snelle beweging nam hij Swanwitha in
zijn sterke armen en droeg haar de nog veilige steenen trap af naar
beneden, waar zijn strijdbende trachtte de vlammen te dooven.

Naar buiten bracht hij haar. Onder zijn bijlslagen was de voor poort
bezweken -- zij was gered.

Unruoch zag om zich heen, de weinige verdedigers van den burcht, allen
gewond, drongen op elkaar, de vrouwen klemden hun schreiende kinderen
vaster in de armen.

Uit de groep trad Olaf naar voren, recht toe op den aanvoerder:

„Schenk jonkvrouw Swanwitha goed geleide en de vrijheid om te gaan waar
zij wil. Zij is onschuldig aan al deze gruwelen. Wat mij betreft: ik
geef mij aan u over. Het is niet mannelijk, maar lafhartig
menschenlevens of zich zelven noodeloos op te offeren voor een verloren
zaak. Wie beslist welke taak mij nog is bereid in het leven? Ik zal het
afwachten.”

Een stem schor van haat en woede brak zijn woorden af.

„Ontvang je loon nog voor je taak aanvangt. Daar, dáár!”

Vrouw Sigrid had een weggeworpen mes gegrepen; wit van drift slingerde
zij het Olaf naar het hoofd. Het trof zijn hals, zijn bloed vloeide.
Swanwitha strekte de armen naar hem uit, vrijwillig voor de eerste maal.

„Mijn lieve zuster, heb dank.” Fluisterend klonk het, en het was Olaf
bij die woorden, alsof hij nu in waarheid geheelen afstand van haar had
gedaan. Maar in de droefheid, die opnieuw bezit van hem nam, mengde zich
nog een ander gevoel. Hij wist nu, dat de godsdienst der christenen niet
alleen groot, maar ook dat hij goed was. Want wie, die zich zelven
zocht, was dit ooit? En deze godsdienst eischte geheelen afstand van
eigen ik, van alle aardsche verwachtingen en wenschen. „De liefde zoekt
zichzelve niet.” Eens had hij die woorden gehoord, nú begreep hij ze
geheel.

Maar de opschudding door vrouw Sigrids woeste daad ontstaan, voerde hem
terug tot de bittere werkelijkheid.

Met een vasten greep had Unruoch haar hand omklemd. Want weer had zij
het mes opgeraapt van den grond.

„Bind haar!” klonk nu zijn kort bevel; zij verweerde zich met vuisten en
tanden, wit schuim beefde op haar vertrokken lippen.

„Geef mij een mes, een zwaard! Doorsteek mij, laat mij het mij zelve
doen! Ik wil niet als gevangene naar.... Ik wíl niet!”...

„Zij is razend!” mompelden de speerknechten, die haar in hun midden
namen en trachtten weg te brengen op Unruochs last.

Niemand sloeg langer acht op haar woorden of bevelen! Dit deed den
beker overloopen voor de trotsche vrouw, bewusteloos sloeg zij neer.

Unruoch had intusschen bevel gegeven de kerkers te openen. Onder de
bevrijden was ook Yglo. -- Nu wendde hij zich tot de droevige groep,
waarvan Swanwitha en Olaf het middelpunt vormden. Ook in zijn borst
streden plichten en wenschen om den voorrang. De eerste verwonnen.

„Ik zal voor hem doen wat ik kan bij den bisschop. Gaat nu beiden mee,
mijn boogschutters zullen hem dragen,” sprak hij tot Swanwitha.

Hij wilde haar met geen enkel woord herinneren aan de eens in een
wonderzalig uur afgelegde gelofte. Was voor haar slechts kinderlijk spel
geweest, wat voor hem hooge levensernst was geworden? Hij wist het niet,
hij vroeg het niet, hij voelde de hand van den plicht, die hem voerde op
zijn levensweg....

De sombere stoet van menschen met gezengde haren, bloedend uit meer dan
één wond, of afgemat door kamp en strijd, trok over de brug van den
Ravenhorst. Aan het hoofd reed Unruoch; op zijn bevel was ook voor
Swanwitha een paard gebracht, zwijgend ging zij voort aan zijn zijde. Op
een baar, gevormd door gekruiste speren, met een wijden mantel bedekt,
rustte Olaf. Een ruiter had vrouw Sigrid, nog steeds bewusteloos, voor
zich op het paard gelegd. Diep haalde menige vrouw van het burchtgezin
adem, toen zij zich bevrijd zag uit het verschrikkelijk verblijf, waar
soms nog kleine vlammen opflikkerden als zooveel vurige tongen.

„Hij alleen heeft ons gered van den vuurdood!” fluisterde er een op
Unruoch wijzend.

„Maar hij wilde het ook doen,” hernam een ander en dankbare blikken
gleden over Olafs kleurloos gelaat.

Ja, gered waren zij, gered!

Zij stonden en zagen het welbekende landschap, zoo rustig nu en vredig:
de heidehoogten met donkere dennen begroeid, het zilveren water van de
Eem. Een overweldigend gevoel van verlossing en bevrijding rees in aller
hart. Slechts enkele vluchtige oogenblikken.

Eensklaps begon het te druppelen uit de wolken met hun vreemden rossen
gloed. Ruischend viel plotseling de regen neer, een regen rood als
bloed. De doodsverf der ontzetting streek zelfs over de aangezichten der
ruwste krijgers, een steunend geluid drong uit menige dappere borst, het
vreeselijk wonder deed het bloed stollen in ieders aderen.

De ondergang der wereld! Zij hadden de steeds met zooveel angst
aangehoorde voorspelling vergeten in de hitte van het gevecht, bij de
woede der vervolging.

Doch zoo was het dan waar, wààr! Zoo was thans het uur aangebroken,
juist als werd voorspeld, met den langsten dag, die ten einde neigde.
Als middernacht aanbrak dan.... Doodsangst vereende zich in één enkelen,
door merg en been dringenden kreet. Het was of een schot vloog uit
ieders keel. En de regen ruischte, ruischte aldoor.... de bloedregen!
Steeds grooter werden de druppels, rood verfden zij heide en
struikgewas, rood de sidderende aangezichten en angstvol opgeheven
handen der menschen. Op de knieën zonken allen, snikkend, kermend,
rillend van vrees meer dan ooit te voren. Wanhoopskreten met tranen en
afgebroken gebeden vermengd stegen op naar de wolken:

„O, Heer, wees ons genadig! Erbarm u onzer, o, Heer!”

Een gedaante, als uit den grond opgerezen, stond eensklaps tusschen de
knielende, in radeloozen angst saamgedrongen menigte.

Niemand herkende in het eerste oogenblik de oude Lisa, die altijd zoo
gebogen en droevig rondsloop. Zij droeg een schoonen hoofddoek en stond
rechtop vol kalmen ernst. Haar oogen, anders meestal neergeslagen,
zochten nu de door doodsangst verwrongen trekken van het knielende volk.
Een ongewoon zachte uitdrukking lag op haar gerimpeld gezicht, toen zij
sprak -- sommigen meenden, dat zij tranen in de oogen had:

„Ik ben gekomen om u allen te zeggen, dat gij niet bang behoeft te zijn,
want de Heer Jezus leeft en Hij zal over ons waken. Hij zal in het
verschrikkelijke oogenblik zijn engelen zenden om ons te voeren naar een
betere wereld. Komt, gaat allen mee, dáárheen! Daar bidden zij en wie
bidt heeft niets te vreezen, want onze God is de hoorder der gebeden!”

Zij hief de hand op en aller oog volgde zonder onderscheid, die
beweging. Hoog op den heuvel zagen zij den Hohorst met de kleine kerk,
geblakerd en zwart geschroeid door een plunderende Denenhorde, maar
toch onaangetast door het vuur, dat het woongebouw verteerd had. Helder
licht straalde uit de kleine vensters, de klok begon te kleppen met
zilveren klank....

„Daarheen! Daarheen!”....

Met hijgend verlangen, als zagen zij een vluchthaven ter redding en
veiligheid in den uitersten nood, richtten de in ’t stof gebogenen zich
op.

Van enkele op de Denen veroverde schepen was reeds te voren een brug
gevormd, dwars in de rivier, op Unruochs bevel, toen hij bisschop
Ansfried in veiligheid bracht uit het krijgstumult van het slagveld.
Over die wiegelende bodems stroomden thans allen....



HOOFDSTUK XXVII.


De zware strijd was volstreden, de kamp, met zooveel zorg tegemoet
gezien, beslecht, maar geen juichtoon werd aangeheven, geen
overwinningskreet geslaakt door de kloeke krijgers. En de ouderen van
jaren, van wie meer dan een neerzonk van vermoeidheid -- zij dachten aan
rust noch sluimering.

De roode regen viel, het begin van het einde, de laatste nacht van het
laatste jaar was daar. -- --

Snel had zich door de gansche landstreek het gerucht verspreid van den
ondergang der gevreesde Denenvloot. De vrouwen riepen het elkander toe
met hijgende stem, zij brachten het verder -- want strijdend waren nog
de mannen -- en zoo bereikte de blijmare ook Utrecht. De wachters bij
brug en poort vernamen haar het eerst, in overweldigende blijdschap
wierpen zij schild en speer van zich: „Daar was immers niets meer te
vreezen, niets meer!”....

Ademloos berichtten zij het vrouw en kinderen, die baden in den Dom.
Maar dof sprak een der vrouwen:

„Waartoe die vreugde, als de aarde toch vergaat, over enkele uren
reeds?” Toen liep opnieuw een rilling ieder, die het verstond door de
leden. Zij zagen om zich als misten zij iets. De diepe Romaansche
gewelven, waarin het flikkerde van wemelend kaarslicht, schenen
eensklaps duister.

„Onze bisschop!.... Wij moeten zijn waar hij is, als het bazuingeschal
der engelen weerklinkt! Hij zal ons voorgaan in het gebed en genade voor
ons afsmeeken van den Heer!”

„En hij zal Gods barmhartige liefde over ons inroepen, door Wiens hulp
heden ook de Denen werden verslagen”....

„En de Antichrist.” Onhoorbaar bijna was het gefluisterd, maar het werd
herhaald en geloofd.

Toen was het eensklaps of een schok voer door de geheele schare.

Alles verhief zich, mannen, vrouwen en kinderen en in plechtigen optocht
trokken allen de stadspoort uit om bisschop Ansfried op te zoeken. Hij
wist immers steeds een uitweg wanneer allen versaagden, hij had woorden
van opbeuring en troost als ieder vertwijfelde, ook nu zou hij kalmte en
vertrouwen weten te storten in harten, die sloegen tot berstens toe.

„Naar hem! Naar onzen bisschop!”

Niemand dacht aan den langen weg, die voor hen lag. Naar den Hohorst
stroomden Utrechts inwoners te paard, op wagens of te voet om daar het
einde af te wachten. Voelden zij instinctmatig, dat de man bij wien zij
schuts zochten en steun voor de vreeselijke ontknooping, die naderde
onverbiddelijk en snel, zoo hoog boven hen stond, omdat het leed der
wereld hem niet meer kon deren, nadat hij zijn zwaarste leed geleden had
en de woorden uit de Bekentenissen van Augustinus gemaakt tot de zijne:

„De mensch keert zich naar alle zijden, naar hier en daar, en alle
dingen zijn hard en bitter voor hem. Want alleen in U o, God, is ruste.
Waarheen de ziel des menschen zich wendt, overal vindt zij smart dan bij
U alleen”....

En zoo, biddend, psalmzingend, de kracht overspannend uit vrees van te
laat te komen, soms rustend als de angst sterker bleek dan zelfs die
opgeschroefde kracht, bereikten zij de hoogte door de Eem bespoeld,
schier ter zelfder tijd, dat van de andere zijde de zegevierende
overwinnaars in den slag naderstormden als sidderende vluchtelingen.
Vluchtelingen voor den rooden regen, waarvan de eerste neervallende
druppels ook de naderende burgensen het bloed hadden doen stollen in de
aderen.

Het was een verwarde, van ontzetting verbijsterde menigte, die de kleine
kerk bereikte, die elkander verdrong om daarbinnen een plaats te
bemachtigen, waarin slechts het geringste gedeelte slaagde. Toen
schoolden de overigen samen tusschen de geblakerde ten deele daklooze
muren van het woongebouw, allen trachtend om door de deuropening,
verwijd door het vuur, een blik, slechts één enkelen op te vangen van
den bisschop. Maar velen, zeer velen moesten buiten blijven, waar de
duisternis zonk op de aarde en de roode regen teekende hen als met
bloed.

Dachten zij toen aan hen die geworpen zouden worden in de buitenste
duisternis, omdat zij Gods wil hadden veracht in het leven, dat hun was
geschonken als een voorbereiding tot hooger bestaan?

Het waren zeer bleeke aangezichten, die het gelaat van bisschop Ansfried
zochten, want hij bezat het geloof, dat velen nu begeerden, die vroeger,
bij de beslommeringen van het dagelijksche leven, geen tijd hadden
gevonden om te trachten het te verwerven.

„Zoekt den Heer terwijl Hij te vinden is!”.... Klonk dit ernstig woord
hun waarschuwend tegen uit den ruischenden waterstroom?

Het dichte wolkendak had zich opgestapeld tot reuzenhooge berggevaarten
-- nu scheurden zij vaneen, plotseling. Het was of vlammende lemmetten
elkander kruisten, een schorre donderslag, hol nadreunend met dof
geluid, volgde op het oogverblindend licht. De aangewakkerde wind
verhief zich tot een storm, huilend, bulderend.... In stijgenden angst
werden de handen opgeheven naar den dreigenden hemel. Waanden de
gespitste ooren reeds het schallen te vernemen der bazuinen van het
jongste gericht? Maar alles werd weer stil toen de geweldige slag was
weggestorven, alleen de stemmen der menschen klonken, samensmeltend in
denzelfden zielskreet:

„Heer, ontferm U onzer! Erbarm U onzer, o, Heer!”

Vrouwen schreiden, mannen sloegen zich op de borst, vreemden bekenden
elkander zonden, steeds verborgen gehouden als een streng geheim. Hun
ringen van rood goud -- het kostbaarste wat zij bezaten -- beloofden de
vrouwen van welvarende hoevenaars aan de kerk op den Hohorst, de mannen
voegden er al hun landbezit bij.... Wat baatte het? Wat kòn het nog
baten? De boeken zouden immers worden geopend? Wenschte thans menigeen,
dat zijn levensboek een anderen inhoud mocht bezitten?

Maar niet bij allen had de vertwijfeling den boventoon. Enkelen
knielden, de oogen omhoog geslagen, de bleeke aangezichten rustig, in
groot vertrouwen, in vast geloof.

Onder dezen bevonden zich Trutha en Yglo, hand in hand knielden zij.

„God is goed,” fluisterde het meisje. „Hij zal ons niet scheiden in Zijn
eeuwig huis, nu Hij ons hier vereenigd heeft, in ons laatste levensuur.”

Yglo drukte haar hand zonder te kunnen spreken. Hij voelde zich zwak en
duizelig, de kerker van den Ravenhorst was hard en diep geweest, maar te
midden der duisternis, die hem omringde, was het licht geworden voor
zijn ziel. Hij vreesde den dood minder dan het leven. Zijn vader en oude
Lisa baden, geknield naast hem, en de kleine, bruine hand van Trutha
hield hij in de zijne. Hij gevoelde den grooten zegen, die hem werd
geschonken: niet alleen en verlaten behoefde hij te sterven. Door liefde
omringd zou hij gaan naar de plaats van eeuwige liefde en eindelooze
zaligheid.

De roode regen had opgehouden neer te druppelen, maar de storm loeide en
de bliksem teekende de duistere wolken met zijn gloeiend schrift.
Opnieuw liep een siddering, die zich oploste in dof angstgeschrei, door
de neergebogen schare. Daar klonk op eenmaal een stem, de bekende,
geliefde stem, in den aanvang zacht als harpgesuis, dan zich verheffend,
aanzwellend gelijk plechtig psalmgezang, rust schenkend, vrede brengend
ook aan het felst geschokt gemoed. Op het door teer waslicht overgoten
altaar stond de bisschop en het was alsof het licht, dat hem omgaf van
hemzelf afstraalde, of het blonk van zijn gelaat, waarop zielevrede
zetelde, dat door onwrikbaar geloofsvertrouwen werd gestempeld.

En het was allen of zijn stem de ruimte vulde met de gewijde belofte:
„Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw.”

Vreest niet nu de duisternis dreigt, gelooft alleenlijk!”

Had hij dien ochtend meer geleken op den krijgsaanvoerder van weleer,
toen hij in vlammende woorden de burgensen aanvuurde om hun plicht te
volbrengen mannelijk, onversaagd, ten einde toe in den naderenden
strijd, thans, wachtende op de hemelsche heirscharen, bereidde hij zijn
gemeente met waardigen ernst voor om moedig, geloovend den dood tegen te
gaan, pleitend op Gods beloften op den zoendood van Christus....

Een zucht van ontspanning ontwelde aan menige borst, van angst
verduisterde oogen vulden zich met tranen, handen, eerst krampachtig
saamgewrongen, werden zacht gevouwen ten gebede. Buiten scheen het
onweer af te nemen, plechtig psalmgezang verhief zich in de kleine kerk
na de woorden van den bisschop, die waren geweest als het suizen eener
zachte koelte te midden van den storm. Het kaarslicht flikkerde zacht,
rooden gloed wierpen de ontstoken toortsen, fluisterend klonken de
gebeden der menschen.

Zoo ging meer dan een uur voorbij, middernacht kwam nader, ongedacht
snel, nog enkele oogenblikken, dan....

Unruoch boog zich tot Swanwitha en zag haar onderzoekend in het gelaat.

„Zijt ge bang?” vroeg hij zacht.

Zij opende het in perkament gebonden boek, waarom zij de handen vouwde
en wees hem een teekening op matgouden grond. Het was die van den Goeden
herder. Toen glimlachte zij o, zoo vertrouwend en berustend door haar
tranen heen....

Hij klemde haar hand in de zijne, hij zag aan de uitdrukking van haar
gelaat, dat zij afstand had gedaan van alle levenshoop en hoop op
levensgeluk, maar als een ademtocht gleed het van haar lippen: „God is
barmhartig, wij mogen samen sterven. Wat verder komen zal ligt in Zijn
hand.”

Een felle bliksemstraal, die de donkere wolken kliefde deed haar
zwijgen. De stormwind zwiepte opnieuw de takken der boomen, kletterend
stoven de regendruppels tegen de ramen der kerk.

Unruoch had een gevoel of de aarde zich voor zijn voeten zou openen.
Met geweld bedwong hij zijn ontroering. Als beschermend sloeg hij den
arm om Swanwitha heen, zij leunde haar blond hoofd tegen zijn schouder.
Zoo wachtten zij. Zacht bewogen zich beider lippen in stil gebed....

Olaf staarde strak omhoog naar de zwarte wolken, zonder acht te slaan op
wat geschiedde om hem heen.

„Heer, ik ben bereid om te sterven, maar laat mij mogen strijden met de
booze machten ten einde toe. Een Noorman draagt niet tevergeefs zijn
zwaard!”

Het flitste langs de sterrenlooze lucht. Was het een antwoord uit den
hooge? In vervoering trok hij zijn wapen.

„Olaf, doorsteek mij! Ik wil naar Nevelheim! Daar is mijn gansche
voorgeslacht. Bij de christenen wil ik niet wezen, nooit! In hun hemel
noch in hun hel!” mompelde vrouw Sigrid. Zij zag zich, ontwaakt uit haar
verdooving, omringd door krijgsknechten. Ontsnappen was onmogelijk. Haar
mond verwrong zich van machtelooze woede.

Het antwoord bleef Olaf, in wiens hart afkeer streed met medelijden,
bespaard.

Met statigen galm klonk een heldere slag, plechtig, langzaam. Als een
mes doorsneed hij de ruimte en de ademlooze stilte waarmee zijn geluid
werd aangehoord. De eerste der twaalf slagen van zoo ontzaglijke
beteekenis, in schier verstikkend zwijgen verbeid!....

Nog een oogenblik heerschte de looden stilte, toen klonk een tweede
slag, een derde, toen blonk een roode gloed door de boomen als een kolom
van vlammen. Een zacht suizen verhief zich, dat toenam in kracht, dat
naderkwam met snelle vaart, met schier huilend geluid. Schrik en
verlammende ontsteltenis teekende ieders aangezicht: de ure was daar!

Tusschen de boomen nam de vurige gloed toe met ieder oogenblik; was het
de naderende wereldbrand? Dichter drong de menigte opeen, vijanden
drukten elkander als vrienden de hand, moeders klemden hun kinderen in
de armen, allen baden overluid....

Tusschen de snikkend geuite gebeden, mengden zich radeloos hulpgeroep,
woeste jammertonen, toen viel plotseling een nieuwe stilte in. Het was
of de verstijvende adem des doods reeds ieder beroerde.

„Bidden, laat ons bidden!” hijgde, snakkend naar adem een vrouw. Het was
haar laatste woord. Voorover plofte zij, levenloos van schrik.

Maar niemand verroerde zich, zelfs niet bij dit vreeselijk gezicht.
Allen zwegen en wachtten met gebogen hoofd, want het huilend geluid werd
tot een razenden storm, de boomtakken schudden wild heen en weer, schor
rolde de donder. Door de lucht klonken lang aangehouden, snerpende
kreten.... Henno mompelde op hollen toon:

„Nù komt het!”

„Stil! Stil!” werd hem toegefluisterd van allen kant. Een man hief de
vuist tegen hem op, hem dreigend met een slag. En al het volk zweeg,
ademloos. Maar buiten weergalmde opnieuw het jankend gehuil,
waartusschen schel blaffen, gillend krijschen zich mengde. Het was alsof
het voortstoof door de lucht, in wedstrijd met de jagende wolken, hoog
boven de hoofden der in ’t stof gebogen menschen.

„Wodans wilde jacht! Zijn gehelmde helden, de razende reuzen!”
schreeuwde een oude boer. Zijn gezicht was vertrokken, zijn oogen
staarden, zonder eenig geluid meer te kunnen geven viel hij als een paal
op den grond. Maar Lisa riep:

„De overste der duivelen is het met zijn gansche heir!”

Want weer joeg het over hen heen met gillen en fluiten en de menschen
trokken de schouders op als kinderen, die een doodelijken slag vreezen
en de kinderen zochten een schuilplaats bij hen. Maar plechtig als
psalmgezang boven het razen van den storm, klonk de stem van bisschop
Ansfried:

„Roept Hem aan in den dag der benauwdheid”....

En opnieuw verdrongen gebeden de angstkreten. En daartusschen dreunde de
donder en schoot de bliksem neer in verblindend licht. En geen oogenblik
bedaarde het loeien van den orkaan, het gillen der duivels met suizenden
vleugelslag in de wolken, het stampen, razen en kermen van het heir der
booze geesten. Hun hoeven sloegen tegen het dak der kerk tot zij werden
verdrongen door een nieuwe schaar demonen, wier vlerken schier zwiepend
klapwiekten tusschen het gebulder van den wind. Het scheen of de lucht
dreunde, alsof de kerkmuren wankelden en de aarde beefde....

„Waar blijven de reddende engelen? Opent alleen de hel zijn kaken om ons
te verslinden?”

Vraag vol doodsangst, die te lezen stond op van ontzetting schier
verstijfde aangezichten. En buiten antwoordden vleermuizen en katuilen
met krijschende kreten, met gillend lachen.

Verlamd, verbijsterd, als wezenloos knielden allen op den grond, die
onder hen scheen te trillen.

„Nu worden wij verpletterd, nu komt de groote brand, de sulfer en de
vuurregen!”

De vrouw van Bachevorth kermde het, haar bevende hand wees naar den
rooden gloed in het verschiet, achter de nachtzwarte boomen, heller van
gloor met ieder oogenblik. Zij rukte haar gouden ketenen, de
schitterende spang, die haar mantel bijeenhield, af en slingerde ze ver
van zich:

„Daar, duivels, dáár! God, ik voel Uw gericht! Het rust op mij, zwaar
als lood, als lood! Wees mijn arme ziel genadig!” In snikken smoorde
haar klacht.

„Ik dacht altijd het meest aan mijn eigen verdriet, omdat Yglo gevangen
was!” kreunde Henno met zijn gezicht stijf tegen den bodem. „Als ik
verpletterd moet worden, laat het dan niet lang meer duren! Ik sterf, ik
sterf van angst!”

„In de hel zal altijd die angst wezen,” mompelde iemand aan zijn oor en
Henno wrong de handen en verdubbelde zijn gebeden, terwijl de storm
raasde en het weer was alsof het over hen heentrok met gillen en
fluiten, paardenhoeven dreunden, zwartalven stoven krijschend voorbij
en wolven jankten met schel geblaf.

Gerlach boog het hoofd, hijgend, zijn gezicht was vaal, krampachtig
trokken zijn lippen.

„Dat is de dood!”

En weer ruischten als liefelijk harpgesuis te midden van den orkaan,
terwijl de kleine kerkvensters in gloed werden gezet door het licht van
den bliksem, dat flitste langs het donkere gewelf, de zachte woorden,
die toch drongen in ieders hart:

„Mijne kinderen, het sterven is gewin. Wie in God gelooft stijgt op tot
Hem, ook al dreigt duisternis en dood. Daar zal geen duivelenheir u meer
deren. Wat uw ondergang scheen, kan uw redding worden in Zijn hand.”

De grijze bisschop stond daar zoo kalm, er ging zulk een rust van hem
uit, het was of de zielevrede die blonk op zijn gelaat nogmaals de van
vertwijfeling verwrongen trekken der aanwezigen effende, er kwam weer
een weinig licht in de doffe oogen. Een zucht van verademing ontwelde
aller borst, de lucht scheen nu niet meer vervuld met een duivelenheir
aan den zwavelpoel ontstegen, dat hun ondergang zocht, om hen te kunnen
pijnigen.

En in volle kracht verhief zich nogmaals de stem van bisschop Ansfried
en zijn woorden gloeiden thans in hun hart, brandend als het laaiend
vuur, waarvan zij den gloed zagen in de verte, te midden der zwijgende
duisternis, maar louterend tevens. Hij wees op de verschrikkingen, die
ieder wachtten, welke thans berouw toonde alleen uit angst voor wat
komen ging, hij toonde het heil weggelegd voor allen, die niet met de
lippen maar uit den grond huns harten beleden:

„De Heer is mijn Herder!”....

Het was hun bij die woorden of zij uit het bulderen van den orkaan, uit
de zengende hitte der vlammen, die reeds naar hen grepen, kwamen in de
liefelijke stilte van het koele woud, waar de lofzang der vogelen trilde
en de reukoffers der bloemen omhoog stegen, waar de Gekruiste Christus
de armen uitbreidde naar allen, die vermoeid en beladen vluchtten tot
Hem, die alleen der gejaagde menschheid veiligheid kon geven en redding
uit ieder gevaar, waarmee haar het leven bedreigde of de dood.

Tranen stroomden over de wangen der vrouwen, hooger gloeiden de
gelaatstrekken der mannen, stemmen bevend van ontroering zegenden
bisschop Ansfried, die allen den rechten weg had gewezen, die ieders
leidsman wilde zijn.

„Niet mij! Kiest Christus tot uw Leidsman! „Ik ben de weg, de waarheid
en het leven!” Zoo luiden Zijn heilige woorden. Wat zoekt gij dan bij
menschen heul?”

Het was of een groote beweging ging door gansch de saamgedrongen schare.
Allen schenen gevonden te hebben wat zij zochten, ieder wilde zich
bekeeren tot God. Menig roodgeweend oog zocht opnieuw den bisschop.

„Vader Ansfried,”.... fluisterde veler trillende stem. En toen dachten
allen aan het verleden; aan het hunne. Hij had hun de leer der liefde
gepredikt en zij hadden zoo menigwerf niet geluisterd, hij had hun
zachtheid geleerd -- wanneer had die hemelgave hun woorden en daden
bestuurd? Barmhartigheid ook jegens vijanden luidde zijn eisch, haat en
wrok gaven hem het antwoord. En thans, nu zij ieder oogenblik
verwachtten de bazuin te hooren weerklinken van het jongste gericht, nu
de boeken zouden worden geopend en elk zich geoordeeld zou zien naar
zijn werken, de gloeiende zwavelstroom dreigde en het vuur en sulfer,
die de gansche aarde zouden verzwelgen, gelijk eenmaal Sodom en Gomorrha
werden weggevaagd, nu de vertwijfeling over hen kwam van het
onherroepelijk: „Te laat!”.... klonk zijn stem boven het bulderen van
den orkaan en het rollen van den donder als een lied van vrede en hope,
een psalm van heilig gelooven te midden van den zwarten nacht:

„Het is niet te laat! Het is nooit te laat! Gods hand rust zwaar op de
zondaren, maar opent zich mild voor allen, die Zijn zegen vragen, die in
Hem gelooven, en weten, dat wij allen uit genade zalig worden, opdat
niemand roeme! Hebt Hem lief, hebt Hem lief, zoekt alleen in Hem uw rust
en gij zult haar zeker vinden tot in alle eeuwigheid!”

Bisschop Ansfrieds woorden zwegen, maar het was allen of het plechtig
psalmgezang voortduurde, hymne van zielevrede en geloof, stammend uit
beter, heiliger oord, die het woest geweld der aarde breidelde, vredig
als de zilverschijn van het maanlicht, wanneer dit valt door
voortgezweepte stormwolken.

Een groote kalmte daalde in de harten der fel geschokte menschen.

„Heilige woorden, ruischend van den Heiligen berg,” fluisterde
Swanwitha’s zachte stem en het diep bewogen woord repte zich als
gevleugeld door het gansche kerkgebouw. Stil werd het binnen, waar allen
zich voelden beschermd en bewaard door de tegenwoordigheid van een
enkele die -- als eenmaal Henoch -- wandelde met God, die voor hen bad.
Stil werd het buiten, waar de storm zich legde en het gerommel van het
onweer nog slechts uit de verte werd gehoord.

Geruime tijd ging onder dezelfde ademlooze stilte voorbij... Was het
duivelenheir overwonnen door de engelen, die zouden komen en de
menschheid voeren ten gericht?

Maar geen bazuingeschal weerklonk, geen geruisch van blanke serafwieken
werd vernomen...

Stil bleef het, ademloos stil. Bisschop Ansfried zag neer op een in
gebed verzonken gemeente...

Niemand waagde zich te verroeren, maar toen eindelijk, eindelijk Olaf
moedig de deur openstiet, waarbij hij zoolang had geknield op den grond,
ontdekte ieders verbaasde blik de zon, die langzaam en statig zich
losmaakte uit de nevelen, welke haar glans onderschepten. Zij zagen den
bodem vast, onbewogen -- zij zagen, dat de aarde nog bestond.

Naar buiten snelden allen, wankelend, -- als in een droom. Zij zagen de
verwoesting aangericht door den storm, de gevallen boomen, de doode
vogels, vleermuizen met uitgespreide vlerken, katuilen met ronde,
starende oogen, zij zagen een wolf, gewond, soms nog flauw jankend en
blazend, waarschijnlijk vluchtend voor het weer, getroffen door een
vallenden boomstam, op den grond liggen met gebroken poot... Dat waren
de krijschende geluiden geweest, die zij hadden toegeschreven aan
helsche geesten, voortgebracht hadden hen de dieren van het woud, en de
uit angst voor het noodweer opgejaagde vogels. En toen gleed de door
dankbare tranen gesluierde blik der geredden over het glanzend
golvenvlak van de Eem en zij zagen het overschot der voor weinige dagen
zoo machtige Denenvloot teruggeslagen door den storm, ontredderd drijven
-- iedere bodem thans een wrak. Waren nog enkele schepen ontkomen? Zij
wisten het niet, zij vroegen het niet, zij zagen eigen leven gered, maar
meer dan dit, bevrijd hun volk en vaderland. Toen zocht menig oog de
plek, van waar zooveel onheil was uitgegaan, waar de eerste schakel
gesmeed was van den keten, die hen moest omknellen voor altijd -- en zij
zagen den Ravenhorst, zwart verbrand, een vormlooze steenklomp.

Had de bliksem zijn hooge transen neergeslagen, was het vuur op last van
vrouw Sigrid ontstoken, opnieuw aangewakkerd door den vliegenden storm
en had dit zijn werk verricht?

Niemand vroeg het. Met lippen, die een dankgebed stamelden, zagen vrijen
en hoorigen den dwangburcht vernietigd, die een schaduw des doods had
geworpen op geheel het omliggende land.

In het oosten kleurde een roode gloed den hemel en deed zijn
koepelgewelf opvlammen en stralen van licht.

Gezegend, heilig licht! Het gloeide op de kroongewelven der eiken, het
straalde tusschen de donkere takken der dennen, het glansde over weide
en veld. De schaduwplekken baadden in gloed, de wolken werden omzoomd
met een gouden glorie, en de golven der rivier weerkaatsten het
vlekkeloos blauw van den hemel. Licht was alles, enkel licht...

De grijze bisschop hief beide handen op, zegenend. Ook zijn gelaat
straalde als verheerlijkt, toen hij omgolfd door het licht, dat
neergleed van omhoog uitriep:

„De donkere nacht van vrees en verschrikkingen is voorbij, het is of de
aarde werd herboren. Mijne kinderen, houdt de gelofte afgelegd in het
geweldig uur, toen gij dacht weldra te zullen staan voor uw eeuwigen
Rechter, toen de buitenste duisternis dreigde en gij Zijn genade hebt
ingeroepen om Jezus Christus’ wil. Hecht nimmermeer geloof aan
menschenwoord, zoekt steeds uw rust in dat van God: „Deze dag en deze
ure weet niemand.”

En thans, dankt allen met mij onzen God, Die ons als een nieuw leven
schenkt op een nieuwe aarde.” Op de knieën zonken allen overweldigd door
wonderbare aandoening. Met een huivering van ontzag gevoelde ieder de
wijding van het oogenblik, niemand waagde bijna zich te bewegen. Weer
was het een oogenblik ademloos stil als dien eigen nacht. Toen echter
heerschte het zwijgen van den doodsangst, nu een onbeschrijfelijk gevoel
van verlossing en redding.

Aangezichten bleek van aandoening zochten den hemel, waaraan de zon
opging, eerst wemelend in teere ochtendtinten van opaal en rozerood, dan
opgloeiend in glanzend lila, in stralenbundels van vlammend karmozijn.
Het was alsof het rijzend licht in waarheid een nieuwen hemel deed baden
in gloed, of zijn goudglans viel op een nieuwe aarde.

En onder dien hemel, schitterend blauw met zacht verder drijvende
zilverwolken boog zich de gansche saamgestroomde menigte met tranen van
een geluk, dat de woorden miste om zich te uiten. Maar in vervoering
hief bisschop Ansfried de rechterhand op, omhoog wees hij, omhóóg.

„Ziet daarheen! Aanschouwt het licht! Geloofd hebt gij allen, dat de
aarde ten ondergang was gedoemd, een rilling van ontzetting, die de
voorbode scheen des doods, ging door uw leden en -- nu!.... Ziet
daarheen!

Thans is ieder hart een tempel des gebeds, en de hemelen schijnen
geopend. Het is of de wolken als zilveren booten zeilen langs de
stralende lucht. Engelen omzweven ons, hoort hun wiekslag! Neer dalen
zij terwille van allen, die bereid zijn hun goeden strijd te strijden
ten einde toe, wier namen zijn geschreven in het boek des levens.

Mijn verloste kinderen, toen de duisternis dreigde, hebt gij God
gezocht; vergeet Hem niet, vergeet Hem nimmermeer, nu het licht voor u
werd en gij Zijn eindelooze liefde ervaart met zijn grenzenlooze
erbarming. Houdt Hem vast, houdt Hem vast in leven en dood, Hij verlaat
nooit wie op Hem vertrouwen. Dan dragen u eenmaal de engelen in Zijn
eeuwig huis, waar de onsterfelijkheid uw deel, de oneindigheid uw woning
en de eindelooze gelukzaligheid uw toekomst zal zijn!”

Slechts tranen gaven hem het antwoord, zwijgende gelofte afgelegd in het
onvergeetlijk levensuur van allen, die de heilige woorden van geloof en
liefde en hope opvingen, ruischend als met engelenstem van den Heiligen
berg.

Tot die zwijgende gelofte overging in stil gebed, zich oploste in den
als bij ingeving door allen, die de woorden machtig waren, aangeheven
jubelzang:

    „Te Deum laudamus: te Dominum confitemur
    Te aeternum Patrem omnis terra veneratur.
    Tibi omnes Angeli, tibi coeli et universae potestates:
    Tibi Cherubim et Seraphim incessabili voce proclamant:
          Sanctus, Sanctus, Sanctus!”....[25]

  [25] Gezang 3 vers 1.



HOOFDSTUK XXVIII.


Het was de avond van dienzelfden dag. Het volk verspreidde zich, de
koortsachtige opgewondenheid week met de geweldige spanning, maar nog
lang zou blijven nagloeien in de harten het gevoel van redding en
overstelpend geluk, waarvoor ieders mond vruchteloos woorden zocht.

Stilte daalde over de velden. Van de linde, die haar zoeten bloesemgeur
zond in bisschop Ansfrieds vertrek, ritselde geen blad, geen vogel zong
in de twijgen. Het was of geheel de schepping nog steeds zwijgend
aanbad, bij het wonder dat zij aanschouwd had: het licht van den
dageraad opgaande over de als herboren aarde....

Groote dankbaarheid, heilige vrede, heerschten in menig hart,
beheerschte geheel dat van graaf Frethibold, wiens geluksgevoel thans
zijn vroegere radeloosheid evenaarde, haar zelfs volkomen in de schaduw
stelde.

Gerlach had gesproken, op ’s bisschops bevel. Hij wist nu, dat zijn zoon
leefde, dien hij als dood had betreurd, den nooit vergeten oogopslag
zijner vrouw vond hij thans terug bij zijn kind -- bisschop Ansfrieds
dappersten ridder -- zijn redder uit doodsgevaar te midden van het wilde
slaggedruisch....

„Frethibold, heeft God het nu wèlgemaakt, ook met u?”

De stem van den bisschop was zacht en vriendelijk als die van een vader,
wanneer hij een dwaasheid vergeeft aan zijn kind.

De krachtige man drukte de handen voor de oogen, zij waren vochtig van
ongeschreide tranen, tranen van geluk.

„O, heer, heer! Nimmer zal ik meer klagen, nooit meer! God vergeve mijn
morren en wanhoop; ik heb Hem verlaten en Hij heeft mij gezocht en
overstelpt met Zijn grootste zegening. Wat zal ik Hem ooit kunnen
vergelden voor zulk een weldaad! God is goed, Hem looft mijn ziel!”....

„God is altijd dezelfde, Frethibold, in vreugde en in rouw, bij dag en
bij nacht, in voorspoed en leed. Alleen de menschen vergeten Hem vaak te
midden van hun geluk, dan trekt Hij hen tot zich met liefdekoorden
gevlochten uit ramp en tegenspoed. Dàn klagen zij en Hij vergeeft en
zegent.”

„Ja, zoo is het! Ach, had ik dit toch vroeger begrepen, vroeger. Hij
geeft mij zooveel!”

Zijn blik zocht de vensternis aan de tegenovergestelde zijde van het
vertrek, hij bleef rusten op twee jonge, bloeiende gestalten, die
stonden hand in hand, alles om zich heen vergetend, alleen elkander
ziende en hun geluk.

„Mijn, voor altijd mijn!” fluisterden Unruochs lippen.

Swanwitha, zijn jonge bruid nu, zag hem aan met een blik vol glans:

„Toen de duisternis mijn leven bedreigde, de ijzige koude van een
bestaan zonder liefde, een verbintenis gesloten uit dwang, toen heb ik
tot God gebeden en Hij heeft mij verhoord. Hij was het die Olaf zijn
edelmoedige woorden op de lippen legde, die mij vrij maakten van mijn
afgedwongen gelofte. Nu is uw God ook de mijne. ’t Is zoo heerlijk,
alles is licht!”

Zij stond daar zoo kalm en vredig in haar wit kleed, met zulk een
gelukkigen glimlach op het liefelijk gelaat, het avondrood tintte met
zijn glorie haar lang golvend haar, ook in haar oogen welden groote
tranen van onuitsprekelijk geluk.

Was het wonder, dat graaf Frethibold plotseling de armen uitbreidde met
een teer:

„Mijn lieve dochter, door mijn zoon nu ook mijn kind!”....

„Neen, het uwe niet, niet het uwe!” Een stem snerpte het, schor van
machtelooze woede, nog genietend tot het laatste oogenblik van haar
macht om geluk te kunnen verkeeren in leed, vreugde in rouw.

Het was vrouw Sigrid, die alleen de laatste woorden had opgevangen,
terwijl zij binnensnelde, op den voet gevolgd door haar beide wachters.
Te vergeefs hadden zij beproefd haar in bedwang te houden en te doen
blijven in het vertrek, haar aangewezen als voorloopige kerker. Zij had
de deur weten open te rukken terwijl de bewaker haar het avondbrood
bracht, toen was zij de wacht voorbijgestormd en nu stond zij hier. Een
flauw gerucht was tot haar doorgedrongen, dat graaf Frethibold zijn kind
had hervonden, wie dat was wist zij niet. Maar nu ving zij enkele zijner
woorden op, zag zij hem Swanwitha liefkoozen.... Zij zou hem doen
ontwaken uit zijn geluksdroom. Weer voelde zij haar macht, zij hield het
heft in handen.... En dit gevoel dreef haar een geheim van de lippen,
dat zij anders met zich zou hebben genomen in het graf.

„Uw dochter, zegt gij? Ha, ha! Waart gij dan gehuwd met Gisela van
Teisterbant? Die was haar moeder, haar vader -- mijn zoon.”

Een dubbele kreet weerklonk. Bisschop Ansfried drukte Swanwitha aan zijn
hart, hij snikte als een kind:

„Heb ik het niet altijd geweten, altijd! Dochter mijner dochter, wees
gezegend, wees tot zegen! Hoe zal ik den Heer loven Die mij u deed
hervinden!”

Hij wendde zich tot vrouw Sigrid:

„Wèl mag ik hier de woorden herhalen eenmaal in Egypteland door Jozef
gesproken tot zijn broeders:

„Gij hebt kwaad tegen mij gedacht doch God heeft dat ten goede gedacht!”
Hij wees op Unruoch: „Daar staat de zoon van den gouwgraaf, de
toekomstige graaf van Teisterbant en zijn bruid -- het is mijn eigen
kleindochter, mijn lieve Swanwitha!”

Zijn lippen liefkoosden den naam, zijn hand het gouden haar. Die
gelukkige in elkaar als verzonken groep.... Het gezicht maakte vrouw
Sigrid bijna razend. Met een verwensching trok zij haar langen, zwarten
mantel om zich heen; als een visioen van den nacht, die rouw en jammer
opriep, was zij verschenen, als een schaduw wilde zij verdwijnen uit het
vertrek, uit de herinnering dezer menschen.

Maar de bisschop trad haar in den weg:

„Vrouw Sigrid, waarheen wilt gij? Gij zijt een gevangene, vergeet gij
dat?”

Zij barstte uit in een tergenden lach:

„Gevangen, ik? Misschien zoolang ik dit zelf wil, maar ook geen
oogenblik langer. Als ik het verkies verlaat ik uw kerker evenals ik het
nu deed, dwars door de wachten heen.”

„Gij zult slechts weinig dagen een gevangene blijven, op deze wijze. In
een stil, afgelegen vrouwenklooster zal u tijd worden gegeven tot boete
en nadenken, die, God geve het, eenmaal ook bij u mogen worden gevolgd
door bekeering en berouw.”

Weer die verachtelijke lach, die tartende blik:

„Berouw, ik? Ha, ha! Ik zie de tuchtroede reeds geheven boven mijn
hoofd! Nu, deze handen zullen nog krachtig genoeg blijken om haar te
breken.

Hoor, wat ik u zeg: Als gij mij opsluit, zal ik ontsnappen, als gij mij
opnieuw weet te vinden weiger ik alle voedsel, dan sterf ik den
hongerdood door uw toedoen, vrome bisschop, door ùw schuld! Voor mij
bestaat er altijd een uitweg. Gezworen heb ik terug te keeren naar mijn
Noorsch vaderland, en ik houd dien eed. Daar tusschen de zwijgende
bosschen, in wier schors de eeuwen hun runen schreven, zal ik mijn leven
voortsleepen in herinnering, die mij ten vloek zal zijn, door uw
toedoen. Want de ongerepte sneeuw, die daar zwaar ligt en dicht, die de
takken der dennen doet breken onder haar last, zal nooit in staat wezen
den hellebrand te blusschen, die gloeit in mijn hart aan een verterend
vuur gelijk, nu ik u heb zien zegevieren, terwijl mijn grootsche plannen
faalden -- alle!”

„Ongelukkige, misdadige vrouw, ik laat u niet gaan, nooit! Ook uw ziel
is kostbaar in het oog van God, Die alleen haar kan redden van het
eeuwige verderf.”

„Red u zelven van het verderf! Daar, dáár! Zie of gij er toe in staat
zijt! Dáár!”

Als een furie gilde, krijschte zij. Zij hief den arm op. De manshooge
luchter, die reeds was ontstoken in de nis voor het kleine huisaltaar,
kantelde, viel om met een slag. Vuur vatten de drooge biezen op den
vloer, weldra zou de vlam zich verspreiden....

„Redt! Helpt!” klonk het uit ieders mond.

„Onzalige vrouw! Gij, die steeds speelt met vuur, in vlammen zult gij
eenmaal vergaan!”

Graaf Frethibolds stem klonk bitter van rechtmatigen toorn, een even
bittere lach gaf hem het antwoord, daartusschen siste reeds het brandend
stroo.

Terwijl allen zich beijverden om den brand te blusschen, sloeg de deur
toe. Zij hoorden er den grendel voorschuiven aan de buitenzijde, zij
moesten de vluchtende overlaten aan zich zelve om eigen leven, om het
bedreigde kerkgebouw en het kleine gedeelte, dat nog over was van het
zendingshuis te redden.

Toen die zware arbeid eindelijk was volbracht en door een toesnellenden
speerknecht de deur ontgrendeld, lagen de vale schaduwen van den nacht
over het land, waarin vrouw Sigrid nimmermeer zou worden gezien.

Over haar verder leven, over haar dood bleef de sluier rusten der
vergetelheid.

Daar waren geen werken verricht door haar hand, die haar konden volgen.
Zij behoorden tot den nacht en gingen onder in den nacht, beladen met
smaad en verachting.

Of de trotsche vrouw nooit gevoelde, dat zij de straf harer schuld droeg
in zich zelve? Haar verder leven zou zijn verlatenheid en wroeging.
Verteerd door vruchtelooze wenschen naar voormalige macht, zou haar deel
zijn de te late erkenning, dat ieder verantwoordelijk is voor eigen
daden en, dat die daden hem het antwoord geven in de vergelding, welke
zijn leven treft.



HOOFDSTUK XXIX.


„Vaarwel, God zegene u! Schenk mij uw zegen, mijn vader! Vaarwel,
vaarwel!”...

Olaf Erikson stond voor den bisschop -- het was de laatste maal. Buiten,
aan de overzij van het water, hinnikte zijn paard reeds ongeduldig de
thuisreis tegen -- het was voor de laatste maal.

Als geboeid hing zijn oog aan het gelaat van den grijsaard, dat zoo kalm
en verheven neerzag op het woelen en drijven der menschen, dat zoo zacht
en geduldig bleef bij smaad en hoon, waarvan de lippen een gebed
fluisterden voor zijn vijanden -- met woorden wellend uit het hart.

„Vaarwel!” stamelde Olaf nog eens, „vaarwel, voor altijd!”

Het scheen of hij geen ander woord wist te vinden.

Doch bisschop Ansfried had een beteren afscheidsgroet:

„Geen vaarwel voor altijd, Olaf! Dit leven is slechts kort van duur.
Pelgrims zijn wij allen, op weg naar huis. Dáár, in het eeuwige land der
onsterfelijkheid zullen eenmaal allen elkander hervinden, die God
liefhadden, al werden zij hier beneden gescheiden door het aardsche
leven en de wisselende lotgevallen der menschen.”

Het zachte suizen van den ochtendwind begeleidde zijn woorden, het klonk
als een liefelijk gezang, dat aanzweefde uit de wijde verte.

„Hoe goed zal het daar de verlosten zijn, Olaf, in het heilige land van
vrede en rust. Daar vloeien geen tranen meer, daar kent het hart, dat
moedig volhardde in den levensstrijd, zijn goeden strijd streed ten
einde toe, smart noch rouw. Olaf, is deze eindelooze vrede, dit geluk,
dat ons wacht in het land onzer toekomst, niet waard, dat men er hier op
aarde voor lijdt en draagt, dat men strijdt om in te gaan?

Laat het daarom niet langer uw wensch zijn het christendom te belijden,
omdat gij het verhevene voelt van zijn leerstellingen, maar omdat het
een godsdienst is, die de menschen edel maakt en rein en goed, omdat het
de openbaring is van Gods Woord en wil, allen tot zaligheid gegeven.

Treur daarom niet langer zoo bang, zoo zwaar om wat het leven u
ontneemt. Ik weet welke onvervulde wenschen gij hier achterlaat, ik
weet, dat het hard is alleen door het leven te gaan, zonder liefde,
zonder geluk. Maar draag het, moedig en sterk, omdat het God is, die
ieder zijn kruis geeft. Voorwaar, het is geen lichte taak een christen
te zijn. Het is een heldenleven, dat geduld eischt onder de zwaarste
slagen, levensmoed bij het bitterste zieleleed, een onwrikbaar
vertrouwen op de liefde en wijsheid van God, wanneer de zon van ons
bestaan ondergaat in nacht. Wie een christen wil wezen, moet geheel zijn
eigen ik loslaten, met al zijn wenschen, droomen en plannen voor dit
leven. Hij moet alleen willen wat God wil en met Paulus getuigen: „Het
leven is mij Christus, het sterven gewin.”

Want, wat hier ons kruis was, wordt dáár onze kroon. Omstraald door het
licht der eeuwigheid zullen wij Gods wondere leidingen leeren begrijpen,
die wij hier slechts aanschouwen in een duisteren spiegel. Hoop slechts,
Olaf, geloof en vertrouw.”

Olaf sloot de oogen.

Het was bijna te schoon, te heerlijk om te kunnen gelooven, toch voelde
hij de hoop van den christen en het geloof, „den vasten grond der dingen
die men niet ziet,” rijzen in zijn hart en een groot vertrouwen nam
bezit van hem geheel.

Mocht dan donker de zee zijn waarop zijn levensboot zou drijven in
zwarten, sterrenloozen nacht, terwijl al de baren over hem heengingen en
de wateren klotsten tegen de kiel, toch zou hij wankelen noch
vertwijfelen. Want héél ver in het verschiet, aan het einde der reis
lichtte het met blinkenden glans tegen de donkere wolken, dáár aan de
grens der levenszee, waar het eeuwige land der toekomst den zwerver
wachtte....

Helderder en schooner wordt het licht, het rijst, het verheft zich,
neemt toe in kracht, het doet de donkere golven baden in gloed, en
omstraald door die gouden glorie zweven lichtende gestalten nader, hun
gelaat blinkt, hun serafwieken schitteren wonderschoon. Hun stemmen
vereenen zich tot een koor met klanken, die niet meer behooren tot deze
aarde, die zich aaneensnoeren tot een hemelschen zang. Welkom heeten zij
de bevrijde ziel, die nadert om de palmen te ontvangen der overwinning,
om hun gelukzaligheid te deelen, in eeuwig, onvergankelijk heil. De
donkere zee -- thans baadt zij in licht; de ontredderde kiel -- hij rust
in veilige haven.

Kon het vluchtige, aardsche leven, hoe vol moeiten en ontgoochelingen,
ooit meer een beeld der verschrikking worden met zulk een toekomst in
het verschiet?

Olaf hief de hand op als ten plechtigen eed:

„Gij hebt over mij gezegevierd geheel, over de laatste wenschen van mijn
hart, die nog riepen om levensgeluk. Voortaan zal ik alleen vragen en
zoeken naar een levensdoel. Dat God mij de kracht verleene het te vinden
en te besteden tot Zijn eer, opdat wij eenmaal elkander mogen terugzien
in het eeuwig licht.”

„Uw levensdoel behoeft gij niet te zoeken. Het werd u reeds geschonken,
het ligt voor u bereid.”

Een verwonderde, vragende blik trof den spreker. Deze vervolgde:

„De toekomstige koning van uw groot en machtig vaderland is een kind,
opgegroeid te midden van het heidendom, omringd van alle zijden door het
geloof aan de woeste, geweldige goden van uw onverschrokken volk.

Hij draagt uw naam, ik weet, dat koning Harald u liefheeft, hem heeft
genoemd naar u, wenscht, hoe hij eens u zal gelijken. Tracht daarom het
hart van den jongen Olaf, den opperkoning van Upsala, te winnen voor het
christendom, toon hem, dat de leer van den Christus machtiger is dan de
ruwe kracht der heidensche goden, omdat zij haar oorsprong nam uit de
eeuwige liefde.

Wijs hem op het wisselvallige van aardsche macht, op het vluchtige van
het leven der menschen, dat wel mag worden vergeleken met de vallende
bladeren in den herfst, als in de purperen en goudgele wouden de boomen
onbeweeglijk staan en de bladeren neerdwarrelen in den stillen, grijzen
najaarsmorgen. Zij worden niet meer gekend, als het gras vallen zij neer
of verwelken gelijk de bloem op haar stengel. Dat is het einde. Alleen
God blijft tot in eeuwigheid, wèl is het hem, die in dat geloof zijn
rust vond: tot nieuw leven zal hij worden gewekt in Zijn eeuwig huis.

Dit, Olaf, is de levensles, die gij den jongen koning eenmaal zult
leeren. Eenmaal, zeg ik, nu is de tijd nog niet daar. Gij zelf moet nog
leeren in de school van het leven, in die van het christendom, eer gij
anderen tot gids kunt zijn. Zelfs Paulus had een tijd van voorbereiding
noodig, eer hij waardig werd gekeurd te gaan tot de heidenen.

Ook gij werdt wonderlijk getrokken, maar ook gij behoeft tijd en
nadenken en véél gebed om te worden wat gij zijn moet, om de levenstaak
te kunnen vervullen, die u wenkt.

Hier kunt gij niet blijven. Het volk weet wie gij waart, met welk doel
gij in dit land zijt gekomen. Wantrouwen zou uw deel zijn van allen
kant en wantrouwen doodt en verstikt wat goed en edel is in het
menschelijk hart. Ga daarom, -- waar ik de lessen leerde, waarvan mijn
leven de vrucht werd -- naar Keulen, naar de Schola Palatina, de groote
leerschool bij uitnemendheid. Daar zult gij vrienden vinden in
leermeesters en denkers, ik zal u aanbevelen en hoewel verwijderd van
elkander, zullen wij niet gescheiden zijn. Weldra zult gij de
letterteekens weten te ontcijferen, dan zullen onze brieven verhalen wat
wij elkander niet kunnen zeggen. Leef en werk, heb vertrouwen in uw
toekomst, dat is leven voor de toekomst.

En als gij u bereid voelt voor uw taak, ga dan tot den jongen koning.
Erken hoe wonderlijk God u heeft geleid: Gij zijt hier gekomen om dit
volk te verderven, gij wordt geroepen om, in hooger kracht, een ander te
behouden.”

Een nieuwe glans lichtte in Olafs blik; om zijn mond speelde een
glimlach, die de trek van berusting uitwischte, welke er nu sinds
zoovele dagen zetelde, die verhaalde wat eens zegepraal wezen zou, als
de goede strijd gestreden was en de loop voleindigd.

Bisschop Ansfried zag het, hij was voldaan. Zegenend legde hij Olaf de
rechterhand op het hoofd, met de andere reikte hij hem een perkamentrol,
beschreven met zijn eigen vast, duidelijk schrift. Het was het Evangelie
van Johannes.

„Ziedaar Olaf, de beste gids, dien ik u geven kan voor het leven, nu
gij, als mijn eerste zendeling, mijn zendingshuis verlaat. Neem het,
lees dit boek zoodra gij het kunt en heb het lief, iederen dag meer en
meer. Heilig zij u het rein en verheven woord, opgeteekend onder de
ingeving van den Heiligen Geest door den Apostel dien Jezus liefhad.”

Hand in hand herhaalden beiden nog eenmaal hun afscheidsgroet -- thans
niet meer een „vaarwel!”....

Buiten straalde de aarde in den luister van zonlicht en zomerglans. Olaf
wendde zijn paard. Een moeilijke leerschool wachtte hem, eer hij terug
ging naar het land der trotsche bergen, wier duizelingwekkende
rotstoppen, wier onbegaanbare sneeuwkloven zich omhullen met grijze
wolken, met nevelen dicht en zwaar.

Vele jaren moesten verloopen in den vreemde eer hij weer zou keeren naar
de schitterende koningshal, waar hij voorheen als bloedsbroeder en
schildgenoot werd welkom geheeten, bij het plengen van den Bragibeker,
bij zwaardslag en harpslag, waar hij dan als vijand zou worden gehouden,
al de tegenkanting zou ondervinden, ingegeven door het wantrouwen en den
haat tegen het christendom, die geheel zijn volk beheerschten.

Zijn volk, even krachtig, onoverwinnelijk en woest als de trotsche
natuur van zijn land.

Zou hij slagen in zijn levenstaak?

       *       *       *       *       *

De geschiedrollen, die de wereld richten, die blijven tot een onwrikbare
getuigenis, zelfs als het erts vergruist en het hechtste arduin in puin
valt, zouden het antwoord geven op die vraag.

Zij zouden eenmaal den jongen opperkoning van Upsala den naam schenken
van „Olaf, de Heilige.”

Zij zouden vermelden, dat hij de eerste heerscher was van het ruwe
Noorden, die koning van Zweden heette, die orde en recht wist te
scheppen in de verwilderde Staten, welke hij vereende onder zijn gezag.
Hij zou het heldenras, waarover hij den schepter hield geheven, vormen
tot een christenvolk, dat hij door zijn heerschersgaven binnen voerde in
de gewijde rijken der historie, door zijn voorbeeld en woorden bracht
tot het geloof in het eeuwige land der onsterfelijkheid, weggelegd voor
allen, die leven in dit geloof, dat eens zal worden tot zalig
aanschouwen.

       *       *       *       *       *

Nog eenmaal wendde Olaf het hoofd om, voor de laatste maal, want
voorwaarts ligt de weg door het leven. Hij wist, hij gevoelde het,
gelijk ieder, die zijn roeping begrijpt, de taak hem door God op aarde
toevertrouwd.

Het klare, levenwekkende zonlicht stroomde over het landschap en tintte
het water om den Hohorst met zijn schitterenden gloed. Het was of
gewijde stemmen zegeningen fluisterden, of de gouden stralenbundels een
lichtweg wilden vormen, die rechtstreeks voerde van de donkere aarde
naar den hoogen hemel. Het scheen alsof al het licht, dat aan dien
wijden hemel glansde, ineenvloeide boven den „Heiligen berg.”



AANTEEKENINGEN.


Van Ansfried, graaf van Teisterbant, getuigt zijn levensbeschrijver:

„dat hij vijf en twintig jaar stond aan het hoofd van zijn graafschap,
wijd en zijd beroemd als een uitstekend regent, een dienaar der hoogste
gerechtigheid, die zich noch door groote giften noch door gunsten van
den weg des rechts liet afbrengen, een oprecht en wijs raadsman zijner
vorsten en een moedig verdediger van de belangen zijner onderdanen.”

  ALPERTUS en PERTZ VI.

       *       *       *       *       *

„Wij meenen hem (Ansfried) zeker een plaats te moeten toekennen, onder
de broeders en zusters, die wij met Paulus vrijmoediglijk geheiligden in
Christus Jezus heeten.”

  Prof. MOLL, in den Kalender voor Protestanten in Nederland. 1856.

       *       *       *       *       *

Van den oprechten godsdienstzin zijner vrouw, Hereswit, gravin van
Strijen, worden door Giesebrecht en Thietmar in hun kronieken
verscheidene mededelingen gedaan. Ook de hierboven vermelde gebeurtenis
in de kapel bij Casallum is geheel historisch.

       *       *       *       *       *

Stichtingsoorkonde van de abdij van Thorn, 992.

In den naam der Heilige en onverdeelde Drievuldigheid.

Ik Hereswit van Strijen, wensch den bruidegom der Maagden te volgen en
heb daarom in overleg met Ansfried, mijn heer, een kerk gesticht op mijn
bezittingen te Thorn, waar ik en mijn dochter Benedicta dit sterfelijk
leven zullen slijten onder den regel der heilige gehoorzaamheid, opdat
wij verdienen in de toekomstige eeuw, met witte kleederen aangedaan
onder de engelen te verschijnen voor den rechtvaardigen rechter.

Ik bezweer mijn erfgenamen, de heeren van Strijen, bij Hem, die was en
komen zal, dat zij deze schenking niet bemoeilijken, maar mijne dochter
en hare communauteit in rechtvaardigheid verdedigen.

  Zie Diploma bij HABERTS.

       *       *       *       *       *

Hereswit stichtte met goedvinden van Ansfried de kerk en het klooster
van Thorn, bij Maaseik. Zij werd er begraven. Hun dochter Benedicta was
er abdis.

Vergrijsd en vermoeid van de vele wisselingen zijns levens werd Ansfried
in 994 gekozen tot bisschop van Utrecht. Het Sticht, dat zooveel had
geleden van de invallen der Noormannen, behoefde een verstandigen
regent. Toen Otto III hem tot die hooge waardigheid riep, trad graaf
Ansfried in diepe verslagenheid voor den keizer en gebruikte hij al zijn
welsprekendheid, om den landsheer te overtuigen dat zulk een eer voor
hem te groot en zulk een ambt voor hem, den veldheer, ongepast was. Toen
niets baatte verzocht hij tijd om zich te beraden en te bidden.

  Prof. MOLL, Kerkgeschiedenis.

       *       *       *       *       *

Ook als bisschop blonk hij uit door wijsheid en godsvrucht. Hij
gebruikte al zijn inkomsten ten behoeve der kerk en was zoo sober in
zijn leefwijze, dat zijn tegenstanders hem er om bespotten.

  ALPERTUS.

       *       *       *       *       *

Zijn gesprekken kruidde hij met het bijbrengen van voorbeelden uit den
bijbel. Hij predikte, deed visitatie-reizen, sprak verstandig op de
rijksdagen, zocht de overblijfselen van het heidendom uit te roeien en
schonk zijn bezittingen „ad restaurandum ib idem Dei servitium.”

De schenkingsacte vindt men in zijn geheel bij HEDA.

       *       *       *       *       *

Het voorbeeld van Ansfried werd gevolgd door zijn vriend, graaf
Frethibold. Deze gaf aanzienlijke bezittingen aan den Dom van St.
Maarten.

ROYAARDS vermeldt, dat bisschop Ansfried in persoon tegen de Noormannen
optrok.

Zelf wijdde hij de door hem gestichte kerk op den Hohorst bij
Amersfoort, dat toen nog alleen bestond uit het slot Bachevorth en
eenige omliggende hutten. De Hohorst was destijds een heuvel, die
tusschen een breeden stroom (de Eem) en een moerassigen poel lag en
alleen met een boot kon worden genaderd.

  Zie THIERMAR en HEDA.

       *       *       *       *       *

Sinds bisschop Ansfried er verblijf hield, heet de Hohorst „de Heilige
berg.” In gezelschap van eenige vrome monniken wenschte hij daar van
tijd tot tijd uit te rusten van zijn zware plichten en zich voor te
bereiden op zijn naderenden sterfdag. Zoo dikwijls het hem mogelijk was
trok hij er heen en dan was de machtige kerkvoogd, die als jongeling de
banier droeg en de zwaarddrager was der Ottonen en nu nog dikwerf nevens
den keizer zijn plaats innam, een eenvoudige monnik, in niets van de
broeders onderscheiden, dan door hoogeren ijver voor den godsdienst en
door dieperen ootmoed. Alle dagen kwamen twee en zeventig armen uit den
omtrek tot hem en hij spijsde ze met eigen hand, en als er kranken waren
werden zij door hem verzorgd en opgenomen.

  MOLL. Kerkgeschiedenis.

       *       *       *       *       *

Het was een algemeen verbreid geloof, dat in het jaar 1000 de wereld zou
vergaan.

Met angst en beving had men het aanbreken van die eeuw afgewacht, want
tal van sombere voorspellingen schenen het jaar duizend als het einde
der wereld aan te duiden.

  DE ROEVER: Het leven onzer voorouders.

       *       *       *       *       *

„Het jaar 1000, dat bange tijdstip, waarop onkunde en bijgeloof
samenspanden om den menschelijken geest te doen sidderen voor de
gevreesde ure van den met zekerheid in dat jaar geprofeteerden
oordeelsdag.”

  HOFDIJK, Het Ned. volk.

       *       *       *       *       *

Het Concilie in Rome gehouden in 998 houdt er zich echter evenmin mee
bezig als dat van Poitiers in 999.

       *       *       *       *       *

Koning Robert van Frankrijk, vroeg bisschop Fulbert van Chartres naar
een verklaring van den bloedregen, die toen op de aarde was gevallen.
Fulbert antwoordde: „dat het geen voorspelling van ramp of onheil kon
zijn.”

  VICTOR DURAY; Hist. de France.

„Robert begon zijn regeering te midden eener alom heerschende vrees.”
(Idem.)

       *       *       *       *       *

Toen in 909 het Concilie van Trosby werd gehouden eindigde Heriveüs,
aartsbisschop van Reims, zijn klacht over het verval van den godsdienst
bij geestelijken en leeken met de woorden:

„Het herderlijk ambt wordt een onduldbare last, wanneer het oogenblik
nadert om rekenschap af te leggen van de taak, die ons is toevertrouwd,
want hij nadert in zijn verschrikkelijke majesteit, die dag, waarop alle
herders met hun kudden voor den Opperheer zullen staan.”

De abt Abbo van Fleury meldt daarentegen in 990:

In mijn jeugd heb ik te Parijs een prediking gehoord, dat zoodra het
jaar 1000 daar zou zijn, de wereld zou vergaan, dat eerst de Antichrist
zou verschijnen en niet lang daarna het oordeel zou volgen. Met een
beroep op de Evangeliën heb ik deze prediking met al de kracht, die ik
bezat weersproken.”

       *       *       *       *       *

Ontelbare charters, stukken en schenkingen aan de kerk vangen in dien
tijd -- volgens Plaine reeds sinds de 7^{de} en 8^{ste} eeuw -- aan met
de woorden:

„Waar alles voor onze voeten ten ondergang neigt, waar de
verschrikkelijke dag, het einde der wereld nadert” enz.

Tegen het einde der 10^{de} eeuw komt die aanhef niet meer voor.

       *       *       *       *       *

„Der Glaube dass mit der Sommersonnenwende des Jahres 1000 die Welt
untergehen und das jüngste Gericht hereinbrechen werde, galt während
jenes Jahres im Abendland als unfehlbare Wahrheit.”

  FELIX DAHN.

       *       *       *       *       *

„In het jaar 1003 werden over de geheele christenheid maar vooral in
Italië en Gallië, de hoofdkerken vernieuwd, ofschoon de meesten het
volstrekt niet noodig hadden. Alle volken wedijverden met elkander. Het
was alsof de wereld zich zelve uitschudde en haar lompen wegwierp om een
nieuw, blinkend wit gewaad aan te trekken.

  GABLER, de kroniekschrijver van Cluny.

Het is niet met juistheid op te geven in welk jaar de gouwgraven van het
Sticht plaats maakten voor de castellani (burggraven) van Utrecht.

De eerste castellano komt voor in 1105 tijdens bisschop Burchard. Tot
1156 waren de castellani dienstmannen, van 1164-1178 edelen. De
bisschoppen bezaten zelf wereldlijke rechten in de gouw Nifterlake en
Fleheti, die het Neder Sticht vormden. De gouwgraaf stond onder den
bisschop.

       *       *       *       *       *

Volgens Bondam is Bacheforth en Stuthenborch beide de naam van het
tegenwoordige Amersfoort. Anderen zoeken den Stuthenborch bij
Hoevelaken. (Stoutenburg).

Wie recht heeft valt moeilijk te beslissen. Want ook hier -- en nog voor
meerdere bijzonderheden in dit boek, o. a. over den hier beschreven
inval der Noormannen, dien sommige kronieken eenigen tijd vóór, andere
nà het jaar duizend vermelden -- geldt het woord van den ouden
kroniekschrijver, Claas Kolyn:

        „Ik moet u rond uyt zeggen
    Dat ons de schiedenissen ontbreeken
        Om duydelyker te spreeken.”



  Opmerkingen van de bewerker.


  Enkele duidelijke (zet)fouten zijn stilzwijgend gecorrigeerd.

  Overbodige, ontbrekende en inconsistent geplaatste aanhalingstekens
  zijn niet gecorrigeerd.

  Inconsistente spellingen, woordafbrekingen e.d. zijn niet
  genormaliseerd.





*** End of this LibraryBlog Digital Book "Toen de duisternis dreigde" ***

Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home